Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1831


auteur: [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen


bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1831


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Het Vaderland, en onze verpligting in den tegenwoordigen nood. Leerrede over Hand. XXVII:44b. Door N. Swart. Te Amsterdam, voor rekening van Brest van Kempen. 1830. In gr. 8vo. 22 Bl. f : - 40.

[p. 8]

Moed en kracht, werkdadig betoond, bij vertrouwen op God, het éénig, maar zeker middel tot redding des Vaderlands. Of Leerrede over 1 Sam. XIV:6. Door A.J. Berkhout, Predikant te Zaandijk. (Uitgegeven ten voordeele des Vaderlands.) Te Amsterdam, bij J. van der Hey en Zoon. 1830. In gr. 8vo. 22 Bl. f: - 30.
Opwekking tot vertrouwen op God, onder de omstandigheden, in welke het Vaderland verkeert. Of Leerrede over 2 Chron. XIII:18b.. Door C.D. Canne, Predikant te Castricum en Heemskerk. (Uitgegeven ten voordeele des Vaderlands.) Te Amsterdam, bij W. Brave, Jun. 1830. In gr. 8vo. 31 Bl. f: - 40.

Ja, zoo is het, gelijk de Eerw. swart te regt aanmerkt - elk Christenleeraar gevoelt zich gedrongen, om dezer dagen naar de behoefte des tijds tot zijne hoorders te spreken; nogtans verheugen wij ons, dat hij aan het vereerend aanzoek des uitgevers wel gehoor heeft willen geven. Moge de Prediker zelf een gering gevoelen van dit zijn werk hebben, het verdient althans in de tegenwoordige omstandigheden door velen gelezen te worden. Ieder, die belang stelt in het Vaderland, vindt hier belangrijke wenken. Van den tekst heeft swart een allezins gepast gebruik gemaakt, om onzen toestand voor te stellen onder het beeld van een schip, dat op zee door storm beloopen wordt en in gevaar van vergaan verkeert, zoodat de schepelingen ten laatste naauwelijks behouden aan land komen. Veel hangt daarbij van het Hoofd, veel ook van de overige manschap af. Het onderwerp, uit dit oogpunt beschouwd, is bijzonder rijk in leering. Naar ons oordeel slaagde de Remonstrantsche Leeraar bijzonder gelukkig in het voorstellen der pligten, die wij thans tot redding van het dierbaarste te vervullen hebben. Plaatsgebrek verbiedt ons, breedvoeriger te zijn in de aankondiging. Dit weinige zij alzoo genoeg ter aanprijzing.

[p. 9]

Dat ieder doe, wat hij kan; zoo is er hoop, dat wij behouden aan land komen.

Ook de Leerrede van Ds. berkhout ademt denzelfden milden geest van warme vaderlandsliefde, gepaard met godsdienstig vertrouwen. Wij lazen dezelve met veel genoegen. Meermalen hoorden wij zeggen, dat de opstandelingen ons in aantal overtreffen, en wij, zonder vreemde hulp, ons tegen hen niet zouden kunnen verdedigen; met die kleingeloovigen konden wij ons nooit vereenigen, doch onderschrijven gaarne, wat berkhout predikte: ‘Maar er is een moed, die boven alles gaat, en die ons in den hoogsten nood tienduizenden niet vreezen doet; en dat is de moed en geestkracht, die de Godsdienst schenkt. Waar geene Godsdienst in het hart woont, daar is men bij het minste onheil klein en zwak, bevreesd en lafhartig; of waar men al moed heeft, daar is het wilde moed en onbesuisde woede, die in dolle drift los en onberaden handelt, en noodeloos het leven waagt; maar de Godsdienst vormt helden, helden inderdaad, die met kloek beleid en vasten moed alles trotseren. Waar het oog op God geslagen is, daar doet men stappen, die de wereld dwaasheid noemt; maar zij weet niet, hoe zedelijke kracht vooral den menschelijken arm wapent.’ - Doch wij mogen niet meer afschrijven.

Met geen ander oogmerk heeft de Eerw. canne deze Opwekking uitgesproken en uitgegeven. Zijne behandeling is meer geschiedkundig. Na den tekst kortelijk toegelicht te heben, handelt hij I. over de gronden, welke wij Nederlanders hebben, om op God ons vertrouwen te stellen, spreekt II. over de eigenschappen van dit vertrouwen, en wijst III. op de weldadige vruchten van hetzelve. Onder I. wordt de Spaansche dwingelandij hier te lande vermeld, doch min naauwkeurig gezegd, dat onze voorvaderen tachtig jaren onder het ijzeren juk van Spanjes overheersching waren. Voorts zouden wij liever hebben, dat namen, als de potter en tielemans, de celles en de stassart, niet op den predikstoel genoemd werden. Ook is het alleen van beide eerstgenoemden waar, dat zij wettig uit hun land

[p. 10]

gebannene oproerpredikers en zamenzweerders zijn. En of zij vroeger reeds den dood verdiend hadden - hierover past het den Christenleeraar niet, op den kansel zoo beslissende uitspraak te doen. - Voor het overige bevat de Leerrede veel goeds, en zal, des twijfelen wij niet, met belangstelling gehoord zijn. Moge de lezing nu verder ook, onder Gods zegen, strekken, om vertrouwen te bevorderen, dat met inspanning van alle krachten gepaard gaat! Dan toch hebben wij grond, om te hopen, dat de kinderen van Nederland, gelijk canne het uitdrukt, magtig zullen worden, omdat zij alzoo op den Heer, hunner Vaderen God, gesteund hebben.