Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1810


auteur: [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen


bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1810


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Verschijning in het leven.

 
Welkom, pand van liefde en trouw!
 
Gij verschijnt, en stilt den rouw;
 
Ja, uw komst beperkt de smarte:
 
't Wee verdwijnt, te lang getorscht.
 
Welkom, jongske, aan 't vaderharte!
 
Welkom, wichtje, aan moeders borst!
[p. 694]
 
Moesten we uwer ons erbarmen
 
In den jammerlijken nood,
 
Lagch nu vrij op vaders armen,
 
Dartel nu op moeders schoot!
 
 
 
Maar gij slaakt geen enkel toontje
 
Dat met onze blijdschap stemt,
 
En de trekjes van uw koontje
 
Schijnen door 't verdriet gestremd.
 
Juichend danken wij den zegen,
 
En gij komt ons jamrend tegen;
 
Lieve jongen, schrei zoo niet!
 
Kermend treedt gij in het leven;
 
Stoor, door spoorloos wederstreven,
 
De ouderlijke vreugde niet!
 
 
 
Maar, ik gis, ik gis uw smarte:
 
't Scheiden van het moederharte
 
Heeft uw teeder hartje ontrust;
 
Maar uw leed zij straks gesust:
 
Prang u vrij aan 't moederharte;
 
Gij behoudt het, wees gerust!
 
Ieder opslag, ieder blikje,
 
Ieder trekje, dierbaar kind,
 
Is een nieuw, onbreekbaar strikje,
 
Dat u aan dit hart verbindt.
 
Gij behoudt het; niets hecht nader
 
Aan dat liefdrijk hart, dan gij;
 
En de zorgen van een' vader,
 
Lieve jongen, wint ge er bij.
 
Uit de moederlijke spenen
 
Vloeit haar hartebloed u toe;
 
Jongske, dat uw ijdel weenen
 
Toch geen' druppel storten doe!
 
Ieder teugje, aan u gegeven,
 
Kort zij aan haar eigen leven;
[p. 695]
 
Ieder drup van 't dierbaar vocht
 
Kost haar ligt een' ademtogt.
 
Zoo veel liefde stille uw schreijen.
 
Maar uw krijten houdt geen maat,
 
En het kussen, streelen, vleijen
 
Geeft uw jammer weinig baat.
 
Kon ik 't weten of beseffen,
 
Wat u toch zoo diep kon treffen,
 
Welk een smart gij toch gevoelt!
 
Kan uw oog, met klaarder trekken,
 
Ligt den stroom van wee ontdekken,
 
Die de wereld overspoelt?
 
 
 
Ja, wat hoef ik meer te vragen!
 
Dit, dit wekt uw smart gewis:
 
't Eerste licht, dat gij ziet dagen,
 
Toont de wereld zoo als ze is.
 
Ja, dat eerste licht is zuiver;
 
't Blindt niet door een valsche pracht.
 
Ach, dat vrij uw hartje huiver'
 
Van de ellende, die u wacht!
 
 
 
Ja, met siddring moogt ge ontwaren,
 
Wat de wereld u voorspelt:
 
Met het groeijen uwer jaren
 
Groeit de smart, die u beknelt.
 
Maar de schijn zal u intussen
 
Zoetjes wiegen, zachtjes sussen,
 
Tot uw helder oog beschiet,
 
En gij, sluimrend, ingenomen
 
Door bedriegelijke droomen,
 
Al het jammer niet meer ziet.
 
Geestig zullen hare vingren
 
Roosjes om de banden slingren,
 
Die 't balsturig lot u smeedt;
 
Roosjes, wier geliefde geuren,
 
Wier betooverende kleuren
[p. 696]
 
U bedwelmen, eer gij 't weet.
 
Alles, wat u angst kan wekken,
 
Zal haar hand bevallig dekken;
 
Zelfs den afgrond, die u wacht.
 
Alles zal zij lieflijk plooijen
 
En met bloempjes overstrooijen,
 
Zoo, dat zelfs de ellende lagcht.
 
 
 
Maar, wat ooit uw oog moog' boeijen,
 
Wat u stroomswijs toe moog' vloeijen,
 
Ach wat haalt er bij den vloed,
 
Die u thans zoo kwistig voedt!
 
Bij die liefde, wier vermogen,
 
Met een heldre zuiverheid,
 
Schittrend straalt uit moeders oogen,
 
En uw aanschijn overspreidt!
 
Bij de kusjes, die u wekken,
 
En uw koontjes overdekken!
 
Bij de vreugd van 't vaderhart!
 
Bij den stroom van reine weelde,
 
Die u laafnis toebedeelde
 
In 't gevoel der eerste smart!
 
Ja, dat vrij uw hartje huiver'!
 
Niets zoo vlekloos, niets zoo zuiver
 
Biedt de wereld ooit u aan.
 
Maar, laat ze u zoo zeer niet pijnen;
 
Daar wij, wat we ook onderstaan,
 
Schoon we er schreijend in verschijnen,
 
Haar met droefheid weêr ontgaan.
 
 
 
M.W.