Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1798


auteur: [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen


bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. A. van der Kroe en J. Yntema en zoon, Amsterdam 1798


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

A Grammar of the English Language, &c. - Engelsche Spraakkunst, waar by gevoegd is(*) een klein Woordenboek van zelfstandige Naamwoorden, byvoeglyke Naamwoorden en Werkwoorden: als mede een klein Woordenboek, waar in de Klank van de Letter I word aangetoond. 't Welk alles in 't Nederduitsch word verklaard, en samengesteld is op eene gantsch nieuwe wyze, en verrykt met oordeelkundige Aanmerkingen. Door G. Ensell. Te Rotterdam, gedrukt voor den Autheur, en te bekoomen by J. Hendriksen, op de Hoogstraat, 1797. In gr. 8vo. 605 bl., behalven de Voorreden.

Uit deezen tamelyk breedvoerigen Titel kan de Leezer zien, wat hy in dit Werk moge verwachten; onze taak is hem te onderrichten, of hy, onzes oordeels, zyne verwachting zal beantwoord vinden. Over het geheel genomen durven wy zeggen, ja. Evenwel hebben wy eenige aanmerkingen over

[p. 185]

sommige plaatzen gemaakt. Ten einde den Schryver recht te doen, den taalkundigen Leezer in staat te stellen tot het beoordeelen van onze gedachten, en den Leerling, die van dit Boek zoude willen gebruik maaken in het leeren der Engelsche Taale (waartoe wy het zeer wel durven aanbeveelen), eenigermaate voor te lichten, zullen wy aan ons verslag ook eenige uitvoerigheid moeten geeven. Lofspraaken en berispingen, zonder bygevoegde redenen, zyn zo veele Magtspreuken, welker gegrondheid anderen veeltyds niet dan met veel moeite kunnen onderzoeken, en welke, evenwel, niemand zonder onderzoek behoeft of behoort aan te neemen. Vooral mag men reden vorderen, wanneer iemand zyn gevoelen geeft over de Spraakkunst eener Taale, welke zyne Moedertaal niet is, en waarvan hy alleen door oefeninge en veel leezens eenige kundigheid heeft verkregen.

De Schryver, die ons voorkomt een Engelschman te zyn, maar die in het Nederduitsch zo ver gevorderd is als weinige vreemdelingen, heeft aan het hoofd zyns Werks eene Voorreden geplaatst in het Engelsch en Nederduitsch beide, op tegen elkander overstaande bladzyden gedrukt. Het Nederduitsch is eene vrye Vertaaling van het Engelsch: het wykt nogthans wel eens af van het oorspronglyke. Voorbeelden daarvan kan de Leezer vinden, wanneer hy het slot der zinsnede op bladz. VIII. vergelykt met bladz. IX. - Bladz. XIV met bladz. XV, beide aan het einde. Voor het Engelsche woord candor (bl. XVI, reg. 3) staat in het Nederduitsch (bl. XVII, reg. 4.) oprechtheid. Onpartydigheid, of billykheid, zoude des Schryvers eigenlyke meening ruim zo goed hebben uitgedrukt. Het denkbeeld, dat de Engelschen door dit woord aanduiden, wanneer zy spreeken van het leezen en beoordeelen van boeken of daaden, is eigenlyk het tegengestelde van strenge berispinge of gezochte vitterye.

De eigenlyke Spraakkunst voor eerstbeginnenden, welke op de Voorreden volgt, van bladz. 2 tot bladz. 226, is begrepen in Vraagen en Antwoorden; welke leerwys de Schryver in de Voorreden verklaart voor ‘de gemaklykste voor den Meester, en de bevatbaarste voor den Leerling(*).’ In dit gedeelte is ook het Engelsch op de ééne, het Nederduitsch op de tegenoverstaande bladzyde gedrukt; zo dat iemand, die van het eerste nog geheel geene kundigheld bezit, deeze eerste beginselen zelfs zonder hulpe van eenen Leermeester kan gebruiken, indien hy slechts hier en daar eenige opheldering van kundigen erlange.

[p. 186]

Van bladz. 2 tot 19 handelt de Schryver over de Letters van het Engelsche Alphabet, en derzelver uitspraak. Dit, voor vreemdelingen, allermoeilykst deel der Engelsche Taale, en hetgeen men zonder mondelinge onderrichtinge nooit volkomen goed zal leeren, wordt hier zo duidelyk voorgesteld, als het zonder die onderrichting schynt te kunnen geschieden. Ondertusschen begrypen wy niet wel, wat de Schryver bedoele, wanneer hy (bl. 4 en 5) zegt, ‘A klinkt kort, wanneer zy staat voor eenen enkelen Medeklinker, die eenen dubbelen klank heeft.’ Wil hy daarmede zeggen, dat de woorden Banish, Habit en andere, welke hy tot voorbeelden bybrengt, moeten uitgesproken worden omtrent als of 'er stond Bannish, Habbit, enz? - Ook is ons duister hetgeen wy (bladz. 16, 17) leezen; ‘V .. gaat voor alle Klinkers, maar volgd nooit op dezelve, ten zy na de Medeklinkers l of r en met eene stomme e het zy dezelve daar na of uitgesproken(*), of stilzwygende daar onder begreepen word, enz.’ Hoe kunnen veele woorden, b.v. beaver, bevel, bever, bevy, cover, covet, covy, met dien regel overeengebragt worden(†)?

Hierop volgt iets over de Lettergreepen. Hier zegt de Schryver, bl. 19 env. ‘Alle lettergreepen het zy in het begin of midden van een woord eindigen in eenen Klinker, ten ware daar een x op volgd, welke dan by de voorgaande greep gevoegd moer worden, en wanneer twee of meer Medeklinkers op den Klinker volgen, moeten zy meestal van een gescheiden worden.’ Het laatste is waar: maar op het eerste moet men uitzondering maaken voor zamengestelde woorden, by voorbeeld ab-ominate, ab-olish, in-active, of waarin het laatste gedeelte enkel een uitgang is, die by een ander oorspronglyk woord gevoegd wordt, b.v. mean-est.

Bladz. 31 wordt wicked overgezet door godloos; ondeugend zoude beter zyn geweest: godloos is eerder impious.

Hetgeen de Schryver (bl. 34 en 35) zegt van den vergelykenden trap (comparative degree) der byvoegelyke Naamwoorden is niet recht naauwkeurig. De Comparativus en Superla tivus (men verschoone kortheidshalve deeze Latynsche benaamingen) zyn beide trappen van vergelykinge, welke aandui-

[p. 187]

den, dat het onderwerp, waarvan gesproken wordt, in zekere hoedanigheid andere overtreft: met dit onderscheid, dat in den Çomparativus de vergelyking gemaakt wordt tusschen het bedoelde onderwerp, en een of eenige andere; maar in den Superlativus tusschen dat onderwerp en alle andere van eene bepaalde soort. By voorbeeld yzer is harder dan koper, en yzer is het hardste van alle metaalen. Hieruit volgt, dat somtyds het denkbeeld van den Superlativus wordt uitgedrukt in den vorm van den Comparativus, als yzer is harder dan eenig ander metaal.

Hetgeen bl. 46 env. voorkomt aangaande woorden, welke in het Meervoudige denzelfden uitgang hebben als in het Enkelvoudige, had wel wat meer mogen uit elkanderen gezet, en met naauwkeuriger onderscheidinge behandeld worden. Dóch indien wy dit hier wilden doen, zoude ons bericht meer ruimte wechneemen, dan wy 'er toe kunnen besteeden.

Daar de Schryver, bl. 66 env. van de Wyzen (Modes) der Werkwoorden handelt, vertaalt hy Infinitive door Oneindig. Hier zoude, buiten tegenspraak, Onbepaald zeer veel beter geweest zyn, gelyk het ons elders in dit Werk is voorgekomen.

Onder de Tyden rekent de Schryver, bl. 70 env. twee toekomende Tyden, naarmaate een der hulpwoorden will of shall by eenig werkwoord gevoegd wordt; doch zonder het onderscheid der betekenisse te melden. Doch op bladz. 278 env. worden verscheiden aanmerkingen gegeven tot gebruik van hun, welken reeds eenige vordering in de taal gemaakt hebben, en onder deeze vinden wy (bl. 308) dit onderscheid aangewezen.

Wanneer men op bl. 74 vergelykt regel 2 met reg. 14, zoude men besluiten, dat weary een lydelyk Deelwoord ware: het is evenwel een byvoegelyk Naamwoord, en als zodanig aangetekend op bl. 459.

Breedvoerig is de Schryver over de Bywoorden (Adverbs) welker recht gebruik zekerlyk een stuk van aanbelang is, maar zyne lyst der verschillende soorten van Bywoorden, als van tyd, plaats, enz. komt ons voor als veel te uitgebreid, vooral voor eerstbeginnenden. Niet minder dan 17 soorten worden opgeteld, bl. 108. Hodgson in zyn Practical English Grammar heeft niet meer dan 10; en priestley in zyne Rudiments of English Grammar vergenoegt zich met 3 soorten, als de voornaamste, op te noemen, te weeten van Plaats, Tyd en Hoedanigheid. Zeer verwonderde het ons ook, op bl. 126, gehèle verzamelingen van woorden (b.v. what do you mean, en what are you doing) onder de enkele bywoorden geteld te vinden.

Eenige andere aanmerkingen gaan wy voorby om dit uittreksel en bericht niet te zeer te vergrooten. Op de byzondere Deelen der Spraake volgen; 1o. Eene lyst van regelmatig gebogen Werkwoorden in het Engelsch en Nederduitsch, bl.

[p. 188]

182 env. - 2o. Eene diergelyke van onregelmatig gebogene, bl. 197 env. - 3o. Eene van Woordverkortingen in het schryven, die nogthans merkelyk vollediger had kunnen zyn, bl. 207 env. - 4o. Eene lyst van woorden, die, alhoewel in spellinge en betekenisse verschillende, nogthans dezelfde uitspraak hebben, bl. 213 env. Deeze heeft, met zeer weinige uitzonderingen, eene zo groote overeenkomst, met eene diergelyke lyst in holtrop's English and Dutch Grammar, bl. 102 env., dat men ze bezwaarlyk als louter toevallig kan aanmerken. - 5o. Eene lyst van gemeenzaame Spreekwyzen en Samenspraaken, bl. 227 env.(*). - 6o. Eenige Fabels, bl. 264 env. - 7o. Eenige aanmerkingen over het gebruik der Capitaale of Hoofdletteren, bl. 274 env. Een der hier opgegeven regels is, dat alle zelfstandige Naamwoorden eene hoofdletter vereischen. Wy weeten wel, dat men dit gebruik vindt in veele Engelsche Boeken; maar anderen volgen dien regel niet, en Mr. ensell zelve houdt 'er zich niet bestendig aan. - 8o. Eenige Aanmerkingen voor de zodanigen, welken reeds eenige vorderingen in de taal gemaakt hebben, bl. 278 env. Deeze zyn alleen in het Engelsch, en voldoen doorgaans zeer wel aan het oogmerk. Onzes inziens, bevatten zy het gewichtigste gedeelte van het boek(†). - 9o. Een klein Woordenboek van de gebruikelykst (liever meest gebruikelyke) zelfstandige Naamwoorden, bl. 341. - 10o. Een diergelyk van byvoegelyke Naamwoorden, bl. 446. - 11o. Een van Werkwoorden, bl. 481 env. Deeze lysten kunnen den Leerling van weinig dienst zyn; zy beslaan nog geene 200 bladzyden, en zyn dus zeer onvoltallig. Of hy ook uit eene andere lyst, welke in de 12de plaats volgt, op bl. 527, de waare uitspraak der letter I zal leeren, twyffelen wy.

Wy besluiten dit breedvoerig uittreksel met te verklaaren, dat, onzes inziens, iemand, die eenigzins aan het leeren van taalen gewoon is, of, ten minsten, eenigzins geoefend in de algemeene regelen der Spraakkunst, van deeze een zeer nuttig gebruik kan maaken. Door behulp van dezelve en van een goed Woordenboek, zal hy, misschien, zonder Meester kunnen leeren de Engelsche Schryvers te leezen. Maar wil hy de taal leeren spreeken, dan heeft hy onderwys en verkeering noodig.