StellingenI
IX ‘Ghelooffdij, spreekt, oft het sal u verdrieten’, Schuyffman 403. Ten onrechte zoekt Dr. F.A. Stoett de verklaring van deze regel in een verschrijving. X De mening van Dr. G. Brom (N.T. XXVI, 124) dat obedieren: Heere in het laatste couplet van het Wilhelmus halfrijm bevat, is onjuist. XI Het is niet geoorloofd, met Jespersen, de lexicologie buiten het gebied van de grammatica te plaatsen (The Philosophy of Grammar, 32). XII Men zou beter doen niet van vaktaal, slechts van vaktermen te spreken. XIII Het ‘Spel van Sainct Jooris’ is geen wagenspel (Mnl. Dram. Poëzie 1907, CIV). XIV De Haarlemse rederijker Louris Jansz was een gegoed burger (bont-wercker), die omstreeks 1560-1580 een eigen huis bezat aan de Grote Markt, en als bestuurder van het Pietershuis in regelmatig kontakt stond met de regeringskringen der stad. Voor een juist begrip van zijn spelen is het van belang dit te weten. XV De mening van Dr. H.E. Enthoven (Van Tanger tot Agadir, blz. 218), dat Kiderlen-Wächter door zijn Agadiractie in zekere zin een einde aan de te Algeciras ondertekende isolatie van Duitsland zou hebben gemaakt, is onjuist. XVI Sidney Lee is inconsequent, wanneer hij in ‘A Life of William Shakespeare’ beredeneert, dat de graaf van Southampton de ‘patron’ van een aantal van Shakespeare's sonnetten geweest moet zijn, nadat hij eerst betoogd heeft, dat men ‘the dark lady’ van andere sonnetten als een conventionele, dichterlike figuur moet beschouwen (blz. 126/7, 130 vlgg.). |