[p. 1]

 +   Een Spel van Sinnen van de Hel vant Brouwersgilde genaempt a)  


met seven parsonages: 1 - Lucifer
  2 - deerste duvel
  3 - 2 duvel
  4 - 3 duvel
  5 - 4 duvel
  6 - 5 duvel
  7 - den Secretaris

 

 Lucifer compt eerst uijt
 Waer sijdij nu, ghij verdoemde honden, 1  
 met duijsternisse gebonden / ghij helsche stieren? 2  
 Waer blijft dij, ghij Satanas, oorsprong van sonden, 3  
 die de sielen cont deurwonden / in allen quartieren; 4  
B 5
 ghij wilde Bohemath met u verdoemde dieren, 5  
 die als grijpende gieren / plach te gapen; 6  
 en ghij Leviathan met u vreden manieren; 7  
 Belzebuck met u officieren / die daer voert mijn wapen; 8  
 Mammom met alle u gierrighe knapen? 9  
10
 Ist nu tijt te slapen / Asmodius, ghij duvel quaet, 10  
 deur wien die luxurieusen pleghen vreucht te rapen
 en dan braeckt ghijse den hals tot onser baet.
 Waer legdij, Belijal, alder duvelen advocaet, 13  
 ghij die pleeght te geven raet / dit verdoemde zaet?
15
 Compt eert valt te laet / dat men u moet verbranden 15  
 Charon, voerman der hellen, daer mijn betrou op staet;
 Briareus, die de cracht hebt van hondert handen; 17  
 ghij felle Larva, altijt grimmende als de faijlgande; 18  
 Chimera met drie hooffden altoos vierspouwelijck;
 +  foli/1
 a)  N.B. Cursieve woorden in de tekst bevatten emendaties die als regel niet nader verantwoord worden, maar naast de lezingen van het handschrift afgedrukt staan op blz. 59 vlgg.
Minder voor de hand liggende wijzigingen die de tekst zouden kunnen verduideliken, zijn niet aangebracht, maar worden in de aantekeningen besproken (blz. 63 vlgg.). Opgeloste afkortingen staan tussen haakjes.
 1  De scheldwoorden die men hier en elders op duivels vindt toegepast: honden, stieren, gieren, wolven, draken, serpenten, komen overeen met wat de beeldende kunst toont (Van Moerkerken, 124 vlgg.) en wat omtrent de aankleding op het toneel bekend is (Haslinghuis 181 vlgg.). Over 't algemeen zijn veel 16e-eeuwse scheldwoorden aan de dierenwereld ontleend: ram G :486, :1178, eegel G :506, dier G :700, beer G :925, slack G :995; zie voor vogelnamen Sp. d. M. blz. 227 en J.W. Muller, Ts. 25, 22 vlgg.
 2  met duysternisse gebonden - verstrikt in d., beladen met de helse d. of ellende, vervloekt.
Een van de vele rederijkersmetaforen, waarin het verband verloren werd met een reële voorstelling, zoals die bijv. nog gevoeld kan worden in Lucid. 1314, ‘die sonden ... daer wi mede sijn gebonden’.
 3  oorsprong van sonden Gen. 3 en Openb. 20:2.
blijft dij, hyperkorrekte splitsing van blijfdij, zie Lubach § 69; vgl. G 117: sult dijer.
 4  in allen quartieren = overal. Een 10-tal stukken van Lauris Jansz bevat de volgende serie synonieme uitdrukkingen in het rijm (afgezien van vele variaties in de praeposities en adjectiva): aen elcken cant, tot eenyger steede, in elcken wycke; aen alle eggen, hoecken, hoven; in alle inden, contreyen, laegen, landen, percken, pleckken, quartieren, syen, steden, weegen, wycken; op alle palen, stranden; in straeten en steegen, straeten en hoecken, dorpen en steeden; achter en voer, binnen en buyten, onder en boven; nae ende veere, ver off ontrent, vert en beneven; suyen en noort, west ende oost. En dit is nog slechts een klein deel van de stereotiepe formaties, die de rederijkers gebruikten.
 5  Bohemath, Job 40:10.
 6  plach bij Bohemath.
 7  Leviathan, Job 40:20 e.o. pl.
vreden, vr- voor wr- is Holl.; zie Drie Kluchten, aant. op Katmaecker 37; vgl. B 107.
 8  die daer voert mijn wapen = mijn veldheer.
 9  Mammon, in het drama steeds de duivel der hebzucht, cf. Matth. 6:24. In het middeleeuws drama in Duitsland (volgens Arndt) slechts één maal; in Franse stukken treedt hij herhaaldelik op.
 10  ook elders komt Asmodius in de litt. voor als duivel van wellust en ontucht (bijv. Jeanroy 556), wat overeenkomt met Tobias 3:8, 6:17.
 13  alder duvelen advocaat, die namens de duivels, eig. namens Lucifer, optrad bij het richten der zielen; vgl. de duivelsadvocaat, de prelaat die bij een R.K. canonisatieproces ambtshalve bezwaren inbrengt, tegenover de Godsadvocaat, die de heiligverklaring verdedigt. G. Busket Huet heeft betoogd, dat de duivelsadvocaat (of procureur) oorspronkelik Maskeroen heette, maar dat Jacobus de Theramo, deze naam verving door Belial (Ts. 28, 267 noot 1). Zo spreekt men van de Processus Belial, Haslinghuis 46; ‘der sondaren troost of Belyal’, Mnl. Leg. en Ex.2 269, noot 2; ook Creizenach III 7, Mysterie van St. Maxentius. Ook deden niet nader benoemde duivels, of Lucifer zelf het woord (Eerste Bliscap). Mascheroen bleef overigens bekend: Mariken van Nieumegen 728.
 15  Compt, vgl. 25, 92, 93, 94, 96, 97 etc.: imp. plur. voor sing., zoals in 16e en 17e eeuw nog zeer algemeen; vgl. 't omgekeerde, dat in B en G niet voorkomt, bij Vondel al overweegt, Vondel's Taal § 191, en op den duur vrijwel uitsluitend gebruikt wordt.
 17  Briareus of Aigaion, een van de drie Hekatoncheiren.
 18  Larva, bij de Romeinen een boosaardige, onheilbrengende geest.


[p. 2]

 
B 20
 Cerborus, den baffenden hont, vermaert in veel landen, 20  
 met u drie kinnebackens wreet en grouwelijck;
 ghij dieven altsaemen, hoe sijdij nu dus flouwelijck,
 compt met veel duijssent legioenen haestelijck voort!
 Ghij serpent met seven hooffden, int fatsoen seer nouwelijck, 24  
25
 compt mee ter baen off ick werde gestoort!
 
 Deerste duvel
 O aldermogenste prince tot onser confoort,
 keijser over dat werreltse rijck altemael,
 koningh van die kinderen des hoochmoets en discoort,
 vuijt tgroote Babilonissche rijck int spetiael. 29  
 
 De twede duvel
30
 Een dominateur ende voorste zijdij princepael 30  
 der verstroijde overheijt, die in de lucht regeert;
 een prince die daer dominatie heeft, so ick verhael,
 in de kinderen des ongelooffs seer hooch geeert.
 
 De derde duvel
 Prince der duijsternisse, diens rijck vermeert, 34  
35
 hartoghe van Invidia, Superbia meden, 35  
 Avaritia en Ebrietas met datter consequeert,
 groote executoor des hoochsten hier beneden. 37  
 
 De vierde duvel
 Wij bieden helschen seluijt vol verdoemder onvreden;
 en dat gij moecht prospereren tot elckx bederven, 39  
40
 tot vermering ons rijckx, nader helschen seden;
 en datter veel sielen deeuwigen doot moeten sterven.
 
 De vijfste duvel
 Wij, u ondersaten, om helsche baet te verwerven,
 sijn geneijcht uwe ons natuer, vroech ende spade, 43  
 u bosen wil te volbrenghen om vreught te beerven,
45
 op dat wij mogen blijven in u verdoemde genade.
 wadt belieffd u, o prince?
 20  De overgang van Cerberus naar de christelike hel is begrijpelik: al heel vroeg immers werd de duivel voorgesteld in hondengestalte. (zie Grimm, Deu. Myth. 948í9). Daarna konden figuren als Charon (B 16) gemakkelik volgen. Vgl. H. Gaidoz, Le diable d'argent < Mercurius, Mélusine VI (1892/3).
Hoewel dit hier niet wordt aangegeven, ligt het voor de hand dat C. als helleportier gedacht werd, evenals in andere toneelstukken (Haslinghuis 152).
 24  Serpent met 7 hooffden, de Hydra (Herakles).
 29  't Babilonissche rijck, tegenover Jerusalem: het rijk der zonde; Openb. 18:2. Vgl. G 5, 8, 23.
 30  Zie voor uitdrukkingen, bestaande uit een inheems woord + een uitheems synoniem Salv. de Grave, Ts. XXIII, 25, Fra. W. 30.
 34  diens rijck vermeert; vgl. ‘altijd vermeerder des rijks’, in de M.E. de gebruikelike vertaling van het ‘semper augustus’ van de keizerstitel.
 35  Subbia = Superbia; de gebruikelike afkorting is supbia, zie de afb. Haslinghuis 112.
 37  executoor des hoochsten, vooral in de voorstellingen van het Laatste Oordeel. Evenals in B 66 wordt het uitspreken van Gods naam vermeden; overigens komt die in B zowel als G herhaaldelik voor.
 39  afh. obj. zin, ingeleid door ‘dat’ en parallel met een subst. in de hoofdzin: Stoett3 § 318, Bouman blz. 56/8.
 43  uwe ons natuer, l. wt, uyt ons natuer; uw en ons natuer (datief), zoals Van Gelder wou lezen, lijkt minder waarschijnlik.


[p. 3]

 
 Lucifer
 Maer dat ghij slaet gaede
 opter hellen schaede / hoe soud ickt bedecken;
 elck plecht te weesen loos ende vals van raede, 48  
 maer nu leght ghij en vijst gelijck den gecken. 49  
 
 .1. duvel
B 50
 Meester, ick coom deur Hoochduijtslant trecken,
 daer ick in veel plecken / en steden was gelogeren;
 ick hoope daer noch een bloedighen crijch te verwecken,
 die hem tot sulcken endt sal strecken / als ghij moecht begeeren:
 tusschen die de nieuwe religie leeren
55
 en die catholijcken vol eeren / is een spel begonnen, 55  
 daer deur sal ons rijck noch seer vermeeren,
 datter veel duijssent sielen sullen werden gewonnen.
 
 .2. duvel
 O machtigen coninck, ghij hadt mij gesonnen 58  
 in Vrankrijck, om daer tvier van twedracht tonsteecken;
60
 daer heb ick wat gerockent, ten is noch niet gesponnen:
 tis daer al van twedracht int gelooff dat men daer spreecken.
 Daer van daen quam ick op die frontueren gestreeken,
 daer beijde die coninghen laegen met al haer macht; 63  
 daer thoonde ick mijn cueren, tes wel gebleecken,
65
 int trackteeren des paijs, dach ende nacht.
  +   Maer die Man hier boven thoonden doen sijn cracht 66  
 onder die colloquenten aldaer, minst metten meest, 67  
 dus most ick daer ruijmen deur die eendracht;
 dit was voor ons duijvels een groote tempeest.
 
 De .3. duvel
70
 En ick heb in Lijfflant, in Pruijssen en(de) Moscovien geweest; 70  
 daer heb ick so onbedeest / tsamen getist,
 hoe dat de Lijfflanders die daer waeren onbevreest
 vanden Ruijsschen overvallen, met grooter list; 70-73   72-73   73  
 en in Denemarcken heb ick gemaeckt grooten twist 74  
75
 omt coninckrijck, want elck int regement
 wil weesen, maer sij worden gesplist,
 dat noch profiteeren sal voor ons grotelijck int endt.
 48  elck plecht, met paragogiese t uit het praet. plech, zoals pleecht ontstond uit pleech. Lubach § 29, d. Vgl. plegen, B :82.
 49  gelijck den gecken; de konstruktie van gelijck (adverbium) + datief raakt in de 16e eeuw al in onbruik; Vondel kent nog slechts gelijck een (als een). Stoett3 § 189 Opm.; Vondels Taal § 160.
Ook ‘leght ghij en vijst’ voor te vijsten is een konstruktie die in deze tijd terrein verliest.
Geck = nar, zot (zie een reeks van synoniemen, aangehaald in Die Sotslach blz. 23). Het toneeluiterlik en gedrag der duivels was in menig opzicht aan dat van de zotten gelijk; zie Haslinghuis, hoofdstuk VII en VIII.
 55  die catholijcken vol eeren, het is niet vreemd dat de duivel, immers ‘executoor des hoochsten’, met eerbied spreekt over kerk en kerkeliken, zelfs zoals hier, partij kiest in godsdienstige strijd. In het geheel van dit stuk heeft de toevoeging ‘vol eeren’ echter weinig overtuigende kracht: terloops geeft de schrijver te kennen, dat hij ondanks al zijn kritiek nog als katholiek, eventueel nog niet als protestant, beschouwd moet worden.
 58  gesonnen; een van de verba die in de 16e eeuw overgaan van zwak naar sterk; vooral in het rijm kan men dan beide verwachten, vgl. B :78.
Ook verba die niet op die grens stonden, verschenen in het rijm met een nevenvorm: gelogeren B :51; gesoogen (= gezoogd) E 12 :21.
 63  beyde die, nog 17-E (W II 1536); daarna beperkt tot minder gewone stijl.
 +  foli. 2
 66  thoonden; 3e pers. sing. imperf. indic., in de 16e eeuw veelvuldig met uitgang -den: Lubach § 75. die man hier boven, zie B 37, aant.
 67  minst metten meest, kontaminatie uit m. metten meesten en m. ende meest; vgl. ‘groot metten cleynen’ (B :207) en ‘groot en cleen’ (B :89); ongeflekteerde meervoudsvormen zijn in dergelike uitdrukkingen al Mnl. (Franck2 § 206).
In Hoofdstuk IIIa van de inleiding zijn enkele van deze uitdrukkingen genoemd; zie nog: tsij heeren of knechten B :115, voor jonck en out G :360; boeren ende eel G :380.
 70  Pruyssen, Perssen, Meden (87), de pluralis van de volksnaam is naam van het land geworden; vgl. Zweden, Polen, Beieren.
 70-73  Zie Inleiding, hoofdstuk VI.
 72-73  Hs. bedorven; hoe en die schrappen? Onbevreesd dan = verwoed (W X, 1120, citaat Cats 1, 394a). Laat men die staan, dan moet in 73 een hulpw.w. gedacht worden.
 73  Ruysschen - een zeer vroege plaats? Meer met deze spelling?
 74  Inplaats van Denemarcken mag men w.s. ook Deenmarcken lezen.


[p. 4]

 
 De .4. duvel
 Ick was van u in Palestina en Judeen gesendt
 en int lant daer ontrent / onder den bischop gelegen
B 80
 van Hebron, twelk ons wel is bekent; 80  
 daer heb ick groote kennis aenden coningh gecregen, 81  
 want die houwen nu veel meer hoeren dan sij voortijts plegen;
 elck is daer genegen / benefficien te verpachten,
 in proves, proosteijen sij deen dandere dregen: 84  
85
 tis daer al te huer off te coop; wie soude dit verachten!
 
 De .5. duvel
 O ongenadighe vorst vander duvelen geslachten,
 ick heb geweest in Perssen, Meden en in Chaldeen,
 in Assirien, Babilonien, wilt hier op achten;
 daer sijnt al ongelovigen, heijdens, groot en cleen 89  
90
 - maer hier ist vol christenen in allen steen, 90  
 so hem tvolck ghemeen / hier nu vermeten.
 
 Lucifer
 Ghij Mijnos, helsche secritaris, wilter u toe reen 92  
 en haelt voort u register, twelck wij quaetclap heeten;
 wiltse daer in teijckenen: op dat wij se weeten,
95
 die hem gelovige christenen alhier nu beroemen.
 
 De secretaris
 Dat sal ick nu doen ende niet vergeten;
 dus om wel te schrijven, so wilt se mij noemen.
 
 Lucifer
 Borra! hoort! hoe sullen sij noch vanden duijvel droomen, 98  
 dees onvruchtbaere bomen / thelsche vier naeckende; 99  
[100]
 al ist dat sijt met schijn en schoon woorden bebloomen, 100  
 dat se Godt kennen, haer leven est messaeckende. 101  
 Siet, hoe is elck thans in giericheijt waeckende,
 in oncuijsscheijt blaeckende / in hovaerdicheijt rellen; 103  
 al is elck een devotich weesen maeckende, 104  
 80  Hebron, zie Inleiding, hoofdstuk VI.
 81  coningh, men zou eer bisschop verwachten.
 84  dregen voor dragen kan uit het Fries in het Noordhollands gekomen zijn; het komt echter ook in Vlaamse rederijkersspelen veel voor; mogelik dus een literaire vorm.
 89  ongelovigen als subst., syn. met heydens, is mogelik: vgl. in 84 proves, proosteyen; toch lijkt 't als adj. waarschijnliker (vgl. 95).
 90  maer híér ist vol christenen; vgl. 149, 161, 169, 245/6, 275.
 92  Mynos, de Griekse rechter uit de onderwereld als ondergeschikte duivel.
 98  Uitroepen - B borra 98, hoort 98, jae 114, 120, o 26, 58, 86, siet 102; G en? 566 A, ey 469 etc., ey ey 713, heyda heyda 649, jae 754 etc., o 739, och 871 etc., orsa 1060, ou 629 etc., sey? 671 A, wel 743 etc., wel a(e)n (wel an) 892, 705; - o wy 1195, o wach :1195, moort :1228.
 99  vgl. Stoett3 § 201 ‘zeer dikwijls ontmoet men in 't Mnl. als navolging van het Oudfr. een absoluten accusatief, veelal in korte epische uitdrukkingen of in beschrijvingen van de gedaante of de kleeding.’ Daar ook litt.
onvruchtbare boomen, Matth. 7:19 e.o.p.
 100  schoon; defleksie onder invloed van het zinsritme, in 128, 129 van het rijm.
 101  h.l. est messaeckende, een konstruktie die men in de 16e Eeuw buiten het rijm niet veel meer aantreft; Mnl. met syn, werden, bliven, zie Stoett3 § 257.
 103  (elck is) in hovaerdicheyt rellen: sijn + inf. = ‘bezig zijn met’ is in het Mnl. niet zeldzaam, zie Stoett3 § 259. Daarna komt deze constructie echter weinig meer voor, tenzij met al: al beven etc. (Noord en Zuid II 133 vlgg.); enkele plaatsen gaf Van Helten in Ts. 10, 233.
De schrijver van B heeft dus een nog bekende, maar zeldzame, vorm gebruikt om het rijm; waarbij men moet bedenken, dat de laatste factor desnoods alleen de vorm zou kunnen doen ontstaan.
 104  een devoot uiterlik; Moll beschrijft dit, II2, 278: bewegingen der ledematen op zeldzame wijze afgemeten; sommigen liepen met gebogen hoofd zó traag over straat, ‘of ze met den Heer hun kruis naar Calvarië droegen’. Ogen zorgvuldig neergeslagen, vooral in tegenwoordigheid van personen van de andere sexe. Op 't gelaat van velen waren sporen van overdreven gevoel, gloed of bleekheid van onmatige prikkeling van het geestelik, schadelike verdrukking van het lichamelik leven.


[p. 5]

 
B 105
 het is al raeckende / met beide voeten ter hellen.
 Wien soude al die boossheijt connen vertellen
 die dees christenen useren? elck is wreet als een eegele; 107  
 waer in gaense hem nu beter dan Turcken aenstellen?
 Besiet heur ordinantie en christelijcke regele:
110
 waer is de lieffde, twelck is der christen zegele, 110  
 dongelovighe een spegele / waer isse gebleven? 111  
 Heur deuchden smelt als een gewreven tegele: 112  
 waer is het ootmoedich en sachtmoedich leven?
 Jae, sij voeren den christennaem, tis veel bedreven,
115
 siet hoe sij hem aencleven / tsij heeren off knechten:
 hoe is die overvloedicheit nu bij hem verheven,
 die groote discoort, het kijven, het vechten;
 sij verdrucken malcander met pleijten, met rechten,
 met sweeren en versweeren, in allen steden, 119  
120
 jae liegen en bedriegen niet als de slechten;
 alle pomperije gaet hem bij heur verbreden.
 Waer aen so blijcken haer christelijcke zeeden, 122  
 daer alle recht en reden / bij haer werdt versmaet:
 justitie en waerheijt leijt nu beneden,
125
 met voeten vertreden / geacht als slijck opter straet.
 Die niet bekent en is, mach wel sien hoe dattet nu gaet 126  
 met elcken staet / hoe ijegelijck swiert // nu 127  
 deur gierricheijt, die wortel van allen quaet 128  
 gewassen vuijt mijnen zaet; men siet hoe dattet tiert // nu:
130
 Pieter vaert vuijt visschen, Sijmon regiert // nu. 130  
 Dus wertet bestiert // nu, van onder tot boven
 - het rabadt is ontstelt, men siet wel waert miert // nu -
 dat men bosen versiert // nu, in allen hoven.
  
 Noteert eerst dees canonicken met heur groote proven.
135
 Men derff mij niet loven / men sient voor ooghen: 135  
 sij hebben cappelrijen en pastorijen - siet hoe sij sloven -
 twelck sij verteeren met heur hoeren, dits ongelogen;
 waer gaensij heur religie toch aen betoghen,
 die hem niet en voegen / dan alle wellust torboren?
140
 Abten, domproosten, comendeurs, die hem selffs verhogen,
 dese sullen al duijvels kermisse hooren. 141  
 107  dees christenen = de Chr. van tegenwoordig; vgl. Stoett3 § 48.
 110  twelck: relativum op een antecedent van een ander geslacht: Stoett3 § 55; ook nog 17e E.: Vondel's Taal § 217. Vgl. B 137.
 111  Spegele is buiten 't rijm in Hollandse teksten zeldzaam; als rijmwoord komt het veelvuldig voor. Vgl. Die. War. X 117 vlgg.
 112  Gewreven tegele = poeder van baksteen. Barth. den Engelsman ‘Vander Proprieteiten der Dinghen’, [Haarlem, 1485, 85a] vermeldt dit als voorbeeld van ‘onredelike appetijt’ van zwangere vrouwen: ‘(si) liden ghebreck vanden appetijt / want si scuwen goede spise en de si begeren pulver van asschen ende van tegelen ende dezer gelike,....’ Men moet hier echter niet aan het oplossen van ‘baksteenpoeder’ denken. De 16e eeuw kent verschillende vbb. van ‘verderven, verdwijnen als gebroken scherven’, ‘geacht zijn als gebroken glazen, scherven’, (Sp. d. M. XXXIV; 2471, 5293), (ook ‘als schelpen’ F 9, 503). B 112 staat daarmee gelijk; smelten = vergaan, verdwijnen, is al Mnl. Vgl. G 174.
Heur deuchden smelt, geen overeenstemming in getal; vgl. Stoett2 § 208.
 119  Vgl. Bruer Willeken 338/40:
 ‘Bruer Willeken sey my een ander bescheet,
 Dat men daegelycx sweert menighen eet
 Waer uwt dat rysende syn veel bestierkens.’
In de m.e. maatschappij maakte men zeer veelvuldig gebruik van de eed; o.a. door de burgers periodiek te laten zweren, dat geen overtreding der keuren had plaatsgehad.
 122  waer aen so: so legt de nadruk op het voorafgaande woord, waaraan toch; Stoett3 § 325.
 126  ook wie het nog niet weet, kan wel zièn.... In ouder Mnl. zou men moeten lezen dies niet bekent en is; we vinden echter bij Vondel een bekende = een deskundige (W II1 1567); in Voorleden Tijt: 110 gij sijt de bekende = gij zijt op de hoogte, gij weet wat er voor nodig is. Verder is onbekend in het Mnl. = onwetend, zij 't meestal in ongunstige zin: ic ben onbekent als een hont (V V, 232) = dom; onbekentheyt is bij Kil. ignorantia.
We mogen daarom voor de 16e eeuw het absoluut gebruik van bekent wel aannemen.
 127  De afschrijver kende het jonge woord swieren blijkbaar nog niet, zoals ook uit B 422 blijkt (zie gloss.) en heeft het als een rijmvorm van sweeren opgevat, cf. regieren × regeeren.
Er is echter nog een andere mogelikheid, n.l. dat swieren voor sweeren = pijn hebben staat, hier dan = verdorven zijn; V geeft er een 16e-eeuwse plaats van.
 128  gierricheyt, die wortel van allen quaet, 1 Tim. 6:10.
 130  Simon magus (Hand. 8:18 e.v.), de simonie.
 135  men sient: men + verb. plur., naast men siet, B 132; onder invloed van het rijm B :61 (Stoett3 § 206).
 141  duyvels kermisse hooren; misschien ontstaan uit twee uitdrukkingen: 10 bij de duivel mis horen (vgl. bij de duivel te biecht gaan) = er van langs krijgen; 20 duivelskermis = regen met zon. Vgl. Als 't regent en de zon schijnt, ist kermis (of kermen) in de hel (en slaat de duivel zijn wijf), Harrebomée, I 299a, Roode Roos 32 en elders.
Op een andere wijze lijkt kermis horen niet te verklaren.


[p. 6]

 
 Dees officiaelen, fiscaelen, deeckens en provisoren, 142  
 die welcken met heur ooren / nae de clinkaert hellen, 143  
 - waer deur sij den armen heur recht versmoren,
B 145
 want hij crijcht dickmaels tbeste recht, die meest mach tellen - 145  
 hoe simulaet sij hem tegen doverspeelders stellen
 en dingen costmensen met al suck gebroet, 147  
 daer sij jaergelt af nemen, dese fraije gesellen;
 dan sijn sij dooff en blint - maer ghij weet dat ment hier niet en doet!
150
 Compter dan een boerman off een schamel, simpel bloet, 150  
 die hem uijt rechter onnoselheijt ijet heeft ontgaen,
 dan seijt fiscus: ‘Ick sumiteer die saecke, als ghijt nu oock doet, 152  
 aen dees twee goeheeren, die de saeck verstaen;
  +   tfeijt is seer groot, ghij hebt te veel misdaen,
155
 men soude u nae recht met den ban schoffieren.’
 Daer staet den schamelen en is gans verraen,
 want die arbiters deelen mede, tsijn nu die manieren. 157  
 Dan seijt de een: ‘Habet multas vaccas - wilt hem doch wat vieren;
 ille no(n) est dativi casus, tamen dives - sijt verbeden; 159  
160
 accipe totum - weest hem doch wat goedertieren.’
 Dan gaen se hem bestieren / tsijn nu die seeden
 - maer sij en doent niet die hier te lant regieren,
 want sij woonen al verde, in Persen off Meden -
 daerom suldij dees pijnijghen deur al haer leden.
  
165
 Pastoren, vijsicureijten, dees ontrouwe haerders,
 dees sielbewaerders / die de schapen sijn bevolen,
 tsijn nu gheen huerlingen, maer schadtvergaerders, 167  
 want sij geven gelt toe - wadt baettet verholen - 168  
 tis slechs om die profijten - maer dit geschiet in Polen,
170
 ghij siet wel datse hier geen pastorijen verpachten.
 Sij hebbender som drie, vier, al ist dat de schapen dolen: 171  
 werdense van den wolff gestolen / sij grijpen nae die vachten! 172  
 Oock en suldij dese biechtvaers niet verachten,
 die nae de penninghen wachten / en nae groote bespreecken;
175
 die quade stercken en haer boosheijt versachten.
 Teijckent oock deese predicanten die dwalingen preecken,
 en dees clapachtige memorijepapen met meerder gebreecken,
 die om haer baet als wouwen inden kerck gaen gaepen,
 142  In het middeleeuwse bisdom hadden twee personen zelfstandige rechtsmacht: de bisschop en de aartsdiaken, de laatste natuurlik alleen in zijn aartsdiaconaat; beiden delegeerden deze macht aan een ambtenaar: officialis (principale), naar een sarkasties oordeel uit de 12e eeuw van officio = ik benadeel.
De officiaelen (B 142) berechtten zelf alleen belangrijke zaken, casus episcopales, archidiaconales, of andere in appel; voor de kleinere rechtsbedeling waren lagere geesteliken aangesteld: provisor geheten, als zij hun opdracht van de bisschop kregen; deken, wanneer zij benoemd werden namens de aartsdeken. Het rechtsgebied van beiden viel samen, waardoor de praktijk veelal werd, dat bisschop en aartsdiaken (of hun officialen) in overleg eenzelfde persoon benoemden tot deecken en provisor (B 142), die de volledige lage geestelike rechtspraak uitoefende in zijn dekanaat. Altans zo was de toestand aan het eind van de M.E. in het aartsdekanaat van de Dom (zie DOMPROOST).
(Mr. S.J. Fockema Andreae, Kerk. Rechtspraak in Ned. in de M.E.; Versl. Meded. Kon. Akad., afd. Lett. 4e R.V., 73-128).
De fiscael (B 142), fiscus (B 152), of vollediger: procurator fiscalis, was ‘procurator ende vervolger onser saken’ aan de hoven van bisschop en aartsdiakenen.
 143  Met de ooren nae den clinckaert hellen; vgl. ‘Voor klinkende munt heeft ieder open ooren’, Harrebomée II, 150; ‘Tel den regter geld, zoo is zijn oor ontsteld’, ib.; ‘Die heeft dat clinckt, crycht dat daer blingt // in sijn behoet’, F 11, 326.
 145  meest; nog in de 17e eeuw werd de sup. van het adv. meestal zonder artikel gebruikt; Stoett3 § 97e; W VI, 689. Vgl. mét artikel: B 229.
 147  Een bedorven regel; costmensen kan ik niet tuisbrengen. De betekenis zal wel zijn: en regelingen treffen met....
suck = Noordholl.-Frie. (Moortje); sulck 223 etc.
 150  Boer heeft hier de bijbetekenis: eenvoudig, onontwikkeld; veelal werd het in de 16e eeuw uitgesproken ongunstig gebruikt, in tegenstelling met de heer en de burger. Vgl. de omschrijving sy te lantwaert, B 274. Boer en boerman < buur, buurman, verdringen in de 16e eeuw bouwer: Diemen eerst noemde, door zijnen jonstighen toer, Bouwer des lants, wort nu geheeten een boer, van d'onverstandighe misnaemt en begresen’. (De Heybloeme van Turnhout op 't Haachspel te Antw. 1561).
 152  In de middeleeuwse geestelike zowel als wereldlike rechtspraak, werd een grote plaats aan minnelike schikking en arbitrage ingeruimd.
Men onderscheidde daarbij arbiters (in rechte) = (h)effenaers = keur-rechters, die als deskundigen volgens recht en gewoonte oordeelden, en (arbiters) arbitrateurs = vriendelike (h)effenaers = goemannen, die niet op juridiese gronden, maar volgens eer en geweten uitspraak deden.
Meermalen liepen deze benamingen echter dooreen, zoals ook hier.
 +  foly 3
 157  tsijn nu die manieren - zo zijn tegenwoordig de m.; cf. 161, 179 etc.
 159  ille non est dativi casus, tamen dives: dit is niet een geval van iemand die geeft, (zoals de gewiekste overspelers uit regel 146), maar toch is hij rijk; ‘uit zich zelf geeft deze man niets, al heeft hij genoeg’, en dan met boevenmoraal: ‘neem dus alles maar.’
N.B. De grappig bedoelde tegenstelling tussen de openhartige, maar voor de boer onverstaanbare, Latijnse gezegden en de gehuichelde opmerkingen in het Nederlands daarnaast, zal het publiek toch wel ontgaan zijn.
Aardig wordt dit gebruik van dativus geïllustreerd door de Doctrinael des tijts, een 15e-eeuwse gemoraliseerde grammatica, waarover Prof. de Vooys een en ander vertelt in het huldigingsalbum voor Vercoullie (blz. 113-118). Hier lezen we: De datijf komt in de tegenwoordige maatschappij niet te pas: ‘in deze casus en wilt niet bijten dan in passivo. Verstaet mi wel: mits dezen datijf ist noot datmen vercrige, mer active te geven, wacht u! spaert tijt!’
 167  Zij zijn erger dan huurlingen, Joh. 10:12, 13.
 168  sy geven gelt toe, nl. aan de collator. Het rijm wijst uit, dat de afschrijver zich met verswegen vergist heeft.
 171  si .... som, sommigen van hen.
 172  Vgl. ‘De Herders zijn metten wolf bekendt’, de Roovere, ed. van 't Hoog, blz. 78.


[p. 7]

 
 om cappelrijen te crijgen - dit sijn de treecken;
B 180
 en oock deese wellustige outaerpaepen,
 met dees cloosterluijden, diet al inraepen
 dat se mogen schraepen/: dees monnicken en begijnnen, 182  
 dees nonnen, die gaern lecker eeten en(de) lang slaepen,
 die en sijn nergentnae so heijlich als sij schijnnen.
185
 Clopsusters, die van ijpocrijtschap verdwijnen,
 pijlaerbijters, matsleepsters, die hem selffs behaegen,
 dat men met haer aensicht wel sielen soude pijnen,
 dees suldij al voeren met helsche vlaegen.
 Dees coorsangers, die alle daegen
190
 loopen en jaegen / uijt en in de tavaeren; 190  
 die besuckt sijn met Sint Amfraes plaegen, 191  
 so datse dick int slick leggen, dees Bachuijsdienaeren,
 gelijck oft een deel ontijdige verckens waeren;
 lollen als kaeters, maer als hem wert geschonken // ijet 194  
195
 loopen sij nae den kerck - anders loopen sij der niet gaeren -
 en beginnen Godt daer te singen een droncken // liet.
 Voochdijen van kercken, weesen en armen, die men proncken // siet, 197  
 getijmeesters, gasthuijs- en sieckemeesters, wilt mee schrijven.
 Dees cloestenaers en wert daer op gesconcken // niet,
[200]
 die dagelijcks spelen met ronde schijven.
  
 Teijckent mede wadt spel dees groote meesters bedrijven,
 als stathouders, ruwaerden, presidenten, sofforeijnen,
 die uijt den blauwen sack hem selffs gerijven;
 raetsheeren, ampmannen, drossaeten, casteleijnen, 204  
205
 provoosten, meijers, hopmannen, cappiteijnen,
 die excijsen, tollen ende imposten opsetten 201-6  
 tot belastinge der gemeenten, groot met den cleijnen,
 en dit onder dexel van noot en(de) schijnende wetten;
 voort: hovelinghen, banroetsen, dees groote caddetten.
210
 Wilt op dees smal eelingen letten / die int lant seer veel // sijn
 en hem int hoochsten verheffen, dees gierige fretten;
 jae, sij willen nu die overheijt vant tlant geheel // sijn,
 want daer en mach nu geen voochdij, officie of casteel // sijn,
 daer sijn een hoop beroijde eelinge teegen;
215
 al sijn sij van Keijenburch, alse slechs van geboort eel // sijn, 215  
 182  Zie Allan II 569, 587, 666 over de welgestelde Haarlemse Begijnen. Haar inkomsten bedroegen in 1581 bijna 1500 pond; het opnemen van nieuwe leden ging met feestelikheden gepaard die van Zondag tot Vrijdag duurden en ruim 100 Rijnse guldens vorderden; o.a. werd hierbij een maskerade van begijnen gehouden (ao 1559).
 190  taverne; ook waar het rijm tavaer(e)n eist, wordt door Holl. rederijkers veelal tavern(e) geschreven. Vgl. Dietsche Warande X, 124.
 191  Sint Amfrae (ook G 47, 292); vgl. Veel. Gen. D. 168, 173; Anna Bijns II 17b; D 6, 250 ‘Anfrares clercken’. Voor litt. over spotheiligen zie Nyeuvont 36 e.v.
 194  n. 1, door degenen die zielmissen lieten zingen.
 197  Voochdijen van weesen en armen = heilige-geestmeesters (gloss.).
 204  Een duidelik overzicht van de titels die door de hoofden van hoge en lage jurisdictie in de verschillende gewesten gedragen werden, geeft Mr J. van Kuyk, Bestuur en Rechtswezen, hfst. III van Het Huiselijk en Maatschappelijk Leven onzer Voorouders, uitgeg. o.l. van Prof. Dr. H. Brugmans, A'dam 1914.
De werkelikheid is daar echter vereenvoudigd voorgesteld, aangezien titels die voornamelik in een bepaalde streek voorkwamen, ook nog wel, en in dezelfde tijd, elders werden gebruikt, soms zelfs in een andere betekenis: zie AMPMAN en vgl. ‘Meyer van Loven, Ampman van Brusselen, Schouteth van Antwerpen ende vanden Bossche (W IX, 463).
Ook hadden deze woorden niet overal dezelfde inhoud, doordat hoge en lage rechtsmacht in sommige streken niet gescheiden waren, zie DROSSAET, of doordat een andere verdeling van bevoegdheden een Overijselse schout zaken te berechten gaf, die elders de baljuw toevielen. Tenslotte had een rechterlik ambtenaar menigmaal ook nog een ander ambt, waardoor hij òf met de combinatie van beide titels, òf met een van beide aangeduid werd, zie CASTELEIJN.
 201-6  De bestuurs- en tevens rechtsprekende ambtenaren worden hier verdeeld in 3 groepen: de hoogste noemt regel 202; de middengroep, waarvan de positie met die van een baljuw overeenkwam, 204; raetsheeren zijn hier de leden van de gerechtelike hoven, wier presidenten bij de eerste groep behoorden; in 205 volgen de ambtenaren die men in rang met de schout gelijk kon stellen. Hopmannen en cappiteynen hadden in het militaire leven een overeenkomende macht, maar bij regel 206 past hun vermelding niet.
De opsomming is niet volledig en wijst ook niet op bizondere bekendheid met een bepaalde streek, buiten het eigen gewest; van het laatste worden de rechterlike ambtenaren uitvoerig behandeld in 225 e.v.
 215  Van Keyenburch syn = de kei hebben, niet goed wijs zijn; vgl. Antw. Liedtb. CLXIX; Kluchtspel2 III, 84. In de Klucht die Moyses Doorn (den Bosch) speelde op 't Antwerps landjuweel van 1561 kwamen voor: Maes van Keyendael en Heyn van Sotteghem; in Breda had men de ‘gesellen van Vreuchdendael, van Keyenberch, van Blyenberch’; de eersten vormden de voornaamste kamer, de anderen waren daaraan toegevoegd, w.s. de kluchtspelers. (C.R. Hermans, Gesch. der Reder, in N. Br. II; hierbij Dr. D. Th. Enklaar, De Blauwe Schuit, Ts. v. Gesch. 48, 48). Zie voor dergelike namen W VII1, 2059.


[p. 8]

 
 sij moeten regieren, wat baettet versweegen.
 Waer sijn haer edele wercken doch in gelegen,
 int pomposich plegen / dobbelen, drincken en hoer // jaegen?
 Hebben sij haer leenen daer eerst op vercregen,
B 220
 dat sij sullen bondt, fluweel, sijde, dammast op schoer // draegen?
 Wat baet doense, dan dat sij den armen boer // plaegen,
 daer sij souden, alst noot is, met den lantsheer int velt // sijn?
 Maer sij willen heur lijff niet in sulck roemoer // waegen:
 sal ment tlant beschermen, so moetet met der boeren gelt // sijn!
  
225
 Voort: schouten, bailliuwen, die vanden coninck gestelt // sijn, 225   225  
 welcken nu als gieren donnoselen verduwen
 en voor beschermers der goeden nu willen getelt // sijn;
 wie in huer handen compt, die mach wel gruwen!
 Princepael donnoselen wertet meest verguwen 229  
230
 - wije hier geen schult toe en heeft, die en treckt hem niet aan - 230  
 al souden sij wadt versieren oft oude wrocken vernuwen,
 hij heeft haest schult, die wadt mach verliesen, wij sient plaen;
 maer heeft ijemant een dootslach off capitael feijt gedaen,
 daer connen dees wel voor remissen off pardoen impetreren:
235
 om dit doen sij so en laetense sulcks deurt tlant gaen, 235  
 want sij moeten selffs tadvijs geven, dats pracktiseren;
 hiermede sij heur halve pacht wel conquesteren.
 Sij verbien tapprenderen / heur dienaers den quaeden:
 die cost en moeijt is schier so groot van dees texcusteren,
240
 als tgunt dat dit hem in rekening mach comen te staeden; 240  
 wadt behoeven sij met dees moeijt dan te sijn belaeden,
 tis veel mackelijcker een boer deur sijn buijdel te rijen. 242  
  +   Wie straft nu knevelen, straetschenden off sulcke misdaeden?
 dus compt, datmen geen weegen mogen reisen off lijen
245
 - maar dit beurt eevenwel meest al in Turkijen
 off in Moscovien / daermen sulckx nu doet. 246  
  
 Raetsheeren, leenmannen, die ons dickmaels verblijen,
 dees sal ick om haer abelheijt stellen inden helschen gloet,
 diet vonnisse wijsen uijt een gierich hart verwoet;
250
 sij wijsen en geven raet en daet met sijn aencleven.
 Compter dan een boerman, een schamelen bloet,
 225  d.i. als graaf van Holland; een bewijs dat B na 1555 geschreven is. Zie Inleiding hoofdstuk VI.
 225  bailliuw, namens de landsheer hoofd van een hoge vierschaar, voor criminele zaken; vgl. Schout. De b. zat te recht met de wel(ge)boren mannen of leenmannen.
Het woord baljuw is vooral gebruikelik in Holland; in 't Sticht had de bisschop maarschalken, in 't oosten gebruikte men drost, ambtman, richter. Vgl. B 204 A.
 229  Hoewel men in sommige gevallen een Holl./Brab. ou tegenover een Vla. u kan stellen, heeft dit in de 16e-eeuwse rederijkersliteratuur geen zin meer: uit de teksten blijkt duidelik, dat de dichters bij vele woorden vrijelik beschikten over een u- en een ou-vorm en beide bij hun hoorders bekend veronderstelden. Soms, zoals hier, kwamen zij daardoor tot hypercorrecte, literaire konstrukties.
Dat de omgangstaal die letterkundige wisselvormen niet alle aanvaardde, wordt o.a. door de vele onregelmatigheden bewezen, die afschrijvers in de ou- en u-rijmen maakten, bijv.
G 571/3 wou: u: du. Trudo 715/20 gau: u: sprou: du. F 9, 990/5 scuwen: vernowen (= vernieuwen): verdowen: wouwen.
Van Helten geeft een paar voorbeelden van hypercorrectie in omgekeerde richting: scuwen < scouwen = zien; knuwen < knouwen (§ 64 Opm. 3).
 230  die en trecxt hem niet aan; de s w.s. door kontam. met hem enes (ere dinc) aantrecken = z. over iem. of iets erbarmen.
 235  om dit: hierbij denke men een gebaar van geld aannemen.
 240  als hun aandeel in de gerechtelike en keurboeten, waarmee de uitvoerende macht betaald werd.
 242  enen deur syn buydel rijen = iem. afzetten; vgl. om d'een of d'ander deur zijn beurs te vlieghen, R. Visscher, Quicken III 47.
 +  fol. 4
 246  De streep na Moscovien wijst op binnenrijm, zodat men dus Moscovijen zou moeten lezen.


[p. 9]

 
 die uijt een vrij gemoet / een vadt botters mach geven,
 en vraecht mijn heer raet, die seijt: ‘Daer is veel bedreven,
 tgaet boven schreven / tlijff is gants verbeurt;
B 255
 deese saecke moet aen mijn en noch een leenman sijn gebleven,
 off ghij wert als een misdader swaerlijck geconteilieurt.’
 Dofficier hout hem sterck al waer hij gesteurt,
 onderdes staen sijt saemen, hier wel op let;
 dus clooten sij op twee baenen - ist quaelijck gekuert? -
260
 en(de) raecken altsaemen in des duijvels net.
 Burgemeesters, reeckenmeesters, dees hooren in de wet 261  
 die de burgers souden voorstaen, wie soudt laecken;
 deur wien tgemeen welvaren dick wert verplet, 263  
 want sij soecken int regieren meest heur eijgen saecken; 264  
265
 elck wil sijn sin volgen, siet hoe dat sijt maecken,
 dus blijfftet tgemeen welvaeren dickmaels verloren
 ende die nering werdt verdurven, wadt baet dat kaecken;
 hoe houwen sij dan den eet die sij hebben gesworen?
 Schepenen, wethouders, als jugen vercoren 269  
270
 om elck ernstelijck te doen recht en justitie,
 bijsonder weduwen en weesen, also wij hooren, 271  
 die en doen nu nau ijemant expeditie;
 hoe haer somma neefgen spelen naer haerder malitie, 273  
 daer van hebben sij te lantwaert groote gebreecken.
275
 - Maer hier is van dien metalle geen subspitie,
 ten waer dat anders ijet merckelijck waer gebleecken:
 sij sijn hier te actijff, wie soudt versteecken,
 want sij vergaeren alle daechs, als sijt niet en laeten. 278  
  
 Teijckent oock mede, aenhoort mijn spreecken,
280
 dees pompoese, calumnieuse advocaeten,
 die tvolck tgelt uijt den buijdel ontpraeten,
 een ijegelijck connen raeden nae haeren sinnen,
 seggende: ‘Sal icker in dienen, so en wilttet niet laeten,
 ghij compt int recht, want ghij moetet winnen.’
285
 Sij en laeten niemant ongetroost, van buijten off van binnen;
 so connen sij menigen burger en(de) boer // raen,
 also lang sij tgelt hebben, twelck sij beminnen: 287  
 dan laeten sij hem naeloopen en sien hem overschoer // aen.
 261  Burgemeesters bij de rekenmeesters genoemd en niet bij de rechtsprekende ambtenaren; dit komt overeen met de positie die zij in het westen van ons land innamen, waar hun werk voornamelik financieel en administratief was; in het Noord-oosten hadden zij ook de leiding van de rechtspraak.
 263  deur wien .... = maar door hen ....
 264  regieren komt hier buiten het rijm voor, wat in de Haarlemse stukken maar zelden geschiedt.
 269  Tuyghen is een kennelike vergissing voor jugen.
 271  Vgl. Jes. 1:17, ‘doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwen’, e.o. pl. In de eed van schepenen, noch in die van andere leden van het gerecht te Haarlem, komt echter enige toespeling op weduwen of wezen voor [Huizinga, 442]; wel zegt act. 1 van de Weeskeur ao 1503 [Huizinga, 207] ‘Die burgermeisteren .... als overvoechden van allen wezen derselver stede ....’
 273  wat onttrekken zij allen zich aan hun taak, in overeenstemming met (naer?) hun slechte aard?
haer somma w.s. een verschrijving voor haer somen: sommigen van hen.
 278  vergaeren = vergaderen; een woordspeling met ‘zich verrijken’ is in 't verband niet aannemelik. Vgl.
‘Item alsoe daer dagelicx negligentie int vergaderen gebeurt. Soe worden deecken vinders ende adiuncten gehouden ....’ Art. 3 van de ‘Ordonnantie ende articulen bij ons Brouwers ende brousters ....’ 9 . XII . 1563, Haarl. Gem. Archief no. 2057.
 287  sij 1 = de procederende partijen, sij 2 = de advocaten; het door Van Gelder ingevoegde [tot] geeft de zin een verkeerde betekenis. In B 172 is het verschil door se en sij aangegeven.


[p. 10]

 
 Ghij en moecht schier nau eens over haer vloer // gaen,
B 290
 die hant moet in de tasse en(de) den buijdel moet open;
 anders seggen sij: ‘Laet den vraecken boer // staen,
 hij sal noch wel drie off vier jaer achter an lopen.’
 Dees proccureurs en taelluyden, daer de duyvels op nopen,
 heur lichticheijt en ontrouwheijt is elck openbaer;
295
 die de partijen jaer en dach achteraen laeten lopen, 295  
 sonder naer haer saecken eens te sien, ick segt u claer;
 als die boer dan compt, seijt dan: ‘Sijt ghij daer 297  
 Jan Dirricks, ik moet u wellecom heeten;
 ick heb terstond u saecke in mijn handt gehadt, jae ick voorwaer; 299  
[300]
 u proces staet schoon, hoort mijn vermeten,
 brengt slechts gelt, ten dient niet vergeten.’
 Jae al is sack en stucken altemael te soecken,
 sulcks datmense onder hondert sacken niet en weten
 te vinden, noch in hoornnen ofte hoecken! 279-304  
305
 Deese deurwaerders, daer die boeren nu op vloecken,
 die sullen noch duijvels aersgadt veegen;
 wiens schelmerij niet te schrijven is in hondert boecken:
 men hoortse te hangen aen boomen, in allen wegen.
 Notarisschen, secretarissen, ter plichticheijt genegen,
310
 griffiers, tresoriers, pensionarissen, wilt mee inschrijven;
 roedragers, bosdragers, penlickers, tracteert mee te degen;
 tollenaers, excijspachters, die mee wonder bedrijven, 312  
 rentemeesters, dijckgraven, die hem selffs connen gerijven,
 mergengelt- en thiendepenninckgaerders wilt niet versuijmen, 314  
315
 die menighen prachel vinnen tot haerder verstijven
 en deurt innemen en uijtgeven besmetten haer duijmen;
 sij en schietender niet in, dit sijn die costuijmmen:
 alle diensten sijn smerich, elck wil genieten, 318  
 tgemeen landt draecht die cost, dit mach wel ruijmen, 319  
320
 so dat de groote poelen in de cleijnen vlieten. 320  
 Sarganten, diefleijders, ofte hoemense hieten,
 dan van tquade aes leven, ick seght u goet ront; 322  
 heijmelijcke wroegers, die men behoort te hangen aen sprieten,
 nachtschouten, voert mee in der hellen gront.
325
 En deese gierige wracken, met giericheijt deurwont,
 die sal ick noch met dat helsche laff // laven;
 295  Vgl. Trauwe 1211 ‘Allen processen sy (= procureurs, notarissen en advocaten) rustende laten. Tot dat men hen naloopt van straten te straten. En geeft hun groot gelt’.
 297  seyt, zonder subject, vgl. Ts. X, 203; Stoett3 § 5e.
 299  Zoals bekend, werden ja en nee als antwoord op een vraag, dikwels verbonden met een pron. pers. (Stoett3 § 36) en is dit nog wel het geval (v.d. Water § 62; Zuidned. gloss.). Onjuist is het echter, hieruit af te leiden dat deze plaatsing van het personale steeds op een voorafgegane vraag moet wijzen, zoals Stoett doet in zijn aant. op Schuyffman 238 (Drie Kluchten). Behalve als samenvatting of bekrachtiging van een gedane verzekering (W VII1, 13 (8); VIII en IV), komen beide partikels + personale in de 16e eeuw ook voor als vervolg op een wens [Gans longeren, quam dit alden dach! Maer neent, .... Schuyffman 335/6]; als antwoord op een aansporing [.... dus moeijer en sijt niet gram. - Neen ick, kint. H. Leckertant 266/7, cf. 183/4]; en als meer zelfstandige verzekering [Katmaecker 473; Schuyffman 238].
In B 299 kan men nu wel aannemen dat jae ick, voorwaer als antwoord moet gelden op de vraag die in de komst van de boer ligt opgesloten, of op een vragend gebaar; logieser is het echter er een zelfstandige uitdrukking in te zien.
 279-304  De tekst onderscheidt hier advocaeten, 280 van proccureurs en Taelluyden, 293, een verschil dat het Vlaams-Franse stelsel van procederen maakte en dat daaruit ± 1580 in de Hollandse rechtspraak overgenomen werd. Het Oud-Hollands recht kende maar één groep van rechtskundigen: de taelluyden, die ook wel procureurs, advocaten of voorspraken werden genoemd, maar zonder dat dit verschil in werkzaamheden aanduidde. Het Vlaams-Franse stelsel was door Ph. Wielant in Haarlem gepropageerd, in zijn Pracktijcke civile, ao 1503 [ed. J.A. Fruin, Nieuwe Bijdr. v. Rechtsgel. 23 (1873) en 24 (1874)], maar uit het keurboek van 1559 blijkt afdoende, dat het niet was ingevoerd (Huizinga LXXIX, XCII en 451).
Aangezien dus pas geruime tijd nadat B geschreven werd in Haarlem juridies verschil werd gemaakt tussen de academies gevormde advocaat en voorspraak en de door schout en schepenen na onderzoek toegelaten procureur, zou men uit de tekst af kunnen leiden, dat de schrijver van B een zuidelik voorbeeld nawerkte of altans zelf uit Zuidnederlandse streken kwam. Hij noemt de advocaten pompoes, zij waren dus deftiger dan de procureurs en hij gebruikt ten aanzien van hen twee maal het woord raadgeven; de procureurs gaan in de tekst wat gemeenzamer om met hun cliënten, overigens schijnen beiden gelijksoortige zaken te behartigen. Men bedenke echter, dat de onderscheiding juist in Haarlem al vanaf het begin van de 16e eeuw gepropageerd werd.
G 160 maakt het verschil niet.
 312  Over de excyspachters, elders huyrmans vanden exchyse, zegt Trauwe 1073: Als wy dan op dacsysmeesters dincken - dan laeten wij vijff oft ses aemen sincken - in een doncker gat - dus can dit ambocht die axcysen mincken. Vgl. B 393.
Wonder bedrijven, subst. zonder artikel, vgl. Stoett3 § 97l.
 314  Morgengeld, oorspronkelik een algemene grondslag waarnaar men het aandeel in de beden taxeerde, werd in de 14e eeuw, door de groei der steden, daarvoor ongeschikt; het komt dan nog wel voor als polderbelasting. Maar in 1542 en ook in 1549 en 54 gebruikte de keizerlike regering het landbezit weer als belastingobject.
De 10e penning, niet als in 1571 (1569) bij elke verkoop van roerende goederen, maar als heffing in eens van de inkomsten uit onroerende goederen, werd geheven volgens de plakkaten van 1543, 1552, 3 Jan. 1562 en 1564.
Zie hiervoor P.J. Blok, De Financiën van het Graafschap Holland, Bijdragen v. Vad. Gesch. en Oudheidk. IIIe Reeks, deel 3, blz. 111 vlgg. (1886).
Buiten Holland bleef het morgengeld veel meer in gebruik, zodat de vermelding van de collecteurs van deze belasting, voor datering geen houvast geeft.
Het innen van de 10e penning ging moeilik en duurde jaren; in 1556 was men met die van 1552 nog niet klaar. Ook door het algemeen verzet tegen deze belasting is het begrijpelik dat de 10e p. gaerders nog jaren na de heffing zo berucht waren, dat hun aanwezigheid in regel 314 de tekst niet noodzakelik na 3 Jan. 1562 stelt. Daarbij komt, dat voor deze 10e p. een nieuw kohier werd ingericht, en het zou wel vreemd zijn als de daarvoor aangestelde taxateurs de hekeling van deze schrijver ontkomen waren.
 318  Vgl. spreekwoordelike uitdrukkingen als: ‘Alle diensten zijn smerich’, zei de koster en stal de kaarsen uit de kerk’ - ‘Alle officiën zijn smerich’, zei de kostersvrouw, toen zij een eindje kaars uit de kerk kreeg.
 319  tgemeen lant draecht die cost: morgengeld en 10e penning behoorden tot de gemeenlandsmiddelen, de inkomsten van de staat, die door de bedoelde oneerlikheden verminderd werden.
 320  Zodat de staatsinkomsten in particuliere zak komen.
 322  Het is mogelik dat dan de oorspronkelike lezing is, maar waarschijnliker is die.


[p. 11]

 
 die niet en dencken dan om haer eijghen mont, 327  
 slachtende den rijcken man, die noijt en gaff // gaven. 328  
 Hoe sal ick dees christenen noch int helsche graff // graeven,
B 330
 die opten naem die sij draegen alleen betrouwen // nu
 en arger dan Turcken daegelijcks haer draff // draeven,
 al draegen sij tevangelium in de mouwen // nu. 332  
  
 Wie sou mijn dit gemeen volck connen onthouwen // nu?
 Haer ijdel woorden en wercken mach mijn verblijen:
335
 ten is niet dan opt tsant daer elck op gaet bouwen // nu, 335  
 tsij mans off vrouwen // nu, sij sijn vol pertijen;
 deen, seg ick, gaet benijen / en dander bestrijen,
  +   tis al vol herezijen / dus set die hel wijt open. 338  
 Soeckt onder tgemeen volck mee, sonder vermijen,
340
 ghij sulter bedroch in vinden ontallick, bij hoopen.
  
 Als corencopers, die dick haer eijgen coorn opcoopen, 341  
 al en wilt nu niet noopen / - dat doet Godts seegen -; 342  
 men sietse wel in steen en dorpen rijen en loopen
 en coopent op eert compt off gewassen is te deghen; 344  
345
 sij maecken een buijdel - wie isser tegen, 345  
 het sijn doude plegen / alsomen wel sien.
 Wat baet dat den armen ten swaersten weegen, 347  
 sij gauderender tsomplecken off, diet souden verbien;
 wie darff nu spreecken voort profijt van de schamele lien,
350
 en mogen dees dieven nu niet wel vollen haer sacken?
 Backers copen die semel bij lasten, alsomen wel sien, 351  
 die sij met ongans coorn int broet gaen backen.
 Brouwers, die vijff schellingsbier geven voor veertich placken, 353  
 - daar sij tvolck mee verlacken / met macht sijn blijcken - 354  
355
 haer bierslijters onderwoeckeren - hoordij wel, ghij quacken -; 355  
 so sijn sij dan vast ende en mogen niet wijcken,
 so geeft hij hem tbier so dier als hij wil - dit sijn pracktijcken; 357  
 hoe sal ickse noch pijnen in dat helsche vier // wel!
 Alser dan comen dees arme borstelluij strijcken,
360
 die vercoopense enckelbiers borstel voor borstel vant dubbeltbier // wel.
 Biertappers weten nu mee van tbrouwen die manier // wel,
 wadt sij mee sonder bostel ofte petgallich dick brouwen // nu 362  
 327  De in de tekst aangebrachte wijziging: die voor en, kan ook wel om luiden, wanneer men 326 als terzijde gezegd beschouwt; zelfs als 2e vervolg op 325 is 327 zonder onderwerp mogelik, maar in deze tekst zijn beide oplossingen ongewoon.
 328  den rycken man, Lukas 16:19 vlgg.
Gaff is hier het verbum; als subst. zou het met laff, graff en draff overeenkomen. Men moet de 2e helft van 328 dan met wracken, 325, verbinden en een voor en lezen.
N.B. gaff // gáven: gráff // graeven is onzuiver, de Casteleyn keurt het af; een argument kan dat hier echter niet zijn, daar in deze teksten wel meer accentverschil in het rijm verwaarloosd wordt.
 332  Al dóen ze nog zo vroom; al hebben ze het evangelie steeds bij de hand, n.l. in de wijde mouw, die voor zak diende. W. citeert: ‘Hy draeght dat Evangelium wel in de mouwe, ende heeft het oock wel in den mondt, maer niet in 't herte’, Gnapheus, Tob. 3; vgl. G 189.
De plaats richt zich tegen schijnheilige christenen die met teksten schermen; gezien de overdadigheid, waarmee dit ook bij onverdacht R.K. schrijvers gebeurde, is er geen reden om uit deze regels anti-ketterse gezindheid te lezen.
 335  opt tsant bouwen, Matth. 7:26.
 +  foly 5
 338  set die hel open, vgl. G 335, haer hel staet open.
 341  Tussen Spreuken 11:26 en Haverschmidt, Fam. en Kenn. 155, ligt een lange reeks van ongunstige oordeelvellingen over de korenkopers of -bijters.
Opkopen van eigen koren, zie G 1105, A.
 342  al en wilt nu niet noopen - al is 't nú zo erg niet; om het vervolg van de regel moet men dit wel voor een oprecht gemeende uiting houden. Ook hierdoor weer wordt B geplaatst tussen de in Holland zeer ongunstige jaren 1556/7 (staatsbankroet) en 1564.
 344  Het subjekt si ligt in de accusatiefvorm opgesloten in de voorafgegane regel; zie Stoett3 § 5h. In het Mnl. is dit de regelmatige vorm (vgl. ook V II 641), in het 16e-eeuws echter niet meer.
 345  wie isser tegen = wie zou niet meedoen? Mogelik ook: wie pakt ze aan. De plakkaten van 1531, 1540, 1562 waren anders streng genoeg (ban en verbeurte van goederen, voor 't opkopen van waren en ‘gemaakte dierte’).
 347  Wat geeft het, wat helpt het, dat dit de armen het zwaarste treft ....
Het maakt de indruk, dat de afschrijver wat baet dat den armen als een geheel gelezen en zich daardoor vergist heeft. Wel kan men dat als demonstrativum opvatten en weegen als infinitief (zonder te; eventueel moet te ingevoegd worden), maar deze konstruktie is wel erg literair.
Aannemeliker is de zin met dat als konjunktie, voor dat 't, ev. aan te vullen met et; weegt zou dan onder invloed van het rijm met de datief armen i.p.v. met het subject in overeenstemming gebracht zijn.
 351  In het Haarlemse keurboek wordt misbruik van zemelen niet nadrukkelik genoemd (vgl. blz. 395/6), wel in het Leidse, blz. 300/2. Trauwe 1061: terwesemelen wy onder roggenmeel lappen. Vgl. G 235, 996.
 353  Van de vele ponden, Vlaams, Hollands, Parijs, Tournoys, Brabants, etc., elk verdeeld in 20 schellingen à 12 groten of penningen, die in de M.E. in deze streken als rekeneenheid in gebruik waren, bleef aan het eind van Karel V's regering in Holland eigenlik alleen nog maar het pond vlaams (B 574) over. Hierin, of in zijn onderdelen werden voor het binnenlands gebruik alle waarden uitgedrukt, waarbij de nadere aanduiding ‘vlaams’ dikwels wegbleef: schelling (B 353, 427, G 1135); plack (B 353) = dubbele groot = stuiver (B 488, G 275, 317, 326).
Het pond groot (G 604) is een van het pond vlaams afhankelik gemaakte eenheid, zoals al blijkt uit de volledige naam: pond van 40 groten vlaams. Toen Karel V een standaardmunt liet slaan, de Carolusgulden (1520 in goud, 1542 in zilver), die bij de uitgifte precies deze waarde had, werd het pond groot ook gulden (G 275) genoemd; zelfs stelde het aan het eind van de 16e eeuw onder deze naam het pond vlaam als rekeneenheid buiten gebruik.
Bij de penning (B 488) moet men nog iets anders opmerken: een penning was een andere naam voor een groot; maar in de 16e eeuw bedoelde men in Holland met dat woord speciaal de penning van het dan verdwijnende of al verdwenen Hollandse pond, dat 1/8 was van het pond vlaams. Deze penning was dus 1/8 groot vlaams of in de langzamerhand gebruikeliker eenheid van de pasmunt 1/16 stuiver (vlaams). De duit (B 484) was 2 penningen.
 354  Iemand zijn blieken verlakken = hem te pakken nemen, bedriegen; ook zonder indir. obj.: ‘Ick sal u wel helpen, Dat ghy wel sult verlacken den blieck’, H. Leckertant 244/5.
 355  Al kwamen de andere duivels na vers 91 niet meer aan 't woord, zij bleven hoogstwaarschijnlik wel op het toneel en begeleidden Lucifers monoloog met gebaren en geluiden; vandaar het tegen hen gerichte 2e deel van 355; vgl. 420.
 357  hij - de brouwer; door de lange tussenzin verslapt de herinnering aan het getal.
 362  Sartorius, Adag. II 3, 94 verklaart ‘Gy soudt wel brouwen sonder bostel’ met ‘Ranis vinum praeministrare te decet, .... in hos convenit qui vinum immodica diluunt aqua ....’ De tapper brouwt dus met water, en zelfs zónder: met krijt.


[p. 12]

 
 en schrijven met een dubbelt crijt - sij doent oock hier // wel -;
 voor men dubbelschool en achter bordeel houwen // nu. 364  
B 365
 Hoe die Calisvaerders rekening doen machmen aenschouwen // nu,
 die met anderluij gelt vuijtvaeren en laetent thaer thuijs blijven; 365-66  
 parsmeesters en sijn niet wel te betrouwen // nu, 367  
 die met der porsen gelt haer eijgen coopmanschap verstijven. 368  
 Trapenierders die de caerdewol connen onder die fijnen wol wrijven,
370
 waer deur sij beclijven / dat sij niet int verhaeren // vaeren,
 die welcken heur wevers om te weven dick bekijven 371  
 - som willen uijt een laecken twee of drie pont gaeren // spaeren - 372  
 ick wilse om heur fraije dieverij bij mijn dienaeren // paeren,
 want sij sijn valsch ende loos in haer hanteringe.
375
 Het sijn nu aerdiger dieven dant in voorleen jaeren // waeren,
 ten hiet even wel niet langer so, maer pracktiseringe.
 Molenaers sijn mee diefachtich in haer neringe,
 die bij andereluijden coorn haer verckens meesten; 378  
 heur coorneijerkens gelden wel, dit is studeringe,
380
 en sij hebben veeltijts die vetste paerden en beesten.
 Deese laeckencoopers sijn mee al subtijle geesten, 381  
 die ongecrompen laecken voor gecrompen slijten 382  
 en setten raemen binnenshuijs, daer sij tlaecken op leesten; 383  
 tbrengt hem proffijt an, al ist dat sijder darmen mee beschijten.
385
 Soude ick die linnelaecken coopers al haer gebreecken verwijten,
 ken sout in drie daegen niet connen vertellen:
 sij verderven die neeringe - wie machet spijten, 387  
 haer bedroch voordert seer tproffijt der hellen.
 Comens, die tslimste onder ende tbeste boven stellen, 389  
390
 die connen goe soffraen van witte ouwe rijs // maecken,
 die sij daer onder mengen, dees valsche gesellen;
 sij sullen met haer vals wegen in des duijvels prijs // raecken.
 Wie sou dimpostmaenders en(de) pachters van decxijs // laecken, 393  
 wiens boossheijt te groot is hier te seggen // nu;
395
 dees sullen eeuwich thelsche affgrijss // smaecken,
 dus en mach ick ju huijden haer booscheijt niet te vollen vuijtlegg(en) // nu.
 Weerdeijns, al ist drooch weer, sij houwent in dreggen // nu, 397  
 om haer gemack, al gaetet die gemeente tegen;
 brootwegers crijgen thuijs leckere weggen // nu,
 364  Vgl. Harrebomée, Spreekw. 1, 81b.: vóór herberg, achter bordeel; Sart. tert. X. 17: Voor stoof, achter b. houden = Duyven op solder houden. In de Ontr. R. zegt de waard: Ick heb oock secretelyck schoon vroukens inne, Die fray in den dos syn van habyten en cleeren (482/3).
 365-66  Het Leids keurboek 66, 4 (ao 1406) bevat de volgende bepaling: ‘Item so en sel nyement upten stapel van Englant varen om velle, die sijns selfs ghelt min wtvoeren sel dan 50 nobel, meer of hi mach ende hi wil’ (op verbeurte van de vellen die hij voor eigen rekening gekocht had). In de Haarl. draperiekeuren (Huizinga 99, 240, 245, 247) vindt men een dergelike bep. niet; wel dat de C.vaarder in Calais niets verkopen mocht voor zichzelf of anderen, maar zijn loon alleen krijgen moest van de ‘plouch’ deelhebbers.
 367  Te Haarlem kozen de drapeniers jaarliks 6 persmeesteren ‘denwelcken (zij) den handel ende onderwindt van der voorscreven persse voor taenstaende jaer zullen willen toebetrouwen ende beveelen’. Dezen beheerden dus de gehele uitvoer van Haarlemse lakens en reisden ook wel naar Calais. Eén van hen moest altijd te Antwerpen zijn, waar de voornaamste factorij was; af en toe ging er één naar Zeeland, etc.
Zij inden het geld of de schuldbekentenissen van de factors, hielden aantekening van de handel en verrekenden de zaken in Haarlem (zie PORSE), Huizinga 285 vlgg. (ao 1552). In Leiden heette een dergelike organisatie het Cantoor, Posthumus 258-9, ao 1530-52.
 368  Uit de Haarl. ordonnantie op de Persmeesters ao 1552: .... Des zoe en sullen engheene persmeesteren eenige penningen toebehoerende den persse in huere zelffs affairen mogen besigen in tgroot noch in tcleyn, op peyne van gecorrigeert te werden als meineedich - Huizinga 292.
 371  om te weven; beter leest men omt weven met: na de regel; d.w.z. de wevers krijgen uitbranders, omdat ze te veel garen gebruiken, de drapeniers eisen dat ze 't met aanzienlik minder dan de bij keuren vastgestelde hoeveelheid doen. Of men kan 371 met 369 verbinden: en dan schelden ze nog op het werk, dat de wevers met die gemengde wol maken.
 372  Voor een heel laken van 40 à 44 el, gebruikte men 40 à 50 pond gezuiverde wol; vaak werd echter ook het half laken zonder meer laken genoemd en als dat hier het geval is, loopt de ‘bezuiniging’ van de drapenier om de 10%.
 378  vgl. G 242, 1002; zie Huizinga 396 (ao 1557): ‘Gebieden voort ende bevelen, dat niemant van de molenaers binnen de vryheyt dezer stede hem en vervordere, eenige verckens, honderen, gansen, duyven, ossen, koeyen off scapen binnen haeren huyse off op haer molenwerven te houden in eeniger manieren ....’. Voor vroeger tijd de Brouwerskeur van 1407, Huizinga 115: datter geen molenaer meer verkens teffens houden en moet dan twie op eenre molen ende ses hoenre ....’. Ook 119. Vgl. Spaansche Brabanders 73 v.v., Klucht vanden Molenaer 501/2.
Aangaande de oneerlikheid der molenaars in 't algemeen: ‘Wie mout, meel off coorn cofte jegens een molenaer ....’, Huizinga 361 (ao 1557) en Trauwe 1049: Ten was noyt recht molder, hij en hadt gestoelen, Want dambacht heeftet in ....
 381  Hs. als subtijle geesten; de foutieve s van als is hier foneties gemakkelik te verklaren. Zie voor een dergelik geval Schuyfman 85 ‘haeren mots sou loncken’ (Ts. LI, 154). Veel vaker wordt echter door dezelfde oorzaak een s te weinig geschreven, bijv. B 200, 291; daarentegen komt de t van het artikel veelvuldig dubbel voor: vant tlant B 212, enz.
 382  Nadat de lakens, bij 't vollen 1/5 à 1/6 gekrompen, op de ramen gerekt waren, werden ze geperst en met water of stoom weer gekrompen. Bleef de laatste bewerking achterwege, dan kreeg men ongekrompen of gerekte lakens, die niet krimpvrij waren; vooral Engelse lakens werden zo ingevoerd. Om het euvel waarop de tekst doelt tegen te gaan, bepaalde men in Leiden dat niemand mocht verkopen ‘ter snede ander laken, dan altemael ghecrompen is of altemael onghecrompen’, Hamaker 103, 18. In Haarlem: ‘Alsoe dagelicx groot bedroch ende gebreck valt onder de wantsnijders in tuytsnijden van den Engelschen laeckenen, die sy ongecrompen vercopen ende uuytsnijden, twelck in tdraghen rimpelt, croecken ende andere gebreecken in vallen ....’, moeten deze in 't vervolg onder toezicht der waardeins op de ramen bewerkt worden, Huizinga 391/2.
 383  Het rekken geschiedde onder stedelik toezicht en veelal op een stadsterrein; o.a. in Haarlem heette een wijk hiernaar De Ramen. Aangezien door sterk rekken te kort of te smal geweven laken op maat gebracht kon worden, maar met verlies van krimpvrijheid, dus van kwaliteit, bestonden hiertegen scherpe bepalingen. Blijkbaar trachtte men daarom heimelik tuis te rekken.
In de 16e eeuw kwam dit bedrog zo veelvuldig voor, dat Ned. laken en er een slechte naam door kregen, waarom de landsregering het met een generale ordonnantie trachtte tegen te gaan, 1562 - Posthumus 64. Trauwe 1109 Dan recken wy die lakenen op een rame.
 387  wie machet spijten: ons duivels niet, nl.
 389  vgl. 518 ‘wie koorn boven beter toochde dan ment onder vonde ....’ Huizinga 376.
 393  De excijspachters worden hier voor de twede maal genoemd, zie 312.
 397  Haarl. Keurboek 1557, XVIII (Huizinga 337): ‘.... dat die waerdeyns alle werckendagen hem zullen vinden ende blijven van halff elffven voor noene persoonlick in den raemen (uuytgesondert quade, donckere, tempestuose dagen, als men niet en sal waerderen, off in de wintertijt, als de waerderinge stil staet,) ....’.


[p. 13]

 
B [400]
 om deur die vinger te sien, wadt baetet verswegen;
 bierpeijlders, croongeltjaegers, die jichte dregen, 401  
 waer deur sij niet te degen / die maet werderen;
 schoenmaeckers, die mettet leer valscheijt plegen;
 vleijshouwers, die schapenvleijsch vercoopen voor weren. 404  
405
 Noch connen dees vleijshouwers aerdich practiseeren, 405  
 - waerom ickse moet eeren / als die door mijn vercoren // sijn -
 die de francijnmaeckers vercopen, daer veel op verteeren,
 die vellen vande calveren eer die gebooren // sijn,
 daer somtijts drie off vier gulden off te vooren // sijn; 409  
410
 dat can dees practesijns wel in mijn net // mijnen!
 En oock dees ossenweijers, die in practijcken doctooren // sijn,
 die connen met draijen vant hooft maecken dat de ossen vet // schijnen; 412  
 tis dan al vet datmen tast; dees sullen te met // quijnen.
 Timmerluij, metselaers, connen wel bij de dach // wercken, 414  
415
 maer alst hoopwerck is connen sijt bet // pijnen:
 sij besorgen elck na sijn gelt, somen mach // mercken.
 Schrijnwerckers, hoe seer sij snercken,
 connen tvolck wel met lichtwerck en quaet hout bestieren,
 in dachuer futselen sij als geleerde clercken;
420
 dus voertse inden affgront, ghij helsche dieren.
 Dees scheepmaeckers en weeten van brootdronkenschap hoe sij wellen tieren,
 sij loopen en swieren / tgaet boven schreven;
 den teerstock int vuijhout sij niet en vieren, 423  
 al wert den schipper bedorven, wadt leijt daer an bedreven!
425
 Medecijns, churguijns, met al dier aencleven, 425  
 versuijmen menijch mensch haer leven / en haer gesonde leen;
 daer hem geen schelling aff en compt, moet men hem een croon geven; 427  
 sij hebben meest Bachuijs verheven / in allen steen.
 Dese smits, die welcke dat quaet ijser smeen
430
 en vercopent voor nieuw, ick en wilt niet heelen; 430  
 dese leijdeckers, groot en(de) cleen,
 die opt dack int sonneken dick leggen en speelen; 432  
 maer hoe sijt riet en cleij reeckenen mach mij niet vervelen,
 daerom sullen sij noch duijvels eersgadt lecken.
435
 Cuijpers hebben ook groote wije keelen,
 401  Bierpeylders en croongeltjaegers waren gezworenen en legden dus ambtsedige verklaringen af. Hierbij past niet waerdeur, maar waerbij; waerdeur maakt waarschijnlik, dat hier, misschien bij de afschrijver alleen, verwarring ontstaan is tussen jichte = getuigenis, in zijn gewonere vorm gichte, en gichte, gifte = geschenk. Zie V.
 404  Vgl. En blau schaepen hanghen wy (= de vleeschouwers) na tbehooren
 Teghen een want; Soe en can men die blau plecken niet bespooren.
 Dus schynet goet hamelvleesch, .... Trauwe 1038/41.
Het lubben van dieren geschiedde meestal om ze sterker te doen groeien en smakeliker vlees te krijgen.
 405  Connen voor comen (hs.) is niet noodzakelik, maar past in de stijl.
 409  off te vooren sijn = vooruitbetaald zijn.
 412  Door de kop van de os naar de terzijde staande toeschouwer te draaien, komt het beest enigszins rond te staan, waardoor aan de éne kant de huid in ruime plooien hangt en het beest vetter lijkt dan het is. Een bedrog dat in de veehandel nog bekend is.
 414  Bij de dach, vgl. in dachuer, B 419. Trauwe 1146 ‘Dat (= die timmerlien) sijn die luijste wercklien die men vint’.
 423  vnij, l. nij? Oostelike vorm van nieuw.
 425  met al dier aencleven = cum suis, apothekers bijv., vroedvrouwen? dier = die daer, G 321.
 427  Dr. J.B.F. van Gils, De Dokter in de oude Ned. Tooneellit., Haarlem 1917, blz. 134, citeert honoraria van 2 of 3 stuivers, (Veel. Gen. D. 134, ao 1600, zoals bekend herdrukt naar Der Fielen, Rabauwen oft den Schalcken Vocabulaer, ao 1563, waarin hetzelfde bedrag genoemd wordt: V. de Meyere en L. Baekelmans, Het Boek der Rabauwen en Naaktridders, 64) en van 2 schellingen (P.C. Hooft, Schynhailigh, ao 1617), naast veel hogere bedragen voor rijke patienten. De arts gaf dikwels ook medicijnen.
1 Schelling = een werkmansdagloon (G 326).
 430  Vgl. Trauwe 1140 Want dout yser versmeden sy en dnieu sy sparen.
 432  Vgl. Trauwe 1149 Die schaelendecker keyckt meest na den wint.


[p. 14]

 
 dat doet die brouwers haer bier niet veel strecken;
 wollewevers, die haer met dieverij bevlecken;
 stoeldraijers, sackendraegers, die den tulpot beminnen.
  +   Houtsaegers sijn eendeel lichte vogels tallen plecken, 439  
B 440
 sij verdrinken som so veel als sij winnen.
 Wielmaeckers, bloockemaekers, diemen niet so trouw en vinnen,
 al gingen sijt haer in voorleden jaeren beroemen. 442  
 Houtcoopers slocken de scheepmaeckers binnen,
 so dat som vande scheepmaeckers tUijtkercken coemen.
445
 Ghij en sout mij niet veel groote schippers noemen,
 off ick seg dat sijt steelen, al waert dat sij hier algelijck // waeren;
 sij hebben die matschudding tot haerder vroemen, 447  
 so datse heur reders bijster en hem selffs rijck // vaeren.
 Wisselaers, financiers, banckiers, die tgoet met practijck // gaeren,
450
 goutsmeen, tinnegieters, die valschelijck assaijen,
 dees suldij tsaemen tottet eeuwich versijck // spaeren.
 Placsalvers, die meest niet dan leugenen craijen; 452  
 coperslaegers, die voor nieuw cooper tvolck met out paijen;
 dese larijcatten, die so mennighen onnutten clap // clappen;
455
 brousters, wrinxsters, dees wijste gaijen,
 wijntappers, die tvolck dick uijt een verkeerden tap // tappen.
 Hopcoopers connen die brouwers wel mede met een sotscap // cappen
 met heur valsche hop; dus sullen sij noch in mijn kaecken // blaecken. 458  
 Slepers, meters, die mennich onnutten snap // snappen, 459  
460
 - tsluijt somtijts so veel ofter een deel quaecken // spraecken; -
 snijers, die voor hem selffs hoosen van anderluij laecken // maecken:
 - dies ickse met ander dieven wel verhoogen // mach -
 tcompt hen selffs thuijs, dus con(n)en sij wel aent tlaecken // raecken,
 noch en steelen sijt niet meer dan in haer oogen // mach. 464  
465
 Heeckelsters, kempsters, somen wel betogen // mach, 465  
 sijn quae clappeijen, die gaern over een tant wercken; 466  
 sij weeten van elcks een dat - daer om ickse wel voogen // mach - 467  
 en kennen niet eens op haer eijgen schant // mercken.
 Met schilders, glaesmaeckers, beeltsnijers, ist mee vant vercken, 469  
470
 die met heur fantasijen tvolck stellen die vuijcken. 470  
 Velledelers, die so veel van haer hant snercken,
 drincken so droncken, dat sij hem die vellen laeten ontduijcken.
 Keurmeesters connen nu list gebruijcken,
 +  fol. 6
 439  Lichte vogel, masc. naast lichtekooi - vgl. de verzen B 439 en 508 - identiek met lichte vink of lichtvink. Duidelik komt deze tegenstelling ook elders uit, bijv. Ik (de dichtgodin) ben een ligte kooi, gelijk de min, mijn doel, een ligte vogel is (W VIII2 1961; voor doel l. boel?) Ten onrechte neemt W dan ook aan dat Rotgans, Poezie 643, vrouwen bedoelde in de regels: Daar was geen kermis of men zag 'r bei zijn oomen En vâer, schoon lang getrout, met lichte veugels komen; de context geeft hiertoe geen aanleiding.
Al moet men vogel in deze samenstelling oorspronkelik als beeld voor phallus opvatten (vgl. mnl. voghelen), het werd daarnaast zo dikwels als pars pro toto gebruikt, dat het hier gemakkelik zwakker betekenis kon krijgen: doordraaier.
Vgl. voor vogel als scheldwoord: Stoett, Moortje, aant. 2340.
 442  Dit kan op een tekst slaan die door deze ambachten bijv. in een ommegang werd voorgedragen, of op een andere opvoering.
 447  Dat de schippers, door de matschudding te verkopen, de regelmatige handel in 1e kwaliteit graan benadeelden, blijkt uit verschillende keuren: W IX, 319. Hier wordt gesuggereerd dat zij de m. opzettelik vergrootten, misschien wel goed graan als zodanig achterhielden.
 452  Placsalver. Het is niet ws. dat men dit woord van plak = lap af moet leiden (W XII1 2194), aangezien de betekenis er niet door verduidelikt wordt; daarbij is plak voor lap zuidelik. Beter vergelijkt men 't met plack-verwer Kil. Holl. j. klad-schilder, pictor ineptus, en klad-salver Kil. j. quack-salver, van plakken en kladden = knoeien.
Ook lapzalver, waardoor de vergissing in het W. ontstond, is immers niet van 't subst., maar van lappen = oplappen, knoeien, afgeleid, terwijl Franck's etymologie van kwakzalver hierbij aansluit.
Dr. A. Beets heeft in overweging gegeven (W VII 3315), kladzalver te verklaren met behulp van een ander woord kladschilder = huisschilder, waarvan hij de herkomst duister acht. (Dit laatste woord kán heel goed een samenstelling zijn van de stam van kladden = verven (ib. 3305), tot het bewerken van grote oppervlakten beperkt, in tegenstelling met het fijne werk van de kunstenaar). Kladzalver, evenals kwakzalver, zou dan oorspronkelik naast medecijn gestaan hebben, en niet als knoeier er tegenover; dit is in strijd met de volgende vroege Haarlemse plaats, waar duidelik aan onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst gedacht is:
31 Oct. 1538 Gilles van Meegelen, cruynier, gecondemneert in de kosten van syn gevangenis overt quaksalven.
31 Oct. 1538 Dat niemandt urnalen sal mogen uythangen of waeter besien of medecynen ingeven, dan die geadmitteert syn by burgemeesteren (Enschedé 67).
Ook wordt Vercoullie's etymologie, (van quacksalf = prulzalf), berustend op een 40 jaar jongere plaats, er niet waarschijnlik door; met quack ontstonden later wel meer woordspelingen: metter salven quack (Trauwe 1214).
 458  Valsche hop, in de keuren quaede hop, die ‘uuytgekeurt’ moest worden door de vinders van het brouwersgilde en weer uit de stad verscheept. Huizinga 353 (ao 1557); vgl. quade eedt = valse eed.
 459  Vrije arbeidskrachten hadden per groep een vaste plaats in de stad, waar de werkgevers hen vinden konden; zij waren daar vrijwel de hele dag, aangezien om een aangeboden karwei geloot werd, en bij afwezigheid de beurt voorbij ging. De ‘onnutte snap’ was dus nog al verklaarbaar; door 't gerecht moest wel opgetreden worden tegen ongunstiger vormen van tijdverdrijf, ‘werpen om geld of bier’, Huizinga 435.
 464  Niet meer dan door 't oog van de schaar kan en in hun oog geoorloofd is. Vgl. Kluchtspel2 II 91:
      .... kenje de Spaensche broecken ook wel maecken?
 H. Excellent ruym genoech uyt dardalf ellen laecken
      Dan loopt er wel een kintslijfjen over deur 't ooch van de schaer’;
III 67 (Jan Vos, Klucht van Oene)
De diefachtige snijers, die 't laaken deur 't oog van de schaar rokken,
Worden er (in de hel) tot straf, deur 't oog van een gloeyende schaer 'etrokken.
Trauwe 1136/8 Oock spreeck ick voer die pelmetieren Die altyt deen ellen stelen van den vieren Die in dooghe moet vaeren.
Langendijk, Wederzijdsch Huwelyksbedroch 1526 Item: doen haalde je myn Lappen deur de schaar.
W. voorb. uit Winschooten, W.D. Hooft, Conscience; de aant. ‘in Noord-Ned. niet algemeen bekend’, moet alleen op onze tijd slaan.
 465  Van heeckelsters en kempsters geldt hetzelfde als van de slepers en meters van regel 459.
 466  over één tant - in geringe mate. Vgl. Niemanden niet geven, als een kerle viercant, En eten en drincken al op eenen tant Duer haer (= Gierichyt) sonderlingen, Trauwe 177/9.
 467  dat = het fijne.
 469  tis vant vercken, 't is mis; Sartorius pr. IX, 6 nihil sanum [hiernaast vermeldt hij pr. I, 77 invitā Minervā en tert. X, 16 sus in volutabro coeni, vgl. 2 Petr. 2:22]. De uitdrukking zal wel teruggaan op Deut. 14:8.
Ter vergelijking enkele andere plaatsen: E 12, 476:
 Want waer oorloch regiert, ist al vant verken.
F 8, 583:
 Tis hier al vant varrijken, ons hoff is gestrooft,
 nu wy syn berooft van die goe gesel.
F 11, 499:
 Way vrient tis met u al van tverken -
 daer leeken en clercken hem in verblijen,
 es u dat moeyten, jammer en lijen?
 wat sal u dan bevrijen / off mogen versaeden?
S.J.O. 201:
 - hy en woude niet swijghen
 dus mŭet hy nu cryghen // loon na wercken.
 - tcruys is nu int gat [= res est in cardine] tis nu van tverken.
Rott. 1561, 152V (Eglentier):
 die koe is op / tis al vant vercken.
Antw. 1561, Ff 4V (Diest):
 Wij synter ghelat af - Tis nu al van tvercken,
 Och tis heel brodde en verloren que paers,
 Tis heel inden wint ....
Hass. Hist. Sp. 111:
 want sonder Hem / ist al vant vercken:
 allen u wercken moeten vallen in dasschen.
 470  die 't volk op een dwaalspoor brengen door hun afbeeldingen, die van de geijkte afweken? door afbeeldingen van neckers, Drollen, etc.? (vgl. Van Mander over P. Brueghel). Of spreekt hier afkeer van de beeldendienst?


[p. 15]

 
 die aent koeijen vleijsch ruijcken / oft een tuchtich beest // is; 474  
B 475
 dan steecken sij met die hant in den sij, of int dun van de buijcken, 475  
 daer sij aen sien off de koe calff draecht, daer die vleijshouwer off bevreest // is;
 maer hoe sijt vuijl oft schoon schouwen, dat dunck mij dat meest // is
 om theijlighe laff - dit sal seer tot onzer baet // baeten -;
 dus machmen wel seggen dat haer dingen niet waerdigh een veest // is,
480
 als niemant bekeurende dan die sij met eenen grooten haet // haeten.
 Appelcoopsters sullen haer dieverij veels te laet // laeten,
 diet volck met meeten en weegen con(n)en neerstelijck bedriegen;
 al wegen sij valschelijck, sij con(n)en wel eenen praet // praeten:
 om een duijtwers waers sullen sij wel thien leugenen liegen.
485
 Apteeckers, cruijeniers, con(n)en tvolck met beuselingen wiegen,
 die tvolck leugenen en leuren vercopen, dat van straet vergaert // is;
 hoe salt met haer sielen ter hellen vliegen,
 want sij geven voor een stuijver, dat geen penninck waert // is.
 Lombaerden, wouckenaers, daer den duijvel off vervaert // is,
490
 sullen hem noch aen duijvels aersgadt veegen;
 wiens groote wouckerije in de hel vermaert // is, 491  
 so datse steden verderft, wadt baetet versweegen.
 Suijvelcoopers, tot alle fockerij genegen,
 diet suijvel te degen / thuijs sleepen bij hoopen,
495
 en Vriessche botter voor Hollantsche wegen, 495  
 en met voorcopen alle die landen door loopen; 496  
 vischwijven, die veeltijts versche visch vuijt doen roopen,
 al ist dat se drie off vier daegen in de bend gelegen // heeft;
 uijtdreechsters, die hem nu meest bedroopen 499  
500
 dat se coopen / van die gheen diet qualijck gecreegen // heeft;
 droochscheerders, die in valscheijt nae sijn oude pleegen // leeft; 501  
 anslaegers, vellewasschers, die heur welvaeren verdrincken; 502  
 mandemaeckers en seijlmaeckers, die tlavoijt te degen // geeft; 503  
 speckwijven, vogelteeven, die haar cleeren van vetticheijt blincken;
505
 knijncoopers, die knijnen en vogels vercoopen die stincken;
 messemaeckers, harnisvegers, die tegent oorloch verfroeijen;
 waegeraers, schuijteboeven, dees slimme bincken.
 Naijsters, spinsters, nopsters, sijn een deel lichte koeijen; 508   508  
 vollers, die tsomers haer winst verpoeijen 509  
510
 en swinters loopen schoeijen / om den ouwen; 510  
 474  W.s. is de bedoeling: ze doen alsof ze ruiken kunnen aan het vlees dat de slager verkoopt, of 't van een tochtig beest is (en daardoor minder van kwaliteit); 475 slaat op 't keuren van koeien en heeft ondanks dan, geen direkt verband met de voorafgaande regel.
 475  Deze manipulatie is iedere veehandelaar bekend.
van de buycken, rijmvorm; regelmatig zou zijn van den buycke.
 491  Hoewel nog in 1557 een Haarl. keur verbood ‘gelt om gelt’ te geven, (Huizinga 375), achtte men meestal een geldrente tot 12% geoorloofd, d.w.z. het dubbele van de normale. Het is bekend dat men in werkelikheid nog heel wat hoger ging.
 495  Friese boter gold als middelkwaliteit: beter dan Engelse of Ierse, slechter dan Hollandse.
 496  In de M.E. trachtte men, ook daar