Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1837


auteur: [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen


bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1837


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Archives, ou Correspondance inédite de la Maison d'Orange-Nassau, Recueil publié avec l'Autorisation de S.M. le Roi par M.G. Groen van Prinsterer, Chevalier de l'Ordre du Lion Belgique, Conseiller d'Etat. Ie. Série, Tom. III et IV. 1567-1574. Leide, chez. S. et J. Luchtmans. 1836, 37. CIII, 518, et CVII, 400 et 132 pag. f 16-:

De Geschiedenis is, na in de achttiende en gedeeltelijk ook in de negentiende Eeuw met groote vlijt en uitstekende vrucht beoefend te zijn, ter prooije gevallen aan eene dubbele miskenning en mishandeling. Sommigen, ziende dat vele onderwerpen, vooral uit de oude Geschiedenis, schier uitgeput waren, zoodat er niet veel stellig nieuws over te zeggen viel, meenden niet beter te kunnen doen, dan het oude gebouw af te breken, om een ander naar hunnen smaak daarvoor in de plaats te zetten. Zoo is de echtheid der boeken van mozes, van jesaia, de oude Hebreeuwsche, Grieksche en Romeinsche Geschiedenis aangetast. Gottfried muller heeft het bestaan van lykurgus, niebuhr dat van romulus en numa ontkend; deze laatste heeft ook de Geschiedenis der Tarquiniërs voor een heldendicht verklaard; wolf heeft de Ilias en Odyssée aan homerus ontzegd (wiens bestaan ook al door velen wordt in twijfel getrokken); ook aan willem tell ontzegt men het aanwezen. Deze zucht tot loochening der blijkbaarste historische daadzaken heeft in onze dagen in strauss, door het zoogenoemde Leven van jezus, het toppunt eener aan razernij grenzende hoogte bereikt. Eene andere klasse van Schrijvers, die zoo verre niet in de Geschiedenis opklimt, vindt ze-

[p. 604]

kerlijk in de Middeleeuwen en de nieuwere Geschiedenis zoo vele gelegenheid niet, om alles tot Mythen te maken; ook bepalen zij zich, ten einde iets nieuws te kunnen zeggen, om de karakters der gebeurde zaken of der personen in een geheel ander licht te vertoonen, dan waaronder zij in de Geschiedenis tot hiertoe bekend zijn. Dus worden richard III en christiaan II van Deenemarken, tot hiertoe tirannen geacht, goede Vorsten; gregorius VII en innocentius III, in weerwil hunner Godslasterlijke aanmatigingen, van den hoogmoed des eersten, de bloedige vervolgingen van den tweeden, tot genoegzaam vlekkelooze Heiligen, tot helden der menschheid, verheven; capefigue en lingard hebben den Parijschen moord verdedigd, althans bijzonder vergoelijkt; ja robespierre zelfs heeft in den jongsten tijd warme lofredenaars gevonden! Het zou jammer zijn, dat filips II, alva en de Bloedraad niet ook in sommige Schrijvers onzer dagen warme voorstanders ontmoetten! En inderdaad is dit het geval geweest met twee bekende Schrijvers, waarvan een nog wel tot Nederland behoort. Het zijn bilderdijk, wiens zoogenoemde Geschiedenis des Vaderlands voor een goed gedeelte eene Apologie der Spaansche tirannij en eene schimprede tegen onze Vaderen is, die dat juk hebben afgeworpen, en de Hoogleeraar leo, te Halle, een man, die zijns gelijken niet heeft in het uitventen van paradoxen. Eerst heeft hij op eene schandelijke wijze de Profeten onder het Oude Verbond als woelgeesten en volksopruijers willen ten toon stellen; daarna, tot een ander uiterste overgeslagen, hoezeer een Protestant, zich tot Advocaat der Hierarchie, van den moord der Albigensen, van dien van huss, en nu ook van dien der Nederlandsche Hervormden door alva en den Raad der Beroerten opgeworpen, en, erger nog dan bilderdijk, den grooten stichter van onzen Staat en onzer vrijheid in het licht van een' booswicht willen doen voorkomen. Tegen zulke schrijvers der Geschiedenis van voren, als ontwikkeling van eenmaal opgevatte be-

[p. 605]

ginselen, is geen beter middel, dan echte bescheiden, die tevens, als geheel niet voor den druk bestemd, als brieven aan vertrouwde vrienden geschreven, tot echte bouwstoffen bij de kenschetsing van een karakter dienen kunnen. Daarom zijn wij eensdeels Z.M. den Koning voor de vrijheid tot uitgave, anderdeels den verdienstelijken groen van prinsterer voor de uitgave zelve dezer Archiven, vooral in den tegenwoordigen tijd, hoogen dank schuldig. Van de beide vorige Deelen is vroeger gesproken. In de Voorrede tot het IIIde Deel dezer Iste Série wederlegt hij leo met eene bedaardheid, eene bescheidenheid, maar tevens met eene kracht, die waarlijk dit stuk als Modèl van een tegenschrift kenmerken, en de tegenpartij niet verbitteren, wel verbeteren kunnen. Doch, beschouwen wij deze twee Deelen zelve.

Het tijdvak, daarin behandeld, is een der belangrijkste in de Nederlandsche Geschiedenis, de jaren 1567 tot Mei 1574, en dus het einde der Landvoogdij van margaretha van parma, het geheele tijdvak van alva en het begin der Regering van requesens, het begin van den tachtigjarigen Oorlog, de daden der Watergeuzen en de strijd te lande tot den dood van lodewijk van Nassau op de Mookerheide. Hoe rijk eene stof! Daarin komen de zoo vaak verhaalde en bezongene vervolging van alva, de inneming van den Briel, de slag op de Zuiderzee, de heldhaftige tegenstand, gedurende zeven maanden, van het zwakke Haarlem en de meer gelukkige van Alkmaar voor, grootendeels door den Prins zelven briefsgewijs aan zijne Broeders verhaald. Maar nog veel meer vinden wij hier. De staatkunde van schier geheel Europa is met den worstelstrijd onzer edele Vaderen voor godsdienstige en burgerlijke vrijheid verbonden, hetzij om dien te bevorderen of te weren. De overvloed van zaken is zoo groot, dat wij, om een eenigzins uitvoerig verslag ook van het allermerkwaardigste te geven, dat men hier vindt, ons bestek verre zouden te buiten gaan. Wij zullen ons dus slechts bepalen tot eenige karakters, die hoofdrollen op dit groote tooneel gespeeld hebben, na vooraf iets over de moeite te hebben gezegd, die zich de Uitgever tot het opdoen van nieuwe bouwstoffen heeft getroost, en over zijne manier van bewerking.

Niet tevreden met den rijken schat, dien de geleerde en oordeelkundige Uitgever in de Archiven zelve vond, heeft hij zich naar die plaatsen begeven, waar, tot ontwikkeling

[p. 606]

van eenige der groote gebeurtenissen en karakters, gewigtige bijdragen te vinden waren: naar Parijs, naar Besançon (voor de Bibliotheek van granvelle) en naar Kassel, om de naauwe betrekkingen tusschen de Vorsten der Hessische en Nassausche Huizen. Overal werd hij met welwillendheid ontvangen, en ruim in de gelegenheid gesteld, om zijn doel te bereiken. Vandaar, dat het vierde Deel zoo overrijk is in stukken, behoorende tot nog bijkans geheel onbekende handelingen met Frankrijk, waarin de Nassausche Vorsten, vooral lodewijk, waren betrokken, en die, geslaagd zijnde, de geheele gedaante van Europa hadden kunnen veranderen. Van den geheelen schat, in beide Deelen te vinden, wordt vóór elk derzelven, in meesterlijken stijl, een overzigt gegeven, hetwelk het verstand en het hart van den Schrijver eer aandoet, en waarin hij, met warmte, doch met bescheidenheid, de zaak onzer Vaderen, de heilige zaak van echte vrijheid, zoo wel in het burgerlijke als vooral in het godsdienstige, verdedigt. Van elk der hoofdpersonen wordt, uit die brieven, eene korte karakterschets gegeven. Dit heeft vooral omtrent willem I en zijne Broeders, zoo wel in het derde als vierde Deel, plaats. In het laatste vinden wij ook een' oogopslag op de onderscheidene landen, waarheen ons de briefwisseling overbrengt, van de Hoven van Frankrijk, Duitschland (Saksen, Hessen, Paltz, Keulen, Oostenrijk) en Spanje, wier staatkunde met korte, maar fiksche trekken geschetst wordt. - Doch, behalve deze Inleidingen, heeft de Uitgever omtrent deze verzameling nog de grootste verdiensten. Hij heeft genoegzaam bij elken brief, bij ieder stuk, dat hij mededeelt, eene kortere of langere opgave van den inhoud gegeven, die ons dadelijk op het standpunt brengt om het te verstaan, benevens vermelding der bijkans onleesbaar verminkte woorden, vooral van plaatsen; geleerde aanteekeningen en aanhalingen uit gelijktijdige Geschiedschrijvers, zoo als uit bor, meteren en de brieven van languet. Somtijds vlecht hij zelfs, tot beter verstand van het mede te deelene, vooraf eene soort van kleine verhandelingen in den tekst, die zoo wel van stijl als inhoud meesterlijk zijn (zie b.v. IIIde D. bl. 48-50, 400-405, 496-500. IVde D. bl. 102-105, 108-113), vooral echter over het vertrek en karakter van alva, IVde D. bl. 257-260, en de onderhandelingen des Prinsen en van zijnen Broeder met karel IX (bl. 263-277.) Vele der nieuwe op reis ge-

[p. 607]

vondene stukken zijn door den Uitgever (daar het werk reeds tot bl. 257 was afgedrukt) in een Aanhangsel geplaatst, doch meest zonder Inleiding. Inderdaad ziet men, bij al het belang dier stukken voor de Geschiedenis, hier toch slechts eene treurige dooreenwoeling van staatkundige kuiperijen en de schandelijkste dubbelhartigheid van het Fransche Hof, die, helaas! geen Commentarius noodig heeft.

Beschouwen wij thans, zoo als wij boven zeiden, eenige der hoofdpersonen. Vooreerst vestigen zich onze blikken op willem I. Wij betuigen met innige vreugde, dat wij, na het lezen dezer beide Deelen, volkomen bevestigd zijn in de overtuiging, dat de stichter der Nederlandsche vrijheid en onafhankelijkheid niet dan uit de zuiverste beginselen is te werk gegaan, en dat hij, om zoo te spreken, tot vijandelijkheden is gedwongen geworden; terwijl een voorzigtig Vorst, zoo als hij, anders wel nimmer het schijnbaar dolzinnig ontwerp zou opgevat hebben, om, zonder land en geld, den magtigsten Monarch der Aarde te gaan bestrijden. Na langen tijd tusschen de beide uiterste partijen te zijn doorgezeild, en wel hoogelijk de Godsdienstvervolging, maar toch ook de buitensporigheden der beeldenstormers en anderen te hebben afgekeurd, wordt den Prinse een eed afgevergd, om den Koning zonder eenige terughouding of bepaling te dienen. Egmond heeft de onvoorzigtigheid dien te doen (hetwelk toch zijn leven niet redde); maar in dezen tijd zal wel niemand zijn, die den minsten burger het weigeren van zulk eenen eed ten kwade zou duiden. Willem weigert dien ook, en dit wordt de oorzaak zijner ongenade, niettegenstaande hij door het weêrhouden der Hervormden binnen Antwerpen, om den Heer van prolouse buiten de stad ter hulp te snellen, diens onderneming tegen de Regering volkomen had doen mislukken. Zoo zien wij dan 's Mans gehoorzaamheid aan den Koning slechts gewijzigd door het natuurlijk regt, hetwelk alle onbepaalde, onvoorwaardelijke onderwerping aan eenigen sterveling, zelfs al mogt hij Goddelijke en menschelijke wetten eerbiedigen, stellig verbiedt. Den storm vooruitziende, had de Prins op de Duitsche Vorsten, vooral bij zijnen Behuwdoom, Keurvorst augustus van Saksen, zijnen vriend willem, Landgraaf van Hessen, en zijnen Broeder jan van Nassau, trachten te werken, ten einde hunnen raad en krachtdadige voorspraak voor

[p. 608]

de ongelukkige Protestanten te erlangen. Er komt dan ook een Gezantschap dier Vorsten naar de Nederlanden; maar het wordt met eene stellige weigering door de Landvoogdes afgewezen. Oranje, geen nut meer ziende te stichten, en het uit Spanje opkomende onweder willende ontwijken, legt alle zijne waardigheden neder, en vertrekt naar Duitschland. Men heeft te onregte gedacht, dat hij egmond ook tot het vertrek uit de Nederlanden had willen bewegen: hij schreef hem slechts, dat zijn geweten hem den bovengemelden eed verbood. ‘Ik zou moeten veinzen, (schrijft hij aan egmond) en meer nog dan anderen, indien ik of den Koning of der Landvoogdesse wilde behagen. Ik wil dus liever alles dragen, wat een vrij en open handelend persoon kan overkomen, dan anderen behagen ten koste der vrijheid, des Vaderlands en van eigen behoud.’ (p. 70.) In Duitschland gekomen, oefende hij zich in godsdienstige kennis, en werd meer en meer bevestigd in het Protestantsche gevoelen; doch hij was te verlicht, om eenige waarde te hechten aan de verschillen tusschen Lutherschen en Hervormden, zoodat hij zich ook naderhand in Nederland bij laatstgemelde Kerkgenootschap voegde. Eene schuilplaats, die de Koning van Deenemarken hem aanbood, meende hij te moeten weigeren, doch deed noch bij woorden noch met de daad iets tegen den Koning van Spanje, tot dat alva, onder meer ongehoorde geweldenarijen, ook zijne goederen liet in beslag nemen, en zelfs zijnen Zoon van de Hoogeschole te Leuven gevankelijk naar Spanje voeren. Ondertusschen had hij het gevoelen zijner vrienden ingenomen, waarvan sommigen hem raadden, zijnen Zoon (toen nog) te Leuven te laten, alva te vragen, wat hij van hem te wachten had, intusschen stil te zitten, en slechts de voorbede en tusschenkomst des Keizers in Spanje af te wachten. De Prins wees beleefd het laatste van de hand, doch gaf ongelukkiglijk gehoor aan het eerste. Tot stilzitten kon willem, door de verdrukte Nederlanders ingeroepen, wie men nu eerst aangevallen had, niet besluiten. Het is onbegrijpelijk, hoe hij nog zulk een leger als dat van Graaf bodewijk en naderhand het zijne kon bijeenbrengen, bij zulk een volslagen gebrek aan middelen. Het was zoo verre gekomen, dat alles in Nederland van hem was aangeslagen; dat augustus van Saksen en willem van Hessen den Prins en de Prinses met 20 personen levensonder-

[p. 609]

houd moesten verschaffen; (dit was tijdens den doop van maurits in het begin van 1569.) De Prins zou te Erfurt gaan wonen. Ook keurde niet alleen Keizer maximiliaan, maar ook de Keurvorst van Saksen, en zelfs des Prinsen bijzondere vriend, de Landgraaf van Hessen, deszelfs onderneming ten sterkste af, zoodat met den laatsten daardoor verkoeling ontstond. De twee, met zoo veel moeite ondernoemene togten in Groningerland en aan de Maas (waartoe de Prins zelfs zijn huisraad verkocht had) mislukken. In de doodelijkste verlegenheid, zijne troepen niet kunnende voldoen, trekt hij naar Frankrijk, en wordt aldaar niet alleen in den steek gelaten, maar met den dood bedreigd. (III, p. 317.) Bij de Hugenoten gekomen, trok hij, als boer verkleed, midden door den vijand heen, naar Duitschland. Zonder vrienden, dan zijne getrouwe, maar weinig vermogende Broeders, voor een' fortuinzoeker en ongelukkigen waaghals uitgekreten, en bijna een zwerver van plaats tot plaats, moet hij nog het bitterste huiselijke verdriet ondervinden: eene Gade van een ondragelijk karakter, die haren Man niet zien wil dan in Saksen (zijne Broeders geheel niet), hem in zijnen druk zonder troost laat, en die hem eindelijk zelfs ongetrouw wordt, zulks eerst hardnekkig ontkent, doch eindelijk schuld moet belijden. Maar, toen nu de nood op het hoogst is, de Watergeuzen, eerst zeeroovers, daarna tot betere orde gebragt, overal worden afgewezen, toen schijnt eene oogenblikkelijke verandering, waartoe de inneming van den Brielle het sein geeft, den Prins met volle zeilen naar het toppunt zijner wenschen te voeren; maar, terwijl reeds bijna de helft der Nederlanden zijne zaak heeft omhelsd, valt de St. Bartels-nacht te Parijs als een donderslag uit eene heldere lucht in alle deze heerlijke uitzigten, om ze eensklaps te vernietigen. Maar toch verliest de Prins den moed niet, schoon zijn volk weder muitziek werd. Hij begeeft zich naar Holland en Zeeland, en daar vindt hij bij zijne Getrouwen waarachtige, onbaatzuchtige hulp. De Waterleeuwen in Zeeland roepen, dat zij, liever dan de goede zaak te verlaten, zonder een' penning te verdienen, hunnen laatsten bloeddroppel voor hem zouden storten. (IV. 307.) Te midden van zoo veel wederwaardigheid en lotwissel blijft de Prins onwrikbaar als eene rots, door godsdienstige gronden. ‘Ziet,’ zegt hij bij gelegenheid van den Parijschen moord, ‘hoe de boosheid der menschen Gods groote genade tracht

[p. 610]

te doen verkeeren! Het heeft God dus behaagd, om ons alle hoop, die wij op menschen gevestigd hebben, te ontnemen.’ En elders: ‘God doe alles tot eere van zijnen grooten naam uitloopen!’ (III, p. 503, 504, 512.) Na de overgave van Haarlem, die alle verdere pogingen scheen te zullen vruchteloos maken, schrijft hij aan zijnen Broeder lodewijk: ‘Ik wenschte u betere tijdingen te doen geworden; maar, daar het den goeden God anders behaagd heeft, moeten wij ons daarnaar schikken. Ik neem God tot getuige, dat ik naar mijne middelen al het mogelijke gedaan heb om de stad te helpen.’ Daarentegen is hij dadelijk bij den minsten voorspoed dankbaar aan God, zoo als bij de inneming van Rammekens in Zeeland (IV. p. 181.) Terwijl de Spanjaarden in het hart van Zuidholland liggen, den Haag in bezit hebben, alles brandschatten, aldegonde gevangen nemen, en den Prins zelven in Delft dreigen te belegeren, schrijft hij: ‘Wij moeten ons schikken naar Gods wil en zijne Goddelijke Voorzienigheid, en vertrouwen, dat Hij, die het bloed zijns eenigen Zoons heeft vergoten om zijne Kerk staande te houden, niets doen zal, dan hetgeen zal uitvallen tot zijne eer en het behoud zijner Kerke, hoezeer het der wereld eene onmogelijkheid schijnt. En al kwamen wij allen te sterven, en het geheele arme volk werd vermoord en verjaagd, zouden wij toch nog de verzekering hebben, dat God de zijnen nimmer verlaten zal. Die Heere God, wiens arm niet verkort is, zal jegens ons zijne magt en mededoogen tevens bewijzen.’ (IV. p. 387.) Met deze godsvrucht ging echter noch dweeperij noch vervolgzucht gepaard. Zijn oorspronkelijk plan was wel, de vervolging af te schaffen, maar geene openbare verandering van Godsdienst in te voeren, anders dan bij algemeenen Raad en Ordonnantie der Staten-Generaal (III, p. 421); doch de drift des volks liep zijne wijsheid vooruit. Willem I voegde bij het bidden steeds arbeiden, en verzuimde geen enkel menschelijk middel tot bevordering zijner zaak. Zijn vernuft spitste zich gedurig op nieuwe ondernemingen, schoon hij de gevaarlijksten, gelijk die op Groningen, afraadde. De Keizer tracht hem over te halen om de wapenen neder te leggen, door aanbod van voordeelen voor zijn Huis; doch hij versmaadt zijn eigen belang voor dat des lands. (IV. p. 49.) Zijne wijsheid doet hem de al te groote drift van lo-

[p. 611]

dewijk, om het land voor geldelijken onderstand aan Frankrijk te onderwerpen, van de hand wijzen, en een geheel ander, veel minder schadelijk ontwerp voorstellen, waarop Frankrijk echter stilzwijgt. (Het zou als beschermende Mogendheid worden erkend; en wanneer men veroveringen maakte, zouden die aan Frankrijk worden afgestaan, mits het den oorlog aan Spanje verklaarde, en aan de Hervormden in zijn eigen land vrijheid van Godsdienst schonk. (IV, p. 108, 116, 119.) Van de vredesvoorwaarden met den Koning van Spanje, door hem gesteld: vrijheid van Godsdienst en vertrek der Spanjaarden, wijkt hij, te midden der grootste moeijelijkheden, geen hairbreed af. In het beleg van Middelburg blijft de Prins standvastig volhouden, niettegenstaande het beleg van Haarlem hem daarvan scheen te moeten aftrekken, en hij wordt door een' goeden uitslag beloond. Hij schrijft een' echt welsprekenden brief aan de naar Engeland gevlugte Nederlanders, om dezelve, op godsdienstige en vaderlandlievende gronden, te bewegen tot bijdragen voor den heiligen strijd. (IV. p. 63-66.) Doch wij moeten ons bekorten. Zeggen wij nog een woord van 's Prinsen Broeders en andere voorname personen.

 

(Het vervolg en slot hierna.)