Een ander Spel vande Groote Hel, daer gheestelick schijnsel ende waerlick rigement verdaecht werden(Personages, zie Aant. 1)
|
1 Knagende Consiencij: de naam sluit aan bij B 611; in het 7e Spel van de Wercken der Bermherticheyt (A'dam, 1591) treedt onder deze naam op ‘een vrouwe bloedich int aensicht’.
1 vlgg. Het mandaat van Lucifer volgt in aanhef en slot de officiële kanselarijstijl, maar niet precies. De titels van Karel V waren in volgorde: keizer, koning, aartshertog, hertog, graaf, paltsgraaf, landgraaf, prins, markies, graaf, heer. Hiervan komen de cursieve in Lucifer's reeks niet voor; ook is de volgorde iets anders; B 26/37 is veel beknopter.
Het vervolg van de keizerlike mandaten variëert; ter vergelijking diene uit 1540 (Muller-Joosting III, 708/10): bij 21 vlgg. - Ontbieden daeromme ende bevelen onzen lieven ende getrouwen, die hooft, president ende luyden van onzen Secreten ende Grooten Raiden, ...., stadhouder, die eerste ende andere onze raiden in Hollandt, .... stadthouders, president ende luyden van onzen raiden in Vrieslandt .... bij 25 - allen denghenen, die dezen onzen jegenwoordighen brief zullen sien, saluyt. bij 27/32 - desen onsen brief doen kundigen ende uytroepen ter plecken daermen gewoonlick is publicatie te doene .... bij 357 vlgg. - dat sy dese onse jegenwoirdige ordonnancie ende alle de puncten ende articlen voerscreven scerpelick onderhouden ende observeren, ende dewelcke wij willen onderhouden ende geobserveert te wordene voer edict ende eeuwige wet. Want ons alsoe gelieft. bij 389 - Des toirconden zoe hebben wy onsen zegel hieraen doen hanghen. bij 392 - Gegeven in onsse stadt van Bruessele, den .... 1 De vorm van het mandaat treffen we in de rederijkersliteratuur nog al eens aan:
Veel. Gen. D. 168, Dietsche Warande X 126/8 (Bruiloftsspel van T.M.B.)
1 terrae > tarre: warre; vgl. erre > erra: terra, Veel. Gen. D. 60.
Het dichtwerk van de rederijkers bevat meer van dergelike veranderingen om 't rijm, al zijn ze lang niet zo talrijk als men wel meent. Enkele vbb. VERGUWEN B :228; al haddyt gat vol mierien: Syrien, Hass. Hist. Sp. 88; veteren (= veeten): beteren, ib. 133; vercrichten (= verkrachten) Ontr. R.:1425; voerken (= vuurken) ib. :994; tegere (= tegen) Loterijspel :267; vervreecken (= vervrecken) F 8 :790; in tijen voorleeken: preeken, E 11 :134. 3 heere der werlt, Joh. 12:31.
4 daer wij syn geseeten, n.l. volgens de algemene voorstelling met een keten vastgeklonken aan een ton, die als troon dient. Zo ook in 't 7e Spel v. Bermherticheyt.
5 tgroote Babilon, B 29 A.
6 in tenebris, Matth. 8:12; ook in exterioribus tarre (1) doet hieraan denken.
8 in onsen ryck, l. ons of rijcke.
9 Turpe lucram, voor lucrum, Titus 1:7.
13 Dolo van dolus = bedrog, als bepaling bij Luxuria bedoeld: ‘Door bedrog verkregen overvloed’, gelegen in de landstreek Afgunst.
14 :B 130, A.
19 daer doer, l. daer der.
24 grijpende wolven, Matth. 7:15.
26 Het perfectum lijkt hier alleen gebruikt om de regel te vullen.
27 Cryeren, 2 silbig, uit cryieren, ook cryhieren (van 't Hoog, blz. 26), uit Fra. crier ontstane vormen, die in 't Mnl. al met die van crayeren, toen gewoon voor ‘bekend maken’, dooreenliepen. Kil. geeft ‘kriéren’ fland, 3-silbig dus, maar de streekaanwijzing zal wel niet op de uitspraak slaan. De korte vorm komt immers juist in Zuidelike teksten veel voor (V. gaf 1 voorb., zonder bron): Hass. Hist. Sp. 76, 123; Boom d. Schr.: 126; Chr. K. :1550. De Holl. omwerker van het laatste maakte er crayeren van; ook op andere Holl. plaatsen zien we voorkeur voor de lange vorm: S.J.O. :469, cryieren: vercieren, hoewel de uitgang -ieren in dit stuk verder niet voorkomt; D 6:669/71, waar het rijm er door de afschrijver zelfs door verbroken werd: gecryeert: gestiert: getiert. Vgl. OBEDIEREN, G 1224, A.
28 tegens Goedts partijen; het hs. heeft van Goedts; er zou kunnen gestaan hebben tegens sMan Goedts partijen.
|
|
33 vgl. G 138 De noen, de middaggodsdienstoefening, oorspronkelik om 3 uur, werd tegen het eind van de M.E. voor 3 uur gehouden.
37 Hs. aen onsen croon, w.s. uit kontaminatie met ontlenen aan.
41 Regel 40 en 41, waarvan de eerste helft ontbreekt, hebben kennelik een aanhef gevormd, zoals 134/5 en 185/6. Ik gis dat er iets gestaan heeft in deze trant: Nu gaen wy lucyfaers mandamenten ontluycken; (laet gheestelick wee)ten waer dat wy hem rienen - waarvan het tussen haakjes geplaatste voor de afschrijver onleesbaar was. Deze begon regel 41 echter voor aan de marge.
44 mijnen zou oogrijm voor mienen = menen, op 't oog hebben, kunnen zijn, maar noodzakelik is dit niet. Wel zien we dit verschijnsel in rienen :41, dat de afschrijver ten onrechte met de voorgaande regels combineerde.
46 Lees: die als in een bierton in haer lijff voerdwijnen? (die = de aertsche dingen). Of: als een ton bier.
56 De Matrimonia clandestina, gesloten zonder openbare afkondiging in de kerk, was een zeer verbreid misbruik in de middeleeuwen, door geestelikheid en magistraat bij herhaling, maar met weinig sukses, bestreden. Zelfs excommunicatie werkte in dit opzicht niet; er waren altijd wel geesteliken te vinden die tegen flinke vergoeding een geheim huwelik wilden inzegenen, dikwels volgens een bepaald tarief ‘na ouder gewoonten’, en welgestelden die daarvan gebruik wilden maken.
Veel geesteliken vonden er een geregelde bron van inkomsten in, waardoor konflikten konden ontstaan als de wonderlike strijd om de Amsterdamse keur van 1525: de deken van Amstelland, die 't geheim huwelik tegen ‘steecpenning’ placht toe te staan, achtte zich benadeeld toen de stedelike magistraat door een boete van 25 kar. g., aan de stad te voldoen, het misbruik trachtte te bestrijden. Slechts met steun van Karel V kon de stadsregering zich tegen deken en bisschop handhaven. Bisschop Gregorius van Egmond gaf in 1535 weer een scherp verbod en ook Nic. van Nieuwlandt richtte als bisschop van Haarlem een van zijn eerste edicten tegen het heimelik trouwen (1562). Het geheime huwelik was niet ongeldig voor de kerk, maar werd bestreden om de motieven die er toe leidden (weigering van de ouders, verboden graad van bloedverwantschap, bestaand huwelik van een der partijen etc.) en de gevolgen daarvan. [Moll II3 13-17; L.J. van Apeldoorn, Gesch. v.h. Nederl. Huw. recht, A'dam 1925, blz. 47 vlgg.] 58 : Wie dan maar betalen wil! Die w.s. geen datief, vgl. de konstruktie van G 422.
59 Dan geven ze (gunnen ze je) graag drie vrouwen tegelijk, d.w.z. vragen niet of je al getrouwd bent; vgl. G 56 A. Brooden beschouw ik als broeden = bruiden, vgl. broot G 91 voor broedt. Van broden geven bij een huwelik, vond ik niets.
58-9 De oe-achtig klinkende oo van broot (G 91) komt overeen met die van doot in het eerste couplet van het Wilhelmus; (zie Van Helten, Mnl. Spr. blz. 89) en zou op Brabantse invloed of herkomst kunnen wijzen. In brooden zou deze oo een oe-relict verbergen, zoals we in het rijm vinden in de Hass. Hist. Sp. blz. 119, versoemen (= versuymen): noemen.
60 wilt het wel offweven: voltooi het, doe wat er bij hoort, dus: geef de priester zijn beloning.
60 en 61 worden door Kn. C. de priesters in de mond gelegd. 64 dit heefdeech, vgl. I Kor. 5 : 7/8.
|
|
69 Die = object; deesen = subject = sij in de volgende regel: sommigen.
70-1 opdat zij zich aan drank te buiten kunnen gaan, zonder dat de geestelike ze bestraft.
72 valsche leeringe, duidelik tegen de ketterij; vgl. B 338.
73 Na vergelijking met G 130 lijkt brouwen te staan voor douwen (= dringen); zie echter G 129/33, A.
78 in der hellen koor, evenals G 133, hier blijkbaar = de hel, al zou men bij de laatste regel speciaal kunnen denken aan een plaats, waar verdoemden hun helse liederen ten gehore brachten (Haslinghuis 151, G 903 A.).
85 even vrijmoedig al degenen aan te grijpen, ....
91 broot = broedt; zie aant. G 58/9.
94 l. Het loopt door die gemeene sluys: het wordt met al de andere nieuwtjes weer gauw vergeten?
89-95 Waarschijnlik is de betekenis deze: wanneer de vrouw bij de geestelike aan huis bevalt, moet deze een boete van 6 pond betalen (jaarliks?), maar is de eer van de vrouw gered, omdat die zogenaamd tuis bevallen is; geschiedt het elders, dan wordt over de vrouw schande gesproken, maar komt de geestelike er goed en zonder jaarlikse boete af.
Dit lijkt wel vreemd, maar misschien doelde de schrijver op het bekende verschil tussen clerici coniugati of uxorati en de concubinarii, cohabitatores of focaristae. Kerkrechtelik waren beiden in overtreding, maar in de schatting van het volk stonden de eersten, de ‘geheim’ getrouwden, veel hoger: hun vrouwen, die ‘aan huis’ bevielen, dus ook. Met de generaliserende regel 86 hoeft dit niet in strijd te zijn; het is echter slechts een gissing, omtrent een boete in deze gevallen vond ik niets. 97 teemen. De bet. aanhouden, zeuren, misschien ook toeven, volgens Fr. v. W. te verklaren uit Mnl. teme (thema) = onderwerp, mening, was Kil. nog onbekend. Een andere 16e eeuwse Noordned. plaats geeft D 2 :729 - wat wil men veel teemen; verder in de 17e eeuw Warenar, Spa. Brab. Misschien mag men hierbij nemen: ‘daer sach men weyden in de groene beemden, veel kudden verspreyt ende hen verselschappen omtrent thien hondert, die als wachters teemden’ - toefden? (uit van Mander aangehaald, maar niet verklaard, door Verdam, VIII, 219 Aanm.).
100 Beemen, Bohemen, een land van ongelovigen als Turkije, Moscovien, B 245. Ook veel Nederlanders namen in de 15e eeuw aan de kruistocht tegen de Hussieten deel.
|
|
109 onder thoot, Coloss. 1:18? zie HOOT.
111 Pover isser thuys, spreekwoord.
106-115 Priesters die een stervende bijstonden mochten geen misbruik maken van hun positie, door de kerk te laten bevoordelen boven schuldeisers en erfgenamen. Dat dit toch meermalen voorkwam blijkt wel uit de processen, door de magistraat gevoerd tegen op bed gemaakte testamenten en bijv. uit Erasmus' Colloquium ‘Funus’. (Sterfbed en Begrafenis of twee ongelijke dooden en hunne uitvaart, in de vert. van Dr. N.J. Singels). Zie ook een citaat uit het N. Doet., V VIII 276.
117 sult dijer hypercorrect; zie aant. B 3.
120 den geest maeken - doen alsof men van een boze geest bezeten is; vgl. V. de Meyere en L. Baeckelmans, Het Boek der Rabauwen en Naaktridders 40: Vanden Vopperen.
126-7 Het hs. heeft deze regels in omgekeerde volgorde, terwijl ende in het andere vers staat.
128 Locatio Beneficiorum, o.a. door G. Groote en Dionysius de Karthuizer fel bestreden; zie Moll II1, 140 en II1, 126 v.v.
Vgl. Trauwe 1198/01 Noch met capllaenen: Waer sy van een benefitie hooren vermaenen, Daer sullen sy om strijen als hanen, Int ondercruypen. 129-33 Vgl. met deze regels S.J.O. 527 e.v.
|
|
137 Wie dat (goet is) = al wie, VII 84/5, cf. wie so. In de schrijftaal na, en al in de 16e eeuw, zeldzaam.
140 Jeroboams telgen: de opvolgers van Jerobeam I, zoon van Nebat, koning van Israël (1 Kon. 11:26 e.v.), die de afgoderij in Israël invoerde (1 Kon. 12:28), door gouden kalveren te laten maken te Beth-El en te Dan. Van de latere koningen wordt steeds gezegd, dat zij niet weken van de zonden van (deze) Jer.
142 te plaegen. De regel is zo nóch met 141, nóch met 140 te kombineren. Wel zijn zinnen bekend als ‘Soo sal hi veel aelmissen gheven .... ende altijt te dencken op sijn sterfdach’ (Stoett3 § 279, Opm. V), maar de infinitief met te drukt hierin steeds een verplichting uit, terwijl het verbum finitum dan in 't futurum staat; ze kunnen hier niet ter verklaring dienen.
Daarom l. plaegen, bij het subject die (140); dus: die 't volk in het verderf leiden met dezelfde afgoderij als die Israël eens aanhing, n.l. met de aanbidding van het gouden kalf. 146 In plaats van daer voor doer te lezen, zou men in 147 en kunnen schrappen.
147 (cf. 1030). Uit de eed van de schout te Haarlem: .... ende dat en sal ick niet laten om lief noch om leet, om vrient noch om maech, om gonst noch om gaef noch am geenrehande zaecken ....; van burgemeesters en schepenen: .... ende dat en zullen wy niet laeten om gheenrehande saecken .... Huizinga 441/2/3.
150 metten ryckeman, Luk. 16:23.
151 Vgl. ‘Ick sie in menich lant, in menighe stede, Die clein dief kens hangen met groote hoepen, En die meeste [= grootste] dieven laet men loepen, omdat sy den rechten syn ooghen uwtsteecken’, Bruer Willeken 525; ‘Den rechter wordt duer faveur en gelt verblint nu’, ibidem 539.
153 Herodes Agrippa, Hand. 12.
157 Wee haer die u ...., overgang tot de direkte aanspraak.
159 Vgl. ‘Kan een varken ook met een lepel eten?’ Harrebomée II 17 en ‘Kin in baarch ek mei de leppel ite?’ N. Frie. Volksalm. 1854, 61 = men kan een kind geen mannewerk laten doen.
170 Inganck, rapoortghelt en segelen waren vaste kosten bij ieder proces.
|
|
174 Ge kunt nog zo zeker van uw sukses zijn .... (er staat het tegengestelde, ironies); als, l. als op.
190 Godts woort in haren mont, Matth, 7:21/3 - vgl. aant. B 332.
194 Ps. 14:3 - tezamen zijn zij stinkende geworden.
196-7 Luk. 12:47.
196-7 Luk. 12:47.
204 Het hulpww. willen heeft hier niet veel betekenis: ze vallen de armen niet op; vgl. G 976 en V willen sijn, IX 2594.
|
|
207 Iemand door de mosterd slepen. Sartorius, Adagia, Fragmentum Chiliadis Quartae 20: iambizare, conviciari, maledicere = schimpen, lasteren; Winschooten Seeman 23: iem. door den beugel jagen = plagen, dwingen tot iets onaangenaams; Tuinman, De Nederd. Spreekw. I. 298: iem. door dik en dun leiden = niet ontzien. De laatste betekenis past het best in onze tekst.
216-8 Voor regel 216/7 is wel een verklaring te vinden: in vroeger tijd ontvingen de waardeins in Leiden n.l. de helft van wat ze in hun functie inden, keurloon en boetes (Hamaker 1406, VII, 1). Stel dat deze regeling ± 1560 in Haarlem ook gold, dan zou men dus kunnen lezen: de w. plagen de wevers en jagen ze op kosten, want ze krijgen de helft daarvan (van 't keurloon). De 16e eeuw kende echter een andere wijze van bezoldigen voor de waardeins (Posthumus 154), en regel 218 zou in dit verband geen zin krijgen, ook al neemt men aan dat met drapeniers en wevers hier dezelfde groep bedoeld is.
Ook kan men lezen: de w. ontvangen voor hun moeite de helft van wat de arme wever verdient en geven dat of een deel ervan weer aan de drapeniers. Een indirecte methode om het loon te drukken, die weinig aannemelik is te achten. Het waarschijnlikst lijkt me, dat de afschrijver de woorden wardeyn(s) en trapenierder(s) heeft verwisseld; m.i. moet er dus staan: dagvaard ook de drapeniers, die de arme wever uitzuigen - want de wevers krijgen tegenwoordig maar de helft van hun (vroeger) loon - en de waardein met het daardoor overgehoudene de handen stoppen. 220 vlgg. Met steedewerckluyden bedoelt de tekst w.s. niet der stede dienaers, maar de werklieden in de steden, die in het midden van de 16e eeuw meermalen voor loonsverhoging etc. optraden.
Zie Huizinga 373/4, ao 1557: Soe wat ambochten off neeringen vergadering maecten sonder consent van den gerechte, om te sluyten off te accorderen met malcanderen yet dat tegen gemeen prouffijt waere, als rijsinge van loon off van waer, souden verlyesen .... Uit 225/6 zou men opmaken dat tegenmaatregelen hun positie verslechterd hebben. 232 Maes, eigennaam, die meer in ongunstige zin voorkwam; vgl. Maes van Keyendael en Heyn van Sotteghem, personen uit de klucht waarmee Moyses' Doorn (den Bosch) te Antwerpen de 1e prijs behaalde (1561); Trudo 2527, waar Baalberith zijn gezel Leviathan uitscheldt: ‘Ghy malle maes!’; ‘Maes Bacx wijf’, Veel. Gen. D. 160.
234 In een bonten tabbaert steekt wel een grooten dwaes = spreekw.?
235 vgl. B 351, A; G 996.
|
|
242 vgl. B 378 A; G 1002.
245 wacht wel u mont = verpraat u niet; of: wees niet te gulzig?
252 syn goet, het bezit van de ondersteunde; als dat na de dood aan het H.G. Huis verviel, brachten de uitkeringen rente (= woeker) op.
258 e.v. Het kapitaal van het H.G. Huis was w.s. voor een groot deel in huizen belegd en de H.G. Meesters zijn dus ook huisheren.
269 Identiek rijm met 266 maakt de regel enigszins verdacht; ook is tcruyt iets anders geschreven als in 271, hoewel ik er geen ander woord uit lezen kan. De uitdrukking ‘zijn kruit sparen’ geeft hier geen zin, waarom ik gedacht heb aan duimkruid, dat in de 16e eeuw meermalen voorkomt, zij 't steeds volledig.
273 geen van hen is bang voor de duivel? Dan een eigenaardige konstruktie. Eerder: (schrijf ze gerust op, want) de duivel is voor geen van hen bang; vgl. B 476.
275 vgl. B 485 en: Een apothekertje dat aardig is, maakt van een stuiver dat een gulden waardig is (W.).
|
|
278 Ik beschouw verhaert als een gerekte vorm (naar Vlaams voorbeeld) van verhard en vermoed dat verhard bier = krachtig geworden, uitgegist bier. Bewijzen hiervoor vond ik echter niet; W V 2159 vlgg. noemt veel voorbb. van hard = krachtig, maar bier is daarbij niet. Hard bier is wel bekend, maar voor zuur bier of bier dat op 't punt staat zuur te worden.
281 Sinte Layaert, luiaard; een z.g. spotheilige, zie Nyeuvont, blz. 35 e.v.; vgl. AMPHRA. De spelling Auy voor ui komt overeen met de uitspraak die het Oostvlaams nu nog kent; ze komt echter in de 16e eeuw in Holl. omgeving meer voor, vgl. tCooren 261, 844, 947, 1124, waar mauyterij staat, naast meuyterij, meuterij etc. op andere plaatsen. Waarschijnlik staat de au hier voor een o-klank, evenals de Bo aangeeft voor het W.vla., waardoor de vorm normaal Holl. lo(o)iaard zou zijn. Sinte Luyert komt voor in A. Bijns, Onuitgegeven Gedichten, Leuv. Bijdr. IV 327 en met sinte Noywerc en sinte Reynuyt in 't Antwerps Liedboek.
S.L.'s carren moet men zich denken als de Langhe Waghen (met) zyn licht-gheladen Vracht, Veel. Gen. D. 156, het Schip van sinte Reynwt of 't Schip van Armoede: een denkbeeldige wagen of schuit, waarop maatschappelik verongelukten hun (levens) pelgrimagie deden. Zie hiervoor Dr. D. Th. Enklaar, De Blauwe Schuit, Ts. v. Gesch. 48 jg. (1933) 62 vlgg. 282 vgl. B 516/8.
284 Vgl.: Keure en ord. van wie bedelen sal ...., doordien alle gezonde mensen wel aen werk kunnen raeken .... 18 Oct. 1559; Huizinga 524. - Ook V. de Meyere en L. Baekelmans, Het Boek der Rabbauwen en Naaktridders.
286 Vgl. diamant voor een persoon: Trudo 1403/6 L. Ick sal u noch vieren B. Als een heylich sentken, L. Ia, en schoon vercieren B. als een diamentken.
287 vgl. B 464 A.
288 toch sackken, onzuiver dubbelrijm.
293 towen, hs. tawen; vgl. maw G 189, mouw G :1047. In B mouw :332, 535, 548.
294 V III 642 geeft op ‘scepenenbrieven .... die houden....’ = van kracht zijn, gelden. Zo hier: als de br. slaapt, gelden hún brieven = rechten, aanpraken? (W III1 1323). Maar men verwacht houden = ‘blijven gelden’, hier zou 't ‘beginnen te gelden’ zijn.
Een brief hebben is in 16e en 17e e.: de grote heer uithangen (doen alsof men een brief = dokument van waarde bezit, W III1 1324); misschien is ‘een br. howen’ hetzelfde. Daar brief ook = zot, druktemaker (< de vorige bet.), kan men ‘haer howen’ ook als reflex, opvatten. 295 Lijsken is meermalen de naam van de meid, zoals Hansken van de knecht, en heeft dan geen nette klank; vgl. N. Arch. v. Kerkgesch. XXI, (1928) 215 [1e helft 16e e.]; in Mariken v. N. de namen die Moenen Mariken voorstelt te dragen; Creizenach I, 405, noot ‘van Lijsken, dat sie eenen man hebben wolde, die nae den harnasche roecke’; Kluchtspel2 II, 73 [1620]; Van Vrouwen ende van Minne VIII, 116; het Liedeken van tCorenbloemken, Haagsp. Antwerpen 1561; A. Bijns, Belg. Mus. IV, 87: ‘Zijnder veel Lijskens, daer zijnder oock veel Hannekens’.
Hiernaast als namen van lichte vrouwen Truy en Griet, G 943 A. 296 Browerneef - een jonge, inwonende bloedverwant van de brouwer. Het lijkt w.s. dat hier een recent schandaaltje behandeld werd; G is immers nog al hatelik tegen de brouwers (966, 977, 979).
299 hs. browerneeff, maar de brouwer lijdt de schade!
302 ? Misschien: het vet wert din = vloeibaar, voor: het is er een goede boel; men macht niet droopen = druppelen, voor: het heeft geen zin er zuinig mee te zijn?
|
|
317 16 Stuiver is voor deze tijd wel een ongehoord hoog dagloon, men moet 't ironies nemen; 6 stuiver daarentegen (326) is, zoals de tekst zegt, nog gewoon.
318 Het masc. van ruyt is eigenaardig. Den ruyt cloven = met overleg handelen, sparen; vgl. ‘over een gekloofd rietje moeten gaan’, Winschooten Seeman (W XIII, 134).
V. veronderstelt dat ruyt (ruet) een dial. vorm van riet is; de plaatsen (Deventer 1384, Hattem 1472) wijzen echter op verwarring met ruit = onkruid; ruigte; gras, klaver enz., dat voor zomers stalvoer gekweekt wordt (W. RUIT IV). Het Oostelike ‘een ei in 't ruydt (roet) leggen’ (Molema) moet men dan ook niet met de in 't Westen bekende uitdrukking ‘een ei in 't riet leggen’ gelijkstellen (V. VI, 1737), maar met het parallele ‘een ei in de netelen leggen’ (W. XIII, 132). De uitdrukking in onze tekst ontstond blijkbaar door dezelfde verwarring. 320 De keur v.h. gilde v. metselaers, tegeldeckers en calcbranders te Haarlem (ao 1542) trof speciaal maatregelen tegen hen die hun werk in de steek lieten om in de herberg te gaan. Huizinga 264/5.
Sy syn nu wel te vinnen: want ze zijn werkeloos. 322 die mogen wel streckken haer vijff sinnen - zich inspannen, oppassen. Vgl. E 11, 861/4 ‘Daer ick tegen die werlt mee sal strijen inwendich, die seer behendich is streckkende sijn vinnen - Wat wapen is dat? - Wildij dit wapen te recht bekinnen, soo strect u sinnen op die viant en sijn cracht’. Ook onzijdig, met streckken = dienen, verlangen: E 12 :117 ‘streckken al u sinnen tot u snaesten voerdel?’; F 10 :23 ‘hier nae [trijcke Goodts] streckken mijn sinnen.
Parallel hiermee loopt de vinnen streckken, dat w.s. het overgankelik gebruik van de vorige uitdrukking deed ontstaan. Zie boven het eerste citaat, en F 7 :204 ‘ons vinnen uytstreckken’; E 12 :117 ‘voor mij was hij bedect, met vinnen gestrect, ick hadt hem in seven jaren niet gevonden’. Vinnen = ledematen > vermogen - Antw. Sp. 1561, Hh 2v (Diest) - ‘bekinnen wilt mijn crancke, broosche vinnen’. 330 Omdat ze niet ten bate van anderen willen werken? Ws. viel 329 a, rijmend op -anck, uit.
339 Vgl. ‘Men souder eenen boeck af mogen schrijven, Voorleden Tijt 326.
|
|
348 Aemsters. Van aemen = keuren van vloeistofmaten, kan men aemer afleiden = keurmeester; vgl. ijker van ijken = keuren van maten voor droge waren. Misschien is dit bedoeld.
Aemster = hamester, hamster (Kil.) geeft geen zin. 349 elcxs als nominatief, uit de genitief, komt meer voor.
354 Futselbroeck; ook in 1094 deze vervorming. Vgl. snottoor < sottoor, G 227.
363 en wij bevelen het nadrukkelik!
367 ? Het komt uit Lucifers mand = het is van L. afkomstig? Elders vond ik een dergelike uitdrukking niet, maar mogelik is ze zeker; vgl. ‘hij heeft veel in zijn mandje’ = hij weet veel, hij heeft veel verstand (Stoett, Spreekw. II no. 1283); de n aan het eind kan om 't oogrijm zijn geschreven.
Een gemakkeliker oplossing geeft natuurlik verandering van manden in handen: zoals het door L. voltooid, gemaakt, bepaald is (W V 1840). 375-7 Bedorven; misschien ontbreken 376a en b (rijmen!) Gissing: van dien te doen geven wij u volcomen macht, - want wie Godt niet eert, is in onser cracht - dat men daer in doe ons wil geheel.
|
|
384 hij = Lucifer; de constructie eist dus: wij willen.
388 op al dat ..... Hs. heeft van niet, maar zo is de constructie niet te verklaren; wel zou men kunnen lezen: opdat (= als tenminste), ghij ons toren duchtende sijt. Misschien ontstond hierdoor kontaminatie. Vgl. G 824 ‘op alle dat hij verbueren mach’.
389 d.i. ‘opdat ghij meerder sekerheyt sout mogen ontfangen’; vgl. voor op....dat: W XI 416. In proclamaties was de formule: ‘Ende des t'oorconden hebben wy onsen seghel hieraen doen hanghen’.
390 Het Segel van saeken, sigillum ad causas, ook wel: ad missivas, was een klein zegel en werd in 't algemeen gebruikt voor mandaten, brieven en andere papieren, die hun waarde verloren als de geïnteresseerde van de inhoud kennis genomen had; een grootzegel kwam voor aan zeer belangrijke en plechtige stukken, oorkonden bijv.
392 de afgront der hellen, vgl. Luk. 8:31.
393 Tijd wil hier zeggen begrenzing, eindigheid. De gehele regel is een antithese op Openb. 10:6/7, ‘dat er geen tijd meer zal zijn, Maar .... de verborgenheid Gods (zal) vervuld worden’.
Vgl. ‘sonder ende off tijt’ G 882, waar tijt = ende. In de naam van de Dood in dit stuk ‘Het Eynde van den Tijt’ (G 716) is tijt = het leven, de ‘tegenwoordige tijd’ van de apostel (Rom. 8:18). |
|
403-4 ik wilde wel hooren vanden bekinden = van wat (u) bekend is.
406 Gans paert is misschien paard van Christus = ezel.
Ook de 16e eeuw is rijk aan dit soort bastaardvloeken; naast de in W IV 249 en Christenkercke aant. 331 genoemde, noteerde ik nog: bij gans bier, darmen, hanepooten, crage, landt, moort (vgl. G 603), sweetgaten, tant, draeckentant, tanden (= banden?), verckens cracht, vier en viven. 412 vlgg. De dialoog tussen Schijn en Waerlick vertegenwoordigt hier de twist der Sinnekens in andere spelen (zie Inleiding, hoofdstuk V). In S.J.O. 11-62. sommen Waerheyts Verdruckinghe en Onsuyver Begheerte elkaars zonden op, van de tijd van Cain af, om daarna, zoals de gewoonte was, tot hun propoost te komen; zie G 623 A.
|
|
422 vul aan: zou dagwerk hebben.
423 Volgens de Gemara, het ± 200 na Chr. te Babylon ontstane gedeelte van de Talmud, werd Jesaja, bedreigd door Manasse, door de naam van Jahweh gered en in een holle ceder opgenomen. Maar de koning liet de boom omzagen en doodde zo de profeet.
De schrijver stelt hier de geestelikheid ten onrechte er voor aansprakelik. 428 David niet en melden, 1 Sam. 22:17, 18.
431 Het verhaal van Jeremia's steniging in Egypte wordt het eerst bij sommige kerkvaders gevonden: de Joodse overlevering laat J. door Nebukadnezar uit Egypte naar Babel voeren.
440 De betekenis is wel: alle vlas en wol moet gezuiverd worden voor ze bruikbaar is (zoals Manasse eerst door gevangenschap in Babel tot de dienst des Heren kwam).
Misschien staat er: wat een rommel vlas of wol blijken te zijn, wanneer ze gezuiverd worden? De geschiedenis van Manasse wordt ook als argument gebruikt in het zinnespel van de Oude Haarlemse Kamer op het landjuweel te Rotterdam (1561) - in de gedrukte bundel blz. 89 r. 441 twee susannes boven, de beide ouderlingen uit Daniel 13, meestal ouders genoemd (Trudo 259 e.e.), ook wethouders (St. J.O. 50).
442 Vlat. Verschillende veronderstellingen zijn mogelik, die echter geen van alle een bevredigende oplossing geven; o.a. verwantschap met flater, waarmee betekenissen als mond, leuterbek annex zijn, zie Fr. v. W. Hierbij moet men brengen ‘houdt doch den flatte’, Ontr. R. :989. Waarschijnliker lijkt me een verschrijving voor wat.
meer, n.l. schijnheilige geesteliken, de beveynsde boeren van 445. |
|
455 Geschilderde want; Hand. 23:3 heeft gewitte wand, Vulg. paries dealbatus, gr. τωιχως κεκωνιαμενως. De uitdrukking wordt duidelik door Matth. 23:27/8.
Vgl. ook ‘Zulcke geschilderde menschen willen dikwils de fijnste bloemen schijnen, daer zij niet als krijnssen, en grove zemelen zijn, de Brune, Bancketwerck van goede Gedachten 2, 130. 457 Luk. 23:23.
461 Joh. 19:12; de uitspraak der Joden voorgesteld als Pilatus eigen gedachte.
462 Gespint, rijmvorm van gespent = gespeend (Mnl. spennen naast spenen) of van gesponnen (spinnen werd immers in 't imperf. zwak) in de betekenis ‘beraamd, uitgedacht’, V VII 1741. In het laatste geval is rechtvaerdige sarkasties gebruikt.
471 Geestelick Schijn, de overpriesters en ouderlingen, Matth. 27:20 e.o.p.
473 biscoppen, priesteren en prelaeten voor de Joodse priesters!
477 Haer doden vervrect, Joh. 11, de opwekking van Lazarus.
481 jaechden hij uyt met swiepen, n.l. de handelaars en wisselaars, Joh. 2:15; in de tekst ten onrechte op Geestelick Schijn toegepast. Vgl. G 547.
483 Lasarus wilden se doot smijten, Joh. 12:10.
|
|
485 Joh. 18:40.
488 Hier en in G 566 heb ik en in ey veranderd; misschien ten onrechte, want en treft men meer in deze betekenis aan, al kan het steeds een slordige schrijfwijze van ey zijn. Zie S.J.O. 63 ‘En Subtijl van gheeste’, naast Ey in 527; ook D 6, 317; F 10, 7.
489 alle die proofeeten gedoot, Hand. 7:52.
490 Stierkoe. Volgens een zegsman uit de boerenstand (Z.-Holl.), wordt het woord in onze tijd wel eens gebruikt voor een koe die geschikt is om gedekt te worden; waarschijnliker lijkt me hier, als men er een andere betekenis dan stier of koe zonder meer aan moet hechten, dat het gelijkstond met stierin of kween: een onvruchtbare koe (W VIII 745 i.v. kween), aangezien daardoor de overdracht op een mens, i.c. een oude vrouw, begrijpelik wordt.
In dubbelrijm was menigmaal het laatste woord zinloos, vgl. dot G :1049, Griet G :673, en E 10 :151 gespuys // saet: uyt huys // maet: abuys // quaet. 491 Luk. 23:5.
497 Joh. 19:7.
504 Luk. 2:15.
507 meendij ghij, pleonastiese achtervoeging van ghij, Lubach § 71. int graff besegelen, Matth. 27:66.
508 Uw bedrieglike handelingen, zijn nu alom bekend geworden.
509 die graffbewaerders omcoopen, Matth. 28:12.
513 noemden. Uit noemdij ontstond noemde, (Lubach § 70); dan had het pronomen van de 2e persoon in de 16e eeuw meermalen een imperfectum op n bij zich: ghij noemden (Lubach § 76); zo kon noemde weer noemden worden. In G 513 kan de n ook gezegd zijn onder invloed van de volgende h. klank (Herodes), in G 855 (souden) niet. Echter bedenke men, dat in de 16e eeuw de verbale vormen dikwels hun slotconsonant verloren, zowel in Zuid- als in Noord-Nederland (ook B en G hebben er vbb. van) en dat het omgekeerde dus ook voorkwam.
Vormen als noemde < noemdi zijn volgens het materiaal van Lubach meest Brabants, maar Coornhert heeft ze ook. 514 Dus: waar bemoei je je eigenlik mee!
517 Herodes, De Grote, Matth. 2:1 e.o.p.
|
|
523 Hij dode die onnosele kinderen, Matth. 2:16.
524 dochte van duchten = vrezen, vgl. sorchden G 459; sout < soude.
529 Matth. 2:4.
532 die in scaipsvachten duyken, Matth. 7:15.
535 Joh. 8:12-59.
541 die waerheyt, Joh. 14:6.
543 St. Jan, Joh. 1:29.
546 Siet als twede deel van een dubbelrijm wordt als regel zinloos gebruikt (vgl. G 530, 566, 573 e.v.); daarom hoeft men niet te lezen: ‘dien ghy o., siet sijn h. ex.’: Zin geeft een verandering van dien in dies of en.
547 Joh. 2:14; vgl. G 481.
548 diet wel claer/merct - voor die 't ....? Vgl. G 673: diet wel verstaet. Al kan men zo deze tussenzinnen wel verklaren, waarschijnlik blijft dat diet een verschijning voor dit is; vgl. G 550 dit openbaer merct.
550 wat mochtet hem baeten; men verwacht u i.p.v. hem, maar de kooplieden lopen hier met Geest. Schr. dooreen, als in 481. Eveneens in 552 met de schriftgeleerden.
552 Matth. 23:14 e.o.p.; wat hier van Schriftgeleerden en Farizeën gezegd wordt, slaat in de tekst op de kooplieden en wisselaars. Vgl. Boom d. Schr. 740 ‘ghi etet bloet der wewen met lange ghebeen’.
554 Luk. 11:37 vlgg.
|
|
557 dees heeft blasphemij gesproken, Matth. 26:65 e.e.
562 Een bitter hout inden dranck steken - een zaak bederven; misschien herinnert de uitdrukking aan Exodus 15:25.
563 Dat de oorspronkelike tekst lanck zou hebben gehad, als het hs., is onwaarschijnlik; maar de afschrijver heeft op 't gehoor af een dubbelrijm gevormd; ten onrechte, zoals uit het binnenrijm in de volgende regel blijkt.
564 die, hs. diet; Mnl. kent hem verstaen (verstand hebben van) + gen. of voorz. bep., niet + acc. Mogelik is ook diet niet en verstaen.
566 Ey, hs. en; vgl. G 488 A.
567 Sy en verstaen die scriftuer niet, Joh. 7:49.
574 hopen = scharen; dus: al uw volgelingen. Zonder een verschrijving aan te nemen, zie ik hier geen oplossing.
575 Matth. 13:13/4.
586 ‘Hier’ = in de schepenrechtbank; in Den Haag zetelde het Hof van Holland, waarbij men van een schepenvonnis in beroep kon gaan. Vgl. Loterijspel 383/6: Die rieden: ‘Appelleert’ .... Mit dien raet liep ic schetter, voor dou voor daech, Niet meer dan zes malen ter weecken naer Den Haech’.
589 onverschillig wie 't hindert etc.
|
|
595 Schijn valt hier lelik uit zijn rol. G werd dus w.s. door een van de Haarlemse kamers gespeeld.
605 wat vreemder blaemte, zie B 547, A.
602-8 Het kwam in de 16e eeuw voor, dat iemand zijn bezittingen verkocht onder voorwaarde, dat een hogere, bijv. dubbele prijs verschuldigd was, als de verkoper binnen een bepaalde tijd de reis naar Jerusalem maakte. Vgl. als voorb. van dergelike verkopingen, waaraan een weddenschap verbonden was, Bredero, Symen sonder Soeticheyt 519/23 en de aant. daarop van van Rijnbach. Tien à twaalf pond (604) moet dus een abnormale prijs zijn voor een koe.
610 Men kan lezen: gij zijt geheel betoverd, van de duivel bezeten; maar waarschijnliker lijkt me: ik heb u ontmaskerd.
614-18 Vermoedelik is hier met ridderschap bedoeld het lidmaatschap van de ‘Ridderlijke Broederschap van den Heiligen Lande’, die te Haarlem evenals in Amsterdam en Utrecht bestond. (Er waren meer van die geestelike gilden, bijv., die van het ‘Heilig Kruis en het Graf des Heeren’, maar die heetten niet ridderlik). Leden waren ‘Jerusalemvaarders’, die het heilige graf bezocht hadden, maar de tekst zal slaan op de mogelikheid voor anderen om zich aan te sluiten tegen een hogere entrée. Van Haarlem is dat niet bekend, maar in 1394 betaalden toetredende Jerusalemvaarders te Utrecht 2 ‘oude Vrancryese schilden’, anderen 5.
Bij verschillende gelegenheden werden de leden, doorgaans aanzienlike personen, ‘Ridders van den heiligen graeve’ en ‘Godsridders’ genoemd. Zie Dr. C.J. Gonnet, De Ridd. Broederschap v.d. Heil. Lande te Haarlem, Bijdr. v.d. Gesch. v.h. Bisdom Haarlem XI (1884), 187-233. 620 Dat zeg je verwaand. Vgl. J. de Brune's Nieuwe wijn in oude Le'er-zacken, blz. 360, over Hoovaerdije: ‘Hij gaet en strijckt met zulcken waen, Als of hy zou ten offer gaen’ (= gaan offeren). Hier dus niet het andere gebruik van offer in verband met lichte vrouwen: ‘Frowkens, de geernn hier ende daer den offer untfangen, Moeten haer mans de blaw huyck omhanghen’, aangeh. Van Vrouwen e.v.M. 115, al heeft dat de schrijver misschien er toe gebracht hier van hoeren te spreken.
621 ingenomen met je zelf, evenals .... hs. een ander, waarschijnliker een(s) anders; vgl.: Zijn eieren in een andermans nest leggen = overspel bedrijven, W IX, 1854.
622 Het volck = het publiek, dat naar hen luistert.
623 Wij doogen niet te hoop: de twist tussen Schijn en Waerlick eindigt hier, zoals gewoonlik die der zinnekens: Ontr. R. 54 (ook na een bijbels dispuut): ‘Wij en dueghen certeyn bey niet veele, Dus bons pays, laet sulcx doch slaken’; F 10, 107: ‘Ey cousyn laet ons twist op een ent // coomen, wilt sulck parlament // scromen // of tsoude abuys // toonen [l. toogen], want men weet dat wy bey niet een cruis doogen; F 7, 161: ‘Holla cousijn, tis lang genoch gekeven / nu, laet ons malcander aencleeven / nu / tis over tijt / siet, wij sijn toch even heylich /’; Rott. Sp. 1561, 92 V (T.M.B.) ‘ick danck u daer af / en laet het daer bij blijven / wat willen wij veel op malcander kijven’.
|
|
625 Ick hou den coep, d.i. ik zal me er aan houden, n.l. aan 't zwijgen over de wederzijdse feilen, voorgesteld door Schijn. W.s. ontstond hieruit: ik aanvaard de koop, ik ga accoord. Hs. houdes.
627 Hij = Knagende Consciencie.
629 Wat hangt hier vuyt? Het opschrift: Dit is inder hellen. Maar misschien was ook op de poort een duivelgezicht geschilderd of een masker gehangen. Merk de ironie op: van een biersnuyt zouden Schijn en Waerlick heus niet geschrokken zijn.
633 dit is inder hellen tstaeter soo gescreven - de hel op het toneel droeg dus een opschrift; hoewel er toch ook wel andere aanduidingen geweest zullen zijn. Vgl. voor dergelike opschriften H.J.E. Endepols, Het Decoratief en de Opvoering v.h. Mnl. Drama, 59.
|