[p. 19]

Een ander Spel vande Groote Hel, daer gheestelick schijnsel ende waerlick rigement verdaecht werden

(Personages, zie Aant. 1)

 
 Knagende consiencij, een duvel, ofleesende:
 Lucifer, sonder Goodts genaeden keijser in exterioribus tarre, 1   1   1   1  
 semper augustus, soo wij elcxs doen weeten;
 heere der werlt, dien wij howen in warre; 3  
 coninck ter hellen, daer wij sijn geseeten 4  
G 5
 en van tgroote Babilon, niet om vergeeten; 5  
 aertshertoch in Tenebris, daerder veel woonen; 6  
 hartoch van Tirannije, Fortse en Decreeten,
 twelck wij sustineeren in onsen rijck van Babilonen; 8  
 grave van Turpe Lucrum, niet om verschoonen, 9  
10
 waer mede wij onderhowen onse groote stacijen;
 prince in Superbia, in Avaritia, sonder hoonen
 ende van Invijdia, Scortacio, onse groote nacien;
 lantgraeff van Dolo Luxuria in Optrectacien; 13  
 graeve van Simonie, daert is goet bowen: 14  
15
 die inwoonders van dien sijn vol gracijen,
 want sij moeten deese dominacien onderhowen;
 prince van Ipocratien, een lantschap vol growen;
 heere van Sodomije, dat heijlich landt,
 daer doer mennich dat hooft om clowen 19  
20
 eer dat men mach crijgen dat rechte verstant; -
 onsen lieven getrowen stathouder plaijsant,
 president ende luijden van onsen raed en officieren
 in Babilonien, met allen diet hart in giericheijt brant,
 met alle onse grijpende wolven ende gieren,.... 24  
25
 saluijt scrive ick u, ghij verdoemde dieren,
 dat ghij ons letteren sult hebben gesien; 26  
 dat ghij van stonden aen uijt doet roepen en(de) crijeren 27  
 alle die sijn tegens Goedts partijen, 28  
 - ghij en sult noch geestelick noch waerlick mijen,
30
 hoe dat se sijn op die verboerte van alle haer goen; -
 daer men gewoonlick es met onse mandaten te rijen
 en(de) daermen plach publicacij te doen,
 1  Knagende Consiencij: de naam sluit aan bij B 611; in het 7e Spel van de Wercken der Bermherticheyt (A'dam, 1591) treedt onder deze naam op ‘een vrouwe bloedich int aensicht’.
 1  vlgg. Het mandaat van Lucifer volgt in aanhef en slot de officiële kanselarijstijl, maar niet precies. De titels van Karel V waren in volgorde: keizer, koning, aartshertog, hertog, graaf, paltsgraaf, landgraaf, prins, markies, graaf, heer. Hiervan komen de cursieve in Lucifer's reeks niet voor; ook is de volgorde iets anders; B 26/37 is veel beknopter.
Het vervolg van de keizerlike mandaten variëert; ter vergelijking diene uit 1540 (Muller-Joosting III, 708/10):
bij 21 vlgg. - Ontbieden daeromme ende bevelen onzen lieven ende getrouwen, die hooft, president ende luyden van onzen Secreten ende Grooten Raiden, ...., stadhouder, die eerste ende andere onze raiden in Hollandt, .... stadthouders, president ende luyden van onzen raiden in Vrieslandt ....
bij 25 - allen denghenen, die dezen onzen jegenwoordighen brief zullen sien, saluyt.
bij 27/32 - desen onsen brief doen kundigen ende uytroepen ter plecken daermen gewoonlick is publicatie te doene ....
bij 357 vlgg. - dat sy dese onse jegenwoirdige ordonnancie ende alle de puncten ende articlen voerscreven scerpelick onderhouden ende observeren, ende dewelcke wij willen onderhouden ende geobserveert te wordene voer edict ende eeuwige wet.
Want ons alsoe gelieft.
bij 389 - Des toirconden zoe hebben wy onsen zegel hieraen doen hanghen.
bij 392 - Gegeven in onsse stadt van Bruessele, den ....
 1  De vorm van het mandaat treffen we in de rederijkersliteratuur nog al eens aan:
Veel. Gen. D. 168, Dietsche Warande X 126/8 (Bruiloftsspel van T.M.B.)
 Jonckheyt, by den graciën Goodts verheeven,
 Prince van Hoomoet ende ongeordineert leven,
 Heer van Malhuysen, ......
 Gegeven in 't Hoff van ons, jonge juechden,
 En onder geteykent met ons Princen signet
 Den eersten in Maye, leert als de verhuechden.
 Onder staet geteykent: vervult met vruechden.
In Trauwe een mandement van die werelt als volgt:
380
 Wereltkeysere by my selven, verre bey en breet
 Coninck van alle nydighen herten heet,
 Ertshertoghe van allen arguwatiën
 Hertoghe van tquaet beleyt en onbescheet
 Prince van bloetstortinghe om een cleyn beet
 Grave van allen ketterschen natiën
 Marquis van mestroost en desperatiën
 Borchgrave van den lande van boeverijen
 Rector van overspel en fornicatiën
 Heere van den lande van hoverdijen
 Voocht van der stadt van ipocrysijën
 ........................
 .............. bannen Gerechter Trouwe
 Binnen sonnenschijne..............
 1  terrae > tarre: warre; vgl. erre > erra: terra, Veel. Gen. D. 60.
Het dichtwerk van de rederijkers bevat meer van dergelike veranderingen om 't rijm, al zijn ze lang niet zo talrijk als men wel meent. Enkele vbb. VERGUWEN B :228; al haddyt gat vol mierien: Syrien, Hass. Hist. Sp. 88; veteren (= veeten): beteren, ib. 133; vercrichten (= verkrachten) Ontr. R.:1425; voerken (= vuurken) ib. :994; tegere (= tegen) Loterijspel :267; vervreecken (= vervrecken) F 8 :790; in tijen voorleeken: preeken, E 11 :134.
 3  heere der werlt, Joh. 12:31.
 4  daer wij syn geseeten, n.l. volgens de algemene voorstelling met een keten vastgeklonken aan een ton, die als troon dient. Zo ook in 't 7e Spel v. Bermherticheyt.
 5  tgroote Babilon, B 29 A.
 6  in tenebris, Matth. 8:12; ook in exterioribus tarre (1) doet hieraan denken.
 8  in onsen ryck, l. ons of rijcke.
 9  Turpe lucram, voor lucrum, Titus 1:7.
 13  Dolo van dolus = bedrog, als bepaling bij Luxuria bedoeld: ‘Door bedrog verkregen overvloed’, gelegen in de landstreek Afgunst.
 14  :B 130, A.
 19  daer doer, l. daer der.
 24  grijpende wolven, Matth. 7:15.
 26  Het perfectum lijkt hier alleen gebruikt om de regel te vullen.
 27  Cryeren, 2 silbig, uit cryieren, ook cryhieren (van 't Hoog, blz. 26), uit Fra. crier ontstane vormen, die in 't Mnl. al met die van crayeren, toen gewoon voor ‘bekend maken’, dooreenliepen. Kil. geeft ‘kriéren’ fland, 3-silbig dus, maar de streekaanwijzing zal wel niet op de uitspraak slaan. De korte vorm komt immers juist in Zuidelike teksten veel voor (V. gaf 1 voorb., zonder bron): Hass. Hist. Sp. 76, 123; Boom d. Schr.: 126; Chr. K. :1550. De Holl. omwerker van het laatste maakte er crayeren van; ook op andere Holl. plaatsen zien we voorkeur voor de lange vorm: S.J.O. :469, cryieren: vercieren, hoewel de uitgang -ieren in dit stuk verder niet voorkomt; D 6:669/71, waar het rijm er door de afschrijver zelfs door verbroken werd: gecryeert: gestiert: getiert. Vgl. OBEDIEREN, G 1224, A.
 28  tegens Goedts partijen; het hs. heeft van Goedts; er zou kunnen gestaan hebben tegens sMan Goedts partijen.


[p. 20]

 
 op huijden ten drien, recht nae die noen, 33  
 in persoon van ons aldaer present,
G 35
 als Geestelick Schijnsel en(de) Waerlick Quaet Rigement.
  
 Men geeft u geley, compt sonder vaer,
 welcke vasticheijt wij u bi onsen croon verlienen, 37  
 op correxsie die u souden vallen swaer;
 dus elck hoort nae sijn naem, so weetij wie wij mienen.
  
40
 Nu gaen wij Lucijfaers mandamenten ontluijcken,
 ........................ten, waer dat wij hem rijnen. 41  
  
 Eerst verdachvaerden wij alle dees heijlige buijcken
 die niet dan van buijten heijlich en schijnen;
 die niet dan aertsche dingen en mijnen 44  
45
 int generael - al mogense dick gaen luijpen -,
 die als een bierton in haer lijff voerdwijnen 46  
 ende oick besiect sijn van Sinte Amfraes stuijpen.
  
 Noch wilt verdachvaerden al deese eetende ruijpen,
 die een conciencij hebben als grove trechters
50
 daer een brout bier teffens souden doer druijpen;
 ick weet hoese heeten: tsijn immers rechters-
 int-geestelick, daer sij an sijn hechters;
 - doet se ons al nae der hellen bijsen,
 opdat wij niet en sennen ons serjanten en vechters; -
55
 tsijn die tvonnis eijschen en selver wijsen.
 Al daer eergens een heijmelick trow wil rijsen, 56  
 soo mach het hart in vruechden leven;
 die dan wil dockken vergulden pijse! 58  
 soo moogense so wel drie brooden teffens geven. 59   58-9  
60
 ‘Gaet vrij trowen en wilt het wel offweven, 60  
 onsen heer is dan al wel te vreen
 - dese sullen inder hellen sijn verheeven -
 ghij en moecht u ghelt niet bet besteen.’
 Alle die dit heefdeech dus scandelick cneen, 64  
65
 dachvaert se, ghij en moechter off noch an // doen
 en laetse te drien voor der hellen treen;
 off wij sullen u allen in onsen duvels ban // doen.
 33  vgl. G 138 De noen, de middaggodsdienstoefening, oorspronkelik om 3 uur, werd tegen het eind van de M.E. voor 3 uur gehouden.
 37  Hs. aen onsen croon, w.s. uit kontaminatie met ontlenen aan.
 41  Regel 40 en 41, waarvan de eerste helft ontbreekt, hebben kennelik een aanhef gevormd, zoals 134/5 en 185/6. Ik gis dat er iets gestaan heeft in deze trant: Nu gaen wy lucyfaers mandamenten ontluycken; (laet gheestelick wee)ten waer dat wy hem rienen - waarvan het tussen haakjes geplaatste voor de afschrijver onleesbaar was. Deze begon regel 41 echter voor aan de marge.
 44  mijnen zou oogrijm voor mienen = menen, op 't oog hebben, kunnen zijn, maar noodzakelik is dit niet. Wel zien we dit verschijnsel in rienen :41, dat de afschrijver ten onrechte met de voorgaande regels combineerde.
 46  Lees: die als in een bierton in haer lijff voerdwijnen? (die = de aertsche dingen). Of: als een ton bier.
 56  De Matrimonia clandestina, gesloten zonder openbare afkondiging in de kerk, was een zeer verbreid misbruik in de middeleeuwen, door geestelikheid en magistraat bij herhaling, maar met weinig sukses, bestreden. Zelfs excommunicatie werkte in dit opzicht niet; er waren altijd wel geesteliken te vinden die tegen flinke vergoeding een geheim huwelik wilden inzegenen, dikwels volgens een bepaald tarief ‘na ouder gewoonten’, en welgestelden die daarvan gebruik wilden maken.
Veel geesteliken vonden er een geregelde bron van inkomsten in, waardoor konflikten konden ontstaan als de wonderlike strijd om de Amsterdamse keur van 1525: de deken van Amstelland, die 't geheim huwelik tegen ‘steecpenning’ placht toe te staan, achtte zich benadeeld toen de stedelike magistraat door een boete van 25 kar. g., aan de stad te voldoen, het misbruik trachtte te bestrijden. Slechts met steun van Karel V kon de stadsregering zich tegen deken en bisschop handhaven.
Bisschop Gregorius van Egmond gaf in 1535 weer een scherp verbod en ook Nic. van Nieuwlandt richtte als bisschop van Haarlem een van zijn eerste edicten tegen het heimelik trouwen (1562).
Het geheime huwelik was niet ongeldig voor de kerk, maar werd bestreden om de motieven die er toe leidden (weigering van de ouders, verboden graad van bloedverwantschap, bestaand huwelik van een der partijen etc.) en de gevolgen daarvan.
[Moll II3 13-17; L.J. van Apeldoorn, Gesch. v.h. Nederl. Huw. recht, A'dam 1925, blz. 47 vlgg.]
 58  : Wie dan maar betalen wil! Die w.s. geen datief, vgl. de konstruktie van G 422.
 59  Dan geven ze (gunnen ze je) graag drie vrouwen tegelijk, d.w.z. vragen niet of je al getrouwd bent; vgl. G 56 A. Brooden beschouw ik als broeden = bruiden, vgl. broot G 91 voor broedt. Van broden geven bij een huwelik, vond ik niets.
 58-9  De oe-achtig klinkende oo van broot (G 91) komt overeen met die van doot in het eerste couplet van het Wilhelmus; (zie Van Helten, Mnl. Spr. blz. 89) en zou op Brabantse invloed of herkomst kunnen wijzen. In brooden zou deze oo een oe-relict verbergen, zoals we in het rijm vinden in de Hass. Hist. Sp. blz. 119, versoemen (= versuymen): noemen.
 60  wilt het wel offweven: voltooi het, doe wat er bij hoort, dus: geef de priester zijn beloning.
60 en 61 worden door Kn. C. de priesters in de mond gelegd.
 64  dit heefdeech, vgl. I Kor. 5 : 7/8.


[p. 21]

 
 Den droncken predicant, laet die hem dan // spoen,
 die deesen altoos flacteeren en smeeken 69  
G 70
 om dat sij tsavonts moghen die can // hoen,
 ende niet en straft deese gruwelijcke gebreecken. 70-1  
  
 Verdachvaert alle die valsche leeringe preecken, 72  
 - op dat wij se inder hellen doer // brouwen - 73  
 ende die de waerheijt met macht versteeken
75
 en die menschen niet dan fabelen voor // howen;
 brinctse inder hellen, dat wijse met rigoor // clowen.
  
 Voorts suldij ons noch gaen vermaenen
 alle ongetrowen, op dat wijse inder hellen koor // stouwen: 78  
 alle ongeleerde pastooren ende cappelaenen,
80
 die op den stoel staen craijen als haenen
 ende niet en weeten wat sij leeren;
 deese sullen wij al in onse taenketel taenen,
 dus laetse coomen, tis ons begeeren.
  
 Voorts est noch dat wij ordonneeren
85
 dus vrij al den hoop gaen roeren, 85  
 diet volck generaelick haer ghelt aff scheeren
 om datse howen vier off vijff voerscheijen hoeren;
 en(de) alst jonckwijff tkint crijcht - wilt hier op loeren -
 valtse dan inden craem in mijn sheeren huijs,
90
 soo moetense ses pont dockken - est quaet koeren? -
 om datse broot in haer eijgen nest quansuijs; 91  
 maer als sij buijten bevalt, hoort dit abuijs,
 doet ment elck weeten al over luijt;
 soo loopt het door met die gemeene sluijs 94  
95
 en soo gaet mijn heer vrij met sijn jaerlicxs trijbuijt. 89-95  
 Brengtse ons alte saeme, dit quaet oncruijt,
 wat macht ons baeten veel langer teemen. 97  
  
 Noch soo brengt ons, dat veel quaelijcker sluijt,
 die eenijge persoenen om ghelt int clooster nemen
[100]
 - tgeschiet hier niet, maer tgeschiet al in Beemen - 100  
 maer tis in sommige landen een see:
 hebdij geldeken, daer is wel een stee;
 69  Die = object; deesen = subject = sij in de volgende regel: sommigen.
 70-1  opdat zij zich aan drank te buiten kunnen gaan, zonder dat de geestelike ze bestraft.
 72  valsche leeringe, duidelik tegen de ketterij; vgl. B 338.
 73  Na vergelijking met G 130 lijkt brouwen te staan voor douwen (= dringen); zie echter G 129/33, A.
 78  in der hellen koor, evenals G 133, hier blijkbaar = de hel, al zou men bij de laatste regel speciaal kunnen denken aan een plaats, waar verdoemden hun helse liederen ten gehore brachten (Haslinghuis 151, G 903 A.).
 85  even vrijmoedig al degenen aan te grijpen, ....
 91  broot = broedt; zie aant. G 58/9.
 94  l. Het loopt door die gemeene sluys: het wordt met al de andere nieuwtjes weer gauw vergeten?
 89-95  Waarschijnlik is de betekenis deze: wanneer de vrouw bij de geestelike aan huis bevalt, moet deze een boete van 6 pond betalen (jaarliks?), maar is de eer van de vrouw gered, omdat die zogenaamd tuis bevallen is; geschiedt het elders, dan wordt over de vrouw schande gesproken, maar komt de geestelike er goed en zonder jaarlikse boete af.
Dit lijkt wel vreemd, maar misschien doelde de schrijver op het bekende verschil tussen clerici coniugati of uxorati en de concubinarii, cohabitatores of focaristae. Kerkrechtelik waren beiden in overtreding, maar in de schatting van het volk stonden de eersten, de ‘geheim’ getrouwden, veel hoger: hun vrouwen, die ‘aan huis’ bevielen, dus ook. Met de generaliserende regel 86 hoeft dit niet in strijd te zijn; het is echter slechts een gissing, omtrent een boete in deze gevallen vond ik niets.
 97  teemen. De bet. aanhouden, zeuren, misschien ook toeven, volgens Fr. v. W. te verklaren uit Mnl. teme (thema) = onderwerp, mening, was Kil. nog onbekend. Een andere 16e eeuwse Noordned. plaats geeft D 2 :729 - wat wil men veel teemen; verder in de 17e eeuw Warenar, Spa. Brab. Misschien mag men hierbij nemen: ‘daer sach men weyden in de groene beemden, veel kudden verspreyt ende hen verselschappen omtrent thien hondert, die als wachters teemden’ - toefden? (uit van Mander aangehaald, maar niet verklaard, door Verdam, VIII, 219 Aanm.).
 100  Beemen, Bohemen, een land van ongelovigen als Turkije, Moscovien, B 245. Ook veel Nederlanders namen in de 15e eeuw aan de kruistocht tegen de Hussieten deel.


[p. 22]

 
 maer hebdij geen, soo macht u niet geschien;
 om Goodts willen doen sijt niet, vaet mijn bedien.
  
G 105
 Noch suldij al ter hellen haelen
 deese biechtvaers, die tot den testament groot // raen,
 daer naw soo veel is om die schult te betaelen;
 het moeter weesen, al souden de kinderen om broot // gaen
 - ‘ghij behoortet te doen wildij onder thoot // staen; 109  
110
 och jae vrient, laet u doch eerlick begraeven’ -
 en pover isser thuis eer hem compt den doot // aen; 111  
 willen die kinder eeten, men moeter om slaeven.
 Dus berooven sij den armen van haerder haven
 en(de) dat coonen sij onder den mantel deckken
115
 van schijnende heijlicheijt, daer sij mee draeven; 106-115  
 dese sullen wij alle in der hellen treccken.
  
 Noch sult dijer ons al meer gaen wreckken 117  
 - al souden sij oick alder meest // caecken -
 die, om den buijdel bet te speckken,
120
 soo gaense hem beroemen en willen den geest // maeken: 120  
 carmen en claegen: ‘Waer wil dit beest // raecken!’
 om dat men haer veel souden geven,
 - siet wat men doet, wilt vrij den keest // smaeken -
 en doen den onverstandigen scrickken en beeven.
125
 Somma, dachvaertse al die tegen Goodts woorden leven;
 - die duvelen behoorender scherpelick op te merken -
 ende die, om dat se souden weesen verheeven, 126-7  
 pachten beneficien ende .... vander kercken. 128  
  
 Dese musijckers, die den hoerhuijsen verstercken
130
 en leven als beesten, dees suldij doer // dringen;
 jae vroeten in oncuijsheijden gelijcken een verken,
 en die onsen heer dick een droncken tenoor // singen;
 wiltse alle mee inder hellen choor // bringen. 129-33  
  
 Hoort toe alle die inder hellen bekent // zijn,
135
 nae u naemen, die int waerlick rigement // zijn.
 109  onder thoot, Coloss. 1:18? zie HOOT.
 111  Pover isser thuys, spreekwoord.
 106-115  Priesters die een stervende bijstonden mochten geen misbruik maken van hun positie, door de kerk te laten bevoordelen boven schuldeisers en erfgenamen. Dat dit toch meermalen voorkwam blijkt wel uit de processen, door de magistraat gevoerd tegen op bed gemaakte testamenten en bijv. uit Erasmus' Colloquium ‘Funus’. (Sterfbed en Begrafenis of twee ongelijke dooden en hunne uitvaart, in de vert. van Dr. N.J. Singels). Zie ook een citaat uit het N. Doet., V VIII 276.
 117  sult dijer hypercorrect; zie aant. B 3.
 120  den geest maeken - doen alsof men van een boze geest bezeten is; vgl. V. de Meyere en L. Baeckelmans, Het Boek der Rabauwen en Naaktridders 40: Vanden Vopperen.
 126-7  Het hs. heeft deze regels in omgekeerde volgorde, terwijl ende in het andere vers staat.
 128  Locatio Beneficiorum, o.a. door G. Groote en Dionysius de Karthuizer fel bestreden; zie Moll II1, 140 en II1, 126 v.v.
Vgl. Trauwe 1198/01 Noch met capllaenen: Waer sy van een benefitie hooren vermaenen, Daer sullen sy om strijen als hanen, Int ondercruypen.
 129-33  Vgl. met deze regels S.J.O. 527 e.v.
      O.B.
      Ghy clueck van verstant
 de arme quant // muet nu den tenör singen.
      W.V.
 Blyft ghy daer staen // ick sal hem hier vörbringen
 wilt ghy die dör // dringen // datse sy gheclinct.
Opmerkelik is de overeenkomst hiervan met onze tekst; het hier gebruikte vörbringen zou in G 130 naast dachvaerden 125, haelen 105, brengen 98 etc. veel beter passen. Er zou dan half-identiek rijm met choor // bringen 133 ontstaan; absoluut vermeden wordt dat echter in deze stukken niet: 266 × 269; 1130 × 1131.


[p. 23]

 
 Inden eersten verdachveerden wij alle dees groote dieven,
 - wie dat goet is en salt hem niet belgen - 137  
 dat te drie uren coomen, tes ons believen,
 die thien off twaeliff dusent teffens swelgen;
G 140
 met alle die sijn van Jeroboams telgen, 140  
 die over Israhel brochten die verderfelijcke tijen
 ende tvolck te plaegen als voerweesen velgen 142  
 int gruwel van Israhel der afgoderijen.
  
 Siet voorts scarpelick toe, sonder mijen,
145
 op den officiers, die gierich sijn als slaven;
 die daer ontfangen van beije partijen 146  
 en laeten hem corumpeeren met giften en gaven, 147  
 doet ons alsulcke ter hellen draeven:
 Godt heeftet verbooden, Hij en wilt niet gedoogen; 149  
150
 men sal se metten rijckeman inder hellen graven, 150  
 want den rechter verblinden daer door sijn oogen. 151  
  
 Noch suldij doen coomen, sonder logen,
 alle die den coninck Herodes slachten, 153  
 - daer die gemeente dick doer wert bedroogen -
155
 om datse alsoo haer officie verpachten
 en willen bij haer selven regieren met machten,
 - wee haer die u selven dus vermeeten - 157  
 en(de) sij sijnder alsoo bequaem, deese gierige vrachten,
 als een koe met lepelen souden eeten. 159  
  
160
 Procuratores, advocaten, wilt niet voorgeeten,
 die dat volck doen haer spraeken // maken
 ende den covel vollen met groot vermeeten
 om datse mogen aen saeken // raeken;
 dus compt datse weeten baecken // caecken.
165
 ‘En sorgt niet,’ seggen sij, ‘voor u proces een boon,
 wij sullent vervolgen ende voor u saeken // waeken;
 brengt maer ghelt, u proces staet schoon,
 het blat te scriven thien stuvers, dats arbeijts loon,’
 - al staen van een een voet die regulen -
170
 ‘ende tot uwen inganck staet een gowen croon; 170  
 137  Wie dat (goet is) = al wie, VII 84/5, cf. wie so. In de schrijftaal na, en al in de 16e eeuw, zeldzaam.
 140  Jeroboams telgen: de opvolgers van Jerobeam I, zoon van Nebat, koning van Israël (1 Kon. 11:26 e.v.), die de afgoderij in Israël invoerde (1 Kon. 12:28), door gouden kalveren te laten maken te Beth-El en te Dan. Van de latere koningen wordt steeds gezegd, dat zij niet weken van de zonden van (deze) Jer.
 142  te plaegen. De regel is zo nóch met 141, nóch met 140 te kombineren. Wel zijn zinnen bekend als ‘Soo sal hi veel aelmissen gheven .... ende altijt te dencken op sijn sterfdach’ (Stoett3 § 279, Opm. V), maar de infinitief met te drukt hierin steeds een verplichting uit, terwijl het verbum finitum dan in 't futurum staat; ze kunnen hier niet ter verklaring dienen.
Daarom l. plaegen, bij het subject die (140); dus: die 't volk in het verderf leiden met dezelfde afgoderij als die Israël eens aanhing, n.l. met de aanbidding van het gouden kalf.
 146  In plaats van daer voor doer te lezen, zou men in 147 en kunnen schrappen.
 147  (cf. 1030). Uit de eed van de schout te Haarlem: .... ende dat en sal ick niet laten om lief noch om leet, om vrient noch om maech, om gonst noch om gaef noch am geenrehande zaecken ....; van burgemeesters en schepenen: .... ende dat en zullen wy niet laeten om gheenrehande saecken .... Huizinga 441/2/3.
 149  Godt heeftet verbooden, Ex. 23:8, Deut. 16:19.
 150  metten ryckeman, Luk. 16:23.
 151  Vgl. ‘Ick sie in menich lant, in menighe stede, Die clein dief kens hangen met groote hoepen, En die meeste [= grootste] dieven laet men loepen, omdat sy den rechten syn ooghen uwtsteecken’, Bruer Willeken 525; ‘Den rechter wordt duer faveur en gelt verblint nu’, ibidem 539.
 153  Herodes Agrippa, Hand. 12.
 157  Wee haer die u ...., overgang tot de direkte aanspraak.
 159  Vgl. ‘Kan een varken ook met een lepel eten?’ Harrebomée II 17 en ‘Kin in baarch ek mei de leppel ite?’ N. Frie. Volksalm. 1854, 61 = men kan een kind geen mannewerk laten doen.
 170  Inganck, rapoortghelt en segelen waren vaste kosten bij ieder proces.


[p. 24]

 
 wij sullent u voirleggen, rapoortghelt en segelen.’
 - Maer wildij wel doen, wacht u voor die scarpe egelen,
 want het waer een sot, die hem in een scarpe strijt // stelden;
 ghij moechter soo vast op staen als gebroken tegelen, 174  
G 175
 maer wildij wel doen, ghij moechtet quijt // schelden;
 dat ghij pleijt wilden wij wel in tijts // melden,
 off ghij sult seker van tvreemt beduijt // scroomen;
 wacht u voor pleijten, soo hebdij spijt // selden:
 coemdijer aen, hoe saldijer uijt // coomen? -
180
 Noch wil ick daer meer over luijt // nomen:
 die doerwaerders, steboon, onse beste caren,
 - den gansen hel sal van tgetuijt // dromen -
 want sij gaen die commissij quaelick bewaeren;
 onder die boen vintmen veel logenaeren.
  
185
 Hoort toe ende doet ons geen vercleente,
 alle die onder Lucijfer sijn in die gemeente.
  
 Inden eersten daer wij meest over claegen,
 die sullen wij noemen, ick segt u goet ront:
 dat sijnse diet evangelij in die maw draegen
190
 en Goodts woort te vergeefs in haren mont, 190  
 en blijven in haer oude leven tot elcker stont,
 even gierich, even hovaerdich, even droncken;
 brengt ons die dieven in der hellen gront,
 want deese hebben meest voor Godt gestoncken; 194  
195
 deese sullen certeijn in der hellen proncken,
 want alle die den wille des Heeren weeten 196-7   196-7  
 maer niet en doen, tes hem ontsoncken;
 die sullen meer als dander werden gesmeten.
  
 Deese vermaeledijde coorenbijters wilt niet vergeeten,
200
 want haer rigement dat duert te lanck;
 den armen werden te seer van haer gereeten,
 alle ander neeringen gaen over beijden sijen manck,
[200]
 dus gaetet doer deese boeven al een quaede ganck
 - en den armen willense niet eens in den ooch // weesen -; 204  
205
 dus singt den gemeente den jammerensanck,
 wantse die corenbijters schoon ende drooch // leesen;
 174  Ge kunt nog zo zeker van uw sukses zijn .... (er staat het tegengestelde, ironies); als, l. als op.
 190  Godts woort in haren mont, Matth, 7:21/3 - vgl. aant. B 332.
 194  Ps. 14:3 - tezamen zijn zij stinkende geworden.
 196-7  Luk. 12:47.
 196-7  Luk. 12:47.
 204  Het hulpww. willen heeft hier niet veel betekenis: ze vallen de armen niet op; vgl. G 976 en V willen sijn, IX 2594.


[p. 25]

 
 sleeptse doer die mostart, wiltse doer den looch // teesen, 207  
 want die gemeent moet aen den corenbijters bast // worgen: 216-8  
 die marct moet altoos voor die gemeent hooch // wesen;
G 210
 esser grontijs soo salmen hem wel een last // borgen,
 maer is hij pover, soo gaet men vast // sorgen
 hoe dat men hem all maecken souden schoon;
 te vooren wast ‘Vrient’, dan ist ‘Laet den gast // worgen,
 men souden hem niet looven eenen boon.’
  
215
 Verdachvaert noch onder onse croon
 deese wardeijns, die den armen wever uijtreeten,
 want sij ontfangen die helft vant loen
 en den trapenierder sij sulcxs toe meeten.
  
 Noch verdachvaerden wij, al soudense bleeten,
220
 die steedewerckluijden, dats wel bedocht; 220  
 laetet vrij vuijtroepen ende alle menschen weeten
 van die daegelickse abuijsen die se hebben opgebrocht;
 - ende sij houdent voor goet dat sij hebben gesocht -.
 Laetse al coomen, al soudense haer stooren,
225
 sij behooren te claegen, want sij sijn becocht,
 want sij hebbender veel aen verlooren.
  
 Voorts roept ons barbieren en snottooren
 die ongeleert sijn en hem niet en verstaen;
 sij seggen: ‘In u lijff wast een boom off doren.’
230
 Al siet mense in een bonte tabbaert gaen,
 den armen onnooselen sij dick verraen.
 ‘Godt geeff u goeden dach, lieve meester Maes’; 232  
 keert hij hem sles om, tis meer een waen,
 want in een bonten tabbaert steect wel een grooten dwaes. 234  
  
235
 Deese bacckers hebben meenijgen loosen aes, 235  
 die den semelen cleijn doen vermaelen
 - ende hier en sietmen niet toe dit geraes -
 en den armen moetent voor goet broot betaelen.
  
 Voort suldij noch ter hellen haelen
240
 dese molenaers, die nae der hellen fret // haecken;
 207  Iemand door de mosterd slepen. Sartorius, Adagia, Fragmentum Chiliadis Quartae 20: iambizare, conviciari, maledicere = schimpen, lasteren; Winschooten Seeman 23: iem. door den beugel jagen = plagen, dwingen tot iets onaangenaams; Tuinman, De Nederd. Spreekw. I. 298: iem. door dik en dun leiden = niet ontzien. De laatste betekenis past het best in onze tekst.
 216-8  Voor regel 216/7 is wel een verklaring te vinden: in vroeger tijd ontvingen de waardeins in Leiden n.l. de helft van wat ze in hun functie inden, keurloon en boetes (Hamaker 1406, VII, 1). Stel dat deze regeling ± 1560 in Haarlem ook gold, dan zou men dus kunnen lezen: de w. plagen de wevers en jagen ze op kosten, want ze krijgen de helft daarvan (van 't keurloon). De 16e eeuw kende echter een andere wijze van bezoldigen voor de waardeins (Posthumus 154), en regel 218 zou in dit verband geen zin krijgen, ook al neemt men aan dat met drapeniers en wevers hier dezelfde groep bedoeld is.
Ook kan men lezen: de w. ontvangen voor hun moeite de helft van wat de arme wever verdient en geven dat of een deel ervan weer aan de drapeniers. Een indirecte methode om het loon te drukken, die weinig aannemelik is te achten.
Het waarschijnlikst lijkt me, dat de afschrijver de woorden wardeyn(s) en trapenierder(s) heeft verwisseld; m.i. moet er dus staan: dagvaard ook de drapeniers, die de arme wever uitzuigen - want de wevers krijgen tegenwoordig maar de helft van hun (vroeger) loon - en de waardein met het daardoor overgehoudene de handen stoppen.
 220  vlgg. Met steedewerckluyden bedoelt de tekst w.s. niet der stede dienaers, maar de werklieden in de steden, die in het midden van de 16e eeuw meermalen voor loonsverhoging etc. optraden.
Zie Huizinga 373/4, ao 1557: Soe wat ambochten off neeringen vergadering maecten sonder consent van den gerechte, om te sluyten off te accorderen met malcanderen yet dat tegen gemeen prouffijt waere, als rijsinge van loon off van waer, souden verlyesen ....
Uit 225/6 zou men opmaken dat tegenmaatregelen hun positie verslechterd hebben.
 232  Maes, eigennaam, die meer in ongunstige zin voorkwam; vgl. Maes van Keyendael en Heyn van Sotteghem, personen uit de klucht waarmee Moyses' Doorn (den Bosch) te Antwerpen de 1e prijs behaalde (1561); Trudo 2527, waar Baalberith zijn gezel Leviathan uitscheldt: ‘Ghy malle maes!’; ‘Maes Bacx wijf’, Veel. Gen. D. 160.
 234  In een bonten tabbaert steekt wel een grooten dwaes = spreekw.?
 235  vgl. B 351, A; G 996.


[p. 26]

 
 - ras, laetse al in den afgront dalen -
 die met anderluij coren haer beesten vet // maeken 242  
 ende alsoe die luijden met schallickheijt bet // taeken,
 - ‘Wee u, ghij molenaers, die malcanderen bijhorten,
G 245
 wacht wel u mont, off ghij sult int net // raecken!’ - 245  
 want naw twee delen est, datse opten steen storten.
 Dese wantsnijders en wilt niet vercorten,
 die den armen eeten van boven tot onder;
 ‘Ghij hebt den tabbaert goet coop,’ es al haer gnorten.
250
 Van deese nijewevontmaeckers geeft den duvel wonder.
 Deese heijligegeestmeesters speelent oick bijsonder,
 want al sijn goet moeter nae der doot blijven; 252  
 haer boeverij ben ick een oirconder:
 aensiet deese boeven, waer sij tvolck mee gerijven:
255
 die kinders moeten haer ouders goet ontbeeren,
 want den heijlijgen geest neemptet tot sijn verstijven;
 aldus coonense den heijligen geest woekeren leeren.
  
 Hoort wat sij meer doen, deese fijne heeren 258  
 - noijt hoorden men arger cueren -:
260
 als sij den armen haer huijsen verhueren,
 wat achten sijt off wijff off kinders trueren
 ende om haer benoutheijt claegen en carmen?
 betaelt ghij haer niet, ghij en moechter niet langer duren.
 Sij gevent rabbouwen en beneement den armen,
265
 sij haelen haer die huer off sonder onbarmen,
 want sij willen niemant over luijt // spaeren;
 men siet deese bortdraegers selden verswarmen
 dat sij van armoet achteruijt // varen,
 want sij doen goe rekeninge; dus willen sij tcruijt / sparen. 269  
  
270
 Deese apteeckers wilt vrij mee naegaen,
 die cruijt vercoopen naeder doctooren raen;
 maer theeft wel thien jaer dick in den bos gestaen,
 - geenen van dit volck den duvel off vervaert // is - 273  
 oude mollim is beter somtijts, als ick waen;
275
 en gevent om een gulden, dat een stuver waert // is. 275  
 242  vgl. B 378 A; G 1002.
 245  wacht wel u mont = verpraat u niet; of: wees niet te gulzig?
 252  syn goet, het bezit van de ondersteunde; als dat na de dood aan het H.G. Huis verviel, brachten de uitkeringen rente (= woeker) op.
 258  e.v. Het kapitaal van het H.G. Huis was w.s. voor een groot deel in huizen belegd en de H.G. Meesters zijn dus ook huisheren.
 269  Identiek rijm met 266 maakt de regel enigszins verdacht; ook is tcruyt iets anders geschreven als in 271, hoewel ik er geen ander woord uit lezen kan. De uitdrukking ‘zijn kruit sparen’ geeft hier geen zin, waarom ik gedacht heb aan duimkruid, dat in de 16e eeuw meermalen voorkomt, zij 't steeds volledig.
 273  geen van hen is bang voor de duivel? Dan een eigenaardige konstruktie. Eerder: (schrijf ze gerust op, want) de duivel is voor geen van hen bang; vgl. B 476.
 275  vgl. B 485 en: Een apothekertje dat aardig is, maakt van een stuiver dat een gulden waardig is (W.).


[p. 27]

 
 Den tapper, die inder hellen vermaert // is,
 die met een Vlaems crijt schrijft, men machs v(er)drieten;
 diet bier ter tap brengt eert halliff v(er)haert // is 278  
 en dan noch dunnebier int Hamburrich te gieten!
  
G 280
 Dachvaert alle rabbowen die huismossen schieten
 en sinte lauijaerts carren driven om tlant 281  
 en tellen alsoo voor turven brieten; 282  
 deen heeft een sere voet, dander een hant,
 en(de) nochtans met gesonde leen, sonder scaemt off scant. 284  
  
285
 Alle snijders laet oick inder hellen drooch // cackken,
 sij steelen oick goe stuckken als een diamant, 286  
 want sij oick wel wat int ooch // smackken. 287  
  
 Dese wisselaers tvlus moechdij toch // sackken; 288  
 goutsmeen die meest het volck gerieven,
290
 die suldij inder hellen al om hooch // rackken:
 tbehoort haer toe, want het sijn lose dieven.
  
 Dese browertsknechs die Sant Amphra voirhieven,
 - die suldij al te saemen aen éénen seel towen - 293  
 snachs als den brower slaept, howen haer brieven. 294  
295
 Soo gaetmen dan met Lijsken candeel browen; 295  
 soo browerneeff vrij wilt bordeel howen, 296  
 tmachher wel off; dus willen sij den brower stropen.
 Hansken sal dan dat prooper juweel trowen
 en de brower moet om een quinckernel lopen. 299  
300
 Schept vrij, drinct vrij candeel bij stoopen,
 - sij hebbent daer goet, waer sout hem faelen? -
 het vet wert din, men macht niet droopen, 302  
 want den armen brower moetet al betaelen.
  
 Voort suldij noch ter hellen halen
305
 eer wijt voirgeeten, deese droncke smeen,
 die geen bier en laeten verscaelen,
 al hebben haer wijfs een groot geween.
 Tinnegieters, ketelboeters - hoort wat ick meen -
 278  Ik beschouw verhaert als een gerekte vorm (naar Vlaams voorbeeld) van verhard en vermoed dat verhard bier = krachtig geworden, uitgegist bier. Bewijzen hiervoor vond ik echter niet; W V 2159 vlgg. noemt veel voorbb. van hard = krachtig, maar bier is daarbij niet. Hard bier is wel bekend, maar voor zuur bier of bier dat op 't punt staat zuur te worden.
 281  Sinte Layaert, luiaard; een z.g. spotheilige, zie Nyeuvont, blz. 35 e.v.; vgl. AMPHRA. De spelling Auy voor ui komt overeen met de uitspraak die het Oostvlaams nu nog kent; ze komt echter in de 16e eeuw in Holl. omgeving meer voor, vgl. tCooren 261, 844, 947, 1124, waar mauyterij staat, naast meuyterij, meuterij etc. op andere plaatsen. Waarschijnlik staat de au hier voor een o-klank, evenals de Bo aangeeft voor het W.vla., waardoor de vorm normaal Holl. lo(o)iaard zou zijn. Sinte Luyert komt voor in A. Bijns, Onuitgegeven Gedichten, Leuv. Bijdr. IV 327 en met sinte Noywerc en sinte Reynuyt in 't Antwerps Liedboek.
S.L.'s carren moet men zich denken als de Langhe Waghen (met) zyn licht-gheladen Vracht, Veel. Gen. D. 156, het Schip van sinte Reynwt of 't Schip van Armoede: een denkbeeldige wagen of schuit, waarop maatschappelik verongelukten hun (levens) pelgrimagie deden.
Zie hiervoor Dr. D. Th. Enklaar, De Blauwe Schuit, Ts. v. Gesch. 48 jg. (1933) 62 vlgg.
 282  vgl. B 516/8.
 284  Vgl.: Keure en ord. van wie bedelen sal ...., doordien alle gezonde mensen wel aen werk kunnen raeken .... 18 Oct. 1559; Huizinga 524. - Ook V. de Meyere en L. Baekelmans, Het Boek der Rabbauwen en Naaktridders.
 286  Vgl. diamant voor een persoon: Trudo 1403/6 L. Ick sal u noch vieren B. Als een heylich sentken, L. Ia, en schoon vercieren B. als een diamentken.
 287  vgl. B 464 A.
 288  toch sackken, onzuiver dubbelrijm.
 293  towen, hs. tawen; vgl. maw G 189, mouw G :1047. In B mouw :332, 535, 548.
 294  V III 642 geeft op ‘scepenenbrieven .... die houden....’ = van kracht zijn, gelden. Zo hier: als de br. slaapt, gelden hún brieven = rechten, aanpraken? (W III1 1323). Maar men verwacht houden = ‘blijven gelden’, hier zou 't ‘beginnen te gelden’ zijn.
Een brief hebben is in 16e en 17e e.: de grote heer uithangen (doen alsof men een brief = dokument van waarde bezit, W III1 1324); misschien is ‘een br. howen’ hetzelfde.
Daar brief ook = zot, druktemaker (< de vorige bet.), kan men ‘haer howen’ ook als reflex, opvatten.
 295  Lijsken is meermalen de naam van de meid, zoals Hansken van de knecht, en heeft dan geen nette klank; vgl. N. Arch. v. Kerkgesch. XXI, (1928) 215 [1e helft 16e e.]; in Mariken v. N. de namen die Moenen Mariken voorstelt te dragen; Creizenach I, 405, noot ‘van Lijsken, dat sie eenen man hebben wolde, die nae den harnasche roecke’; Kluchtspel2 II, 73 [1620]; Van Vrouwen ende van Minne VIII, 116; het Liedeken van tCorenbloemken, Haagsp. Antwerpen 1561; A. Bijns, Belg. Mus. IV, 87: ‘Zijnder veel Lijskens, daer zijnder oock veel Hannekens’.
Hiernaast als namen van lichte vrouwen Truy en Griet, G 943 A.
 296  Browerneef - een jonge, inwonende bloedverwant van de brouwer. Het lijkt w.s. dat hier een recent schandaaltje behandeld werd; G is immers nog al hatelik tegen de brouwers (966, 977, 979).
 299  hs. browerneeff, maar de brouwer lijdt de schade!
 302  ? Misschien: het vet wert din = vloeibaar, voor: het is er een goede boel; men macht niet droopen = druppelen, voor: het heeft geen zin er zuinig mee te zijn?


[p. 28]

 
 sij en dienen niet quaelick van ons gemelt;
G 310
 die den armen veel drucxs bereen,
 want sij coopen het out tin om halff gelt;
 siet, soo vriendelick ist volck altans gestelt,
 die crijstenmenschen van een gelooven:
 wat die vianden wech nemen met gewelt,
315
 dat gaen deese met woecker roven.
 Die cuijpers, hoort deese arme sloven,
 die sestien stuvers daechs plagen te winnen: 317  
 - men mocht se niet spreecken van den ruijt te cloven - 318  
 nu soudense honger lijden, cont wijff niet spinnen.
  
320
 Timmermans, metselaers, - sij sijn nu wel te vinnen - 320  
 opperluij ende alle die daer aencleven,
 die mogen wel streckken haer vijff sinnen; 322  
 - aldus behoort Godt met dese luij te leven,
 want alst goe tijt is gaense buijten screven,
325
 soo suijpen sij en leckken sij en maeken den stanck;
 ses stuvers daechs, men moet al meer geven,
 Godt doetse goet al tegens haren danck -.
  
 Schoenmaekers, bontwerkers, gaen oick haer oude ganck;
 seijlemaeckers, schippers, oick niet met allen en doghen,
330
 om datse geen vreemde wercken en moghen; 330  
 sij beminnen haer naeste als varkens en sogen.
  
 Dese heeckelsters hadden mijn bijnaest ontloopen,
 die haer gebueren met sangen verhogen
 ende die luijden haer gebreecken naeropen.
  
335
 Volders, dragers, cruijdars, haer hel staet open;
 schilders, glaesemaekers, beeltsnijders, arme wichten,
 soutmense braen, sij souden haer niet halliff bedropen,
 om dat sij die can soo garen lichten.
 Messemaekers, schoemaekers, daermen off soude dichten, 339  
340
 harnasvegers, dees en mocht ghij naw spreeken;
 eer dat sij nering hadden hilden sij haer als den slichten,
 nu openbaren hem eerst haer gebreecken.
 317  16 Stuiver is voor deze tijd wel een ongehoord hoog dagloon, men moet 't ironies nemen; 6 stuiver daarentegen (326) is, zoals de tekst zegt, nog gewoon.
 318  Het masc. van ruyt is eigenaardig. Den ruyt cloven = met overleg handelen, sparen; vgl. ‘over een gekloofd rietje moeten gaan’, Winschooten Seeman (W XIII, 134).
V. veronderstelt dat ruyt (ruet) een dial. vorm van riet is; de plaatsen (Deventer 1384, Hattem 1472) wijzen echter op verwarring met ruit = onkruid; ruigte; gras, klaver enz., dat voor zomers stalvoer gekweekt wordt (W. RUIT IV). Het Oostelike ‘een ei in 't ruydt (roet) leggen’ (Molema) moet men dan ook niet met de in 't Westen bekende uitdrukking ‘een ei in 't riet leggen’ gelijkstellen (V. VI, 1737), maar met het parallele ‘een ei in de netelen leggen’ (W. XIII, 132). De uitdrukking in onze tekst ontstond blijkbaar door dezelfde verwarring.
 320  De keur v.h. gilde v. metselaers, tegeldeckers en calcbranders te Haarlem (ao 1542) trof speciaal maatregelen tegen hen die hun werk in de steek lieten om in de herberg te gaan. Huizinga 264/5.
Sy syn nu wel te vinnen: want ze zijn werkeloos.
 322  die mogen wel streckken haer vijff sinnen - zich inspannen, oppassen. Vgl. E 11, 861/4 ‘Daer ick tegen die werlt mee sal strijen inwendich, die seer behendich is streckkende sijn vinnen - Wat wapen is dat? - Wildij dit wapen te recht bekinnen, soo strect u sinnen op die viant en sijn cracht’. Ook onzijdig, met streckken = dienen, verlangen: E 12 :117 ‘streckken al u sinnen tot u snaesten voerdel?’; F 10 :23 ‘hier nae [trijcke Goodts] streckken mijn sinnen.
Parallel hiermee loopt de vinnen streckken, dat w.s. het overgankelik gebruik van de vorige uitdrukking deed ontstaan. Zie boven het eerste citaat, en F 7 :204 ‘ons vinnen uytstreckken’; E 12 :117 ‘voor mij was hij bedect, met vinnen gestrect, ick hadt hem in seven jaren niet gevonden’. Vinnen = ledematen > vermogen - Antw. Sp. 1561, Hh 2v (Diest) - ‘bekinnen wilt mijn crancke, broosche vinnen’.
 330  Omdat ze niet ten bate van anderen willen werken? Ws. viel 329 a, rijmend op -anck, uit.
 339  Vgl. ‘Men souder eenen boeck af mogen schrijven, Voorleden Tijt 326.


[p. 29]

 
 Visteven, appelteven, hoort haer treeken,
 laetse tonswaerts altsaemen coomen.
  
G 345
 Steenhowers, straettemaekers, en die bier steeken;
 botters, die garen sijn in die geltstromen,
 die Godt vermaledijen ende versweeren.
  
 Mutsemaekers, houtsagers, aemsters wilt ordonneeren, 348  
 want elcxs is een dieff in sijnder voere; 349  
350
 noch suldij verdachvaerden dese slimme boeren:
 ‘Den boter ghelt niet genoch,’ alsoo sij seggen,
 daerom gaense haer vaten int water leggen;
 siet toch hoe dattet deese dieven soecken,
 die dach en nacht studeeren in deese futselboeken 354  
355
 en willen die luijden het haer ontpraeten:
 dus loopen sij inden mont van onser straeten.
  
 Ende wan wij met alder neersticheijt onser ordinancie,
 statuijt en(de) edict willen datment onderhout,
 onverbreckkelick, sonder eenich abondancie,
360
 terstont, sonder vertreck, voor jonck en out, ....
 soo ordineeren ende beveelen wij, eert vercout,
 te publiceeren binnen al onse landen
 dit selfde onse edict, bevoolen dat het sij benout, 363  
 op die peene van eewich in der hel te branden;
365
 beveelende een iegelick op die voorschreven panden
 dat selfde wel scarpelick te opserveeren
 in den selfden formen soot compt uijt Lucefars manden; 367  
 naet inhouden procederen en doen procedeeren
 tegens die overtreeders die rebelleeren,
370
 transgressors oft neglecten, op die peene vermaert,
 sonder simulacij, als boven verclaert.
 tGelieft ons alsoo, en sijt niet vervaert,
 off men sal u tracteeren seer onsacht:
 diet niet onderhout beneemt hem hooft en staert:
375
 van dies te doen geven wij u volcomen macht
 wantmen Godt niet meer tis in onser cracht
 dat wij daer in doen ons wil geheel. 375-7  
 348  Aemsters. Van aemen = keuren van vloeistofmaten, kan men aemer afleiden = keurmeester; vgl. ijker van ijken = keuren van maten voor droge waren. Misschien is dit bedoeld.
Aemster = hamester, hamster (Kil.) geeft geen zin.
 349  elcxs als nominatief, uit de genitief, komt meer voor.
 354  Futselbroeck; ook in 1094 deze vervorming. Vgl. snottoor < sottoor, G 227.
 363  en wij bevelen het nadrukkelik!
 367  ? Het komt uit Lucifers mand = het is van L. afkomstig? Elders vond ik een dergelike uitdrukking niet, maar mogelik is ze zeker; vgl. ‘hij heeft veel in zijn mandje’ = hij weet veel, hij heeft veel verstand (Stoett, Spreekw. II no. 1283); de n aan het eind kan om 't oogrijm zijn geschreven.
Een gemakkeliker oplossing geeft natuurlik verandering van manden in handen: zoals het door L. voltooid, gemaakt, bepaald is (W V 1840).
 375-7  Bedorven; misschien ontbreken 376a en b (rijmen!) Gissing: van dien te doen geven wij u volcomen macht, - want wie Godt niet eert, is in onser cracht - dat men daer in doe ons wil geheel.


[p. 30]

 
 Noch geven wij autoriteijt, speciaal bevel,
 onbieden daerom ende beveelen ende crijeren
G 380
 al onse ondersaeten, boeren en(de) eel,
 mitsgaders alle onse officieren:
 dat sij al laeten passeeren sonder vijolieren,
 tsij om giften off om ander baten,
 want hij wil hebben die verdoemde gieren. 384  
385
 Dus wilt ons edict eenichsins niet laten
 ende spaert niemant in eenijge staten
 over al onse landen ver en wijt,
 op al dat ghij van ons toren duchtende sijt; 388  
 op meerder sekerheijt dat ghij sout mogen ontfangen 389  
390
 hebben wij ons segel van saeken hier onder gehangen, 390  
 om dat wij dusdanige menschen willen quellen.
  
 Gegeven in de vermaeledide afgront der hellen, 392  
 daer geen tijt en is, maer Goodts eewige absencij, 393  
 in tegenwoordicheijt Knagende Consiencie.
 384  hij = Lucifer; de constructie eist dus: wij willen.
 388  op al dat ..... Hs. heeft van niet, maar zo is de constructie niet te verklaren; wel zou men kunnen lezen: opdat (= als tenminste), ghij ons toren duchtende sijt. Misschien ontstond hierdoor kontaminatie. Vgl. G 824 ‘op alle dat hij verbueren mach’.
 389  d.i. ‘opdat ghij meerder sekerheyt sout mogen ontfangen’; vgl. voor op....dat: W XI 416. In proclamaties was de formule: ‘Ende des t'oorconden hebben wy onsen seghel hieraen doen hanghen’.
 390  Het Segel van saeken, sigillum ad causas, ook wel: ad missivas, was een klein zegel en werd in 't algemeen gebruikt voor mandaten, brieven en andere papieren, die hun waarde verloren als de geïnteresseerde van de inhoud kennis genomen had; een grootzegel kwam voor aan zeer belangrijke en plechtige stukken, oorkonden bijv.
 392  de afgront der hellen, vgl. Luk. 8:31.
 393  Tijd wil hier zeggen begrenzing, eindigheid. De gehele regel is een antithese op Openb. 10:6/7, ‘dat er geen tijd meer zal zijn, Maar .... de verborgenheid Gods (zal) vervuld worden’.
Vgl. ‘sonder ende off tijt’ G 882, waar tijt = ende.
In de naam van de Dood in dit stuk ‘Het Eynde van den Tijt’ (G 716) is tijt = het leven, de ‘tegenwoordige tijd’ van de apostel (Rom. 8:18).
 Pausa
 
 Waerlick quaet rigement, als een raetsheer
395
 En ben ick hier niet, soo ben ick verlooren.
 
 Schijn van geestelickheijt, een monick
 En dien mijn socht, mocht mijn hier vinden.
 
 Waerlick
 Wat sal ick doen? ick peijns gaete booren.
 
 Schijn
 En ben ick hier niet, soo ben ick verlooren.
 
 Waerlick
 Al laechdij int water, ick en sout mijn niet storen.
 
 Schijn
400
 En sijdij oick dol, soo mach men u binden.
 
 Waerlick
 En ben ick hier niet, soo ben ick verlooren.


[p. 31]

 
 Schijn
 En die mij(n) socht, mocht mij(n) hier vinden.
 
 Waerlick
 Ick wilde wel hooren / vaet mijn bewinden,
 vanden bekinden / - tverstant daer keert // siet -; 403-4  
G 405
 ick sij hier verdachvaert, ick ben halff verveert // siet
 mij(n) herte besweert // siet, bij gans jach // paert. 406  
 Wel, hoe coemdij hier?
 
 Schijn
 Ick ben hier verdach // vaert,
 sonder harnas off slach // swaert, van sduvels campioens // sneb.
 
 Waerlick
410
 Die selfde bootschap ick mee te doen // heb;
 wij sullen koen // tweb aff gaen weven.
 
 Schijn
 O Waerlick Rigement, wat hebdij bedreven, 412  
 sal u wat werden gegeven / vander hellen pijncele?
 
 Waerlick
 En wat doet ghij hier toch, Gheestelick Schijnsele,
415
 sal men u fenijnsele / nu openbaer // maecken?
 
 Schijn
 Men mocht hier wel u leveraer // raeken
 ende een duvels maer // smaeken en crijgen een scarpe looch.
 
 Waerlick
 Jae waerom, lieve man?
 
 Schijn
 Om dat Waerlick Rigement niet en dooch,
420
 van deuchden heel drooch / want u leven is niet dan een mincksel.
 403-4  ik wilde wel hooren vanden bekinden = van wat (u) bekend is.
 406  Gans paert is misschien paard van Christus = ezel.
Ook de 16e eeuw is rijk aan dit soort bastaardvloeken; naast de in W IV 249 en Christenkercke aant. 331 genoemde, noteerde ik nog: bij gans bier, darmen, hanepooten, crage, landt, moort (vgl. G 603), sweetgaten, tant, draeckentant, tanden (= banden?), verckens cracht, vier en viven.
 412  vlgg. De dialoog tussen Schijn en Waerlick vertegenwoordigt hier de twist der Sinnekens in andere spelen (zie Inleiding, hoofdstuk V). In S.J.O. 11-62. sommen Waerheyts Verdruckinghe en Onsuyver Begheerte elkaars zonden op, van de tijd van Cain af, om daarna, zoals de gewoonte was, tot hun propoost te komen; zie G 623 A.


[p. 32]

 
 Waerlick
 Segt mijn doch, wat doecht ghij toch, Geestelick Schijnsel?
 Die u onderwinsel / geheel souden gewaegen .... 422  
 Ghij deedt Esaias den propheet doersaghen, 423  
 u nijdige plaeghen / sijn tot alder boosheijt gewent.
 
 Schijn
G 425
 Eij, besiet u selven, Waerlick Rigement:
 en waerdij niet blent / in coninck Saul bedegen,
 die Goodts priesteren doot heeft gesleegen
 om dat se voersweegen / ende David niet en melden? 428  
 
 Waerlick
 Wien leeft die u boosheijt oijt vertelden,
430
 u valsche gront relden / in steeden, in derpen?
 Ghij deet in Egiptenlant met steenen doot werpen 431  
 - wilt het inslerpen / - Jeremias den propheet;
 wat meendij, dat al die werlt dit niet en weet,
 soo wijt, soo breet / dat u boeverij // is?
 
 Schijn
435
 Ende van u die gansche werlt vol gecrij // is,
 dus meenich onblij // is om u, Waerlick Rigement;
 hoe waren die kinderen van Israhel bij u gescent!
 En waerdij niet blent / en al dat van u gebras // es,
 ghij sout u spiegelen aen den coninck Manassces 439  
440
 wat werck dat vlas // es oft wol in den cam geslegen. 440  
 
 Waerlick
 En daer set ick twee Susannesboven tegen. 441  
 Wilden ick mijn vlat legen / ick souder meer openbaren, 442  
 daer staet immer opentlick wat volck dat waren;
 dus sal ick u verclaeren / ende scoffieren.
445
 Dese beveijnsde boeven sceenent volck te regieren,
 deese grijpende gieren / dese groote vileijnen!
 En gaet over leesen die jesten der Romeijnen,
 groot metten cleijnen / ghij vint van mijn geen malitie:
 tWaerlick Rigement doen veel justicien,
450
 sonder punicien / waren die gemeen lien.
 422  vul aan: zou dagwerk hebben.
 423  Volgens de Gemara, het ± 200 na Chr. te Babylon ontstane gedeelte van de Talmud, werd Jesaja, bedreigd door Manasse, door de naam van Jahweh gered en in een holle ceder opgenomen. Maar de koning liet de boom omzagen en doodde zo de profeet.
De schrijver stelt hier de geestelikheid ten onrechte er voor aansprakelik.
 428  David niet en melden, 1 Sam. 22:17, 18.
 431  Het verhaal van Jeremia's steniging in Egypte wordt het eerst bij sommige kerkvaders gevonden: de Joodse overlevering laat J. door Nebukadnezar uit Egypte naar Babel voeren.
 439  Manasse, zoon van Hizkia, koning van Juda, 2 Kon. 21, 2 Kron 33.
 440  De betekenis is wel: alle vlas en wol moet gezuiverd worden voor ze bruikbaar is (zoals Manasse eerst door gevangenschap in Babel tot de dienst des Heren kwam).
Misschien staat er: wat een rommel vlas of wol blijken te zijn, wanneer ze gezuiverd worden?
De geschiedenis van Manasse wordt ook als argument gebruikt in het zinnespel van de Oude Haarlemse Kamer op het landjuweel te Rotterdam (1561) - in de gedrukte bundel blz. 89 r.
 441  twee susannes boven, de beide ouderlingen uit Daniel 13, meestal ouders genoemd (Trudo 259 e.e.), ook wethouders (St. J.O. 50).
 442  Vlat. Verschillende veronderstellingen zijn mogelik, die echter geen van alle een bevredigende oplossing geven; o.a. verwantschap met flater, waarmee betekenissen als mond, leuterbek annex zijn, zie Fr. v. W. Hierbij moet men brengen ‘houdt doch den flatte’, Ontr. R. :989. Waarschijnliker lijkt me een verschrijving voor wat.
meer, n.l. schijnheilige geesteliken, de beveynsde boeren van 445.


[p. 33]

 
 Schijn
 Dats seeker waer, dat mochtmen aen Pilatus sien,
 - vaet mijn bedien / - hebdijer anders op gelet:
 hij was immer van die Romeijnen geset
 om tonderhowen die wet / ick how men noijt valscher vant;
G 455
 wat was hij meer als een geschilderde want? 455  
 tWas hem wel becant / dat Crijstus ontsculdich // was,
 al wast dat haer roep menigfuldich // was, 457  
 maer Pilatus ongehuldich // was als wanckele biesen,
 want hij sorchden sijn officij te verliesen;
460
 dat deet hem bevriesen / want hij was heel verblint // siet:
 ‘Laet ghij hem quijt, ghij sijt des keijsers vrint // niet;’ 461  
 dit was gespint // siet, van sijn rechtvaerdige sentencie, 462  
 - om sijn officijs wille en hadt hij geen mencie,
 besiet sijn credencie -/ dat hij storte tonnosel bloet.
465
 Hier meede mach elck wel werden vroet:
 alst gelt off goet / off officij wil raeken,
 soo heeft Waerlick Rigement Godt liever te versaeken;
 ghij en laet u niet vaecken / moechdij u officij behowen.
 
 Waerlick
 Eij valsch scallick, dat hebdij selfs gebrowen,
470
 dat u noch sal rowen / ick peijnst in mijn gedochte:
 twas Geestelick Schijn dier Pilatus toe brochte. 471  
 Al deet hem onsochte / tmocht hem niet baeten,
 het waren die biscoppen, priesteren en prelaeten, 473  
 die int hoochste saeten / hoordijt, ghij eetart!
475
 Wat waren sij van alle die serimonijen verbetart,
 dat vuijl gehetart / twelck hem Crijstus beweesen // heeft?
 Haer doden vervrect, haer crancken geneesen // heeft, 477  
 soo dickmael gepreesen // heeft sijn vader waerachtich
 ende hem verantwoorden met woorden crachtich,
480
 dies sij onsachtich / van hem liepen.
 U, Heijlich Schijnsel, jaechden hij vuijt met swiepen; 481  
 sij creeten en riepen / en gingen op haer tanden bijten,
 jae Lasarus, die verwrect was, wilden se oick doot smijten; 483  
 roepen en crijten / over een lam:
 455  Geschilderde want; Hand. 23:3 heeft gewitte wand, Vulg. paries dealbatus, gr. τωιχως κεκωνιαμενως. De uitdrukking wordt duidelik door Matth. 23:27/8.
Vgl. ook ‘Zulcke geschilderde menschen willen dikwils de fijnste bloemen schijnen, daer zij niet als krijnssen, en grove zemelen zijn, de Brune, Bancketwerck van goede Gedachten 2, 130.
 457  Luk. 23:23.
 461  Joh. 19:12; de uitspraak der Joden voorgesteld als Pilatus eigen gedachte.
 462  Gespint, rijmvorm van gespent = gespeend (Mnl. spennen naast spenen) of van gesponnen (spinnen werd immers in 't imperf. zwak) in de betekenis ‘beraamd, uitgedacht’, V VII 1741. In het laatste geval is rechtvaerdige sarkasties gebruikt.
 471  Geestelick Schijn, de overpriesters en ouderlingen, Matth. 27:20 e.o.p.
 473  biscoppen, priesteren en prelaeten voor de Joodse priesters!
 477  Haer doden vervrect, Joh. 11, de opwekking van Lazarus.
 481  jaechden hij uyt met swiepen, n.l. de handelaars en wisselaars, Joh. 2:15; in de tekst ten onrechte op Geestelick Schijn toegepast. Vgl. G 547.
 483  Lasarus wilden se doot smijten, Joh. 12:10.


[p. 34]

 
G 485
 ‘Doet Crijstus wech, doet ons Barrebam!’ 485  
 Eij lelijcke ram / weest vrij vol bevens:
 ghij vercort den moordenaer voor die Heer des Levens!
 Eij vuijl gewevens / ey venijnlick hoot, 488  
 ghij hebt dus alle die proofeeten gedoot, 489  
490
 cleijn ende groot / liegende als een stier // koe, 490  
 seggende: ‘Hij heeft het volck verkeert van Galileen tot hier // toe.’ 491  
 Help leelijcke gier // hoe, elck man mach vervaeren:
 ghij deet hem hangen als een prins der moordenaren
 en dat ginct ghij verclaeren / - hoort deese cueren -
495
 ende wout u bedecken met die heijlige scriftueren;
 hoe suldij noch trueren / met eewich bederven!
 ‘Jae wij hebben een wet en daer nae moet hij sterven, 497  
 die doot verwerven / dese valsche ketter // siet’;
 en ghij bloedich beest verstont den minsten letter // niet,
500
 ghij valsch voorsetter // siet, die inden wet gescreven // was;
 die simpele harderkens veel meer gegeven // was
 dan in u gedreven // was, - en sijt niet gestoort -
 sij en hadden maer dengelen gehoort,
[500]
 twelck sij terstont voort / malcanderen te kennen gaven 504  
505
 Wat wildij spreeken, ghij hovaerdige slaven:
 nae dat hij was begraeven / ghij valsche eegelen,
 soo meendij ghij hem int graff te besegelen, 507  
 - u versierde regelen / sijn nu over al gelopen - 508  
 ghij ginct die graffbewaerders met gelt omcoopen. 509  
510
 Hoe sal men u noch dropen / inder hellen heet!
 
 Schijn
 Nu hebdijt al geseijt dat ghij weet
 en(de) wel verbreet / met uwen roeck // siet;
 - waerom noemden Herodes oick // niet? - 513  
 al bescheet ick mijn broeck // siet, wie soudtse lecken? 514  
515
 Ick sal u, Waerlick Rigement, oick ondeckken:
 - wilt den hont niet wreckken / off ghij crijcht punicij -
 die coninck Herodes was een man van justicij, 517  
 gestelt in officij / om die quaeden te straffen
 en(de) den goeden te bescarmen, - wat wildij baffen -
 485  Joh. 18:40.
 488  Hier en in G 566 heb ik en in ey veranderd; misschien ten onrechte, want en treft men meer in deze betekenis aan, al kan het steeds een slordige schrijfwijze van ey zijn. Zie S.J.O. 63 ‘En Subtijl van gheeste’, naast Ey in 527; ook D 6, 317; F 10, 7.
 489  alle die proofeeten gedoot, Hand. 7:52.
 490  Stierkoe. Volgens een zegsman uit de boerenstand (Z.-Holl.), wordt het woord in onze tijd wel eens gebruikt voor een koe die geschikt is om gedekt te worden; waarschijnliker lijkt me hier, als men er een andere betekenis dan stier of koe zonder meer aan moet hechten, dat het gelijkstond met stierin of kween: een onvruchtbare koe (W VIII 745 i.v. kween), aangezien daardoor de overdracht op een mens, i.c. een oude vrouw, begrijpelik wordt.
In dubbelrijm was menigmaal het laatste woord zinloos, vgl. dot G :1049, Griet G :673, en E 10 :151 gespuys // saet: uyt huys // maet: abuys // quaet.
 491  Luk. 23:5.
 497  Joh. 19:7.
 504  Luk. 2:15.
 507  meendij ghij, pleonastiese achtervoeging van ghij, Lubach § 71. int graff besegelen, Matth. 27:66.
 508  Uw bedrieglike handelingen, zijn nu alom bekend geworden.
 509  die graffbewaerders omcoopen, Matth. 28:12.
 513  noemden. Uit noemdij ontstond noemde, (Lubach § 70); dan had het pronomen van de 2e persoon in de 16e eeuw meermalen een imperfectum op n bij zich: ghij noemden (Lubach § 76); zo kon noemde weer noemden worden. In G 513 kan de n ook gezegd zijn onder invloed van de volgende h. klank (Herodes), in G 855 (souden) niet. Echter bedenke men, dat in de 16e eeuw de verbale vormen dikwels hun slotconsonant verloren, zowel in Zuid- als in Noord-Nederland (ook B en G hebben er vbb. van) en dat het omgekeerde dus ook voorkwam.
Vormen als noemde < noemdi zijn volgens het materiaal van Lubach meest Brabants, maar Coornhert heeft ze ook.
 514  Dus: waar bemoei je je eigenlik mee!
 517  Herodes, De Grote, Matth. 2:1 e.o.p.


[p. 35]

 
G 520
 maer in al sijn scaffen / heeft contrarij gedaen;
 ginck hij niet al dat onnosel bloet voerslaen?
 - als ghijt wout verstaen / soe en sout niet hinderen. -
 Hij dode alle die onnosele kinderen, 523  
 hij dochte sijn staet sout minderen / en sijn rijck bederven; 524  
525
 hierom moet dickwils den onnoselen sterven,
 den doot verwerven / in dit tijtelick gepijnsel.
 
 Waerlick
 Herodes ginck te rade met u, Geestelick Scijnsel,
 - u grote venijnsel / sal nu openbaeren -
 Herodes liet u binnen Jerusalem voirgaren, 529  
530
 om hem te verclaeren / en die scrift te gebruijcken // siet.
 Doen quaemen te saemen alle die heijlige buijcken // siet,
 die in scaipsvachten duijken // siet en seijden met eender ste(m), 532  
 dat Hij gebooren souden werden in Betleem;
 dus was in Jerusalem / een beroerlick verdriet,
535
 ende doen Crijstus quam, kendese hem selven niet. 535  
 Ghij wanckelick riet / ghij opgeblasen darm,
 Chrijstus Jesus was u veelste arm;
 al u geswarm / weentet wel te ontbinden,
 hoe dat men die waerheijt inder scrijftueren sal vinden:
540
 waer wildij inden / ghij vuijl gespuijs,
 ghij hinct die waerheijt schoffierlick aent cruis, 541  
 met groot abuijs / maer hij is verreesen!
 Al heeft hem Sint Jan met den vinger geweesen, 543  
 ten mocht u niet genesen / want ghij hem begeerde // niet,
545
 sijn leven en dat u en accordeerden // niet,
 dien ghij ontbeerden // siet sijn heijlich exsempel: 546  
 die coopluijden en wisselaers saeten in Godts tempel, 547  
 - en est niet een rempel / diet wel claer // merct - 548  
 daer wast al veijl, gelijck een jaer // merct,
550
 - dit openbaer // merct - wat mochtet hem baeten, 550  
 om Crijstus leeringen en wildesij haer neringe niet laten,
 want sijt volck op aeten / met haer lange gebeen. 552  
 Dese heijlige scrijben en pharijseen
 quaemen tot hem in vreen / in swerlts eestars, 554  
555
 als die den scrift voirstonden als groote meestars;
 523  Hij dode die onnosele kinderen, Matth. 2:16.
 524  dochte van duchten = vrezen, vgl. sorchden G 459; sout < soude.
 529  Matth. 2:4.
 532  die in scaipsvachten duyken, Matth. 7:15.
 535  Joh. 8:12-59.
 541  die waerheyt, Joh. 14:6.
 543  St. Jan, Joh. 1:29.
 546  Siet als twede deel van een dubbelrijm wordt als regel zinloos gebruikt (vgl. G 530, 566, 573 e.v.); daarom hoeft men niet te lezen: ‘dien ghy o., siet sijn h. ex.’: Zin geeft een verandering van dien in dies of en.
 547  Joh. 2:14; vgl. G 481.
 548  diet wel claer/merct - voor die 't ....? Vgl. G 673: diet wel verstaet. Al kan men zo deze tussenzinnen wel verklaren, waarschijnlik blijft dat diet een verschijning voor dit is; vgl. G 550 dit openbaer merct.
 550  wat mochtet hem baeten; men verwacht u i.p.v. hem, maar de kooplieden lopen hier met Geest. Schr. dooreen, als in 481. Eveneens in 552 met de schriftgeleerden.
 552  Matth. 23:14 e.o.p.; wat hier van Schriftgeleerden en Farizeën gezegd wordt, slaat in de tekst op de kooplieden en wisselaars. Vgl. Boom d. Schr. 740 ‘ghi etet bloet der wewen met lange ghebeen’.
 554  Luk. 11:37 vlgg.


[p. 36]

 
 hoort doch deese queesters / wat sij conen coken:
 ‘Al bidden wij voor Barrabam / dees heeft blasphemij gesproken,’ 557  
 - want sij niet en soeken / dan haer eijgen profijt -
 ‘ons en leijt niet aen den moordenaer, maect ons Jesum quijt,
G 560
 hij doet ons spijt’ / - dat was haer vermaen -
 ‘leeft desen mensch lang, den tempel sal vergaen,’
 - dus gingense hem versmaen / en een bitter hout inden dranck steken - 562  
 ‘hij en vraecht nae den tempel niet, hij loopt int lant preken 563  
 voor die simpele leeken / die hem niet en voerstaen; 564  
565
 hij souden hem van ons laeten raen
 en treen ons paen / ey siet welcken kuer // siet: 566  
 die leeken sijn plomp, sij en verstaen die scriftuer // niet, 567  
 dus comen se int getruer // ziet ende int voerdwijnsele.’
 Dit sijn die wercken van u, Geestelick Schijnsele!
 
 Schijn
570
 Dat es seker waer, lieve Waerlick Bewintsele,
 ghij steect vol fenijnsele / ghij grijpende wu // siet;
 hoe soudijer doer gaen, en wist ick van u // niet,
 ick sal u geven een du // siet, Waerlick Rigement;
 siet, al u hopen die u sijn ontrent, 574  
575
 sijn al siende blent / en al hoorende dooff. 575  
 Wien wast die die gemeent stelde voor een roeff?
 ghij voertwijfelt van gelooff / als die spinnen haer webben driven:
 comter een vliege, die moeter in bliven,
 - wat wildij veel kiven / off worden arre -
580
 compter een cuijckendijeff, die werpt het om varre,
 dan valdij vanden carre / en dan est anders te verstaen.
 En(de) met een arm bloet, daer suldij mee doergaen;
 ten is geen waen / men sietet voor ooghen,
 hoe veel datter doer u wert bedroghen,
585
 sonder logen / nu, laet dat bijsen.
 Hier wintmen vonnis, in Den Haech gaet ment contrarij wijsen, 586  
 - tis een groot afgrijsen / en(de) een vreemt gevaert -
 ende beijde wijsars hebben dan haer conciensij bewaert,
 wient hindert off daert / off heeft geweente. 589  
 557  dees heeft blasphemij gesproken, Matth. 26:65 e.e.
 562  Een bitter hout inden dranck steken - een zaak bederven; misschien herinnert de uitdrukking aan Exodus 15:25.
 563  Dat de oorspronkelike tekst lanck zou hebben gehad, als het hs., is onwaarschijnlik; maar de afschrijver heeft op 't gehoor af een dubbelrijm gevormd; ten onrechte, zoals uit het binnenrijm in de volgende regel blijkt.
 564  die, hs. diet; Mnl. kent hem verstaen (verstand hebben van) + gen. of voorz. bep., niet + acc. Mogelik is ook diet niet en verstaen.
 566  Ey, hs. en; vgl. G 488 A.
 567  Sy en verstaen die scriftuer niet, Joh. 7:49.
 574  hopen = scharen; dus: al uw volgelingen. Zonder een verschrijving aan te nemen, zie ik hier geen oplossing.
 575  Matth. 13:13/4.
 586  ‘Hier’ = in de schepenrechtbank; in Den Haag zetelde het Hof van Holland, waarbij men van een schepenvonnis in beroep kon gaan. Vgl. Loterijspel 383/6: Die rieden: ‘Appelleert’ .... Mit dien raet liep ic schetter, voor dou voor daech, Niet meer dan zes malen ter weecken naer Den Haech’.
 589  onverschillig wie 't hindert etc.


[p. 37]

 
G 590
 Besiet u, Waerlick Rigement onder die gemeente
 - tis een groot vercleente / alle dese feijten -:
 die boeren quellen malcanderen met pleijten,
 als nijdige gheijten / die malcander eeten;
 die ambachsluijden en willen wij niet vergeeten
595
 - al souden sij bleeten / op ons, arme retorijcken -: 595  
 besiet hoe sij nu in haer bonte cleeren gaen strijcken,
 als jonckvrowen die prijcken / want daer isser veel // nu,
 sij dragen damast, sijde en fruweel // nu;
 sij sijn oick eel // nu, dese hovaerdige hennen!
600
 Wien soude nu een raetsheer voor een borger kennen?
 Want sij daer in wennen / en(de) altijt nae hoocheijt haeken;
 sommige reijsen te Jerusalem om aen gelt te raecken
 - verstaet die saecken / bij gans doot -:
 sij vercoopen een koe om thien off twaliff pont groot
605
 - ick warde heel root / wat vreemder blaemte -; 605  
 ghij Waerlick Rigement, ghij en hebt geen scaemte,
 - wat vreemder versaemte / noijt sulcke horden -
 die bevaert is nu tot een comenschap geworden! 602-8  
 Wilt u vast gorden / ende staet sonder vreesen,
610
 want ghij, Waerlick Rigement, sijt heel beleesen. 610  
 Wat segdij van deesen / daer en is niet in gebleven!
 
 Waerlick
 Och Geestelick Schijnsel, hoe condijer mee leven,
 ick begin te beven / ick weijne van pijn.
 Ick wedde ghij wilt van dit jaer geen ridder sijn,
615
 u scalcke termijn / staet op vaste posten,
 ten sal u geen tsestich gulden costen,
 ten sijn niet u losten / om ridderschap te coopen
 en verteeren u ghelt met grooten hoopen, 614-18  
 men mach u niet stroopen / noch niet crijgen uijt u cofferen.
 
 Schijn
620
 Dat segdij, gelijck die hoeren gaen ten offeren, 620  
 gelijck deese dofferen / op een anders nest vliegen. 621  
 Wat willen wij veel het volck bedriegen, 622  
 veel logens liegen / wij doogen niet te hoop, 623  
 dus laet ons swijgen.
 595  Schijn valt hier lelik uit zijn rol. G werd dus w.s. door een van de Haarlemse kamers gespeeld.
 605  wat vreemder blaemte, zie B 547, A.
 602-8  Het kwam in de 16e eeuw voor, dat iemand zijn bezittingen verkocht onder voorwaarde, dat een hogere, bijv. dubbele prijs verschuldigd was, als de verkoper binnen een bepaalde tijd de reis naar Jerusalem maakte. Vgl. als voorb. van dergelike verkopingen, waaraan een weddenschap verbonden was, Bredero, Symen sonder Soeticheyt 519/23 en de aant. daarop van van Rijnbach. Tien à twaalf pond (604) moet dus een abnormale prijs zijn voor een koe.
 610  Men kan lezen: gij zijt geheel betoverd, van de duivel bezeten; maar waarschijnliker lijkt me: ik heb u ontmaskerd.
 614-18  Vermoedelik is hier met ridderschap bedoeld het lidmaatschap van de ‘Ridderlijke Broederschap van den Heiligen Lande’, die te Haarlem evenals in Amsterdam en Utrecht bestond. (Er waren meer van die geestelike gilden, bijv., die van het ‘Heilig Kruis en het Graf des Heeren’, maar die heetten niet ridderlik). Leden waren ‘Jerusalemvaarders’, die het heilige graf bezocht hadden, maar de tekst zal slaan op de mogelikheid voor anderen om zich aan te sluiten tegen een hogere entrée. Van Haarlem is dat niet bekend, maar in 1394 betaalden toetredende Jerusalemvaarders te Utrecht 2 ‘oude Vrancryese schilden’, anderen 5.
Bij verschillende gelegenheden werden de leden, doorgaans aanzienlike personen, ‘Ridders van den heiligen graeve’ en ‘Godsridders’ genoemd.
Zie Dr. C.J. Gonnet, De Ridd. Broederschap v.d. Heil. Lande te Haarlem, Bijdr. v.d. Gesch. v.h. Bisdom Haarlem XI (1884), 187-233.
 620  Dat zeg je verwaand. Vgl. J. de Brune's Nieuwe wijn in oude Le'er-zacken, blz. 360, over Hoovaerdije: ‘Hij gaet en strijckt met zulcken waen, Als of hy zou ten offer gaen’ (= gaan offeren). Hier dus niet het andere gebruik van offer in verband met lichte vrouwen: ‘Frowkens, de geernn hier ende daer den offer untfangen, Moeten haer mans de blaw huyck omhanghen’, aangeh. Van Vrouwen e.v.M. 115, al heeft dat de schrijver misschien er toe gebracht hier van hoeren te spreken.
 621  ingenomen met je zelf, evenals .... hs. een ander, waarschijnliker een(s) anders; vgl.: Zijn eieren in een andermans nest leggen = overspel bedrijven, W IX, 1854.
 622  Het volck = het publiek, dat naar hen luistert.
 623  Wij doogen niet te hoop: de twist tussen Schijn en Waerlick eindigt hier, zoals gewoonlik die der zinnekens: Ontr. R. 54 (ook na een bijbels dispuut): ‘Wij en dueghen certeyn bey niet veele, Dus bons pays, laet sulcx doch slaken’; F 10, 107: ‘Ey cousyn laet ons twist op een ent // coomen, wilt sulck parlament // scromen // of tsoude abuys // toonen [l. toogen], want men weet dat wy bey niet een cruis doogen; F 7, 161: ‘Holla cousijn, tis lang genoch gekeven / nu, laet ons malcander aencleeven / nu / tis over tijt / siet, wij sijn toch even heylich /’; Rott. Sp. 1561, 92 V (T.M.B.) ‘ick danck u daer af / en laet het daer bij blijven / wat willen wij veel op malcander kijven’.


[p. 38]

 
 Waerlick
G 625
 Ick hou den coep. 625  
 Wel, wat is den roop / sullen wij hier weesen?
 
 Schijn
 Ick meen dat hij soo heeft geleesen; 627  
 ick beghin te vreesen / wel lieve pampier // guijt.
 
 Waerlick
 Ou neve, besiet doch, wat hangt hier // vuijt? 629  
630
 ten is geen bier // snuijt; hoe sullen wijt aen stellen?
 
 Schijn
 Wel, wilt vrij cloppen.
 
 Waerlick
 Jae, wilt selver bellen:
 ‘Dit is inder hellen’ / staeter soo gescreven. 633  
 
 Schijn
 Hoe, en clopt ghij niet?
 
 Waerlick
635
 Ick beghin al te seer te beven,
 bij alle die leven / ick en darifs niet bestaen. 636  
 
 Schijn
 Ick salder met vuijsten soo dapper op slaen,
 alsoo ick waen / ; wat cander off coomen?
 Want wie dat wij sijn, willen wij wel nomen. 629-39  
 
 Die verdoemenis, een duvel, boven uijt; singende
640
 Ick wachter vrij / ick ben soo blij, 640   640  
 mijn hert leijt int verlangen.
 Wie maect daer gecrij? / Berecht mij,
 wij sullen u haest ontfangen.
 Ick sal die partij die weete doen 644  
 625  Ick hou den coep, d.i. ik zal me er aan houden, n.l. aan 't zwijgen over de wederzijdse feilen, voorgesteld door Schijn. W.s. ontstond hieruit: ik aanvaard de koop, ik ga accoord. Hs. houdes.
 627  Hij = Knagende Consciencie.
 629  Wat hangt hier vuyt? Het opschrift: Dit is inder hellen. Maar misschien was ook op de poort een duivelgezicht geschilderd of een masker gehangen. Merk de ironie op: van een biersnuyt zouden Schijn en Waerlick heus niet geschrokken zijn.
 633  dit is inder hellen tstaeter soo gescreven - de hel op het toneel droeg dus een opschrift; hoewel er toch ook wel andere aanduidingen geweest zullen zijn. Vgl. voor dergelike opschriften H.J.E. Endepols, Het Decoratief en de Opvoering v.h. Mnl. Drama, 59.