Vondel Gekroond. Lyriesch-dramatiesch Gedicht door W.J. Hofdijk. Amsterdam. Gebr. Binger. 1858. In roijaal 8vo. VI en 56 bl. f 1 - :

De krooning van onzen grooten dichter der 17e eeuw, door de leden der Sint lucas Broederschap te Amsterdam, heeft de heer hofdijk herdacht en bezongen in een schoon gedicht, dat gewis reeds aan velen bekend zal zijn, ware het slechts door de opvoering bij onderscheiden Rederijkerskamers, ten vorigen jare. Toch verdient dit gedicht nog wel in herinnering gebragt te worden, als eene welkome gave van onzen geliefden, begaafden dichter en kunstenaar. Schoone, krachtige, verheffende poëzij ruischt ons tegen in dit lied; schoone, zuivere poëzij, bijna geheel vrij van die eigenaardige gebreken, die de vaak zoo voortreffelijke verzen van hofdijk aankleven. Met zeer weinige uitzonderingen ontmoeten wij hier geene van die vreemde, verouderde of willekeurig gevormde woorden en woordvoegingen, die zonderlinge, soms wel gewrongen constructies, die van het streven naar overgroote kortheid en schilderachtige kernachtigheid vaak onafscheidelijk schijnen te zijn. Dat de toon der optredende personen hier en daar niet van eenige gemaaktheid of gezwol-

[p. 469]

lenheid is vrij te pleiten, valt, dunkt mij, niet te loochenen. Denk b.v. aan de zonderlinge beeldspraak van rembrandt, die zijn medekunstenaars toeroept, om de koorden der kunst te ontvlechten en ze tot een ladder jacobs te knoopen, die tot aan de hemelen spant, en waarlangs de engelen nederdalen; of aan vondel's antwoord op de verontschuldiging dat men hem niet is te gemoet getreden:

 
Zoo hoffelijk een woord verslaat met reuzenkrachte
 
Het grimmigste verwijt, hoe sterk 't in 't harnas zat -

of, eindelijk, aan de zeker wel overspannen toast van lingelbach, waar wij vernemen van de aarde, die op de majesteit van 't Goddelijk gelaat d' ontzetbren omvang leest der scheppende gedachte; en van het heir der engelen dat zich bij den aanblik van den pas geschapen mensch in naaktheid gevoelde en in eerbied wegsmolt. - Maar nu genoeg hiervan. Van heeler harte herhalen wij den wensch, reeds meermalen door anderen geuit, dat de heer hofdijk, dien wij vereeren en hoogschatten, zich toch geheel mogt bekeeren van dat onaesthetische streven, om de kracht en schoonheid der poëzij te zoeken in ongewone, grillige, overspannen uitdrukkingen en vormen. Hij staat er te hoog toe: om dichter te zijn, om schoone poëzij te geven, behoeft hij zijne toevlugt niet te nemen tot deze kunstgrepen der middelmatigheid. Wilt gij eene proeve, eene uit velen? Gij hebt straks rembrandt zien jagt maken op eene onware, uiterst vergezochte en overgekunstelde vergelijking: hoor hem nu, als hij antwoordt op de eenstemmige uitnoodiging van allen, dat hij - de priester in het rijk der kunsten - vondel, den vorst der dichteren, kroonen zal:

 
O mannen! dat weet God, hoe luttel ijdelheden
 
Mijn hart beroeren, of mij porren tot den strijd
 
Om eerste of laatste; hoe 'k mijn baan ben opgetreden,
 
Met hart en ziele en zijn geheel der kunst gewijd;
 
Gants machtloos van mij zelf, en zonder kracht of wille,
 
Maar immer voortgestuwd door d' innerlijken gloed:
 
Als 't rollend zonnerad om de onverwrikbre spille,
 
Dat niet van stilstaan weet, maar immer wentlen moet;
 
Of liever: als de twijg, die uitbot aan de kroone,
 
En groent, en hooger wast, en knop en blaadren schiet,
 
En bloesem drijft en vrucht - en niet om dank of loone,
 
Maar wijl natuur ze dwingt: iets anders kan ze niet.
[p. 470]

Hoor ook de schoone woorden van vondel, als hem de lauwerkrans op de grijze lokken is geplaatst:

 
'k Was van mij zelven niets; maar 'k had een stem vernomen,
 
Die ruischte in hemel en op aard;
 
Toen is Uw kracht gedaald en over mij gekomen,
 
En heeft mijn gulden harp besnaard.
 
Ik heb gezongen naar de stemmen Uwer sfeere;
 
Ook waar ik 't schepsel zong, zong ik des schepsels Heere,
 
En om geen glorie dan om de Uwe, en om geen eere
 
Dan de Uwe alleen. U dus mijn lauwer, roem, en eer.
 
Niet mijner - Uwer zijn ze, Heer!
 
Ik leg ze aan Uwe voeten neêr.

En vergelijk met het lied van lingelbach de heerlijke lierzang van everdingen, naar mijne meening een der schoonste die hofdijk ooit dichtte niet alleen, maar ook ten volle eene plaats waardig naast de uitnemendste voortbrengselen onzer lyriek.

Doch wilden wij al de schoone plaatsen, de enkele schoonheden, van dit dichtstuk mededeelen, wij zouden de voor deze aankondiging gestelde grenzen ver moeten overschrijden. Het is blijkbaar den dichter en kunstenaar uit het hart geschreven, het is de uitstorting van zijn innigste gevoel, van zijne diepste overtuiging: de heerlijkheid en hooge roeping der kunst. En al ware het alleen daarom, roepen wij hofdijk eene hartelijke groete van erkentenis toe en van dank, dat hij op nieuw, in dezen tijd van eenzijdige verstandsbeschaving en heerschappij des stofs, den adel en het goed regt der poëzij, der kunst, zoo schitterend heeft gehandhaafd. Van zijn geheele gedicht zeggen wij ook:

 
't Is op de aanmatiging den Kunstnaar fier gewroken.

En te meer brengen wij hofdijk onze hulde en onzen dank, omdat, waar hij de heerlijkheid en glorie der kunst verheft, hij nooit vergeet haar tevens hare hooge roeping, hare heilige taak te herinneren. ‘Hemelsch is de kunst,’ roept rembrandt uit, ‘en daar heur vaderland.’ En al is ze nu misschien nog meer eene stemme van de aarde, dan een woord uit den hemel, toch moet ze dien hemel op de aarde doen nederdalen, naar dien hemel heenwijzen. Hare taak is, om de edelste krachten van geest en hart te vormen en te ontwikkelen, door het streven naar het ideale, door de schier stervende herinnering levendig te houden aan het eeuwig

[p. 471]

ware en schoone, waarin de menschelijke geest zijn hoogste goed erkent. Treffend schoon wordt deze roeping der kunst uitgesproken in den krachtigen, welluidenden lierzang, waarmede rembrandt vondel begroet en hem kroont als ‘hoofd der volksverlichtren’, als ‘Gods getrouwe en wapenknecht’, door Hem gezonden

 
Om de harten die verkillen,
 
Die versteenen, log en grof,
 
Weêr van vuurgloed te doortrillen,
 
En te heffen uit het stof;
 
Om, in 't wentlen en in 't woelen,
 
Zielen, aan den twijfel krank,
 
Weêr zich zelf te doen gevoelen
 
En heur eeuwgen levenssprank.

Schrijft ze op uwe banier, die woorden, dichters en kunstenaars dezes tijds! blijft aan die roeping getrouw, om de onstoffelijke gedachte in lijnen en in kleuren, in toonen en woorden, uit te spreken en het rijk des geestes te verkondigen aan de vereerders der materie! Nog is uw vermogen groot, nog bezit gij het magtige tooverwoord, dat in duizende harten weerklank vindt, en de krachtigste en teêrste snaren trillen doet - treedt gij dan voor ons op, als gidsen en leidslieden des volks, en zoekt niet uwe plaatse onder de laagste menigte, door het vleijen harer driften en neigingen, door het streelen harer zinnen, het prikkelen harer lusten. Verdienen dan Neêrlands staatslieden nog altijd de beschuldiging, hun hier door everdingen voorgeworpen, - Neêrlands volk zal toonen, dat het nog hart heeft voor de vaderlandsche kunst, het vaderlandsche lied, en ze als iets meer beschouwt dan als 't nutteloos ‘verguldsel op een harrenas’.

Juist omdat dit gedicht den kunstenaar uit het harte is gevloeid, zal het - wij hopen en vertrouwen zulks - ingang vinden in veler harten. Het is geen drama, het is een lierzang, slechts eenigermate gedramatiseerd; bij de lyrische episoden verschijnt de dialoog flaauw, en ook in dien dialoog heeft telkens het lyrische element de overhand. Dit nu is geen verwijt; want de dichter zelf noemde zijn werk: een ‘lyriesch-dramatiesch gedicht’; er kan dus van dramatische handeling, veelmin van dramatische karakterschildering, geene sprake zijn. Der kunst, der vaderlandsche kunst in haar schitterendst tijdperk, gewijd, zij het eene stemme der opwekking

[p. 472]

en bezieling, die weerklank moge vinden en prikkelen tot den edelen wedstrijd met de grooten en uitnemenden, in wier schitterenden kring ons de dichter verplaatste.
j.m.