+ Een Spel van Sinnen van de Hel vant Brouwersgilde genaempt a)
|
+ foli/1
a) N.B. Cursieve woorden in de tekst bevatten emendaties die als regel niet nader verantwoord worden, maar naast de lezingen van het handschrift afgedrukt staan op blz. 59 vlgg.
Minder voor de hand liggende wijzigingen die de tekst zouden kunnen verduideliken, zijn niet aangebracht, maar worden in de aantekeningen besproken (blz. 63 vlgg.). Opgeloste afkortingen staan tussen haakjes. 1 De scheldwoorden die men hier en elders op duivels vindt toegepast: honden, stieren, gieren, wolven, draken, serpenten, komen overeen met wat de beeldende kunst toont (Van Moerkerken, 124 vlgg.) en wat omtrent de aankleding op het toneel bekend is (Haslinghuis 181 vlgg.). Over 't algemeen zijn veel 16e-eeuwse scheldwoorden aan de dierenwereld ontleend: ram G :486, :1178, eegel G :506, dier G :700, beer G :925, slack G :995; zie voor vogelnamen Sp. d. M. blz. 227 en J.W. Muller, Ts. 25, 22 vlgg.
2 met duysternisse gebonden - verstrikt in d., beladen met de helse d. of ellende, vervloekt.
Een van de vele rederijkersmetaforen, waarin het verband verloren werd met een reële voorstelling, zoals die bijv. nog gevoeld kan worden in Lucid. 1314, ‘die sonden ... daer wi mede sijn gebonden’. 3 oorsprong van sonden Gen. 3 en Openb. 20:2.
blijft dij, hyperkorrekte splitsing van blijfdij, zie Lubach § 69; vgl. G 117: sult dijer. 4 in allen quartieren = overal. Een 10-tal stukken van Lauris Jansz bevat de volgende serie synonieme uitdrukkingen in het rijm (afgezien van vele variaties in de praeposities en adjectiva): aen elcken cant, tot eenyger steede, in elcken wycke; aen alle eggen, hoecken, hoven; in alle inden, contreyen, laegen, landen, percken, pleckken, quartieren, syen, steden, weegen, wycken; op alle palen, stranden; in straeten en steegen, straeten en hoecken, dorpen en steeden; achter en voer, binnen en buyten, onder en boven; nae ende veere, ver off ontrent, vert en beneven; suyen en noort, west ende oost. En dit is nog slechts een klein deel van de stereotiepe formaties, die de rederijkers gebruikten.
5 Bohemath, Job 40:10.
6 plach bij Bohemath.
7 Leviathan, Job 40:20 e.o. pl.
vreden, vr- voor wr- is Holl.; zie Drie Kluchten, aant. op Katmaecker 37; vgl. B 107. 8 die daer voert mijn wapen = mijn veldheer.
9 Mammon, in het drama steeds de duivel der hebzucht, cf. Matth. 6:24. In het middeleeuws drama in Duitsland (volgens Arndt) slechts één maal; in Franse stukken treedt hij herhaaldelik op.
10 ook elders komt Asmodius in de litt. voor als duivel van wellust en ontucht (bijv. Jeanroy 556), wat overeenkomt met Tobias 3:8, 6:17.
13 alder duvelen advocaat, die namens de duivels, eig. namens Lucifer, optrad bij het richten der zielen; vgl. de duivelsadvocaat, de prelaat die bij een R.K. canonisatieproces ambtshalve bezwaren inbrengt, tegenover de Godsadvocaat, die de heiligverklaring verdedigt. G. Busket Huet heeft betoogd, dat de duivelsadvocaat (of procureur) oorspronkelik Maskeroen heette, maar dat Jacobus de Theramo, deze naam verving door Belial (Ts. 28, 267 noot 1). Zo spreekt men van de Processus Belial, Haslinghuis 46; ‘der sondaren troost of Belyal’, Mnl. Leg. en Ex.2 269, noot 2; ook Creizenach III 7, Mysterie van St. Maxentius. Ook deden niet nader benoemde duivels, of Lucifer zelf het woord (Eerste Bliscap). Mascheroen bleef overigens bekend: Mariken van Nieumegen 728.
15 Compt, vgl. 25, 92, 93, 94, 96, 97 etc.: imp. plur. voor sing., zoals in 16e en 17e eeuw nog zeer algemeen; vgl. 't omgekeerde, dat in B en G niet voorkomt, bij Vondel al overweegt, Vondel's Taal § 191, en op den duur vrijwel uitsluitend gebruikt wordt.
17 Briareus of Aigaion, een van de drie Hekatoncheiren.
18 Larva, bij de Romeinen een boosaardige, onheilbrengende geest.
| ||||||||||||||
|
20 De overgang van Cerberus naar de christelike hel is begrijpelik: al heel vroeg immers werd de duivel voorgesteld in hondengestalte. (zie Grimm, Deu. Myth. 948í9). Daarna konden figuren als Charon (B 16) gemakkelik volgen. Vgl. H. Gaidoz, Le diable d'argent < Mercurius, Mélusine VI (1892/3).
Hoewel dit hier niet wordt aangegeven, ligt het voor de hand dat C. als helleportier gedacht werd, evenals in andere toneelstukken (Haslinghuis 152). 24 Serpent met 7 hooffden, de Hydra (Herakles).
29 't Babilonissche rijck, tegenover Jerusalem: het rijk der zonde; Openb. 18:2. Vgl. G 5, 8, 23.
30 Zie voor uitdrukkingen, bestaande uit een inheems woord + een uitheems synoniem Salv. de Grave, Ts. XXIII, 25, Fra. W. 30.
34 diens rijck vermeert; vgl. ‘altijd vermeerder des rijks’, in de M.E. de gebruikelike vertaling van het ‘semper augustus’ van de keizerstitel.
35 Subbia = Superbia; de gebruikelike afkorting is supbia, zie de afb. Haslinghuis 112.
37 executoor des hoochsten, vooral in de voorstellingen van het Laatste Oordeel. Evenals in B 66 wordt het uitspreken van Gods naam vermeden; overigens komt die in B zowel als G herhaaldelik voor.
39 afh. obj. zin, ingeleid door ‘dat’ en parallel met een subst. in de hoofdzin: Stoett3 § 318, Bouman blz. 56/8.
43 uwe ons natuer, l. wt, uyt ons natuer; uw en ons natuer (datief), zoals Van Gelder wou lezen, lijkt minder waarschijnlik.
| ||||||||||||||
|
48 elck plecht, met paragogiese t uit het praet. plech, zoals pleecht ontstond uit pleech. Lubach § 29, d. Vgl. plegen, B :82.
49 gelijck den gecken; de konstruktie van gelijck (adverbium) + datief raakt in de 16e eeuw al in onbruik; Vondel kent nog slechts gelijck een (als een). Stoett3 § 189 Opm.; Vondels Taal § 160.
Ook ‘leght ghij en vijst’ voor te vijsten is een konstruktie die in deze tijd terrein verliest. Geck = nar, zot (zie een reeks van synoniemen, aangehaald in Die Sotslach blz. 23). Het toneeluiterlik en gedrag der duivels was in menig opzicht aan dat van de zotten gelijk; zie Haslinghuis, hoofdstuk VII en VIII. 55 die catholijcken vol eeren, het is niet vreemd dat de duivel, immers ‘executoor des hoochsten’, met eerbied spreekt over kerk en kerkeliken, zelfs zoals hier, partij kiest in godsdienstige strijd. In het geheel van dit stuk heeft de toevoeging ‘vol eeren’ echter weinig overtuigende kracht: terloops geeft de schrijver te kennen, dat hij ondanks al zijn kritiek nog als katholiek, eventueel nog niet als protestant, beschouwd moet worden.
58 gesonnen; een van de verba die in de 16e eeuw overgaan van zwak naar sterk; vooral in het rijm kan men dan beide verwachten, vgl. B :78.
Ook verba die niet op die grens stonden, verschenen in het rijm met een nevenvorm: gelogeren B :51; gesoogen (= gezoogd) E 12 :21. 63 beyde die, nog 17-E (W II 1536); daarna beperkt tot minder gewone stijl.
+ foli. 2
66 thoonden; 3e pers. sing. imperf. indic., in de 16e eeuw veelvuldig met uitgang -den: Lubach § 75. die man hier boven, zie B 37, aant.
67 minst metten meest, kontaminatie uit m. metten meesten en m. ende meest; vgl. ‘groot metten cleynen’ (B :207) en ‘groot en cleen’ (B :89); ongeflekteerde meervoudsvormen zijn in dergelike uitdrukkingen al Mnl. (Franck2 § 206).
In Hoofdstuk IIIa van de inleiding zijn enkele van deze uitdrukkingen genoemd; zie nog: tsij heeren of knechten B :115, voor jonck en out G :360; boeren ende eel G :380. 70 Pruyssen, Perssen, Meden (87), de pluralis van de volksnaam is naam van het land geworden; vgl. Zweden, Polen, Beieren.
70-73 Zie Inleiding, hoofdstuk VI.
72-73 Hs. bedorven; hoe en die schrappen? Onbevreesd dan = verwoed (W X, 1120, citaat Cats 1, 394a). Laat men die staan, dan moet in 73 een hulpw.w. gedacht worden.
73 Ruysschen - een zeer vroege plaats? Meer met deze spelling?
74 Inplaats van Denemarcken mag men w.s. ook Deenmarcken lezen.
| ||||||||||||||
|
80 Hebron, zie Inleiding, hoofdstuk VI.
81 coningh, men zou eer bisschop verwachten.
84 dregen voor dragen kan uit het Fries in het Noordhollands gekomen zijn; het komt echter ook in Vlaamse rederijkersspelen veel voor; mogelik dus een literaire vorm.
89 ongelovigen als subst., syn. met heydens, is mogelik: vgl. in 84 proves, proosteyen; toch lijkt 't als adj. waarschijnliker (vgl. 95).
90 maer híér ist vol christenen; vgl. 149, 161, 169, 245/6, 275.
92 Mynos, de Griekse rechter uit de onderwereld als ondergeschikte duivel.
98 Uitroepen - B borra 98, hoort 98, jae 114, 120, o 26, 58, 86, siet 102; G en? 566 A, ey 469 etc., ey ey 713, heyda heyda 649, jae 754 etc., o 739, och 871 etc., orsa 1060, ou 629 etc., sey? 671 A, wel 743 etc., wel a(e)n (wel an) 892, 705; - o wy 1195, o wach :1195, moort :1228.
99 vgl. Stoett3 § 201 ‘zeer dikwijls ontmoet men in 't Mnl. als navolging van het Oudfr. een absoluten accusatief, veelal in korte epische uitdrukkingen of in beschrijvingen van de gedaante of de kleeding.’ Daar ook litt.
onvruchtbare boomen, Matth. 7:19 e.o.p. 100 schoon; defleksie onder invloed van het zinsritme, in 128, 129 van het rijm.
101 h.l. est messaeckende, een konstruktie die men in de 16e Eeuw buiten het rijm niet veel meer aantreft; Mnl. met syn, werden, bliven, zie Stoett3 § 257.
103 (elck is) in hovaerdicheyt rellen: sijn + inf. = ‘bezig zijn met’ is in het Mnl. niet zeldzaam, zie Stoett3 § 259. Daarna komt deze constructie echter weinig meer voor, tenzij met al: al beven etc. (Noord en Zuid II 133 vlgg.); enkele plaatsen gaf Van Helten in Ts. 10, 233.
De schrijver van B heeft dus een nog bekende, maar zeldzame, vorm gebruikt om het rijm; waarbij men moet bedenken, dat de laatste factor desnoods alleen de vorm zou kunnen doen ontstaan. 104 een devoot uiterlik; Moll beschrijft dit, II2, 278: bewegingen der ledematen op zeldzame wijze afgemeten; sommigen liepen met gebogen hoofd zó traag over straat, ‘of ze met den Heer hun kruis naar Calvarië droegen’. Ogen zorgvuldig neergeslagen, vooral in tegenwoordigheid van personen van de andere sexe. Op 't gelaat van velen waren sporen van overdreven gevoel, gloed of bleekheid van onmatige prikkeling van het geestelik, schadelike verdrukking van het lichamelik leven.
| ||||||||||||||
|
107 dees christenen = de Chr. van tegenwoordig; vgl. Stoett3 § 48.
110 twelck: relativum op een antecedent van een ander geslacht: Stoett3 § 55; ook nog 17e E.: Vondel's Taal § 217. Vgl. B 137.
111 Spegele is buiten 't rijm in Hollandse teksten zeldzaam; als rijmwoord komt het veelvuldig voor. Vgl. Die. War. X 117 vlgg.
112 Gewreven tegele = poeder van baksteen. Barth. den Engelsman ‘Vander Proprieteiten der Dinghen’, [Haarlem, 1485, 85a] vermeldt dit als voorbeeld van ‘onredelike appetijt’ van zwangere vrouwen: ‘(si) liden ghebreck vanden appetijt / want si scuwen goede spise en de si begeren pulver van asschen ende van tegelen ende dezer gelike,....’ Men moet hier echter niet aan het oplossen van ‘baksteenpoeder’ denken. De 16e eeuw kent verschillende vbb. van ‘verderven, verdwijnen als gebroken scherven’, ‘geacht zijn als gebroken glazen, scherven’, (Sp. d. M. XXXIV; 2471, 5293), (ook ‘als schelpen’ F 9, 503). B 112 staat daarmee gelijk; smelten = vergaan, verdwijnen, is al Mnl. Vgl. G 174.
Heur deuchden smelt, geen overeenstemming in getal; vgl. Stoett2 § 208. 119 Vgl. Bruer Willeken 338/40:
122 waer aen so: so legt de nadruk op het voorafgaande woord, waaraan toch; Stoett3 § 325.
126 ook wie het nog niet weet, kan wel zièn.... In ouder Mnl. zou men moeten lezen dies niet bekent en is; we vinden echter bij Vondel een bekende = een deskundige (W II1 1567); in Voorleden Tijt: 110 gij sijt de bekende = gij zijt op de hoogte, gij weet wat er voor nodig is. Verder is onbekend in het Mnl. = onwetend, zij 't meestal in ongunstige zin: ic ben onbekent als een hont (V V, 232) = dom; onbekentheyt is bij Kil. ignorantia.
We mogen daarom voor de 16e eeuw het absoluut gebruik van bekent wel aannemen. 127 De afschrijver kende het jonge woord swieren blijkbaar nog niet, zoals ook uit B 422 blijkt (zie gloss.) en heeft het als een rijmvorm van sweeren opgevat, cf. regieren × regeeren.
Er is echter nog een andere mogelikheid, n.l. dat swieren voor sweeren = pijn hebben staat, hier dan = verdorven zijn; V geeft er een 16e-eeuwse plaats van. 128 gierricheyt, die wortel van allen quaet, 1 Tim. 6:10.
130 Simon magus (Hand. 8:18 e.v.), de simonie.
135 men sient: men + verb. plur., naast men siet, B 132; onder invloed van het rijm B :61 (Stoett3 § 206).
141 duyvels kermisse hooren; misschien ontstaan uit twee uitdrukkingen: 10 bij de duivel mis horen (vgl. bij de duivel te biecht gaan) = er van langs krijgen; 20 duivelskermis = regen met zon. Vgl. Als 't regent en de zon schijnt, ist kermis (of kermen) in de hel (en slaat de duivel zijn wijf), Harrebomée, I 299a, Roode Roos 32 en elders.
Op een andere wijze lijkt kermis horen niet te verklaren. | ||||||||||||||
|
142 In het middeleeuwse bisdom hadden twee personen zelfstandige rechtsmacht: de bisschop en de aartsdiaken, de laatste natuurlik alleen in zijn aartsdiaconaat; beiden delegeerden deze macht aan een ambtenaar: officialis (principale), naar een sarkasties oordeel uit de 12e eeuw van officio = ik benadeel.
De officiaelen (B 142) berechtten zelf alleen belangrijke zaken, casus episcopales, archidiaconales, of andere in appel; voor de kleinere rechtsbedeling waren lagere geesteliken aangesteld: provisor geheten, als zij hun opdracht van de bisschop kregen; deken, wanneer zij benoemd werden namens de aartsdeken. Het rechtsgebied van beiden viel samen, waardoor de praktijk veelal werd, dat bisschop en aartsdiaken (of hun officialen) in overleg eenzelfde persoon benoemden tot deecken en provisor (B 142), die de volledige lage geestelike rechtspraak uitoefende in zijn dekanaat. Altans zo was de toestand aan het eind van de M.E. in het aartsdekanaat van de Dom (zie DOMPROOST). (Mr. S.J. Fockema Andreae, Kerk. Rechtspraak in Ned. in de M.E.; Versl. Meded. Kon. Akad., afd. Lett. 4e R.V., 73-128). De fiscael (B 142), fiscus (B 152), of vollediger: procurator fiscalis, was ‘procurator ende vervolger onser saken’ aan de hoven van bisschop en aartsdiakenen. 143 Met de ooren nae den clinckaert hellen; vgl. ‘Voor klinkende munt heeft ieder open ooren’, Harrebomée II, 150; ‘Tel den regter geld, zoo is zijn oor ontsteld’, ib.; ‘Die heeft dat clinckt, crycht dat daer blingt // in sijn behoet’, F 11, 326.
145 meest; nog in de 17e eeuw werd de sup. van het adv. meestal zonder artikel gebruikt; Stoett3 § 97e; W VI, 689. Vgl. mét artikel: B 229.
147 Een bedorven regel; costmensen kan ik niet tuisbrengen. De betekenis zal wel zijn: en regelingen treffen met....
suck = Noordholl.-Frie. (Moortje); sulck 223 etc. 150 Boer heeft hier de bijbetekenis: eenvoudig, onontwikkeld; veelal werd het in de 16e eeuw uitgesproken ongunstig gebruikt, in tegenstelling met de heer en de burger. Vgl. de omschrijving sy te lantwaert, B 274. Boer en boerman < buur, buurman, verdringen in de 16e eeuw bouwer: Diemen eerst noemde, door zijnen jonstighen toer, Bouwer des lants, wort nu geheeten een boer, van d'onverstandighe misnaemt en begresen’. (De Heybloeme van Turnhout op 't Haachspel te Antw. 1561).
152 In de middeleeuwse geestelike zowel als wereldlike rechtspraak, werd een grote plaats aan minnelike schikking en arbitrage ingeruimd.
Men onderscheidde daarbij arbiters (in rechte) = (h)effenaers = keur-rechters, die als deskundigen volgens recht en gewoonte oordeelden, en (arbiters) arbitrateurs = vriendelike (h)effenaers = goemannen, die niet op juridiese gronden, maar volgens eer en geweten uitspraak deden. Meermalen liepen deze benamingen echter dooreen, zoals ook hier. + foly 3
157 tsijn nu die manieren - zo zijn tegenwoordig de m.; cf. 161, 179 etc.
159 ille non est dativi casus, tamen dives: dit is niet een geval van iemand die geeft, (zoals de gewiekste overspelers uit regel 146), maar toch is hij rijk; ‘uit zich zelf geeft deze man niets, al heeft hij genoeg’, en dan met boevenmoraal: ‘neem dus alles maar.’
N.B. De grappig bedoelde tegenstelling tussen de openhartige, maar voor de boer onverstaanbare, Latijnse gezegden en de gehuichelde opmerkingen in het Nederlands daarnaast, zal het publiek toch wel ontgaan zijn. Aardig wordt dit gebruik van dativus geïllustreerd door de Doctrinael des tijts, een 15e-eeuwse gemoraliseerde grammatica, waarover Prof. de Vooys een en ander vertelt in het huldigingsalbum voor Vercoullie (blz. 113-118). Hier lezen we: De datijf komt in de tegenwoordige maatschappij niet te pas: ‘in deze casus en wilt niet bijten dan in passivo. Verstaet mi wel: mits dezen datijf ist noot datmen vercrige, mer active te geven, wacht u! spaert tijt!’ 167 Zij zijn erger dan huurlingen, Joh. 10:12, 13.
168 sy geven gelt toe, nl. aan de collator. Het rijm wijst uit, dat de afschrijver zich met verswegen vergist heeft.
171 si .... som, sommigen van hen.
172 Vgl. ‘De Herders zijn metten wolf bekendt’, de Roovere, ed. van 't Hoog, blz. 78.
| ||||||||||||||
|
182 Zie Allan II 569, 587, 666 over de welgestelde Haarlemse Begijnen. Haar inkomsten bedroegen in 1581 bijna 1500 pond; het opnemen van nieuwe leden ging met feestelikheden gepaard die van Zondag tot Vrijdag duurden en ruim 100 Rijnse guldens vorderden; o.a. werd hierbij een maskerade van begijnen gehouden (ao 1559).
190 taverne; ook waar het rijm tavaer(e)n eist, wordt door Holl. rederijkers veelal tavern(e) geschreven. Vgl. Dietsche Warande X, 124.
191 Sint Amfrae (ook G 47, 292); vgl. Veel. Gen. D. 168, 173; Anna Bijns II 17b; D 6, 250 ‘Anfrares clercken’. Voor litt. over spotheiligen zie Nyeuvont 36 e.v.
194 n. 1, door degenen die zielmissen lieten zingen.
197 Voochdijen van weesen en armen = heilige-geestmeesters (gloss.).
204 Een duidelik overzicht van de titels die door de hoofden van hoge en lage jurisdictie in de verschillende gewesten gedragen werden, geeft Mr J. van Kuyk, Bestuur en Rechtswezen, hfst. III van Het Huiselijk en Maatschappelijk Leven onzer Voorouders, uitgeg. o.l. van Prof. Dr. H. Brugmans, A'dam 1914.
De werkelikheid is daar echter vereenvoudigd voorgesteld, aangezien titels die voornamelik in een bepaalde streek voorkwamen, ook nog wel, en in dezelfde tijd, elders werden gebruikt, soms zelfs in een andere betekenis: zie AMPMAN en vgl. ‘Meyer van Loven, Ampman van Brusselen, Schouteth van Antwerpen ende vanden Bossche (W IX, 463). Ook hadden deze woorden niet overal dezelfde inhoud, doordat hoge en lage rechtsmacht in sommige streken niet gescheiden waren, zie DROSSAET, of doordat een andere verdeling van bevoegdheden een Overijselse schout zaken te berechten gaf, die elders de baljuw toevielen. Tenslotte had een rechterlik ambtenaar menigmaal ook nog een ander ambt, waardoor hij òf met de combinatie van beide titels, òf met een van beide aangeduid werd, zie CASTELEIJN. 201-6 De bestuurs- en tevens rechtsprekende ambtenaren worden hier verdeeld in 3 groepen: de hoogste noemt regel 202; de middengroep, waarvan de positie met die van een baljuw overeenkwam, 204; raetsheeren zijn hier de leden van de gerechtelike hoven, wier presidenten bij de eerste groep behoorden; in 205 volgen de ambtenaren die men in rang met de schout gelijk kon stellen. Hopmannen en cappiteynen hadden in het militaire leven een overeenkomende macht, maar bij regel 206 past hun vermelding niet.
De opsomming is niet volledig en wijst ook niet op bizondere bekendheid met een bepaalde streek, buiten het eigen gewest; van het laatste worden de rechterlike ambtenaren uitvoerig behandeld in 225 e.v. 215 Van Keyenburch syn = de kei hebben, niet goed wijs zijn; vgl. Antw. Liedtb. CLXIX; Kluchtspel2 III, 84. In de Klucht die Moyses Doorn (den Bosch) speelde op 't Antwerps landjuweel van 1561 kwamen voor: Maes van Keyendael en Heyn van Sotteghem; in Breda had men de ‘gesellen van Vreuchdendael, van Keyenberch, van Blyenberch’; de eersten vormden de voornaamste kamer, de anderen waren daaraan toegevoegd, w.s. de kluchtspelers. (C.R. Hermans, Gesch. der Reder, in N. Br. II; hierbij Dr. D. Th. Enklaar, De Blauwe Schuit, Ts. v. Gesch. 48, 48). Zie voor dergelike namen W VII1, 2059.
| ||||||||||||||
|
225 d.i. als graaf van Holland; een bewijs dat B na 1555 geschreven is. Zie Inleiding hoofdstuk VI.
225 bailliuw, namens de landsheer hoofd van een hoge vierschaar, voor criminele zaken; vgl. Schout. De b. zat te recht met de wel(ge)boren mannen of leenmannen.
Het woord baljuw is vooral gebruikelik in Holland; in 't Sticht had de bisschop maarschalken, in 't oosten gebruikte men drost, ambtman, richter. Vgl. B 204 A. 229 Hoewel men in sommige gevallen een Holl./Brab. ou tegenover een Vla. u kan stellen, heeft dit in de 16e-eeuwse rederijkersliteratuur geen zin meer: uit de teksten blijkt duidelik, dat de dichters bij vele woorden vrijelik beschikten over een u- en een ou-vorm en beide bij hun hoorders bekend veronderstelden. Soms, zoals hier, kwamen zij daardoor tot hypercorrecte, literaire konstrukties.
Dat de omgangstaal die letterkundige wisselvormen niet alle aanvaardde, wordt o.a. door de vele onregelmatigheden bewezen, die afschrijvers in de ou- en u-rijmen maakten, bijv. G 571/3 wou: u: du. Trudo 715/20 gau: u: sprou: du. F 9, 990/5 scuwen: vernowen (= vernieuwen): verdowen: wouwen. Van Helten geeft een paar voorbeelden van hypercorrectie in omgekeerde richting: scuwen < scouwen = zien; knuwen < knouwen (§ 64 Opm. 3). 230 die en trecxt hem niet aan; de s w.s. door kontam. met hem enes (ere dinc) aantrecken = z. over iem. of iets erbarmen.
235 om dit: hierbij denke men een gebaar van geld aannemen.
240 als hun aandeel in de gerechtelike en keurboeten, waarmee de uitvoerende macht betaald werd.
242 enen deur syn buydel rijen = iem. afzetten; vgl. om d'een of d'ander deur zijn beurs te vlieghen, R. Visscher, Quicken III 47.
+ fol. 4
246 De streep na Moscovien wijst op binnenrijm, zodat men dus Moscovijen zou moeten lezen.
| ||||||||||||||
|
261 Burgemeesters bij de rekenmeesters genoemd en niet bij de rechtsprekende ambtenaren; dit komt overeen met de positie die zij in het westen van ons land innamen, waar hun werk voornamelik financieel en administratief was; in het Noord-oosten hadden zij ook de leiding van de rechtspraak.
263 deur wien .... = maar door hen ....
264 regieren komt hier buiten het rijm voor, wat in de Haarlemse stukken maar zelden geschiedt.
269 Tuyghen is een kennelike vergissing voor jugen.
271 Vgl. Jes. 1:17, ‘doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwen’, e.o. pl. In de eed van schepenen, noch in die van andere leden van het gerecht te Haarlem, komt echter enige toespeling op weduwen of wezen voor [Huizinga, 442]; wel zegt act. 1 van de Weeskeur ao 1503 [Huizinga, 207] ‘Die burgermeisteren .... als overvoechden van allen wezen derselver stede ....’
273 wat onttrekken zij allen zich aan hun taak, in overeenstemming met (naer?) hun slechte aard?
haer somma w.s. een verschrijving voor haer somen: sommigen van hen. 278 vergaeren = vergaderen; een woordspeling met ‘zich verrijken’ is in 't verband niet aannemelik. Vgl.
‘Item alsoe daer dagelicx negligentie int vergaderen gebeurt. Soe worden deecken vinders ende adiuncten gehouden ....’ Art. 3 van de ‘Ordonnantie ende articulen bij ons Brouwers ende brousters ....’ 9 . XII . 1563, Haarl. Gem. Archief no. 2057. 287 sij 1 = de procederende partijen, sij 2 = de advocaten; het door Van Gelder ingevoegde [tot] geeft de zin een verkeerde betekenis. In B 172 is het verschil door se en sij aangegeven.
| ||||||||||||||
|
295 Vgl. Trauwe 1211 ‘Allen processen sy (= procureurs, notarissen en advocaten) rustende laten. Tot dat men hen naloopt van straten te straten. En geeft hun groot gelt’.
297 seyt, zonder subject, vgl. Ts. X, 203; Stoett3 § 5e.
299 Zoals bekend, werden ja en nee als antwoord op een vraag, dikwels verbonden met een pron. pers. (Stoett3 § 36) en is dit nog wel het geval (v.d. Water § 62; Zuidned. gloss.). Onjuist is het echter, hieruit af te leiden dat deze plaatsing van het personale steeds op een voorafgegane vraag moet wijzen, zoals Stoett doet in zijn aant. op Schuyffman 238 (Drie Kluchten). Behalve als samenvatting of bekrachtiging van een gedane verzekering (W VII1, 13 (8); VIII en IV), komen beide partikels + personale in de 16e eeuw ook voor als vervolg op een wens [Gans longeren, quam dit alden dach! Maer neent, .... Schuyffman 335/6]; als antwoord op een aansporing [.... dus moeijer en sijt niet gram. - Neen ick, kint. H. Leckertant 266/7, cf. 183/4]; en als meer zelfstandige verzekering [Katmaecker 473; Schuyffman 238].
In B 299 kan men nu wel aannemen dat jae ick, voorwaer als antwoord moet gelden op de vraag die in de komst van de boer ligt opgesloten, of op een vragend gebaar; logieser is het echter er een zelfstandige uitdrukking in te zien. 279-304 De tekst onderscheidt hier advocaeten, 280 van proccureurs en Taelluyden, 293, een verschil dat het Vlaams-Franse stelsel van procederen maakte en dat daaruit ± 1580 in de Hollandse rechtspraak overgenomen werd. Het Oud-Hollands recht kende maar één groep van rechtskundigen: de taelluyden, die ook wel procureurs, advocaten of voorspraken werden genoemd, maar zonder dat dit verschil in werkzaamheden aanduidde. Het Vlaams-Franse stelsel was door Ph. Wielant in Haarlem gepropageerd, in zijn Pracktijcke civile, ao 1503 [ed. J.A. Fruin, Nieuwe Bijdr. v. Rechtsgel. 23 (1873) en 24 (1874)], maar uit het keurboek van 1559 blijkt afdoende, dat het niet was ingevoerd (Huizinga LXXIX, XCII en 451).
Aangezien dus pas geruime tijd nadat B geschreven werd in Haarlem juridies verschil werd gemaakt tussen de academies gevormde advocaat en voorspraak en de door schout en schepenen na onderzoek toegelaten procureur, zou men uit de tekst af kunnen leiden, dat de schrijver van B een zuidelik voorbeeld nawerkte of altans zelf uit Zuidnederlandse streken kwam. Hij noemt de advocaten pompoes, zij waren dus deftiger dan de procureurs en hij gebruikt ten aanzien van hen twee maal het woord raadgeven; de procureurs gaan in de tekst wat gemeenzamer om met hun cliënten, overigens schijnen beiden gelijksoortige zaken te behartigen. Men bedenke echter, dat de onderscheiding juist in Haarlem al vanaf het begin van de 16e eeuw gepropageerd werd. G 160 maakt het verschil niet. 312 Over de excyspachters, elders huyrmans vanden exchyse, zegt Trauwe 1073: Als wy dan op dacsysmeesters dincken - dan laeten wij vijff oft ses aemen sincken - in een doncker gat - dus can dit ambocht die axcysen mincken. Vgl. B 393.
Wonder bedrijven, subst. zonder artikel, vgl. Stoett3 § 97l. 314 Morgengeld, oorspronkelik een algemene grondslag waarnaar men het aandeel in de beden taxeerde, werd in de 14e eeuw, door de groei der steden, daarvoor ongeschikt; het komt dan nog wel voor als polderbelasting. Maar in 1542 en ook in 1549 en 54 gebruikte de keizerlike regering het landbezit weer als belastingobject.
De 10e penning, niet als in 1571 (1569) bij elke verkoop van roerende goederen, maar als heffing in eens van de inkomsten uit onroerende goederen, werd geheven volgens de plakkaten van 1543, 1552, 3 Jan. 1562 en 1564. Zie hiervoor P.J. Blok, De Financiën van het Graafschap Holland, Bijdragen v. Vad. Gesch. en Oudheidk. IIIe Reeks, deel 3, blz. 111 vlgg. (1886). Buiten Holland bleef het morgengeld veel meer in gebruik, zodat de vermelding van de collecteurs van deze belasting, voor datering geen houvast geeft. Het innen van de 10e penning ging moeilik en duurde jaren; in 1556 was men met die van 1552 nog niet klaar. Ook door het algemeen verzet tegen deze belasting is het begrijpelik dat de 10e p. gaerders nog jaren na de heffing zo berucht waren, dat hun aanwezigheid in regel 314 de tekst niet noodzakelik na 3 Jan. 1562 stelt. Daarbij komt, dat voor deze 10e p. een nieuw kohier werd ingericht, en het zou wel vreemd zijn als de daarvoor aangestelde taxateurs de hekeling van deze schrijver ontkomen waren. 318 Vgl. spreekwoordelike uitdrukkingen als: ‘Alle diensten zijn smerich’, zei de koster en stal de kaarsen uit de kerk’ - ‘Alle officiën zijn smerich’, zei de kostersvrouw, toen zij een eindje kaars uit de kerk kreeg.
319 tgemeen lant draecht die cost: morgengeld en 10e penning behoorden tot de gemeenlandsmiddelen, de inkomsten van de staat, die door de bedoelde oneerlikheden verminderd werden.
320 Zodat de staatsinkomsten in particuliere zak komen.
322 Het is mogelik dat dan de oorspronkelike lezing is, maar waarschijnliker is die.
| ||||||||||||||
|
327 De in de tekst aangebrachte wijziging: die voor en, kan ook wel om luiden, wanneer men 326 als terzijde gezegd beschouwt; zelfs als 2e vervolg op 325 is 327 zonder onderwerp mogelik, maar in deze tekst zijn beide oplossingen ongewoon.
328 den rycken man, Lukas 16:19 vlgg.
Gaff is hier het verbum; als subst. zou het met laff, graff en draff overeenkomen. Men moet de 2e helft van 328 dan met wracken, 325, verbinden en een voor en lezen. N.B. gaff // gáven: gráff // graeven is onzuiver, de Casteleyn keurt het af; een argument kan dat hier echter niet zijn, daar in deze teksten wel meer accentverschil in het rijm verwaarloosd wordt. 332 Al dóen ze nog zo vroom; al hebben ze het evangelie steeds bij de hand, n.l. in de wijde mouw, die voor zak diende. W. citeert: ‘Hy draeght dat Evangelium wel in de mouwe, ende heeft het oock wel in den mondt, maer niet in 't herte’, Gnapheus, Tob. 3; vgl. G 189.
De plaats richt zich tegen schijnheilige christenen die met teksten schermen; gezien de overdadigheid, waarmee dit ook bij onverdacht R.K. schrijvers gebeurde, is er geen reden om uit deze regels anti-ketterse gezindheid te lezen. 335 opt tsant bouwen, Matth. 7:26.
+ foly 5
338 set die hel open, vgl. G 335, haer hel staet open.
341 Tussen Spreuken 11:26 en Haverschmidt, Fam. en Kenn. 155, ligt een lange reeks van ongunstige oordeelvellingen over de korenkopers of -bijters.
Opkopen van eigen koren, zie G 1105, A. 342 al en wilt nu niet noopen - al is 't nú zo erg niet; om het vervolg van de regel moet men dit wel voor een oprecht gemeende uiting houden. Ook hierdoor weer wordt B geplaatst tussen de in Holland zeer ongunstige jaren 1556/7 (staatsbankroet) en 1564.
344 Het subjekt si ligt in de accusatiefvorm opgesloten in de voorafgegane regel; zie Stoett3 § 5h. In het Mnl. is dit de regelmatige vorm (vgl. ook V II 641), in het 16e-eeuws echter niet meer.
345 wie isser tegen = wie zou niet meedoen? Mogelik ook: wie pakt ze aan. De plakkaten van 1531, 1540, 1562 waren anders streng genoeg (ban en verbeurte van goederen, voor 't opkopen van waren en ‘gemaakte dierte’).
347 Wat geeft het, wat helpt het, dat dit de armen het zwaarste treft ....
Het maakt de indruk, dat de afschrijver wat baet dat den armen als een geheel gelezen en zich daardoor vergist heeft. Wel kan men dat als demonstrativum opvatten en weegen als infinitief (zonder te; eventueel moet te ingevoegd worden), maar deze konstruktie is wel erg literair. Aannemeliker is de zin met dat als konjunktie, voor dat 't, ev. aan te vullen met et; weegt zou dan onder invloed van het rijm met de datief armen i.p.v. met het subject in overeenstemming gebracht zijn. 351 In het Haarlemse keurboek wordt misbruik van zemelen niet nadrukkelik genoemd (vgl. blz. 395/6), wel in het Leidse, blz. 300/2. Trauwe 1061: terwesemelen wy onder roggenmeel lappen. Vgl. G 235, 996.
353 Van de vele ponden, Vlaams, Hollands, Parijs, Tournoys, Brabants, etc., elk verdeeld in 20 schellingen à 12 groten of penningen, die in de M.E. in deze streken als rekeneenheid in gebruik waren, bleef aan het eind van Karel V's regering in Holland eigenlik alleen nog maar het pond vlaams (B 574) over. Hierin, of in zijn onderdelen werden voor het binnenlands gebruik alle waarden uitgedrukt, waarbij de nadere aanduiding ‘vlaams’ dikwels wegbleef: schelling (B 353, 427, G 1135); plack (B 353) = dubbele groot = stuiver (B 488, G 275, 317, 326).
Het pond groot (G 604) is een van het pond vlaams afhankelik gemaakte eenheid, zoals al blijkt uit de volledige naam: pond van 40 groten vlaams. Toen Karel V een standaardmunt liet slaan, de Carolusgulden (1520 in goud, 1542 in zilver), die bij de uitgifte precies deze waarde had, werd het pond groot ook gulden (G 275) genoemd; zelfs stelde het aan het eind van de 16e eeuw onder deze naam het pond vlaam als rekeneenheid buiten gebruik. Bij de penning (B 488) moet men nog iets anders opmerken: een penning was een andere naam voor een groot; maar in de 16e eeuw bedoelde men in Holland met dat woord speciaal de penning van het dan verdwijnende of al verdwenen Hollandse pond, dat 1/8 was van het pond vlaams. Deze penning was dus 1/8 groot vlaams of in de langzamerhand gebruikeliker eenheid van de pasmunt 1/16 stuiver (vlaams). De duit (B 484) was 2 penningen. 354 Iemand zijn blieken verlakken = hem te pakken nemen, bedriegen; ook zonder indir. obj.: ‘Ick sal u wel helpen, Dat ghy wel sult verlacken den blieck’, H. Leckertant 244/5.
355 Al kwamen de andere duivels na vers 91 niet meer aan 't woord, zij bleven hoogstwaarschijnlik wel op het toneel en begeleidden Lucifers monoloog met gebaren en geluiden; vandaar het tegen hen gerichte 2e deel van 355; vgl. 420.
357 hij - de brouwer; door de lange tussenzin verslapt de herinnering aan het getal.
362 Sartorius, Adag. II 3, 94 verklaart ‘Gy soudt wel brouwen sonder bostel’ met ‘Ranis vinum praeministrare te decet, .... in hos convenit qui vinum immodica diluunt aqua ....’ De tapper brouwt dus met water, en zelfs zónder: met krijt.
| ||||||||||||||
|
364 Vgl. Harrebomée, Spreekw. 1, 81b.: vóór herberg, achter bordeel; Sart. tert. X. 17: Voor stoof, achter b. houden = Duyven op solder houden. In de Ontr. R. zegt de waard: Ick heb oock secretelyck schoon vroukens inne, Die fray in den dos syn van habyten en cleeren (482/3).
365-66 Het Leids keurboek 66, 4 (ao 1406) bevat de volgende bepaling: ‘Item so en sel nyement upten stapel van Englant varen om velle, die sijns selfs ghelt min wtvoeren sel dan 50 nobel, meer of hi mach ende hi wil’ (op verbeurte van de vellen die hij voor eigen rekening gekocht had). In de Haarl. draperiekeuren (Huizinga 99, 240, 245, 247) vindt men een dergelike bep. niet; wel dat de C.vaarder in Calais niets verkopen mocht voor zichzelf of anderen, maar zijn loon alleen krijgen moest van de ‘plouch’ deelhebbers.
367 Te Haarlem kozen de drapeniers jaarliks 6 persmeesteren ‘denwelcken (zij) den handel ende onderwindt van der voorscreven persse voor taenstaende jaer zullen willen toebetrouwen ende beveelen’. Dezen beheerden dus de gehele uitvoer van Haarlemse lakens en reisden ook wel naar Calais. Eén van hen moest altijd te Antwerpen zijn, waar de voornaamste factorij was; af en toe ging er één naar Zeeland, etc.
Zij inden het geld of de schuldbekentenissen van de factors, hielden aantekening van de handel en verrekenden de zaken in Haarlem (zie PORSE), Huizinga 285 vlgg. (ao 1552). In Leiden heette een dergelike organisatie het Cantoor, Posthumus 258-9, ao 1530-52. 368 Uit de Haarl. ordonnantie op de Persmeesters ao 1552: .... Des zoe en sullen engheene persmeesteren eenige penningen toebehoerende den persse in huere zelffs affairen mogen besigen in tgroot noch in tcleyn, op peyne van gecorrigeert te werden als meineedich - Huizinga 292.
371 om te weven; beter leest men omt weven met: na de regel; d.w.z. de wevers krijgen uitbranders, omdat ze te veel garen gebruiken, de drapeniers eisen dat ze 't met aanzienlik minder dan de bij keuren vastgestelde hoeveelheid doen. Of men kan 371 met 369 verbinden: en dan schelden ze nog op het werk, dat de wevers met die gemengde wol maken.
372 Voor een heel laken van 40 à 44 el, gebruikte men 40 à 50 pond gezuiverde wol; vaak werd echter ook het half laken zonder meer laken genoemd en als dat hier het geval is, loopt de ‘bezuiniging’ van de drapenier om de 10%.
378 vgl. G 242, 1002; zie Huizinga 396 (ao 1557): ‘Gebieden voort ende bevelen, dat niemant van de molenaers binnen de vryheyt dezer stede hem en vervordere, eenige verckens, honderen, gansen, duyven, ossen, koeyen off scapen binnen haeren huyse off op haer molenwerven te houden in eeniger manieren ....’. Voor vroeger tijd de Brouwerskeur van 1407, Huizinga 115: datter geen molenaer meer verkens teffens houden en moet dan twie op eenre molen ende ses hoenre ....’. Ook 119. Vgl. Spaansche Brabanders 73 v.v., Klucht vanden Molenaer 501/2.
Aangaande de oneerlikheid der molenaars in 't algemeen: ‘Wie mout, meel off coorn cofte jegens een molenaer ....’, Huizinga 361 (ao 1557) en Trauwe 1049: Ten was noyt recht molder, hij en hadt gestoelen, Want dambacht heeftet in .... 381 Hs. als subtijle geesten; de foutieve s van als is hier foneties gemakkelik te verklaren. Zie voor een dergelik geval Schuyfman 85 ‘haeren mots sou loncken’ (Ts. LI, 154). Veel vaker wordt echter door dezelfde oorzaak een s te weinig geschreven, bijv. B 200, 291; daarentegen komt de t van het artikel veelvuldig dubbel voor: vant tlant B 212, enz.
382 Nadat de lakens, bij 't vollen 1/5 à 1/6 gekrompen, op de ramen gerekt waren, werden ze geperst en met water of stoom weer gekrompen. Bleef de laatste bewerking achterwege, dan kreeg men ongekrompen of gerekte lakens, die niet krimpvrij waren; vooral Engelse lakens werden zo ingevoerd. Om het euvel waarop de tekst doelt tegen te gaan, bepaalde men in Leiden dat niemand mocht verkopen ‘ter snede ander laken, dan altemael ghecrompen is of altemael onghecrompen’, Hamaker 103, 18. In Haarlem: ‘Alsoe dagelicx groot bedroch ende gebreck valt onder de wantsnijders in tuytsnijden van den Engelschen laeckenen, die sy ongecrompen vercopen ende uuytsnijden, twelck in tdraghen rimpelt, croecken ende andere gebreecken in vallen ....’, moeten deze in 't vervolg onder toezicht der waardeins op de ramen bewerkt worden, Huizinga 391/2.
383 Het rekken geschiedde onder stedelik toezicht en veelal op een stadsterrein; o.a. in Haarlem heette een wijk hiernaar De Ramen. Aangezien door sterk rekken te kort of te smal geweven laken op maat gebracht kon worden, maar met verlies van krimpvrijheid, dus van kwaliteit, bestonden hiertegen scherpe bepalingen. Blijkbaar trachtte men daarom heimelik tuis te rekken.
In de 16e eeuw kwam dit bedrog zo veelvuldig voor, dat Ned. laken en er een slechte naam door kregen, waarom de landsregering het met een generale ordonnantie trachtte tegen te gaan, 1562 - Posthumus 64. Trauwe 1109 Dan recken wy die lakenen op een rame. 387 wie machet spijten: ons duivels niet, nl.
389 vgl. 518 ‘wie koorn boven beter toochde dan ment onder vonde ....’ Huizinga 376.
393 De excijspachters worden hier voor de twede maal genoemd, zie 312.
397 Haarl. Keurboek 1557, XVIII (Huizinga 337): ‘.... dat die waerdeyns alle werckendagen hem zullen vinden ende blijven van halff elffven voor noene persoonlick in den raemen (uuytgesondert quade, donckere, tempestuose dagen, als men niet en sal waerderen, off in de wintertijt, als de waerderinge stil staet,) ....’.
| ||||||||||||||
|
401 Bierpeylders en croongeltjaegers waren gezworenen en legden dus ambtsedige verklaringen af. Hierbij past niet waerdeur, maar waerbij; waerdeur maakt waarschijnlik, dat hier, misschien bij de afschrijver alleen, verwarring ontstaan is tussen jichte = getuigenis, in zijn gewonere vorm gichte, en gichte, gifte = geschenk. Zie V.
404 Vgl. En blau schaepen hanghen wy (= de vleeschouwers) na tbehooren
405 Connen voor comen (hs.) is niet noodzakelik, maar past in de stijl.
409 off te vooren sijn = vooruitbetaald zijn.
412 Door de kop van de os naar de terzijde staande toeschouwer te draaien, komt het beest enigszins rond te staan, waardoor aan de éne kant de huid in ruime plooien hangt en het beest vetter lijkt dan het is. Een bedrog dat in de veehandel nog bekend is.
414 Bij de dach, vgl. in dachuer, B 419. Trauwe 1146 ‘Dat (= die timmerlien) sijn die luijste wercklien die men vint’.
423 vnij, l. nij? Oostelike vorm van nieuw.
425 met al dier aencleven = cum suis, apothekers bijv., vroedvrouwen? dier = die daer, G 321.
427 Dr. J.B.F. van Gils, De Dokter in de oude Ned. Tooneellit., Haarlem 1917, blz. 134, citeert honoraria van 2 of 3 stuivers, (Veel. Gen. D. 134, ao 1600, zoals bekend herdrukt naar Der Fielen, Rabauwen oft den Schalcken Vocabulaer, ao 1563, waarin hetzelfde bedrag genoemd wordt: V. de Meyere en L. Baekelmans, Het Boek der Rabauwen en Naaktridders, 64) en van 2 schellingen (P.C. Hooft, Schynhailigh, ao 1617), naast veel hogere bedragen voor rijke patienten. De arts gaf dikwels ook medicijnen.
1 Schelling = een werkmansdagloon (G 326). 430 Vgl. Trauwe 1140 Want dout yser versmeden sy en dnieu sy sparen.
432 Vgl. Trauwe 1149 Die schaelendecker keyckt meest na den wint.
| ||||||||||||||
|
+ fol. 6
439 Lichte vogel, masc. naast lichtekooi - vgl. de verzen B 439 en 508 - identiek met lichte vink of lichtvink. Duidelik komt deze tegenstelling ook elders uit, bijv. Ik (de dichtgodin) ben een ligte kooi, gelijk de min, mijn doel, een ligte vogel is (W VIII2 1961; voor doel l. boel?) Ten onrechte neemt W dan ook aan dat Rotgans, Poezie 643, vrouwen bedoelde in de regels: Daar was geen kermis of men zag 'r bei zijn oomen En vâer, schoon lang getrout, met lichte veugels komen; de context geeft hiertoe geen aanleiding.
Al moet men vogel in deze samenstelling oorspronkelik als beeld voor phallus opvatten (vgl. mnl. voghelen), het werd daarnaast zo dikwels als pars pro toto gebruikt, dat het hier gemakkelik zwakker betekenis kon krijgen: doordraaier. Vgl. voor vogel als scheldwoord: Stoett, Moortje, aant. 2340. 442 Dit kan op een tekst slaan die door deze ambachten bijv. in een ommegang werd voorgedragen, of op een andere opvoering.
447 Dat de schippers, door de matschudding te verkopen, de regelmatige handel in 1e kwaliteit graan benadeelden, blijkt uit verschillende keuren: W IX, 319. Hier wordt gesuggereerd dat zij de m. opzettelik vergrootten, misschien wel goed graan als zodanig achterhielden.
452 Placsalver. Het is niet ws. dat men dit woord van plak = lap af moet leiden (W XII1 2194), aangezien de betekenis er niet door verduidelikt wordt; daarbij is plak voor lap zuidelik. Beter vergelijkt men 't met plack-verwer Kil. Holl. j. klad-schilder, pictor ineptus, en klad-salver Kil. j. quack-salver, van plakken en kladden = knoeien.
Ook lapzalver, waardoor de vergissing in het W. ontstond, is immers niet van 't subst., maar van lappen = oplappen, knoeien, afgeleid, terwijl Franck's etymologie van kwakzalver hierbij aansluit. Dr. A. Beets heeft in overweging gegeven (W VII 3315), kladzalver te verklaren met behulp van een ander woord kladschilder = huisschilder, waarvan hij de herkomst duister acht. (Dit laatste woord kán heel goed een samenstelling zijn van de stam van kladden = verven (ib. 3305), tot het bewerken van grote oppervlakten beperkt, in tegenstelling met het fijne werk van de kunstenaar). Kladzalver, evenals kwakzalver, zou dan oorspronkelik naast medecijn gestaan hebben, en niet als knoeier er tegenover; dit is in strijd met de volgende vroege Haarlemse plaats, waar duidelik aan onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst gedacht is: 31 Oct. 1538 Gilles van Meegelen, cruynier, gecondemneert in de kosten van syn gevangenis overt quaksalven. 31 Oct. 1538 Dat niemandt urnalen sal mogen uythangen of waeter besien of medecynen ingeven, dan die geadmitteert syn by burgemeesteren (Enschedé 67). Ook wordt Vercoullie's etymologie, (van quacksalf = prulzalf), berustend op een 40 jaar jongere plaats, er niet waarschijnlik door; met quack ontstonden later wel meer woordspelingen: metter salven quack (Trauwe 1214). 458 Valsche hop, in de keuren quaede hop, die ‘uuytgekeurt’ moest worden door de vinders van het brouwersgilde en weer uit de stad verscheept. Huizinga 353 (ao 1557); vgl. quade eedt = valse eed.
459 Vrije arbeidskrachten hadden per groep een vaste plaats in de stad, waar de werkgevers hen vinden konden; zij waren daar vrijwel de hele dag, aangezien om een aangeboden karwei geloot werd, en bij afwezigheid de beurt voorbij ging. De ‘onnutte snap’ was dus nog al verklaarbaar; door 't gerecht moest wel opgetreden worden tegen ongunstiger vormen van tijdverdrijf, ‘werpen om geld of bier’, Huizinga 435.
464 Niet meer dan door 't oog van de schaar kan en in hun oog geoorloofd is. Vgl. Kluchtspel2 II 91:
De diefachtige snijers, die 't laaken deur 't oog van de schaar rokken, Worden er (in de hel) tot straf, deur 't oog van een gloeyende schaer 'etrokken. Trauwe 1136/8 Oock spreeck ick voer die pelmetieren Die altyt deen ellen stelen van den vieren Die in dooghe moet vaeren. Langendijk, Wederzijdsch Huwelyksbedroch 1526 Item: doen haalde je myn Lappen deur de schaar. W. voorb. uit Winschooten, W.D. Hooft, Conscience; de aant. ‘in Noord-Ned. niet algemeen bekend’, moet alleen op onze tijd slaan. 465 Van heeckelsters en kempsters geldt hetzelfde als van de slepers en meters van regel 459.
466 over één tant - in geringe mate. Vgl. Niemanden niet geven, als een kerle viercant, En eten en drincken al op eenen tant Duer haer (= Gierichyt) sonderlingen, Trauwe 177/9.
467 dat = het fijne.
469 tis vant vercken, 't is mis; Sartorius pr. IX, 6 nihil sanum [hiernaast vermeldt hij pr. I, 77 invitā Minervā en tert. X, 16 sus in volutabro coeni, vgl. 2 Petr. 2:22]. De uitdrukking zal wel teruggaan op Deut. 14:8.
Ter vergelijking enkele andere plaatsen: E 12, 476:
470 die 't volk op een dwaalspoor brengen door hun afbeeldingen, die van de geijkte afweken? door afbeeldingen van neckers, Drollen, etc.? (vgl. Van Mander over P. Brueghel). Of spreekt hier afkeer van de beeldendienst?
| ||||||||||||||
|
474 W.s. is de bedoeling: ze doen alsof ze ruiken kunnen aan het vlees dat de slager verkoopt, of 't van een tochtig beest is (en daardoor minder van kwaliteit); 475 slaat op 't keuren van koeien en heeft ondanks dan, geen direkt verband met de voorafgaande regel.
475 Deze manipulatie is iedere veehandelaar bekend.
van de buycken, rijmvorm; regelmatig zou zijn van den buycke. 491 Hoewel nog in 1557 een Haarl. keur verbood ‘gelt om gelt’ te geven, (Huizinga 375), achtte men meestal een geldrente tot 12% geoorloofd, d.w.z. het dubbele van de normale. Het is bekend dat men in werkelikheid nog heel wat hoger ging.
495 Friese boter gold als middelkwaliteit: beter dan Engelse of Ierse, slechter dan Hollandse.
496 In de M.E. trachtte men, ook daar |