Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1847


auteur: [tijdschrift] Vaderlandsche Letteroefeningen


bron: Vaderlandsche Letteroefeningen. G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam 1847


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Handleiding tot beoefening van het Notarisambt, ingerigt voor jonge lieden, met aanteekeningen, inhoudende: decisiën, resolutiën enz. betrekkelijk de wetten op het Notarisambt, het regt van zegel, registratie en overschrijving, en aanwijzing der betrekkelijke wetsbepalingen; benevens eenige bepalingen betreffende de gemeenschap volgens de oud-Hollandsche en Fransche wetgeving en verdere bijlagen. Tevens geschikt voor kantoorgebruik. Door Th. van Uije Pieterse, Candidaat-Notaris te Goes. Te Amsterdam, bij J.M.E. Meijer. 1846. In gr. 8vo. XV en 400 bl. f 4-20.

De breedvoerige, geheel hierboven uitgeschreven, titel geeft dadelijk een overzigt van den inhoud. Na al wat er

[p. 400]

over het Notarisambt reeds is uitgekomen, is dit voortreffelijk werk nog gansch niet overtollig, en beantwoordt volkomen aan zijn tweeledig hoofddoel.

Het is geenszins door een' Regtsgeleerde, althans niet door iemand, wien die titel geschonken is, geschreven: en juist daardoor ziet men er uit, hoe verre zelfs een niet gegradueerde en waarschijnlijk in de klassieke talen weinig of niet ervarene het brengen kan. Referent meende daarom er zeer goed, overeenkomstig het verlangen des Schrijvers, gebruik van te kunnen maken bij het afnemen van examina van ongegradueerde Aspirant-Notarissen, waartoe de gekozen vorm, in vragen en antwoorden, naar het voorbeeld van goux, dit werk ook zeer geschikt maakt; en ook deze proefneming heeft de arbeid van den Heer pieterse gelukkig doorgestaan. Bij eigene ondervinding kunnen wij dus dit boek zoo daarvoor, als voor handleiding en bij kantoorgebruik, ruimschoots aanbevelen. Eenige aanmerkingen houde ons de jeugdige Schrijver, wien wij eene voordeelige standplaats toewenschen, ten goede.

Bij eene tweede uitgaaf zou hij zich het antwoord op vraag 15 (bl. 5) gemakkelijker kunnen maken, en de aanteekening op dat antwoord weglaten, daar zelfs in het Staatsblad de in de officiéle uitgaaf van de Wet op het Notarisambt voorkomende drukfout reeds verbeterd is, en tegenwoordig ieder weet, dat men Art. 21 dier wet niet lezen moet: ‘hetzij in hoedanigheid als partij, voorkomen;’ maar aldus: ‘De zoodanigen, waarin zij zelven enz., hetzij in persoon, hetzij door gemagtigden, hetzij in hoedanigheid, als partij voorkomen.’ De achter partij oorspronkelijk geplaatste comma heeft men slechts weg te nemen en te zetten achter hoedanigheid. Hiermede valt alle zwarigheid en duisterheid weg, en men heeft den tekst der wet naar de bedoeling des Wetgevers.

Op vraag 22 (bl. 7) zou men welligt meer algemeen kunnen antwoorden: ‘Zoodanige akte [namelijk waarbij verbodene getuigen gebezigd zijn], voor zooverre die geene uiterste wilsbeschikking inhoudt, geene schenking daarstelt, of in 't algemeen volstrekt notariëel behoort te zijn,

[p. 401]

als in al welke gevallen zij nietig is, heeft overigens alleen kracht van onderhandsch geschrift, mits zij door de verschijnende personen onderteekend zij; onverminderd de verpligting van den Notaris tot vergoeding van kosten, schaden en intresten jegens de belanghebbenden, indien daartoe termen zijn. Zulk eene schadevergoeding is dus ook verschuldigd, voor zooveel des debiteurs persoonlijke verbindtenis ontoereikend is, in geval van nietigheid eener hypothecaire obligatie.’

Antw. 77 (bl. 29) lezen wij de zeker bij vergissing uit de pen gevallene uitdrukking kopijen authentiek of vergelekene afschriften. Dat eerste moet blijkbaar wezen gecollationeerde copiën.

Met de noot op antw. 241 (bl. 72) kan Referent zich, wat de verkieslijkste wijze van tellen der graden betreft, niet vereenigen. Niet ik besta mijzelven, maar mijn vader bestaat mij in den eersten graad. Men behoeft derhalve tot het kunstmiddel, om den gemeenen stamvader niet mede te tellen, de toevlugt niet te nemen. Voor de praktijk maakt het intusschen geen verschil, daar men ook naar de door den Schrijver verkozene en door vele Regtsgeleerden voorgestane wijze van berekening tot dezelfde slotsom komt.

Deze weinige aanmerkingen mogen den Schrijver bewijzen, met hoe veel aandacht wij zijn werk hebben gelezen.