[p. 431]

Heinrich Heine.1)
Door P. Bruijn.

‘La grande passion et la grande poésic sont soeurs.’
Madme de Varnhagen von Ense.

Er zijn schrijvers, die men eenvoudig heeft te noemen, om aanstonds iedere inleiding overbodig te maken. Hetzij gevreesd of bewierookt, verafschuwd of vergood - Heinrich Heine's

[p. 432]

naam behoort tot dezulke, welke niemand van eenige geestbeschaving, al ware het alleen fatsoenshalve, ignoreert. Hij moge al de plaats nog niet geheel hebben ingenomen van dien van Duitschland's halfgod, gelijk bleek uit de vraag door eene smeltende Duitsche nog ten vorigen jare tot mij gericht: ‘Nicht wahr, ob man für oder wider den Göthe ist, das ist ja eine Lebensfrage?’ - ontegenzeggelijk vertegenwoordigt hij toch eene wereld à part. Hij is eenigszins de personificatie van den geest der eeuw, waarin wij leven. Hetgeen, vol prophetisch zelfgevoel, anticiperend op de toekomst, de drieëntwintigjarige jongeling reeds van zich zelven zong:

 
Ich bin ein deutscher Dichter,
 
Bekannt im deutschen Land;
 
Nennt man die besten Namen,
 
So wird auch der meine genannt.

dat heeft in veel ruimeren zin dan waarvan de jeugdige zanger toen vermoedelijk nog droomde, de uitkomst bewaarheid. Heine toch is buiten kijf van alle Europeesche dichters der laatste vijfentwintig jaren, de meest gevierde, de populairste geworden. Klagen sommigen niet luide, dat de jongelui hun ‘geloof’ uit hem leeren, dat zijn Buck der Lieder het ‘gezangboek’ is geworden van het Jonge Holland? Ruischen niet van bloeiende meisjeslippen zijn verrukkelijke strophen, zich wiegelend op Schumann's of op Mendelsohn's melodieën, door alle salon's der beschaafde wereld? Blinken niet van legio boekenrekjes en uit dito rokzakken de welbekende duodecimo's van Nijgh of Binger

[p. 433]

ons tegen? Is de zanger van de Reisebilder en van den Romanzero niet de vrachtvrije passagier op alle spoorwagens en stoombooten? Laat zich de schare van het: imitatorum pecus wel overzien, hetwelk in meerendeels hopelooze kreupelrijmpjes, zéér oneigenlijk met den naam van ‘Heiniaantjes’ bestempeld, op alle mogelijke wijzen, maar te vergeefs, heeft getracht den genialen Maestro te vertolken of na te kweelen? - Heine's poëzie is eigenlijk zoowel onvertaal- als onnavolgbaar.

Zonder dan ook aan mijne lezers absolutie te vragen voor een vergrijp, tot het plegen waarvan bovendien een veeljarige omgang met Heine's poëzie mij in zekeren zin een vrijbrief geeft, wensch ik eenige bladzijden te wijden aan den Dichter, met wien ik - en zoovele tijdgenooten met mij - in zekeren zin ben opgewassen; een dichter, wiens onm etelijke invloed zich beter laat gevoelen dan beschrijven, wiens genius ons in vervoering bracht, nog wij eer hem ten volle begrepen, - wiens hart ons toescheen te zijn als de zee:

 
Hat Sturm und Ebb' und Fluth,
 
Und manche schöne Perle
 
In seiner Tiefe ruht.

Nog herinner ik mij, als gebeurde het gisteren, hoe ik op zekeren avond, op de kamer van een mijner vrienden en juist willende vertrekken, toevallig een boekdeeltje opnam, hetwelk van onder een berg papieren te voorschijn keek. - ‘Kent gij dit?’ Ik antwoordde hoofdschuddend. - ‘Het zijn verzen van Heine!’ - Ik was met de verklaring nog niet wijzer. - ‘Lees eens;’ en ik las:

 
Der bleiche herbstliche Halbmond
 
Lugt aus den Wolken heraus;
 
Ganz einsam liegt auf dem Kirchhof
 
Das stille Pfarrerhaus.
 
 
 
Die Mutter liest in der Bibel,
 
Der Sohn, der starret in's Licht,
 
Schlaftrunken dchnt sich die ält're,
 
Die jüngere Tochter spricht:
 
 
 
Ach Gott, wie Einem die Tage
 
Langweilig hier vergehn!
 
Nur wenn sie Einen begraben,
 
Bekommen wir etwas zu sehn.
[p. 434]
 
Die Mutter spricht zwischen dem Lesen:
 
Du irrst, es starben nur Vier,
 
Seit man deinen Vater begraben,
 
Dort an der Kirchhofsthür'.
 
 
 
Die ält're Tochter gähnet:
 
Ich will nicht verhungern bei euch,
 
Ich gehe morgen zum Grafen,
 
Und der ist verlicht und reich.
 
 
 
Der Sohn bricht aus in Lachen:
 
Drei Jäger zechen im Stern,
 
Die machen Gold und lehren
 
Mir das Gehcimniss gern.
 
 
 
Die Mutter wirft ihm die Bibel
 
In's mag're Gesicht hinein:
 
So willst du, Gottverfluchter,
 
Ein Strassenräuber sein!
 
 
 
Sie hören pochen an's Fenster,
 
Und schn eine winkende Hand;
 
Der todte Vater steht draussen
 
Im schwarzen Pred'gergewand.

Ziehier mijne kennismaking met Heine; - ze was beslissend. Ik had er eenigszins een indruk door ontvangen als bij het eerste lezen van den Faust. Dagen lang kwam mij het aanschonwde tafereel niet uit de gedachte. Gedurig zag ik ze weêr voor mij: die eenzaam liggende pastorie, dien buiigen herfstnacht, dat verwaarloosd gezin, die verliederlijkte dochter, dat ijzingwekkend tooneel tusschen moeder en zoon; - dien gestorven vader, die waarschuwend den vinger opheffend tegen de ruiten tikt...!

Ik had destijds over de eischen der kunst nog weinig nagedacht. Van de groote omwenteling op letterkundig gebied door Lessing's ‘Laokoon’ te weeg gebracht droeg ik nog geene kennis. Ik gevoelde alleen, ook bij gretig voortgezette kennismaking met het genoemde dichtbundeltje, iets wat ik vroeger (den Faust uitgenomen) bij de nieuweren nog nooit, in die mate althans, had gevoeld - den machtigen ‘greep’ van een dichter.

Waartoe deze uitweiding? Bloot om mijne lezers eene waarheid in herinnering te brengen, welke intusschen geenszins gaaf door allen wordt beaamd, te weten dat ware poëzie ons recht-

[p. 435]

streeks in het hart grijpt. Verzen, welke eerst ten koste van langdurig, hoofdinspannend denken kunnen genoten worden, beantwoorden mijns inziens kwalijk aan de verheven eischen der kunst. De zeldzame gave des dichters bestaat juist hierin, dat hij als met een tooverstaf onze verbeelding weet te ontgloeien, ons gevoel te ontvonken, dat wij in zijne handen zijn als kneedbaar was. - Later eerst komt de reflexie; dan leert men zich rekenschap geven van de oorzaken, welke dien snellen indruk te weeg brachten, en dan blijkt dat in dien dichter, die zulk een heerschappij wist te oefenen, niet alleen een bezield en rijkbesnaard gemoed, (want dit wisten wij reeds) maar ook dat in hem een groot, een, zooals Da Costa het eigenaardig uitdrukt, savant kunstenaar stak. Dat met name Heine als kunstenaar een zeldzaam geëvenaard meesterschap heeft bereikt, blijkt uit iederen versregel. Waarin hij ooit frivool is geweest, met zijne Muze, althans in zijn goede oogenblikken, heeft hij nooit gespot. Valsche pathos, gekunsteld gevoel, ijdele woordenpralerij heeft hij steeds verafschuwd. Nooit betrapt gij hem op hetgeen de Franschen noemen: ‘la phrase.’ Zijn lied is altijd ‘waar’, steeds de uitdrukking zijner op dat oogenblik in hem bovendrijvende zielsstemming. Van daar dat waas van frischheid, van zoete betoovering dat over de mecsten zijner gedichten ligt gespreid. Daar is in Heine's poëzie niets conventioneels. Hij zingt, gelijk de vogel zingt. Gedachten, welke een wijzer mensch zou binnen houden, giet hij uit in volle stroomen. Men hoort het bonzen van zijn hart, men ziet het zwellen van de aderen op zijn voorhoofd. Is hij gelukkig, hij sluit jubelend het heelal in zijne armen. Is hij rampzalig, heeft zijne ‘Herzallerliebste’ hem bedrogen, de gansche wereld moet het weten. Hij klaagt zijn leed aan de boomen, aan de bloemen, aan de vogelen, aan de visschen. Hij strooit zijn woord op den adem der winden, opdat het zijne trouwelooze geliefde vervolge tot in haar diepsten droom1). - Zijn tranen, zijn woede, zijn hartstocht...., 't is alles ongehuicheld, alles natuur, maar natuur opgevat en weêrgegeven met een kunstvermogen, met een fijn aesthetisch overleg, aan welke blijkbaar geen geringe studie is ten koste gelegd. Zekere klassieke soberheid, de schilderachtige juistheid vooral van woordenkeus en woordschikking doen ons zien, dat hij niet te vergeefs bij den Weimar'schen Jupiter heeft ter schole

[p. 436]

gegaan. Heine is beeldhouwer met de pen. Iedere gedachte, zelfs de meest afgetrokkene, weet hij te verzinlijken; op ieder voorwerp, hoe alledaagsch, drukt hij den stempel eener plastiek even ongemeen als vindingrijk. Met volle recht mag van zijne poëzie gelden, hetgeen hij zelf aangaande die van Goethe heeft getuigd1): ‘De verzen omstrengelen uw hart, als een tedere geliefde. Het woord omhelst u, terwijl de gedachte u kust.’

Er is een smet welke men zijner Muze, en niet zonder reden, aanwrijft - te weten haar doorgaand gebrek aan reinheid. De cynische ader, die zich heenkronkelt door Heine's gemoed, staat ook afgedrukt in zijne kunstwerken. Zijne verbeelding is gloeiend, maar vaak onzuiver; zijn vernuft voorbeeldeloos, maar niet altijd van goeden huize; zijn spot verbijsterend, maar ook geen middelen ontziende.....Ik zal later gelegenheid hebben op dit punt terug te komen. Heine's letterkundige voortbrengselen zijn intusschen zulk een getrouwe afspiegeling van - en zijn zoo innig saâmgeweven met zijn leven, dat men om over de eerste met eenigen grond te kunnen oordeelen, het laatste meer dan oppervlakkig moet hebben leeren kennen. Wellicht zoo men in den dichter den mensch, en in dezen weder het product van eene mengeling van geenszins alledaagsche en zeldzaam dooreen-gewarde invloeden weet te onderscheiden, zal men, ik zeg niet gunstiger, maar althans billijker in ziju oordeel worden gestemd. Ik zal de laatste zijn om mij partij te stellen voor onzedelijke theoriën op het gebied der kunst. Toch geloof ik nog altijd dat er diepe waarheid steekt in het overbekend gezegde van madme. De Stael: ‘Tout savoir, c'est tout pardonner.’

I.

Heine placht, in de onderstelling dat hij den 1sten Januari 1800 was geboren2), schertsenderwijze zichzelv' ‘een der eerste mannen onzer eeuw’ te noemen. Later bleek dat hij, naar tijdsorde gerekend, veeleer onder de laatstaangekomenen der 18de eeuw moest worden geteld. De juiste datum toch zijner geboorte is 12 (of 13) December 17993).

[p. 437]

Hij had inmiddels niet zoo geheel mis gezien.

Het levenslicht zag hij (en voor physiologen is, met het oog op de anakreontische natuur van onzen dichter, deze omstandigheid niet van alle gewicht ontbloot) te Dusseldorf, aan de oevers, zoo als hij zelf ons verhaalt1), ‘van dien heerlijken stroom, langs welken op groene bergen de dwaasheid groeit, welke in den herfst geplukt, geperst, in vaten gegoten, naar het buitenland wordt verzonden.’ - ‘L'important’, zoo schreef hij vier jaren vóór zijn dood aan Saint-René Taillandier, met de opgave van het juiste jaar zijner geboorte, (de zooeven gemelde vergissing was, meende hij, met opzet gepleegd ten einde hem aan den Pruissischen krijgsdienst te onttrekken) l'important, c'est que je sois né aux bords du Rhin, où déjà, à l'âge de seize ans, j'avais fait une pièce de vers sur Napoléon; vous la trouverez dans le Buch der Lieder sous ce titre: les deux grenadiers, et elle vous prouvera que tout mon culte d'alors était l'empereur.’ Eene merkwaardige getuigenis legt zeker deze, later zoo populair gewordene, hymne van de hartstochtelijke en afgodische vereering af, welke de zestienjarige jongeling den franschen Keizer toedroeg; niet minder grenzenloos was in gelijke mate zijne minachting voor de vorsten, die den hooggevierde hadden ten val gebracht.

Gelijk men weet, was Heine van Israëlitische af komst. Alleen zijne moeder was eene christin en behoorde tot den adelstand. Zijn vader, een zoo 't schijnt welgesteld koopman, verloor hij vroeg.

Als proeve van den eigenaardigen geest, welke zich reeds op jeugdigen leeftijd in hem openbaarde, strekke het verhaal uit zijne schooljaren van de bittere verdrietelijkheden, welke het woord: ‘religion’ hem bezorgde. ‘Wel- zesmaal achtereen, verhaalt hij, vroeg mij de onderwijzer (een uitgeweken fransche abt): Henry, hoe heet Glaube in het fransch? En zesmaal, met telkens grooter tranenvloed, antwoordde ik: le crédit. En vóór de zevende maal, met een kersrood gezicht, riep de Examinator woedend: het heet la religion! - en daarbij regende het slagen, zoodat al mijn schoolmakkers lachten. Van dien dag af heb ik het woord religion nooit meer kunnen hooren noemen, of er liep mij eene koude rilling langs den rug, en mijne wangen werden rood van schaamte.’ - Lieferijker aandenken uit zijn gymnasiastentijd behield hij van den intocht der fransche armee,

[p. 438]

inzonderheid van den tamboer Le Grand, die hem de beteekenis van de woorden: liberté, égalité in de Marseillaise en den rooden guillotine-marsch wist voor te trommelen. Het woord Allemagne verklaarde Le Grand door het eentoonige dreuntje hetwelk op de kermis bij dansende honden wordt gehoord: Dum - Dum - Dum. (‘Ik ergerde mij geweldig, schrijft Heine, maar ik begreep hem toch.’) Maar het zaligste oogenblik was, toen hij den Keizer zelv' mocht aanschouwen1). ‘De boomen van de Dusseldorfsche Allee, zegt hij, bogen sidderend hun kruin, toen de Keizer voorbijreed, te midden van zijn staf, het wereldvermaarde hoedje op het hoofd: de zonnestralen gluurden nieuwsgierig en eerbiedig door het groene loof en boven aan den hemel schitterde een gouden ster. Napoleon's gelaat, antiek van snede, had de kleur van een grieksch marmerbeeld: en op dat gelaat stond geschreven: Gij zult geene Goden hebben nevens mij. Zijn oog was klaar als de hemel; - op het voorhoofd alleen dreven, als donkere wolken, de geesten van toekomstige veldslagen. Soms kwam er een lichte trekking op dat voorhoofd: - dat waren de scheppende gedachten, de zevenmijlslaarzen-gedachten, waarmeê 's Keizers geest onzichtbaar over de wereld schreed; - en ik geloof, voegt hij er bij, dat één enkele dier gedachten aan een duitsch auteur zijn leven lang volop schrijvensstof zou hebben gegeven’2).

Heine's aanvankelijke bestemming was de handel. Hij verwisselde dus het gymnasium voor een bankiers-kantoor te Frankfort a/M. Maar ofschoon er in dat vak wel ‘iets’ uit hem had kunnen groeien, volgens de verzekering van zijn oom Salomo, den Hamburgschen bankier, die er later zuchtend op liet volgen: ‘Aber es ist Nichts aus ihm geworden,’ zoo keerde hij toch alras dien veelbelovenden Mammon den rug toe en betrok, 19 jaren oud, als Jur. Stud. de Universiteit. - Bonn, Göttingen, Berlijn, nog eens Göttingen, ziedaar achtereenvolgens de stadiën van zijn veelbewogen Burschenleben, de pleegmoeders tevens van zijn kraehtig, maar wild opluikend talent. Het is misschien niet onbelangrijk, den

[p. 439]

invloed van die verschillende plaatsen op de vorming van zijn gemoed en op den loop van zijn dicht-ader na te gaan.

Twee elementen toch vormen in zekeren zin schering en inslag van Heme's poëzie. Aan de ééne zijde een zekere weekelijke gevoeligheid, een rooskleurig idealisme, een niet te miskennen weêrslag van de gemoedelijke duitsche Romantiek; aan de andere zijde een onbarmhartig realisme, een behagen scheppen in gemoedeloozen spot, in wondende satyre; iets van de Mephistophelesnatuur, sceplisch in merg en been, den zinnendienst predikend, gekscherend met het ideaal.

Beide elementen lagen zonder twijfel in Heine's natuur. Hij had jong zijnde reeds een scherp oog voor de werkelijkheid, een opborrelende levenslnst, een revolutionair en ondeugend duiveltje in zijn hart, en van alles waarmeê hij zich op 't gymnasium moest bezig houden, strookte niets, zoo als hij zelf bekent, beter met zijn aard, dan de voorchristelijke mythologie1). Van hier zijn innige sympathie voor de Franschen. Hetgeen bij deze op den voorgrond staat: geest, vernuft, gladde en behagelijke vormen, heeft geen Duitscher ooit beter in hen weten te waarderen dan hij; zoodat de bekende Xenie van Schiller:

Ringe Deutscher, nach römischer Kraft, nach griechischer Schönheit! Beides gelang dir; doch nie glückte der Gallische Sprung.
door Heine feitelijk is weêrlegd. Maar - nevens dien hang tot het zinnelijke, nevens dat wufte en raillerende element (en hier komt zijn Israëlitische en voor een deel ook zijn Germaansche afkomst in hem tot haar recht) openbaarde zich even vroeg in zijn gemoed - en hij is hem bijgebleven tot aan zijn jongsten snik - een heete, onuitroeibare dorst, een nameloos heimwee, naar het ideaal: een heimwee, onder geen woorden te brengen, tot geen bepaalde voorstelling te herleiden, maar hetwelk zich bij hem verraadt, soms in een zucht, een traan, of een snik - soms ook in een grijns en een spotlach! Er zijn dieper aspiratiën in zijn gemoed dan waarvan hij wil doen blijken. Omdat hij niet kan buiten het ideaal, omdat hij behoefte heeft alles te idealiseren - en de werkelijkheid, vooral sints hij die met een sceptisch oog is gaan bezien, hem hoe langs zoo meer koud, naakt en ellendig toeschijnt; of wel omdat hij zijn idealen

[p. 440]

te hoog heeft gesteld, en hij zich later over zijn warm gevoel is beginnen te schamen; of ook omdat zijn verstand gedurig in strijd is met zijn gevoel...Genoeg: er zijn dissonanten in hem, die nimmer zijn opgelost, en waaruit een mengeling is ontstaan van beurtelings ijzingwekkend schrille en wonderbaar zoete tonen.

Men noemt de taal, waarin zulke geprangde, innerlijk verscheurde, half lachende half schreiende Aprilsgemoederen zich plegen lucht te geven: Humor.

 
Een rijke taal, vol geest en - ingehouden tranen,
 
Vol zin, - ook zéér geschikt tot leeren en vermanen,
 
Mits maar de vrienden haar verstaan.
 
Want velen klinkt ze als Grieksch; voor anderen weêr - profaan.

Keeren wij naar Bonn terug. Aan de bloeiende Rhijn-universiteit doceerde destijds prof. A.W. Schlegel,1) het boofd der duitsch-romantische school, van welke Uhland de gevierdste, Heine zelf - de laatste en de uitnemendste vertegenwoordiger is geweest. Heine en de Romantiek hebben te vaak met elkander gekibbeld en te dikwijls in elkanders armen gelegen, dan dat ik van haar geheel zou mogen zwijgen. Zij speelt een der hoofdrollen in zijn dicht-voortbrengselen.

Aan de lachende Rhijnoevers met hun schilderachtige burchten en ruïnen, hun middeleeuwsche Domkerken, hun schat van legenden sprekende van een grijs verleden, van den bloeitijd van het ridderwezen, van een eeuw des geloofs en der poëzie en der grootheid, waarbij de tegenwoordige schijnbaar zoo schril en zoo armelijk afsteekt, - aan die oevers drukte de jonge student voor 't eerst in vervoering de verleidelijke schoone aan het hart. De duitsch-romantische school intusschen, (dat ik dit in 't voorbijgaan aanstippe) onderscheidde zich, van meet aan, door een geheel ander karakter dan de fransch-romantische. Deze toch was in beginsel voorwaarts-strevend, gene anti-revolutionair; de laatste vergelijkenderwijs frisch in haar oorsprong, de eerste min of meer ziekelijk; de fransche beoogde een zuiver letterkundige hervorming, de duitsche stond bovendien ook nog met staatkundige en godsdienstige neven-bedoelingen in verband. De kunstmatige pogingen der laatstgenoemde tot herbezieling van de mystieke poëzie der middeleeuwen bepaalden zich dan ook niet bloot tot den vorm,

[p. 441]

maar strekten zich ook uit tot den ‘inhoud;’ leidden tot den terugkeer van alle ideën op 't gebied van staat, kunst en godsdienst, waarvan gezegde poëzie eenmaal de bezielde draagster was geweest. Reden genoeg om haar in de oogen der aristokratische, der zoogenaamde jonkerpartij en in die van een koning bij ‘de gratie Gods’ bijzonder aanbevelenswaardig te maken. - Haar punt van uitgang was de zucht om een dam op te werpen tegen het toenemend rationalisme, tegen den nuchteren, alle poëzie moordenden, pozitieven geest des tijds. Haar punt van aankomst was echter ongelukkigerwijze het onttrekken van de poëzie aan al de eischen van het werkelijke leven. De Muze was schijnbaar gered, maar zij zweefde hoog boven lucht en wolken - en de aarde bleef koud en ledig.

De hoofdfout der duitsche Romantiek bestond hierin, dat zij leed aan innerlijke onwaarheid; dat zij speelde met woorden en met gevoelens; dat zij den katholieken, feodalen voortijd gedurig opsmukte en opvijzelde, zonder dat hare woordvoerders in hun hart met dien tijd dweepten, maar integendeel zich dagelijks konden vergewissen, dat het levende geslacht aan heel andere dingen behoefte had. Terwijl de fransche Romantiek juist het voertuig is geweest van allerlei moderne bagage, wierp de duitsche voor alle nieuwere ideën een slagboom. Het loof van den boom was welig; zijn bloesem rook liefelijk; groote talenten hebben hem gesteund; tal van gouden vruchten heeft hij afgeworpen; - maar in zijn sappen woelde vergif; aan zijn wortelen knaagde een worm. Hij moest vallen...Heine heeft dit alles gevoeld, eer hij de bijl tegen hem ophief. Hij proefde al het zoete, maar te gelijk al het verderfelijke van dezen drank. Hij heeft vuriger, inniger, (want hij was grooter dichter) dan een Görres, Arnim, Brentano of Fouqué, dan één der Zwaben, die hij in zijn Atta Troll zoo onsterfelijk ridikuul heeft gemaakt, de Muze der romantische poëzie aan het hart - maar tevens haar een laatst, een eeuwig vaarwel op de lippen gedrukt: - of liever neen...pogen te drukken; want nimmer is hem dit geheel gelukt. Zij hield hem te vast omarmd. Scheiden was onmogelijk. Met den dood in eigen borst, speelde hij den stervenden gladiator1). De Lotosbloem beefde immer van onuitsprekelijk verlangen naar de liefdekus van de bleeke maan; de pijnboom in het ijzig noorden is steeds blijven

[p. 442]

droomen van een palm in het gloeiend oosten. De sceptische zoon der 19de eeuw kon nooit nalaten te blijven luisteren naar de weeke tonen van den verren waldhoorn der Romantiek. Telkens, door het luidst gerinkel van zijn narrenbellen heen, (en wie geen oog heeft voor deze contrasten kan Heine's poëzie niet genieten) hoort gij hem trillen, dien zachten weemoedstoon. Zijne rede zeide hem, dat het onzin was naar die klanken te luisteren. Moest hij niet reveil slaan op de moderne trom? - maar zijn hart...? Luister! hoorde hij het daar van verre niet alweêr....

 
- - - Das fromme Läuten
 
Der verlornen Waldkapelle...?1)

Un Romantique défroqué, gelijk geestig een Franschman hem heeft genoemd; een Janus-kop, met het eene aangezicht naar de toekomst, met het andere onafgewend naar het verleden gekeerd: een ‘ungeheilte Zwienatur:’ zoo was Heine en zoo bleef hij; - de Muzen hebben het hem gewis meer dan vergeven. Zong hij niet het roerend Zwanenlied der Romantiek?

 

Was Bonn de bakermat, zoo gij wilt, zijner romantische -, Göttingen, maar vooral Berlijn

 
- - - ‘mit seinem dicken Sande,
 
Und dünnèm Thee, und Hegel'schem Verstande.’2)

Berlijn, hetwelk hij: ‘de Dom, of liever de Beurs, het Entrepôt, de balzaal van kritiek en litteratuur’ heeft genoemd3), waren de pleegmoeders zijner philosophische, zijner moderne Muze.

Heine's afkeer van Göttingen was grenzenloos. ‘Ik had te Bonn moeten blijven, ik verveel mij hier doodelijk’ (schreef hij aan zijn vriend Steinmann, den 29sten Oct. 1820). Potsierlijker heeft gewis nooit een prikkelbaar dichter-gemoed aan zijn gloeienden afkeer van pedante en beschimmelde schoolgeleerdheid lucht gegeven, dan Heine in den onverpoosden stroom van bijtende Satires, welke hij over het ongelukkige Göttingen uitgiet. ‘Het pleegt zich zelv' (schrijft hij4)) het duitsche Bologne te noemen. Er bestaat echter tusschen beide universiteits-

[p. 443]

steden dit verschil, dat men in Bologne de kleinste hondjes en de grootste geleerden, in Göttingen daarentegen de kleinste geleerden en de grootste honden vindt.’ - ‘De stad, (zoo heet het op een andere plaats1)) is beroemd door haar worsten en hare universiteit. - Zij doet zich op 't voordeeligst voor als men haar met den rug aanziet. - De namen van alle studenten herinner ik mij op dit oogenblik niet, en onder de professoren zijn er een menigte, die nog in het geheel geen naam hebben. De studenten-geslachten verdringen er elkaêr onophoudelijk; alleen de oude professoren staan er onbewegelijk vastgeworteld, even als de Pyramiden in Egypte, met dit onderscheid wel te verstaan, dat er in deze universiteits-Pvramiden hoegenaamd geene wijsheid verborgen zit.’ enz. - En als hij bij zekere gelegenheid den Götting'schen hoogleeraar Saalfeld ter sprake brengt, die hevige pamphletten tegen Napoleon had geschreven: ‘'t Is al heel opmerkelijk (schrijft hij) dat juist den drie grootsten tegenstanders van den franschen keizer het verschrikkelijkst uiteinde heeft getroffen. De eng minister Londonderry heeft zich de keel afgesneden, Lodewijk XVIII is verschimmeld op zijn troon en prof. Saalfeld - is nog altijd hoogleeraar te Göttingen.’2)

Door een consilium abeundi, wegens een voorgenomen duel, voor den tijd van zes maanden van Göttingen verbannen, (den 4den Febr. 18213)) bezocht hij de universiteit te Berlijn, en hier was het, dat hij voor 't eerst een deel van zijn gedichten, zijn: ‘Junge Leiden4) in het licht zond, en dat tevens twee zeer weinig bekend geworden drama's, de eenige welke hij ooit heeft geschreven, Almanzor en William Ratcliff geheeten,5) (het laatste geheel nieuw, het eerste te Göttingen reeds begonnen, maar hier voltooid) uit zijn pen vloeiden6), alle welke te zamen genomen

[p. 444]

in zekeren zin de ouverture mogen genoemd worden van geheel zijn volgend dichterleven. Ratcliff, hetwelk echter nimmer is opgevoerd, was, naar zijn eigen bekentenis1) de belichaming van zijne geheele poetische Sturm- und Drangperiode, welke in de Junge Leiden niet dan onvolledig en nevelachtig was afgebeeld. In Almansor (het stuk verscheen slechts eens te Brunswijk den 20 Aug. 1820 ten tooneele en maakte toen volslagen fiasco2), had hij daarentegen meer geheel zichzelv', zijn innerlijk leven en streven blootgelegd.3)

Heine had zich destijds reeds eene groote mate van populariteit verworven. Voor den neef van den rijken Hamburgschen bankier (die, 't zij hier in 't voorbijgaan gemeld, zich ten zijnen opzichte steeds mild en goed heeft betoond; 't geen door onzen dichter dan ook immer dankbaar is erkend4), voor den genialen zanger bovendien van de Junge Leiden, openden zich zonder moeite de Berlijnsche Salons der voorname Joodsche côteric dier dagen, waarin al wat Duitschland op letterkundig, wetenschappelijk, of artistisch gebied uitstekends telde, gewoon was zich te verzamelen. Hier maakte hij kennis5) met Ludwig Börne, met Chamisso, met Friedrich Schlegel, den schrijver der Lücinde; hier sloot hij vriendschap met den talentvollen, excentrieken dichter. Grabbe, met den beroemden rechtsgeleerde Gans, met Varuhagen von Ense, en diens bevallige gade Rahel6), met Henriette Herz, met den edelen Moser eindelijk, den Mendelssohn, als gij wilt, van dezen Lessing, enz. enz. Voorts verdiepte hij zich vlijtig in de wijsgeerige systemen van Schelling, Hegel: enz., in de studie der Klassieken7), in die van het recht, van geschiedenis, oudheidkunde, talen enz. - maar bovenal was zijn blik gericht op het leven en de kunst. ‘l'Artiste’, (schrijft zeer terecht, met het oog op die twee jaren doorgebracht te Berlijn, zijn vriend S.R. Taillan-

[p. 445]

dier1)l'Artiste n'oubliait pas son oeuvre, et déjà la poésie était sa meilleure croyance.’ Al wat hij opmerkte en ondervond, - en dichters zien en hooren meer dan gewone menschen! - goot hij in den smeltoven zijner gloeiende phantasie, en bracht het daaruit later in verheerlijkten vorm te voorschijn. Reeds oefende hij zich in strenge zelfkritiek2). Reeds woelden chaotisch al de ideën der moderne wereld door zijn brein. Reeds preludeerde hij op zijn toekomstige veldslagen3). Met een soort van heilige zinsbedwelming zoog hij Hegel's dichterlijk-wijsgeerig Pantheïsme in, en vergastte hij zich aan de tamelijk onzedelijke Berlijn'sche salonssophistiek, geschoeid op de leest der: ‘Wahlverwandtschaften’ en der Lücinde. Hij had reeds veel genoten en geleden. Hij kende den wellust, maar ook zijn wrong4); de liefde maar ook den haat. Hij had gedweept, geloofd, maar ook geschreid en rondgetast in een nacht van twijfel. Hij ahnde met een soort van prophetisch voorgevoel het naderend ontbindingsproces der eeuw. De oude Staatsvormen, Godsdienst en Romantiek, de wereld van gezach en geloof en illuzie stortte in duigen; de Goden van Hellas moesten weder op aarde dalen; de Godsdienst van schoonheid en van geluk en van een hemel diesseits worden gepredikt; de bevrijding der menschheid uit de boeien van Vorsten- en Priesterdwang worden voltooid. Hij zelf zal een der ridders zijn van den nieuwen H. Geest5), de heraut van den aanlichtenden morgen. ‘Oorlog, dus luidt het in een schrijven uit Berlijn, gericht aan zijn intiemen vriend Karl Immermanu en gedagt. Dec. 18226), (en merkt op hoe hier de vlam van het hart zelfs boven die van den kunstenaar uitslaat) ‘Oorlog aan de ongerechtigheid der eeuw, aan het ploertendom, aan de boosheid! Wilt gij mijn wapenbroeder zijn in dezen heiligen

[p. 446]

kamp? Dan reik ik u vroolijk de hand. Wel bezien, komt de poëzie, hoe heerlijk ook, toch eerst in het tweede gelid1).’

Van Berlijn uit maakte hij een uitstapje naar Polen2), keerde in Mei 18233) over Lüneburg, (waar hij zijne familie bezocht), Hamburg en Hanover, naar Göttingen terug4); maakte van daar uit, om zich van zijne dorre rechts-studiën te verpoozen en tevens tot hoognoodig herstel zijner gezondheid en zijner radelooze hoofdpijnen5), een voetreis door het Harzgebergte, vervolgens naar Gotha, Eisenach en Weimar (waar hij Goethe bezocht6) enz., en promoveerde den 20sten Juli 1825 te Göttingen publiek in de rechten7), na, volgens zijne eigene getuigenis, ‘als een fiacre-paard over de 4de en 5de Thesis, Eed en Confarreatio, te hebben gedisputeerd8). De dekaan der fakulteit maakte hem bij die gelegenheid een eenigszins dubbelzinnig compliment, hetwelk Heine, niet zonder dichterlijke ijdelheid, in vleiender zin schijnt te hebben opgevat, dan het gemeend was9). De dekaan namelijk, gewaagde van de overeenkomst tusschen hem en Goethe, die ook even als hij, eerder in de poëzie dan in de rechten had geschitterd - (die ook beter poëet dan Jurist was geweest, wilde hij zeggen). - Ondanks het, naar Heine's meening, vereerende dat er in des dekaan's toespraak lag, werd hij dan ook - met een derde

[p. 447]

graadje afgescheept. Trouwens, dit laatste zal hem in uwe schatting zekerlijk niet doen dalen. Juristen toch groeien er dagelijks. Dichters als die van de Reisebilder en van het Buch der Lieder komen slechts eens!

 

Het Buch der Lieder1) en de Reisebilder2)! - Indien Heine nooit iets anders dan deze beide had geschreven, dan reeds ware de onsterfelijkheid van zijn dichternaam voldoende gewaarborgd. Zoo even noemde ik die eerstelingen zijner Muze de ouverture van zijn Dichterleven; - zij zijn meer. Zij waren voor Duitschland tevens de ouverture van een geheel nieuwe, daar nog ongekende richting in de poëzie, die der moderne Lyriek, der Lyriek van den Humor, zoo men wil. Grillig dooreengewarde tonen: scherts, min, haat, twijfel, wanhoop, spot, - beurtelijks betooverend of de ziel doorkrassend. Het tooverklokje der Romantiek nevens het stoomfluitje der XIXde eeuw; in hun geheel eene zeldzame openbaring van den door den geest dier eeuw diep geschokte menschheid.

In het Buch der Lieder vindt gij het gansche poëem van Heine's jongelingsleven, door een meesterhand op muziek gebracht.

Hoort, hoe de dichter zijne ontwakende liefde bezingt:

 
Im wunderschönen Monat Mai,
 
Als alle Knospen sprangen,
 
Da ist in meinem Herzen
 
Die Liebe aufgegangen.
[p. 448]
 
Im wunderschönen Monat Mai,
 
Als alle Vögel sangen,
 
Da hab' ich ihr gestanden
 
Mein Sehnen und Verlangen.

Maar - de zoete hoop wordt bitter verijdeld. De oude, dagelijks nieuwe geschiedenis herhaalt zich. De bloem, welke hij aan zijn hart meende te zullen drukken, wordt gestoken op de borst van een ander. Vol toorn over het gepleegde verraad, geeft hij lucht aan de vlijmende smart, die hem bezielt:

 
Ich weiss eine alte Kunde,
 
Die hallet dumpf und trüb':
 
Ein Ritter liegt liebeswunde,
 
Doch treulos ist sein Lieb.
 
 
 
Als treulos muss er verachten
 
Die eig'ne Herzliebste sein,
 
Als schimpflich muss er betrachten
 
Die eig'ne Liebespein.
 
 
 
Er möcht' in die Schranken reiten,
 
Und rufen die Ritter zum Streit:
 
Der mag sich zum Kampf bereiten,
 
Wer mein Lieb eines Makels zeih't!
 
 
 
Da würden wohl alle schweigen,
 
Nur nicht sein eigener Schmerz;
 
Da müsst' er die Lanze neigen
 
Wider's eig'ne klagende Ilerz.

Onophoudelijk keert nu datzelfde thema terug, maar met eindelooze variatiën; hetzelfde lied, maar op onnoembaar vele wijzen gezongen. Zijn dichterlijke verbeelding is onuitputtelijk in het scheppen van allerlei grillige en phantastische toestanden, waarbij altijd hij zelf en zijn ‘treuloses Liebchen’ de hoofdrollen vervullen. Niemand verstond ooit beter dan Heine de kunst, om, gelijk Alfred de Musset het ergens noemt1): ‘faire une perle d'une larme.’

Nu eens draaft hij, in een kouden herfstnacht, terwijl de wind door het gebladert' huilt, diep in zijn mantel gedoken, door het woud naar de woning der hem wachtende geliefde. Zijn spokende gedachten draven voor hem uit, en dragen hem - als

[p. 449]

een veêr zoo licht - naar een geurige, warme, helverlichte zaal; een half dozijn lakeien wacht hem op en licht hem voor, terwijl hij met rinkelende sporen haastig den breeden wenteltrap opstormt. Daar staat de aangebeden maagd. - Hij vliegt in hare uitgebreide armen....!

‘Es säuselt’, dus breekt op eenmaal de dichter, met snijdende ironie af:

 
Es sänselt der Wind in den Blättern,
 
Es spricht der Eichenbaum:
 
Was willst du, thörichter Reiter,
 
Mit deinem thörichten Traum?

Dan weder droomt hij een wilden droom. In loodzwaren slaap verzonken, zoo diep en zoo eindeloos lang, dat alle herinnering hem heeft begeven, ligt hij stom en roerloos in het graf.1)

En in den morgen der opstanding komt alweêr zij; hij hoort haar tikken tegen de grafzerk:

 
‘Willst du nicht aufstehn, Heinrich?
 
Der ew'ge Tag bricht an,’

Maar hij kan niet opstaan, want zijn oogen zijn blind en uitgeteerd door langdurig schreien...en ook zijn hart bloedt nog altijd, ten gevolge van het scherpe woord, hetwelk zij eenmaal daarin heeft gestoken...

 
‘Ich will dir küssen, Heinrich,
 
Vom Auge fort die Nacht;
 
 
 
‘Ganz leise leg' ich, Heinrich,
 
Dir meine Hand auf's Herz;
 
Dann wird es nicht mehr bluten,
 
Geheilt ist all' scin Schmerz.’

En zoo vervolgens, tot dat ten laatste...

 
Es bat so sanft, so lieblich,
 
Ich konnte nicht widerstehn;
 
Ich wollte mich erheben,
 
Und zu der Liebsten gehn.
 
 
 
Da brachen auf die Wunden,
 
Da stürzt' mit wilder Macht
 
Aus Kopf und Brust der Blutstrom,
 
Und sieh'! - ich bin erwacht.
[p. 450]

Een andermaal staat hij, in Byroniaansche wanhoops-stemming, op het bolwerk der stad tegen een linde geleund1).

't Is een verrukkelijke Meidag. Alles ademt leven, genot en bedrijvigheid.

 
Da drunten fliesst der blaue
 
Stadtgraben in stiller Ruh';
 
Ein Knaben fährt im Kahne,
 
Und angelt und pfeift dazu.
 
 
 
Die Mägde bleichen Wäsche,
 
Und springen im Gras' herum;
 
Das Mühlrad stäubt Diamanten,
 
Ich höre sein fernes Gesumm'.

Ook loopt op eenigen afstand een jonge schildwacht heen en weêr:

 
Er spielt mit seiner Flinte,
 
Die funkelt im Sonnenroth,
 
Er präsentirt und schultert.

En plotseling eindigt de dichter, met de sombere, diep melancholische verzuchting:

 
Ich wollt', er schösse mich todt.

Op gelijken leest geschoeid, maar meer bijtend ironisch, zijn b.v. de gedichtjes:

 
Sie sassen und tranken am Theetisch,
 
Und sprachen von Liebe viel, enz.2)

Of:

 
Als ich, auf der Reise, zufällig
 
Der Liebsten Familie fand, enz.3)

Het weemoedigste, het meest aangrijpende misschien van al deze, op zijn ongelukkige liefde zinspelende, gedichten is dat, hetwelk ten opschrift draagt Ratcliff. Na jarenlange afwezendheid ziet de dichter, in den droom, zijne ‘Maria’ weder, maar als eene onherkenbaar gewordene, door een rampzalig huwelijk verkilde, vroegtijdig verwelkte, verliederlijkte vrouw.

 
‘Man sagte mir, Sie haben sich vermählt?’
 
‘Ach ja!’ sprach sie gleichgültig laut und lachend,
 
‘Hab' einen Stock von Holz, der überzogen
[p. 451]
 
Mit Leder ist, Gemahl sich nennt; doch Holz
 
Ist Holz!’ - Und klanglos widrich lachte sie,
 
Dass kalte Angst durch meine Seele rann,
 
Und Zweifel mich ergriff: - Sind das die keuschen,
 
Die blumenkeuschen Lippen von Maria?
 
 
 
Da sassen wir beisammen, still und traurig,
 
Und sahn uns an, und wurden immer traur'ger,
 
 
 
Doch rothe Lichter drangen durch die Blätter,
 
Umflimmerten Maria's weisses Antlitz,
 
Und lockten Glut aus ihren starren Augen,
 
Und mit der alten süssen Stimme sprach sie:
 
‘Wie wusstest du, dass ich so elend bin?
 
Ich las es jüngst in deinen wilden Liedern.’
 
 
 
Eiskalt durchzog's mir da die Brust, mir graus'te
 
Ob meinen eignen Wahnsinn, der die Zukunft
 
Geschaut, es zuckte dunkel durch mein Hirn,
 
Und vor Entsetzen bin ich aufgewacht.

Maar niet alleen van tranen wist Heine paarlen te maken. Alles - om 't even wat - hetgeen hij aanraakte met zijn tooverstaf, hetwelk hij bezielde met zijn dichteradem, herschiep hij oogenblikkelijk in louter goud. Ik gewaag hier slechts ter loops van zijne bekende balladen en romancen: die Grenadiere, die Lorelei, Don Ramiro, die Wallfahrt nach Kevlaar, enz. enz.

Hoe fijn gevoeld, hoe keurig opgevat, hoe bewonderenswaardig geidëaliseerd is niet, vooral in laatstgenoemde Romance, de bigotte Maria-vereering? Welk een zeldzame plastiek! Welk eene ongeëvenaarde heerschappij over den vorm! Hoe zangerig aangebracht is dat telkens wederkeerende:

 
Gelobt seist du, Marie!

In dit gedichtje sluiten de moderne en romantische Muze elkander in zusterlijke omhelzing, aan het hart. Geen ander idioom, de muziek alleen zou eenigszins bij machte zijn zulke zoete taal-melodiën te vertolken. De woorden zijn zelve reeds muziek.

En als muziek óók klinken zij - die trippelende, als op de maat der golven ons wiegende, de frische zeekoelte ons aanwuivende, liederen (Die Nordsee betiteld;) waarin de dichter, die evenzeer de geheimzinnige taal der natuur, als die van het hart

[p. 452]

wist te lezen, die verstond wat bloemen en vogels en visschen en zon en maan en sterren hem toefluisterden, ons het steunend geluid van den wind, het gekraak van het schip, het gekras van de zeemeeuw, het eeuwig klateren der golven, en die duizende stemmen, die het dichteroor in den reusachtigen Dom der schepping opvangt, op zijne wijze vertolkt, en ons inwijdt in al de mysterieën van zijne bezielde, pantheïstische natuuropvatting.

 
Thálatta! Thálatta!
 
Sei mir gegrüsst, du ewiges Meer!

En als muziek niet minder, voor wie althans te midden der schijnbare dissonanten den toon der harmonie weet te vatten, zelfs de wilde, spottende, cynische wanhoopskreten, waarmede hij soms plotseling zijne klagende elegieën afbreekt, om uit de tooverdreven van het ideaal ons neêr te ploffen in het rijk der meest troostelooze en afzichtelijke werkelijkheid. Dan breken de oude wonden weêr open; dan belacht hij zich zelv' om al dat zoet gedweep1) en rinkelt met de narrenbellen en vindt de wereld een gekkenhuis, en het leven een sphinx, en ziet overal slechts leugen en bedrog en elende, en geeft aan al zijn moderne Titanswoede lucht. Maar - let op, hoe ook deze tonen van het menschelijk gemoed bij hem hunne dichterlijke uitdrukking hebben gevonden; let op, hoe ook de bangste vertwijfelingszucht zelfs, dezen geboren gunsteling der Muzen nog een bijkans welluidend lied uit de keele perst:2)

 
Am Meer, am wüsten, nächtlichen Meer,
 
Steht ein Jüngling-Mann,
 
Die Brust voll Wehmuth, das Haupt voll Zweifel,
 
Und mit düsteren Lippen fragt er die Wogen:
 
 
 
‘O lös't mir das Räthsel des Lebens,
 
Das qualvoll uralte Räthsel,
 
Worüber schon manche Häupter gegrübelt,
 
 
 
Sagt mir, was bedeutet der Mensch?
 
Woher ist er kommen? Wo geht er hin?
 
Wer wohnt dort oben auf goldenen Sternen?’
[p. 453]
 
Es murmeln die Wogen ihr ew'ges Gemurmel,
 
Es wehet der Wind, es fliehen die Wolken,
 
Es blinken die Sterne, gleichgültig und kalt,
 
Und ein Narr wartet auf Antwort.

't Is hier misschien de plaats, zal mijn vluchtig overzicht van Heine's ‘Buch der Lieder’ niet meer of min onvolledig blijven, om even het veel besproken punt aan te roeren van het profane dat vele zijner verzen ontsiert, en ten gevolge waarvan zijne Muze, hoewel ongekend veelal, bij zeer velen in kwaden reuk staat. Verba valent usu. Dat Heine, vóóral bij toeneming in leeftijd, vaak op onvergeeflijke wijze met hetgeen anderen heilig was en ook hem zelv' heilig had behooren te zijn, heeft gespot; dat hij een zekere niet altijd kiesche hebbelijkheid aan den dag legt om hooge en gemeene dingen met elkaâr te verbinden; dat hij aan zijn neiging om iets geestigs te zeggen, veel, zeer veel, zijn vrienden zelfs, heeft opgeofferd en dat met name het kerkelijk christendom tallooze malen door hem is aangerand met wapenen van niet zeer edel allooi: - dat alles geef ik - zonder daarom het harde oordeel door den Zürichschen hoogleeraar Vischer1) over hem geveld, in zijn geheel te onderschrijven - volgaarne toe. Maar - men wachte er zich wel voor, om quand même alles, wat in Heine's werken misschien in menig oor profaan klinkt, terstond aan lust tot profaneren, aan oppervlakkige vrijgeesterij, Voltairianisme enz. toe te schrijven. Heine was geen oppervlakkige natuur.

Hij zag, meende althans te zien, in het Christendom een schadelijk beletsel voor de aesthetische en intellectuëele vrijmaking der menschheid, aan welke te arbeiden hij als een deel beschouwde zijner dichterlijke roeping. Hij zelf ging in 1825, na te gelijkertijd met zijn vriend Gans, (Revue germ. 17 Août. pag. 213) gedoopt te zijn, tot de Evang. Luthersche kerk over; - maar louter om maatschappelijke redenen2); - de gedwongenheid van dien stap, stuitte hem zelv' genoeg tegen de borst.3)

[p. 454]

Het Christendom, naar zijne opvatting', streed beide tegen zijn Hegelianisme en zijn Helleensche wereldbeschouwing. Het was doorgevoerd spiritualisme, het was de idee der Entsinnlichung; het leerde, wat men reeds bij de oude Manicheën vindt, dat er nl. twee principiën zijn: de stof, de materie, die uit den booze is, en die gedood, gewelddadig verkracht moet worden, om het hoogere, het geestelijke te doen zegevieren1). Hij zag dus in het Christendom een protest, een oorlogsverklaring tegen alle kunst2), alle schoonheid, alle zingenot, alle ontwikkeling en vooruitgang der volken3), een noodlottige macht in de handen van wereldlijke en kerkelijke overheden om de menigte dom, slaafsch, gehuicheld vroom en in afhankelijkheid te houden. En Heine was de apostel der vrijheid, die Duitschland uit zijn geestelijken doodslaap zou wakker schudden; hij was priester van het Schoone, geboren kunstenaar; hij vond het leven bloeiend, heerlijk. Hij protesteerde even als eertijds Schiller, (ook hij zong zijne Götter Griechenland's) tegen die ontzwaveling der natuur. De tijd der dumme Leiberquälerei, zoo als hij ergens zingt4), moest nu eindelijk eens ophouden. Entbehren sollst du, sollst entbehren5), was tot dusver het eeuwige gezang geweest. ‘Neen!’ is het ‘lebenstrunken’ antwoord der jonge Hegelianen: niet ontberen, maar genieten, zwelgen!! - en met de leuze: Emancipation des Fleisches op de lippen, het hoofd met wingerdbladen omkranst, den gouden thyrsus der poëzie zwaaiend, de wereld, het heelal in één gloeiende panthëistische omhelzing aan het hart drukkende,

[p. 455]

gaat Heine het jonge Duitschland voor! - Later zou hij maar al te smartelijk ervaren, dat het leven geen onafgebroken Bacchusoptocht is.

Maar bij die eerste voegde zich nog een tweede, dieper liggende grond. Het was bij hem niet uitsluitend eene zaak van beginsel, maar ook van hartstocht, van persoonlijk gekwetst gevoel. Aan het christendom knoopte zich voor hem vast de eerste bittere herinnering van verraad, van ontrouw gepleegd jegens de heiligste gevoelens van zijn hart.

Een jong, beeldschoon, joodsch meisje te Hamburg, door Heine, toen ook nog Israëliet, hartstochtelijk bemind, was zoo het schijnt op aanstoken en voorgang van haar vader, tot de christelijke godsdienst overgegaan, niet echter uit overtuiging, maar bloot met het doel, zoo als later bleek, om aan een ‘vermogend’ christen de hand te kunnen reiken1). - Dàt nu is Heine's treuloses Liebchen van zoo even. Van hier - zoo gij in staal zijt de poëzie van den Humor te vatten - die mengeling van weemoed en van wilde phantasie in zijn Buch der Lieder en elders2), die uitbarstingen van ziedenden dichtertoorn tegen: ‘dat,’ wat hem zijne liefste van het hart heeft durven stelen. Zijn oud semitisch bloed kan dien hoon, hem door Japhet aangedaan, niet verkroppen. Gelijk in het Spanje der XVde eeuw, ziet hij voor het oog zijner verbeelding den ouden strijd weêr vernieuwd tusschen Christen en Saraceen; het Kruis3) zich weêr indringen tusschen den jongeling en zijn verloofde, tusschen Zuleima en Almansor (Almansor ben Abdullah toch, zoo betitelt Heine zich zelv', èn in het reeds genoemde drama van dien naam, èn in het gedicht: ‘Almansor, hetwelk voorkomt in het Buch der Lieder4)). De christengod, als de sterkere, heeft gezegevierd, ja! maar - slechts schijnbaar. Zijn liefde zal het toch nog winnen. Hij is sterker dan alle dooden saâm5). Als een

[p. 456]

Vampyr, als: Die Braut von Korinth, als Don Ramiro1) zal hij te middernacht uit zijn graf stijgen en in zijn armen zijn geliefde tot zich voeren. Wee den christengoden! Hun rijk, hun heerschappij spoedt ten einde. Reeds zag hij in den eeuwenheugenden Dom van Cordova de renzenzuilen zich onwillig betoonen, om langer dat trotsche gevaarte te steunen2). Nog weinig tijds - en...

 
- sie brechen wild zusammen
 
Es erbleichen Volk und Priester,
 
Krachend stürzt herab die Kuppel,
 
Und die Christengötter wimmern.

Ziedaar Heine's jongelings-poëzie! Een weefsel van verheven lyriek en van wilde polemiek, van overstelpend gevoel en van bandeloozen hartstocht.3)

In dezen zelfden bundel komt een lied voor, hetwelk ten opschrift draagt: ‘Frieden.’ In een half wakenden, half droomenden toestand meent hij Ckristus, den Heiland der wereld, reusachtig groot, met het hoofd tot in de wolken reikend, de handen zegenend uitbreidend, en de zon, de roode, vlammende zon als hart in de borst dragende, over land en zee te zien zweven. En, ten blijke hoe deze geweldige hemelbestormer bijwijlen ook de zachte aspiratiën van het Christendom heeft weten te idealizeren niet alleen, maar ook een enkele maal moet gevoeld hebben, deel ik de slotregels mede van dat gedicht, zoo als het althans in mijne Gesammtausgabe van zijn Buch der Lieder voorkomt4):

[p. 457]
 
O Friedenswunder! Wie still die Stadt!
 
Es ruhte das dumpfe Geräusch
 
Der schwatzenden, schwülen Gewerbe,
 
Und durch die reinen, hallenden Strassen
 
Wandelten Menschen, weissgekleidete,
 
Palmzweig-tragende,
 
Und wo sich zwei begegneten,
 
Sah'n sie sich an, verständnissinnig
 
Und schauernd, in Liebe und süsser Entsagúng,
 
Küssten sie sich auf die Stirne,
 
Und schauten hinauf
 
Nach des Heilands Sonnenherzen,
 
Das freudig versöhnend sein rothes Blut
 
Hinunterstrahlte,
 
Und dreímal selig sprachen sie:
 
Gelobt sei Jesus Christ.

II.

Niet minder geruchtmakend en revolutionnair, wat betreft de aanvallen op sociaal en godsdienstig gebied, maar ook voor een deel niet minder wegslepend en dichterlijk schoon dan de eerstelingen zijner poëzie, waren Heine's: ‘Reisebilder.’ Het eerste deel (de herinneringen zijner Harzreise en een bundel gedichten bevattend'), misschien het lieftalligste van de vier, zag nog één jaar vóór de Gesammtausgabe van het Buch der Lieder, dus in 1826, het licht1). De drie latere, welke gedurende de jaren

[p. 458]

1827-30 elkander spoedig opvolgden, doen ons den jeugdigen dichter vergezellen naar Norderney, Holland1), Engeland, Tyrol, Genua, Lucca, Florence: in één woord, gedurende zijne reis-, en ook in meer dan éénen zin, storm-periode door het leven. In Mei 1831 vestigde Heine zich voor goed te Parijs2).

In de Harzreise is hij nog bijkans geheel student. Hij schudt zich met welbehagen het muffe boekenstof van de schouderen, keert aan het pruikerige, schoolsche Göttingen den rug toe, snuift vrolijk de veêrkrachtige berglucht in, plukt bloemen waar hij ze vindt, maakt grappen en philosopheert over het leven met al de luchthartigheid der jeugd. Het frissche, zonnige, tintelende van Heine's prozastijl, toen reeds een meesterstijl, laat zich onmogelijk teruggeven. Het is soms geen stijl, maar een stilet3), zoo kort, flikkerend en puntig. Alles, wat hij aanraakt, begint voor u te leven. Gij ziet de natte, glibberige ladders, langs welke hij afdaalt, als in een eindelooze diepte, tot op den bodem der sombere Clausthal'er mijnen en stemt onwillekeurig in met het vrolijke: ‘Glückauf’ van den bergwerker. Gij hijgt meê den steilen Bloksberg op, en hoort Mephisto met den paardenvoet achter den dichter aansukkelend ‘humoristisch adem scheppen.’ Gij voelt den ruwen bergwind u langs den hals snijden, terwijl de zon majestueus in het westen duikt, en trippelt met hem om te midden van al die vrolijke, woelige, echt duitsche menschen-herrie op den ‘langen Herr Philister.’ Gij verneemt het ruischen en murmelen der liefelijke Ilse, die langs ontelbare watervalletjes en in allerlei wonderlijke bochten zich heenkronkelt door het gezegende Ilse-dal. Kortom gij zijt in de Harz, en gevoelt, alsof het u zelven gold, met een soort van heimwee naar dat land van belofte, iets van hetgeen 's dichters ziel heeft bewogen, toen hij zong4).

[p. 459]
 
Auf die Berge will ich steigen,
 
Wo die frommen Hütten stehen,
 
Wo die Brust sich frei erschliesset,
 
Und die freien Lüfte wehen.
 
 
 
Auf die Berge will ich steigen,
 
Wo die dunkeln Tannen ragen,
 
Bäche rauschen, Vögel singen,
 
Und die stolzen Wolken jagen.
 
 
 
Lebet wohl, ihr glatten Säle,
 
Glatte Herren! glatte Frauen!
 
Auf die Berge will ich steigen,
 
Lachend auf euch niederschauen.

De ‘Harzreise’ is misschien, al is het fragment gebleven, het meest harmonisch geheel, dat ooit uit Heine's pen is gevloeid; - het onschuldigst voortbrengsel van zijn jongelings-humor. Zijn spot heeft nog iets goedigs; zijn hart is nog rijk aan illuziëu. Vernuft en gevoel reiken elkaêr nog met zekere vertrouwelijkheid de hand. Bij het zien van een wagen vol Studenten, door één lammen, mageren knol met moeite voortgesleept, roept hij uit: ‘Arm schepsel, uwe voorouders hebben zeker in het Paradijs verbodene haver gevreten!’ - Aan den haard der eerlijke mijnwerkers neêrgezeten, en peinzend over al hetgeen er goeds en edels steekt in die eenvoudige gemoederen, ‘waarlijk,’ schrijft hij, ‘andere volken mogen gevatter, geestiger en amusanter zijn, geen hunner is toch zoo trouw, als het trouwe Duitsche volk.’

En hoe zangerig, der natuur schier afgeluisterd, klinken zijn liederen, in de Harz gedicht:

 
Tannenbaum, mit grünen Fingern,
 
Pocht an's nied're Fensterlein, u.s.w.

of:

 
Ich bin die Prinzessin Ilse,
 
Und wohne im Ilsenstein;
 
Komm mit nach meinem Schlosse,
 
Wir wollen selig sein. u.s.w.

of:

 
König ist der Hirtenknabe,
 
Grüner Hügel ist sein Thron,
 
Ueber seinem Haupt die Sonne
 
Ist die schwere, gold'ne Kron! u.s.w.
[p. 460]

Dit zijn alle juweeltjes van gevoel en uitdrukking; frissche bloemen, in wier kelk de dauwdroppel nog parelt, al waren de geuren, die er uit opstegen, - en welke ouden en jongen met hetzelfde welgevallen inademden, als een vijf en twintig jaar te voren de Franschen die van Chateaubriand's ‘Atala’ - al waren die geuren, zeg ik, niet onvermengd liefelijk noch heilspellend. Onder deze lachende bloemen toch steekt reeds hier en daar het jong-hegeliaansche addertje sissend den kop naar boven. De dennenboom, die met zijn groene vingers tegen de ruitjes tikt, waarachter de dichter met de lieftallige, kleine bergbewoonster zoo zalig zit te keuvelen, hoort zaken, welke een zonderling contrast vormen met de vrome vreedzame bergnatuur, en welke ons eerder aan zekeren Almansor uit het ‘Buch der Lieder,’ of aan zekeren rooden guillotine-marsch, en aan het: ‘Ça ira’ van den franschen trommelslager Le Grand zouden doen denken.

Heine verkeerde namelijk, toen hij zijn Reisebilder schreef, nog in het eerste vuur van den hartstocht der jonge Duitschlandspolemiek. Met het oog hierop, schreef hij dan ook aan Moser1): ‘Het tweede deel der Reisebilder zal stellig oneindig beter zijn dan het eerste. Het daarin voorkomende boek: Le Grand2), zal, verbeeld ik mij, juist in uw smaak vallen. Het overige, de verzen uitgenomen, is klokspijs voor de menigte, die het dan ook met veel graagte verslindt. Ik heb door dit tweede deel ontzachlijk veel aanhang en populariteit verworven. Mijn stem weêrklinkt thans wijd en zijd. Gij zult haar nog vaak hooren donderen tegen de dienders van het vrije denken, tegen de onderdrukkers der heiligste rechten. Ik zal een extra-extra-ordinair professoraat verkrijgen aan de universiteit der groote geesten. - Wat gij inmiddels, dus eindigt hij, in uw Dagblad-wereld voor het boekdeeltje doen kunt, laat dat niet. Er zal erbarmelijk op mij gescholden worden3) en de vrienden

[p. 461]

zitten gewoonlijk stil. Trouwens het is voor Koninkl. Pruissische Staatsbeambten ook wel wat moeielijk om over zulk een boek ronduit hun meening te zeggen.’ - En een maand of vier later1): ‘Dit tweede deel der Reisebilder is eigenlijk een oorlogschip, met een menigte kanonnen aan boord, - hetgeen aan de wereld natuurlijk schrikelijk heeft mishaagd. Het derde deel zal nog veel geweldiger uitgerust, en het kaliber der kanonnen zal nog zwaarder zijn. Ik heb er nieuw soort van kruid voor uitgevonden.’

Dit nieuwe soort van kruid intusschen was niet anders dan de oude ons welbekende Humor, maar die in Heine's handen een ontzettend wapen werd, naarmate hij meer zijner kracht zich bewust werd en hij veelvuldiger uit de sferen van het ideale afdaalde in de vlakte der werkelijkheid. Heine had zich, even als Ludwig Börne en andere hevige revolutionnairen, in zijne politieke verwachtingen omtrent Duitschland, na den val van het fransche Keizerrijk, bitter teleurgesteld gevoeld. Reeds, wegens zijne sympathiën voor Frankrijk, nooit bijzonder levendig met de woelingen der duitsche Burschenschaft2) ingenomen, ergerden hem te meer de doodsche rust, de volkomen slaapperiode, welke op die tijden van schijnbare opwekking was gevolgd. Wat had het op zijne landgenooten uitgewerkt, het trommelen van Le Grand: Égalité, Liberté? - Alles was zoetjes aan tot het oude teruggekeerd. Verdubbelde aanmatiging op grond van lang verjaarde rechten, tiranny, philisterdom ter eener; - knechtszin, apathie, zwijgen uit gebrek aan moed en voorgaan in de oude sleur ter andere zijde. De afspiegeling van dien matten toestand vertoonde zich ook in de litteratuur. Algemeene malaise! - de Romantiek was in haar nadagen; Goethe was nog wel niet dood (hij stierf in 1832), maar toch zwijgend en reeds min of meer vreemd geworden aan het streven van den nieuweren tijd3).

[p. 462]

In zulk een oogenblik nu sloeg Heine reveil en gaf het signaal!

Zoek in zijne Reisebilder geen aaneengeschakelde beschrijvingen. Het zijn: ‘Bilder,’ vluchtige potloodschetsjes, kleine tableaux-vivants, pikante herinneringen uit zijn jeugd, ondeugende toespelingen op Duitschland, eene ware olla podrida, eene mengeling van scherts en ernst, van wijsheid en dwaasheid, van ironie en polemiek, maar die en bloc een even weldadigen en verfrisschenden indruk doen ontstaan, als een stortbad na langdurige hitte. Zoek verder naar hoegenaamd geene kunstige objektiviteit of streng afgebakende richting. Los, dartel als de stijl, zoo huppelen ook de gedachten. Als een echt enfant terrible zegt Heine alles wat hem op het hart ligt. Niets, hoe oud, hoe deftig, hoe eerwaardig, hoe heilig ook vindt bij hem genade. Hij lacht met alle conventie, spot met alle systemen, ontziet niets en niemand; - hij is kunstenaar, dichter, humorist! Hij is de marskramer, die de groote duitsche waren-schat der XIXde eeuw, opgestapeld in veler hoofden, tot dusver een renteloos kapitaal, als kleingoed lachend en zingend in de wereld zal rondventen.

 
Trommle die Leute aus dem Schlaf,
 
Trommle Reveille mit Jugendkraft,
 
Marchire trommlend immer voran,
 
Das ist die gansche Wissenschaft.
 
 
 
Das ist die Hegel'sche Philosophie,
 
Das ist der Bücher tiefster Sinn!
 
Ich hab' sie begriffen, weil ich gescheidt,
 
Und weil ich ein guter Tambour bin.1)

Het laat zich echter begrijpen, gelijk Varnhagen von Ense hem uit Berlijn schreef (zie de noot op blz. 460), dat men in Duitschland wel eenigzins verlegen was, hoe dat nieuwe genre te begroeten. Men voelde zeer goed de piqures, men diende zich ook wel eenigzins geërgerd te betoonen over het vele onvoegzame en goddelooze dat dit geschrijf kenmerkte, maar met dat al - men genoot. En evenzoo gaat het elkeen, die eenmaal het aantrekkingsvermogen dezer zeldzame causeries heeft gevoeld. Willens of onwillens, hij moet mede.

[p. 463]

Een gelief koosd doelwit zijner persiflages is de stad Hamburg, welke met zooveel fierheid roem draagt op haar wijdvermaarde runderribben, en waar ‘de christelijke theologen, al kibbelen zij nog zoo hevig over de beteekenis van het Avondmaal, het over die van het middagmaal steeds ten volle met elkander eens zijn!’ Zelden laat Heine dan ook na, waar hij kan, - en hij had er zijn bijzondere reden voor1) - om zijn diep gewortelden wrok, inzonderheid tegen de millionnairs en geld-aristocraten, die in de Elbestad de hoofdrol spelen, te koelen2). Ik durf zeggen, (zoo ver haalt hij in het 2de Deel van de Reisebilder), dat het bij mij een alleraangenaamst gevoel verwekt, te mogen weten, dat ik hier van duizenden zotskappen ben omgeven, die ik allen in mijne geschriften kan gebruiken; zij zijn voor mij om zoo te spreken zuiver honorarium, baar geld. 's Hemels zegen rust op mij, want de narren zijn dit jaar bijzonder overvloedig en, als een verstandig oeconoom, verteer ik er maar weinigen, zoek er de besten uit en bewaar de rest in het zout. Als een rijk koopman, die van genoegen zich de handen wrijvend' te midden van zijn kisten en balen ronddrentelt, zoo wandel ik hier onder de menschen en ik denk dan: gij allen behoort mij! allen zijt gij mij even dierbaar, ik houd van u zoo veel, als gij van uw geld houdt - en dat zegt veel!! En niet alleen beschouw ik al die menschen als mijn geld, maar soms heb ik aan dat geld, in mijne gedachte, reeds eene of andere bestemming gegeven...Zoo ontmoet ik b.v. nu en dan eene dikke, eenoogige dame, de vrouw van een millionnair, voor wier beschrijving ik mij een rijpaard denk aan te schaffen. Komt gemelde dame mij nu op de wandeling tegen, dan bonst mij het hart reeds van heimelijke verrukking. Ik spring in den geest al in den zadel, zwiep met de karwats, klap met de vingers, maak met de beenen allerlei ruiter-bewegingen...en de lieve vrouw ziet mij dan aan met, een gezicht, zóó vol uitdrukking, als wilde zij mij te kennen geven: ik begrijp u; zij hínnikt met de oogen, spert de neusgaten, zet zich oogenblikkelijk in een kort drafje....En dan sta ik inmiddels, de armen over de borst gekruist, en overleg bij mij zelven, of ik haar op de stang of op de trens zal rijden, of ik haar een engelsch of een fransch zaâl zal opleggen - enz.

[p. 464]

De menschen, die natuurlijk niet weten, welke bijzondere bekoorlijkheden ik aan die vrouw opmerk, geven haren heer gemaal dan wel eens wenken, en fluisteren hem iets in het oor van...roué, gevaarlijk jongmensch enz...Maar mijn vriend de millionnair (ook een van mijne in het zout bewaarde vrienden) zegt dan, geen den minsten argwaan jegens mij te koesteren en...mijn edel ros ziet in mijne voorkomende hoffelijkheid louter de uitdrukking van den geheimen wensch van mijn hart, om eens door hen beide te dineren te worden gevraagd...’ enz. enz. Dan weêr gelden zijne satiren den opgeblazen Hannover'schen Adel1), of Berlijn en de Pruissische aristocratie, of hij brengt schertsend allerlei metaphysische problemen van den nieuweren tijd ter sprake, parodiëert de starre orthodoxie, welke, krachtens haar stelsel, zelfs een Socrates naar de hel moet doemen - en door dat alles heen slingeren zich de liefelijkste bloemen der poëzie, ruischen de diepste tonen van gevoel en van weemoed.

Het derde en vierde deel der Reisebilder verplaatst ons naar Engeland, naar München, Tyrol en Italië. Intusschen, ik kan mijne lezers en vooral mijne lezeressen geenszins onbepaald uitnoodigen, om den dichter ook naar laatstgenoemde plaatsen te volgen.

De wierook, welken men hem destijds van vele kanten begon toe te zwaaien, (hij bewoog zich te München, zoo als hij aan Moser schreef, s. 206, in het ‘Foyer van de Noblesse’), schijnt hem eenigzins bedwelmend naar het hoofd te zijn gestegen2). Terwijl hij zijne kanonnen van ‘zwaar kaliber’ met verdubbelden ijver en hartstocht tegen Monarchie, adel, geestelijkheid, ja tegen wat en wie niet al, begon af te vuren, (en ik verzeker u dat zij duchtig geladen waren!), schoot hij tevens in zijne eigene, moreel reeds min of meer wrak geworden persoonlijkheid, menige bedenkelijke bres. Wie meenen zou bv. aan Heine's hand de heerlijkheden van Tasso's geboortegrond of de kunstschatten der ‘eeuwige stad’ te zullen leeren genieten3), die kieze zich liefst een anderen gids

[p. 465]

deze voert hem in liederlijk gezelschap en in slechte huizen, Wel schitteren ook in deze beide boekdeeltjes duizenden vonken van onwaardeerbaar vernuft en gevoel1). Wel liggen ook hier, gelijk in alles wat Heine schreef, tal van goudkorrels tusschen de bladen gestrooid2). Maar toch - waartoe het verheeld? - tegen een zoo onverholen cynisme als waarmede hier de schrijver, niet zonder kennelijk welgevallen, zich tooit, komen beide hart en schoonheidsgevoel nadrukkelijk in verzet. In deze bladen over Lucca, in zijn boosaardige aanvallen tegen graaf v. Platen, in sommige episodes der Florentynsche nachten, vooral in de beruchte Mémoires van Schnabelewopski3) en in alles wat min of meer de getrouwe afspiegeling vertoont van zijn ‘lekker leventje’ te München4) en van zijn sich herum amüsiren in Italië5), hebben wij voor een goed deel het bezinksel van Heine's dichterlijk talent. Slaan wij deze bladzijden om. Hoe rijk ook aan proeven van de schitterende kracht zijner hekelwoede, zoo waait niettemin een onverkwikkelijke geur er ons uit te gemoet. Heine zelf heeft dan ook later op deze periode van zijn leven terugziende erkend, dat hij gedurende een langen tijd bij de jonge Hegelianen de zwijnen heeft gehoed6). Met geringe naamsverwisseling zou men op haar kunnen toepassen hetgeen hij, bij zijn bezoek op het slagveld van Marengo,

[p. 466]

zelf ten aanzien van Bonaparte heeft gezegd1): ‘Hier nam de generaal Bonaparte zulk eene geweldige teug uit den kelk des roems, dat hij als in een roes consul, keizer en wereldveroveraar werd: - een roes uit welken hij eerst op St. Helena weêr geheel is ontwaakt.’ Heinrich Heine ontwaakte desgelijks eerst ten volle uit zijn wilden levensroes op zijn St. Helena, zijn ziek- en folterbed in de rue d'Amsterdam te Parijs.

Gelukkig kwamen de dichter, de kunstenaar vroegtijdiger in hem tot bezinning.

III.

Parijs!! Eldorado van de droomen zijner jeugd! - Het was in Mei 1831, dat Heine, aangelokt door de Julirevolutie2) en een weinig benauwd ook voor de dreigend uitgestoken klauwen van den pruissischen adelaar, den Rijn overstak en dat hij met een van verrukking kloppend hart voor 't eerst - en te gelijk voor goed, - de muren van dat ‘nieuw Jeruzalem’ binnentrok. Hier was hij aan gene zijde van den Jordaan, buiten het bereik van alle 2duitsche Philistijnen, in het aangebeden land van vrijheid en gelijkheid, in het middelpunt van ware beschaving en humaniteit3).

't Is niet onaardig hem zelv' de eerste indrukken, welke Parijs op hem maakte, te hooren beschrijven.

‘Hoe verbaasd stond ik te kijken, schrijft hij,4) bij den duizelingwekkenden aanblik van al die elegante, smaakvol gekleede menschen, die er precies uitzagen als de figuurtjes van een Modejournaal! En hoe imponeerde het mij, dat zij allen fransch spraken, iets hetwelk men bij ons alleen in de hoogere kringen doet. De heeren waren allen zoo beleefd, en de schoone vrouwen glimlachten zoo betooverend zoet, Kreeg ik onvoorziens, te midden van het gedrang, een stoot in de ribben, zonder dat men mij aanstonds beleefd om verschooning bad, dan kon ik

[p. 467]

wedden, dat die van een Duitscher kwam....Ik vond alles zoo amuzant, en de hemel was zoo blauw, en de lucht zoo verkwikkelijk, en bovendien bespeurde ik nog hier en daar het geflikker van de Juli-zon. De wangen der schoone Lutetia (Parijs) gloeiden nog van de heete kussen dier zon en de verloovingsruiker aan haar boezem was nog niet ganschelijk verlept....Bezocht ik den een of anderen restaurateur, aan wien men mij bijzonder had aanbevolen, dan kwam mij de Speisewirth met de verzekering te gemoet, dat hij, ook zonder zulk een aanbevelings-schrijven, mij goed zou hebben ontvangen, omdat ik zulk een fatsoenlijk en gedistingueerd voorkomen bezat, dat zich van zelf aanbeval. Nooit heeft een duitsche gaarkok, al mocht de vlegel het misschien ook gedacht hebben, mij iets dergelijks gezegd! - Ach! (voegt hij er bij), soortgelijke kleine beleefdheids-vormen, zulke onschuldige vleierijen kosten zoo weinig en zij doen toch het hart zoo goed. - God heeft ons de tong gegeven, om er onzen medemenschen iets aangenaams mede te zeggen...’ enz.

Het is met dat al opmerkelijk, dat Heine, die van kindsbeen af met Frankrijk had gedweept, die er de helft zijner dagen heeft gesleten, die er is gehuwd, die tot aan zijn dood toe met onverzwakte genegenheid aan Parijs, als ware het zijn vaderstad, is gehecht gebleven, zich toch nooit in zijn hart onder de Franschen geheel t'huis heeft kunnen gevoelen. In weerwil van zijn eigen alles behalve onbesproken levensgedrag, ondanks al zijn voorgewend Hellenisme en zijn toomelooze genotzucht, lag er niettemin op den bodem van zijn duitschjoodsch gemoed een overblijfsel van ernst, die hem geen waren vrede kou doen hebben met die tot zede geworden onzedelijkheid1), met dat gemakkelijk laissez-aller, met die onverstoorbare luchthartigheid eener natie, die het leven zoo geheel anders opvat, dan de germaansche volken en voor wie bv. het eigenlijk wezen van den ‘humor’ zelfs een min of meer ontoegankelijk gebied vormt2). ‘Witz’, zoo schreef Heine reeds vroeger uit Göttingen aan zijn vriend Moser3), sprekende van Saphir, den bekenden Weener paljas: ‘Witz in seiner Isolirung ist gar nichts werth. Nur

[p. 468]

dann ist mir der Witz erträglich, wenn er auf einem ernsten Grunde ruht. Darum trifft so gewaltig der Witz Börne's1), Jean Paul's, und des Narren im Lear. Der gewöhnliche Witz ist bloss ein Niesen des Verstandes, ein Jagdhund der den eigenen Schatten nachlauft, ein rothjäckiger Affe der sich zwischen zwei Spiegeln begafft, ein Bastard den der Wahnsinn mit der Vernunft im Vorbeirennen auf öffentlicher Strasse gezeugt, - nein! ich würde mich noch bitterer ausdrücken, wenn ich mich nicht erinnerte dass wir beide selbst uns zu Zeiten herablassen einen Witz zu reissen.’

Toch sympathiseerde hij gelijk ik reeds opmerkte, in tal van opzichten met de Franschen en van hier de machtige, onmetelijke invloed, welken Heine ontegenzeggelijk op het streven en den geest van zijn tijd heeft geoefend. Hij sloeg een brug tusschen de twee natiën2). Hij verbond franschen geest met duitsche ideën. Overzien wij b.v. het voornaamste van hetgeen hij in deze tweede periode van zijn leven heeft geschreven: zijn Salon (1832-1836), zijn romantische Schule (1835), beide onder den titel van l'Allemagne in de Revue des deux Mondes opgenomen3), zijne artikelen in de Augburgsche allgemeine Zeitung (later onder den titel van Französische Zustände en gedeeltelijk ook in zijne Vermischte Schriften bijeengevat4),) dan bespeuren wij daarin, - hoewel overgoten met een altijd onuitputtelijken stroom van humor5), en verbonden met een even eindeloozen guerillerakrijg tegen de Romantiek - zichtbaar den zeer ernstigen toeleg, zoowel om zin voor de voortbrengselen van Fransche kunst, politiek en litteratuur aan te kweeken op vaderlandschen bodem, als om de meestergewrochten van den Duitschen genius, de onsterfelijke gedachten aan het licht gebracht door Duitsche denkers en dichters te onthullen, te verzinlijken voor den gewoonlijk aan lichter en prikkelender spijze gewenden Franschen

[p. 469]

smaak. Dat hij, bij laatstgenoemde poging, alles beschouwde uit zijn eigenaardig, nu eenmaal aan zijne overtuiging als het eenig mogelijke zich aanbiedende gezichtspunt; dat het punt van aankomst der nieuwere philosophie hem toescheen te leiden tot eene ontbinding van al het bestaande, en zij zelve een oorlog à mort te zijn geweest tegen het Deïsme, of liever tegen het Christendom - heb ik reeds gemeld. Maar zeker heeft niemand ooit de grootsche persoonlijkheden van een Kant, Fichte, Schelling, Hegel, Luther, Lessing, Goethe, Herder, Grimm1) enz., noch zelfs die der woordvoerders van de zoozeer door hemzelv' gehavende Romantische School, in één woord, al wat Duitschland ooit op het gebied der gedachte en der kunst uitstekends of merkwaardigs heeft voortgebracht, op boeiender en genialer wijze voor den vreemdeling vertolkt dan hij2).

[p. 470]

Duitschland! dit bleef toch, ondanks al zijn voorgewenden gloeienden afkeer, al zijn bittere sarkasmen, altijd het geheime troetelkind zijner gedachte. Hij behandelde het even als eene onverstandige moeder haar kind, het beurtelings overdreven liefkozend en onredelijk mishandelend; - nu eens fier op zijn ontwikkeling, dan weêr blozend over zijne lompe, onbeholpen manieren. Hij kan niet nalaten gedurig weêr aan, onder een regen van schimpscheuten, den duitschen Michel rug aan rug tegen Frankrijk te plaatsen, als wilde hij zeggen: ‘wat zijt gij toch stumperig en achterlijk.’ Maar - zoo gij in zijn ziel kondt lezen, - gij zoudt ontdekken, dat juist dat eenigzins onbeholpene en onpraktische1) hetwelk Duitschland, zoowel als Israël (want in zijne behandeling van beide ligt eene treffende overeenkomst), kenmerkend onderscheidt, zijn geheime trots uitmaakt en verwant is aan al wat er dieps en innigs schuilt in zijn gemoed.

Hoort b.v. welk eene mengeling van ironie en heimwee er doorstraalt in deze strophen, gedicht na een achtjarig verblijf te Parijs2).

 
Anno 1839.
 
O, Deutschland, meine ferne Liebe,
 
Gedenk' ich deiner, wein' ich fast!
 
Das muntre Frankreich scheint mir trübe,
 
Das leichte Volk wird mir zur Last.
 
 
 
Nur der Verstand, so kalt und trocken,
 
Herrscht in dem witzigen Paris -
 
O, Narrheitsglöcklein, Glanbensglocken,
 
Wie klingelt Ihr daheim so süss!
 
 
 
Höfliche Männer! Doch verdrossen
 
Geb' ich den art'gen Gruss zurück. -
 
Die Grobheit, die ich einst genossen
 
Im Vaterland, das war mein Glück!
 
 
 
Lächelnde Weiber! Plappern immer,
 
Wie Mühlenräder stets bewegt!
 
Da lob' ich Deutschlands Frauenzimmer,
 
Das schweigend sich zu Bette legt.
[p. 471]
 
Dem Dichter war so wohl daheime,
 
In Schilda's theurem' Eichenhain!
 
Dort wob ich meine zarten Reime
 
Aus Veilchenduft und Mondenschein.

Luider en merkbaarder nog verraadt zich dit gevoel in zijn: Deutschland, ein Wintermärchen, gedicht in Januari 1844, nadat hij ten vorigen jare eens en voor het laatst zijn vaderland, zijne familie, en vooral zijn oude moeder had weêrgezien.

 
Die sonnst so leichte französische Luft
 
Sie fing an mich zu drücken,
 
Ich musste Athem schöpfen hier
 
In Deutschland, um nicht zu ersticken.
 
 
 
Ich sehnte mich nach Torfgeruch,
 
Nach dcutschem Tabaksdampfe;
 
Es bebte mein Fuss von Ungeduld,
 
Das er deutschen Boden stampfe.
 
 
 
Ich seufzte des Nachts, und sehnte mich,
 
Dass ich sie wiedersähe,
 
Die alte Frau, die am Dammthor wohnt1);
 
Das Lottchen2) wohnt in der Nähe.
 
 
 
Auch jenem edlen alten Herrn3),
 
Der immer mich ausgescholten
 
Und immer grossmüthig beschützt, auch ihm
 
Hat mancher Seufzer gegolten.
 
 
 
Ich wollte wieder aus seinem Mund
 
Vernehmen den ‘dummen Jungen!’
 
Das hat mir immer wie Musik
 
Im Herzen nachgeklungen.
 
 
 
Ich sehnte mich nach dem blauen Rauch,
 
Der aufsteigt aus deutschen Schornsteinen,
 
Nach niedersächsischen Nachtigall'n,
 
Nach stillen Buchenhainen.
[p. 472]
 
Ich sehnte mich nach den Plätzen sogar,
 
Nach meinen Leidensstazionen,
 
Wo ich geschleppt das Jugendkreuz
 
Und meine Dornenkronen.
 
 
 
Ich wollte weinen wo ich einst
 
Geweint die bittersten Thränen -
 
Ich glaube Vaterlandsliebe nennt
 
Man dieses thörichte Sehnen.

En eindelijk deze beide strophen1), de aandoenlijkste, de dichterlijkste misschien, in welke hij ooit het heimwee naar zijn verlaten geboortegrond heeft bezongen; strophen, die als besproeid zijn met tranen2):

 
Ich hatte einst ein schönes Vaterland.
 
Der Eichenbaum
 
Wuchs dort so hoch, die Veilchen nickten sanft.
 
Es war ein Traum.
 
 
 
Das küsste mich auf Deutsch, und sprach auf Dentsch
 
(Man glaubt es kaum
 
Wie gut es klang) das Wort: ‘Ich liebe dich!’
 
Es war ein Traum.

Het heeft volstrekt niet ten nadeele gestrekt van Heine's roem, dat hij, na gedurende de eerste jaren van zijn verblijf te Parijs, zoo goed en zoo kwaad als het ging den Demagoog te hebben gespeeld (‘spelen’ is het woord), zich van lieverlede weêr terugtrok op het van nature hem aangewezen terrein, dat der dichtkunst, al heeft hij ook, naar zijn eigen bekentenis, op dat gebied menigeen meêdogenloos ‘gekrabt en gebeten’3). Hij besloot toen de moderne denkbeelden, gelijk wij reeds zagen, toe te passen op de ‘Letterkunde.’ De pen te voeren, op het papier te werpen hetgeen zijne ‘vrije’ Muze hem inblies, ziedaar dan ook recht eigenlijk zijn roeping. Zoo men een ‘zwaard’ zal leggen, op zijn grafzerk, naar zijne begeerte, de lauwerkrans behoort er nevens4).

[p. 473]

Bovendien - hij mocht dweepen met het ‘Evangelie der vrijheid’ en met ‘Sansculottisme’ zooveel hij wilde, in den grond zijns harten was en bleef hij toch, gelijk alle kunstenaarsnaturen, niet weinig aristocratischgezind. ‘Zoodra’ ('t zijn zijne eigene woorden) ‘het door hem gepredikte Atheïsme zeer sterk naar kaas en brandewijn en tabak begon te stinken1);’ zoodra de genius van het Communisme, welken hij steeds met de bloemenkransen der geurigste poëzie had omwonden, naakt en vuil of in afzichtelijke lompen gehuld, op de handen van het schuim der Parijsche bevolking, in alle kroegen en wijnhuizen werd rond gedragen, toen werd datgene wat hij met zijn ‘verstand’ tot dusver niet had begrepen, hem door middel van zijn ‘reukorgaan’ duidelijk; toen gingen hem de oogen open en trokken de ‘voelhorens’ zijner fijnbewerktuigde dichternatuur zich onmiddellijk terug.

Van nu af vermeed hij zorgvuldig iedere aanraking met Politiek en Theologie als ware het de beet van een dollen hond2). Maar juist hierdoor heeft hij zich nameloos veel leed op den hals gehaald. Bij alle partijen had hij het thans gelijkelijk verkorven. In het oog der radicalen was hij een lafhartige Renegaat geworden. De lang ingehouden woede, die reeds lang op eene gelegenheid had geloerd, om wegens zoo menige pijnlijk geslagen wonde wraak te oefenen, barstte van alle kanten met daverend geweld tegen hem los. Hij, die, even als zijn doorluchtige Engelsche tijdgenoot en dichterlijke evenknie, nooit iemands gevoel, noch denkwijze, noch goeden naam had gespaard; die honderden met naam en toenaam aan de kaak had gesteld, die tegen de gansche maatschappij de hand had opgeheven - hij moest thans op zijn beurt ondervinden, hoe de hand van allen was tegen hem.

Dit zijn voor Heine harde jaren geweest!

Opgestuwd nog daarenboven door zijn van nature reeds uiterst prikkelbaar gestel (hij behoorde tot die menschen, gelijk er meer zijn, die hoogstgaarne met andere spotten, maar die zelve geen

[p. 474]

de minste scherts kunnen verduren1)), steeg zijn drift, zijn woede soms boven alle palen. Zijn berucht boek tegen Ludwig Börne (1840), o.a. kan er ons een duidelijke proeve van geven. ‘Je suis sorti vainqueur, schreef hij aan een vriend, de la plus terrible crise, que les littéraleurs allemands aient eue à traverser2).’

Ik glijd over deze jaren heen, waarin hij zich wel als schrijver maar geenszins als mensch nieuwe lauweren heeft gevlochten.

Eene oase in die woestijn van bitterheden was de verschijning van zijn: Atta Troll, ein Sommernachtstraum (1841) en voor een deel ook van zijn zooëven reeds genoemd gedicht: Deutschland, ein Wintermärchen (1844), dat begeleid werd door een bundeltje Neue Gedichte. - Hier ademen wij voor 't eerst weêr iets van de geuren, iets van het zoete en bevallige van Heine's jongelingspoëzie. Intusschen - de jongeling is tot een man gerijpt. Hij heeft gestreden, hard en bloedig gekampt. Zijn gloeiende idealen heeft hij moeten opgeven voor het kille proza der werkelijkheid. Wel is het hem gelukt, na forsche tegenweer, zijne persoonlijke tegenstanders onder de knie te krijgen, maar het groote doel, hetwelk hij had beoogd, Duitschlands bevrijding in den door hem gewilden geest, - heeft hij niet bereikt. In de politiek, op den kansel, in de litteratunr, overal hebben de gehate Philistijnen3) het roer in handen.

Welnu - thans, na zoo lang en zoo ernstig als een Puritein te hebben gekampt, wil hij den boog eens weêr verruilen voor de lier, en als Democriet de dwaasheid om hem heen belachen.

 
Der Tag hat ihn müd' gemacht.4)
[p. 475]

Kom, weeke muze der romantiek, lieveling van de droomen zijner jeugd; kom, zangster van Rabelais en van Molière! Reikt uwen dichter de gouden citer der poëzie. - Hij is nog waard die te tokkelen. Hij heeft ze nog niet verleerd, de stoute vingergrepen van weleer. Het is de oude Heine nog, al is zijn gemoed iets meer bitter geworden. - Goudbeslagen zijn nog altijd de hoeven van zijn gevleugeld, melkwit ros, welk's van parelen gevlochten toomen hij lustig viert1). Scherpgepunt zijn nog de pijlen van zijn onverstoorbaren Humor, welke hij met altijd wisse hand links en rechts afschiet. Hij weet nog te zingen van:

 
Das knospet und quillt, mit duftender Lust -
 
Es liebt sich so lieblich im Lenze!2)

Hij weet nog de Atta Troll's, de tendenz-beeren uit het dichterlijke Zwabenland, die wel door ‘karakter,’ maar niet juist door ‘talent’ uitmuntten3), te doen dansen en schommelen, al is het zeer tegen hun zin, op de maat van zijn tartende en wiegelende rijmen. Alleen - gelijk ik zoo even zeide - er zijn merkbaar eenige snaren op zijn speeltuig ontstemd. De gloei-

[p. 476]

ende geestdrift voor de idée, die voormaals hem bezielde1), is zooal niet uitgebluscht, dan toch merkelijk bekoeld. Er ruischt hier en daar een ontbladerende herfstwind door de twijgen, devoorbode van den naderenden winter. Weinig intusschen heeft onze dichter gewis vermoed, dat die winter zóó ras en zóó vrees selijk voor hem op handen was!

IV.

In het jaar 1845 verbreidde zich voor 't eerst onder 's Dichters vrienden de treurmare zijner ziekte. Tengevolge eener driftopwelling bij een kleinen familietwist, door eene beroerte getroffen, bleef hij aan sommigen zijner ledematen verlamd. Drie jaren later intusschen2) had de kwaal hand over hand verergerd reeds dat somber, dat ontzettend, dat hoogernstig karakter aan-

[p. 477]

genomen, waardoor het ons, als wij van Heine spreken, bijkans onmogelijk is geworden, ons dien dichter anders voor te stellen, dan gelijk hij, op de fraaie gravure van Gleyre1), half in een laken gewikkeld, het hoofd in de kussens van zijn armstoel gedoken en steunende op de fijne, bleeke hand, de oogleden (waarvan hij er slechts één met den vinger kon oplichten) gesloten, - neêrligt met eene onbeschrijfelijke, door lijden veredelde uitdrukking op het gelaat. Hartbrekend schouwspel! Ontzettend besluit van dat vrolijk begonnen dichterleven! Zijn kwaal bestond, zoo het schijnt, in eene verweeking van het ruggemerg, en bleek alras ongeneeslijk te zijn. Acht jaren lang, krimpend onder duldelooze pijnen, bij den dag stervende om zoo te spreken, den dood langzaam ziende nader sluipen, lag hij daar - hulpbehoevender dan een kind. Wel was dit, naar zijne eigene woorden, ‘eene verschrikkelijke tragedie’2); eene tragedie in den trant van Shakespeare, van den King Lear. De beschouwing van dien stervenden dichter zou stof voor een boekdeel kunnen opleveren.

Heine was gehuwd. Zonderlinge echt! Begonnen met eene dier liaisons, ménages parisiens geheeten, welke door jongelieden - vooral kunstenaars - in de fransche hoofdstad veelvuldig worden aangegaan3), werd hij eerst later, (volgens Meissner ter oorzake van een Duel) met al de vereischte vormen gesloten. Nooit heeft, zoo als hij zelf lachend placht te verhalen, zijne vrouw een enkelen regel schrifts van hem gelezen. Toch droegen zij elkaêr, gelijk men zegt, op de handen. Mathilde4) was zijn speelpop. Haar vrolijk gesnap, haar kinderlijke uitvallen amuseerden hem.

 
Hör' ich sie schwatzen,

zingt hij:5)

 
Trinkt meine Seele die Musik.

Daar hun echt onvruchtbaar is gebleven, zoo was zij hem

[p. 478]

Weib und Kind zugleich.’ Er ligt iets aandoenlijks in de wijze, waarop hij soms, - te midden zijner eindelooze echt joodsche visioenen van den grimmigen dood, den ‘bösen Thanatos,’ die op zijn valen klepper, welks draf en hoefslag hij reeds meent te hooren, hem nadert, - in droeve verzuchtingen over het lot zijner arme Mathilde, die hij als ‘wees en weduwe’ in de wereld zal achterlaten, losbarst:

 
Ihr Engel in den Himmelshöhn,
 
Vernehmt mein Schluchzen und mein Flehn,
 
Beschützt, wenn ich im öden Grab,
 
Das Weib, das ich geliebet hab',
 
Seid Schild und Vögte Eurem Ebenbilde,
 
Beschützt, beschirmt mein armes Kind, Mathilde1).

Treffend zijn ook de bewijzen der diep gewortelde liefde, welke hij zijner oude moeder toedroeg2). Alfred Meissner deelt ons in zijne reeds vermelde: ‘Erinnerungen,’ van die gehechtheid ééne merkwaardige trek mede.

‘Eens des avonds, schrijft hij, bij den kranken dichter binnentredende, hoorde ik hem aan zijn secretaris een brief dicteeren, en toen ik vroeg voor wien die brief was bestemd, gaf Heine ten antwoord: ‘voor mijne moeder!’

[p. 479]

- ‘Zij leeft dus nog - vroeg ik - de oude vrouw, “die am Dammthor wohnt?”’

- ‘Ach ja,’ zeide hij, ‘zij is wel is waar oud en ziek en gebrekkelijk, maar het is toch nog altijd hetzelfde warme moederhart.’

- ‘En schrijft gij haar dikwijls?’

- ‘Geregeld iedere maand.’

- ‘Wat moet uw toestand haar diep ongelukkig maken!’

- ‘Mijn toestand?’ hernam Heine. ‘O, wat dat aangaat, leven wij samen op een zeer eigenaardigen voet. Mijne moeder houdt mij voor even wèl en gezond, als ik was, toen ik haar de laatste maal te Hamburg heb gezien. Zij is oud en leest geene couranten. De enkele vrienden, die haar bezoeken, verkeeren in hetzelfde geval. Ik schrijf haar, zoo goed als het gaat, in een opgewekte bui; vertel haar van mijne vrouw en van hetgeen mij aangenaams wedervaart. En als zij dan wel eens hare bevreemding uit, dat alleen de handteekening van mij en het overige door mijn secretaris geschreven is, dan heet het, dat ik een weinig aan de oogen lijdt; dat ik evenwel spoedig zal beteren, maar dat ik op dit oogenblik niet in staat ben alles eigenhandig te schrijven. En zoo is zij gelukkig. Dat overigens, zoo besloot hij, een zoon ooit zóó krank en zóó diep rampzalig zou kunnen worden, als ik ben, dat zou toch geene moeder gelooven.’

Er ligt → ik herhaal het - iets ontzettends, iets hoog tragisch in het schouwspel dier afmattende worsteling van een gemoed, zoo vol warme, heerlijke aspiratieën, maar tegelijk zoo in zijn diepste diepte geschokt en onverzoend gebleven, als waarvan Heine's ziekbed ons getuigen doet zijn. De meest teugellooze phantasieën, de somberste visioenen over het leven en den dood en het graf en de toekomst, en zijn roem en zijn verijdelde verwachtingen, ja over wat niet al? doorkruisen wakend en droomend zijn koortsig dichterbrein, ontlokken hem nu eens de ijsselijkste Hiobs-vervloekingen, plooien dan weêr zijn lippen tot een eynischen grimlach, of doen in een heeten tranenstroom hem losbreken en vormen te samen eene Lyriek, waarvan zeker tot dusver de poëzie geen wedergade heeft aan te wijzen.

En toch - wie zou het verwacht hebben? - uit dien schijnbaar verdorden bodem (en zie hier wel een bewijs, dat deze gefolterde en geschokte lijder tot aan zijn jongsten snik een uit-

[p. 480]

verkoren gunsteling der Muzen is gebleven) rees noch onverwachts op den laten avond een wonderboom, zóó forsch, zóó groenend’ zóó breed getakt, dat men zou meenen, dat hij door 's dichters jongelingshand ware geplant. Ik bedoel den Romancero1) (1851).

De Romancero is de Finale, gelijk weleer het Buch der Lieder de Ouverture was geweest van Heine's dichterleven. In den Romancero zingt Heine zijn zwanezang. Hierin verneemt gij den ruischenden nagalm van al de betooverende liederen zijner jeugd. Neen, de dichter van den ‘Almansor’ is niet, zoo als het gerucht heeft gemeld, zooals door menigeen met eene alleszins begrijpelijke graagte is geloofd, op zijn sterfbed als de verloren zoon in de armen van het gesmade Christendom teruggekeerd. Hij heeft noch de Venus van Milo, noch de dienst van de goden van Hellas ooit vaarwel gezegd in zijn hart.

 
Wohl tausend Jahr aus Gräzia
 
Bin ich verbannt, vertrieben -
 
Doch ist mein Herz in Gräzia,
 
In Gräzia geblieben.2)

Hij is gebleven die hij was, geheel dezelfde; een ongelukkig, een verdwaald genie; half Semiet, half Helleen, half Germaan; nergens t'huis behoorende; maar van ‘den God’ wiens adem hij in zich voelde3) met onverzwakten gloed getuigende tot dat de levensadem hem begaf. Sla den Romancero op. 't Is dezelfde op- en afklimming langs de gansche toonladder des gevoels. 't Zijn dezelfde stoute, vermetele, merg en been doordringende, maar ook zoete, wonderschoone akkoorden, als die gij verneemt in het lied zijner jeugd; nu alleen forscher, machtiger aangeslagen, daar het de ‘stervende’ zwaan is, die zijn lied zingt. Breed en vol als van ouds ruischen de tonen dezer grillige orchestmuziek. Andante, Adagio, Allegro, Menuetto, alles klinkt daaruit, als uit het ‘Buch der Lieder’, maar nog bezielder, u tegen: klagende Elegieën, roerende balladen, verhevene Lyriek, schreien en lachen, zonnegloed en nacht, eb en

[p. 481]

vloed. Het is als laat de dichter alle klanken, die in zijn gemoed sluimeren, nog eens hoog en vol opbruisen; als wilde hij voor 't laatst nog eens1) al de lava uitgieten, welke zijn heete borst verzengt...! Gij vliegt met hem het leven en de wereld door. Egypte, Hellas, Perzie, middeleeuwsche Romantiek; alle poëzie en glorie van den vóórtijd, waaraan ooit zijn hart heeft gehangen, waarmede immer zijne verbeelding heeft gedweept, gij ziet ze weêr in de zonnigste tinten voor u opdagen. - Gij luistert naar de eeuwènoude Rijn-sagen, gij volgt ‘Edith Schwanenhals’ op het met lijken bezaaide slagveld, gij hoort de doodenlitanie der monniken, gij treedt achter de lijkbaar van den Perzischen dichter Firdousi, gij verneemt den vrolijken citerklank van Apollo ‘den Gott der Musika’; gij zweeft met den dichter, gedragen op de slippen van zijn mantel, naar Amerika, naar Spanje en eindelijk....naar Jeruzalem!!

 
Jeruzalem, eer dat ik u vergete,
 
Vergeet' mijn rechterhand zich zelv' veeleer.

Opmerkelijk inderdaad! Terwijl Heine, -, gelijk trouwens ten volle met zijn geestesrichting strookte - zijn gansche leven door er een zeker boosaardig genoegen in heeft geschept, om het Jodendom, waaruit hij was gesproten, in zijn verachtelijkste, vernederendste, karikatuur-achtige vormen, in zijn hondsgestalte2) te doen kennen, terwijl hij niet dan bij uitzondering3) nu en

[p. 482]

dan heeft getoond ook een hart te hebben voor dat Israëlitisme, hetwelk toch onmiskenbaar een der hoofdaderen uitmaakt zijner poëzie, bezong de kranke dichter hier, in den Romancero, met een ongeëvenaarden gloed de heerlijkheid, den adel van zijn oud en vermaard geslacht. Ook zijn Jeruzalem intusschen, zoo min als dat van Da Costa, - lag in het Oosten, maar verhief zijn tinnen - in het Zuiden. Jehuda ben Halevy, de groote dichter en schriftgeleerde van zijn stam, die geschitterd heeft in den bloeitijd van het ‘Spaansche’ Ridderwezen, ziehier zijn held. En in dien held verheerlijkt en vereeuwigt Heine twee gevoelens, juist die beide welke hem het naast, het innigst ooit aan het hart hebben gelegen, te weten: zijn mystisch joodsch heimweê en zijn verterende liefde voor de poëzie.

Op zich zelven toch zinspeelt hij, als hij zegt:

 
Auch der Held, den wir besingen,
 
Auch Jehuda ben Halevy
 
Hatte seine Herzensdame;
 
Doch sie war besondrer Art.
 
 
 
Jene, die der Rabbi liebte,
 
War ein traurig, armes Liebchen.
 
Der Zerstörung Jammerbildniss,
 
Und sie hiess Jerusalem.
 
 
 
Schon in frühen Kindestagen
 
War sie seine ganze Liebe;
 
Sein Gemüthe machte beben
 
Schon das Wort Jerusalem.

‘Und’, zoo luidt het in de onsterfelijke strophen die voorafgaan, de schoonste wellicht welke Heine ooit heeft neêrgeschreven; het beste althans van zijn ziel ligt er in uitgestort:

 
Und Jehuda ben Halevy
 
Ward nicht bloss ein Schriftgelehrter,
 
Sondern auch der Dichtkunst Meister,
 
Sondern auch ein grosser Dichter.
 
 
 
Rein und wahrhaft, sonder Makel
 
War sein Lied, wie seine Seele -
 
Als der Schöpfer sie erschaffen
 
Diese Seele, selbstzufrieden.
[p. 483]
 
Küsste er die schöne Seele,
 
Und des Kusses holder Nachklang
 
Bebt in jedem Lied des Dichters,
 
Das geweiht durch diese Gnade.
 
 
 
Wie im Leben, so im Dichten
 
Ist das höchste Gut die Gnade -
 
Wer sie hat, der kann nicht sünd'gen
 
Nicht in Versen, noch in Prosa.
 
 
 
Solchen Dichter von der Gnade
 
Gottes nennen wir Genie:
 
Unverantwörtlichter König
 
Des Gedankenreiches ist er.
 
 
 
Nur dem Gotte steht er Rede,
 
Nicht dem Volke. - In der Kunst,
 
Wie im Leben kann das Volk
 
Tödten uns, doch niemals richten. -

Heine stierf den 17den Februari 1856. Toen zijn stoffelijk omhulsel op het kerkhof van Montmartre in de groeve werd neêrgelaten, en ook daarna, werd door een algemeen ‘zwijgen’, ook van de pers, op veelbeteekenende wijze in vervulling gebracht, hetgeen hij, in dezen zelfden Romancero, als in een somber profetisch voorgevoel had voorspeld1):

 
Keine Messe wird man singen,
 
Keinen Kadôsch wird man sagen,
 
Nichts gesagt und nichts gesungen
 
Wird an meinen Sterbetagen.

Een enkel woord tot besluit. Tien jaren zijn sedert des dichters ontslapen verloopen, en in dien tusschentijd heeft zich de algemeene opinie vrij eenparig geuit over de plaats, welke den

[p. 484]

gevreesden doode toekomt op den duitschen Zangberg. Als lyrisch dichter begroet zij in Heine den naasten troonopvolger van Goethe1). Toch is de indruk, waarmede wij van hem scheiden, - en de oorzaak hiervan is volstrekt niet onverklaarbaar - over het geheel onbevredigend. Heeft Heine - zou men kunnen klagen - wel ‘al’ datgene voortgebracht, wat men, in aanmerking genomen zijn scheppend genie en zijn verwonderlijk boetseervermogen, van hem zou hebben kunnen verwachten? Hebben zijn kunstgewrochten niet alle meer of min iets ‘unfinished?’ Voor een deel is die klacht onbillijk, maar voor een deel ook schuilt in haar de aanwijzing juist van de fout, die op Heine's poëzie een zeker noodlottig vermogen oefent, te weten zijn eigen volslagen gemis aan ‘selfrespect.’ Verstaan wij elkander intusschen wel. Ik maak Heine volstrekt geen crime van zijn verregaand subjectivisme. Dat hij de wereld gedurende een halve eeuw bijkans uitsluitend met zich zelv' heeft bezig gehouden; dat zijn lied, met vlijmende sarkasmen besprenkeld, de weêrkaatsing vertoont van alle aspiratieën, verzuchtingen en twijfelingen onzer eeuw, zoo als die in bonte wanorde in zijn eigen gemoed stonden afgedrukt; dat hij met ongehoorde vermetelheid heeft uitgesproken, wat menigeen in het diepst van zijn hart denkt of begeert, - hierin juist bestaat zijn eigenaardige verdienste. Juist in die onomwonden openbaring van zich zelv', in die onbezorgde uitstorting van alles wat beurtelings zijn luim of zijn haat opwekt, in dat zonderling van-den-hak-op-den-tak springen, in dat met bliksemsnelheid overgaan van het eene gebied op het ander, juist hierin ligt de innige aantrekkingskracht welke deze Dichter oefent. - Niemand begeert van hem de magistrale kalmte van een Goethe2).

[p. 485]

Ook dat hij door zijn lijden, door zijn vreesselijken rampspoed overprikkeld, en in het volle bewustzijn zijner meerderheid, meermalen hard en onredelijk is geweest in zijn aanvallen; dat hij personen in plaats van zaken heeft aangetast, is in hem vergeeflijk. Dichters zijn fijner bewerktuigd, worden lichter ontstemd dan het gros der menschen.

Maar wat wij - ondanks alle sympathie - in hem betreuren; wat ons, bij het genot, ook van zijne beste kunstvoortbrengselen, eeuwig iets onvoldaans in het hart zal doen behouden, - het is de grenzenlooze frivoliteit, waarmede hij, die alles wist te idealizeren, die zijn ongeëvenaard talent zich bewust was, zoo vaak uit gekrenkte ijdelheid, ook datgene wat hij in zijn hart als waar en goed vereerde, heeft bezoedeld, of waarmede hij baldadig het eenmaal schoon aangelegde beeld, eigenhandig weêr heeft vernield; - het is vooral zijn teugelloos, bijkans tot wet door hem verheven sensualisme, de bron van al zijn eigene rampzaligheid, en tevens van het gif, hetwelk hij in zoo rijke mate in de hoofden en harten der jongelingschap heeft doen vloeien.

Speel niet met de slangen; want wie met hen speelt tot aan den rand van het graf, dien volgen zij ook in het graf en omstrengelen hem daar, en als zijn ziel dan omhoog wil, dan houden zij hem terug in het slijk’...zoo waarschuwde hem nog bij tijds een vaderlijk vriend zijner jeugd1). Heine heeft dien hartelijk gemeenden raad in den wind geslagen2). Hij heeft niet opgehouden met de slangen te spelen tot aan zijn dood; en zij hebben hem omstrengeld al vaster en vaster en ten

[p. 486]

laatste met hèm gespeeld. En de eenige wederstand, welken de arme vermocht te bieden, was een hartverscheurende kreet nu en dan, een kreet van afgrijzen en vertwijfeling, omdat zijn hart tot iets beters was geschapen.

Hetgeen men van den franschen dichter Alfred de Musset, Heine's vriend en tegenhanger, heeft gezegd, is in nog volkomener mate op hem zelv' toepasselijk. ‘Zijne poëzie is eene openbaring!’ - de openbaring niet bloot van een persoon, niet alleen van eene Époque, maar ook van eene zedelijke wereldorde. Dat Heine onverzoend is gestorven, dat hij gerebelleerd heeft tot aan zijn jongsten ademtocht, dat is ons een moreele troost en bevredigt ons ten slotte met hem.

Onze eeuw is eene eeuw van ontbinding, maar tevens van reconstructie1). De periode der ontkenning (der Verneinung) heeft haren Zanger gehad, en geen die het Heinrich Heine zal verbeteren. Nog trilt half de wereld onder den dreunenden nagalm van dat wilde lied. Zal ook de nieuwe periode, welke wij zijn ingetreden, eens haren zanger vinden? Zullen de positieve elementen onzer eeuw die nog verspreid liggen, eens mede worden samengeraapt door een's dichters reuzenhand?

 
‘Es sei kein Traum!’

Velp.

P. Bruijn.