[p. 647]

Meizondag in het Vondelspark.
Een teekening van Bato van de Maas.

's Zondagsmorgens vroeg heerscht er allerwege in de Amsterdamsche straten zoo'n welgemeende rust. Onder vroeg verstaan wij dat liefelijk plegtig oogenblik waarop, in de bovengenoemde maand b.v., de eerste zonnestralen groote en forsche schaduwen tooveren op de pleinen en de hoeken der straten. De laudman was die schaduwen voor, en noemt 't door ons bedoelde oogenblik laat; iemand in de Warmoesstraat geboren en getogen noemt het vroeg. Wij volgen diens spraakgebruik om redenen. Veel ernstiger dan in 't hart van den nacht zwijgt oud- en nieuwzijds; het Paleis geniet gelijk Atlas, die op dit oogenblik niets anders te torschen heeft dan 't hemelgewelf. De Meinachtelijke frischheid van daarbuiten heeft zich, door de tuinlegende, uit het over-Jordaansche doen dragen en deelt zich verkwikkenderwijze mede aan de prinsen, keizers en heeren onder de grachten dezer stad. In alles is morgenkracht, zelfs de schaduwen schijnen piramiden en obelisken van veel beteekenis; zij schijnen ons geschiedenissen te willen verhalen stout en ruw, zacht en liefelijk gelijk die van Cheops en Sesostris plegen in de nubische stilten. O zeker, oude en jonge Amsterdammers! zeer zeker zouden zij veel kunnen vertellen - want toen zij verschenen op uw markten en straten - ook dezen morgen - toen hadden zij nog veel te verrassen, nog veel te overschaduwen!

Van lieverlede begint het zonlicht door te breken. De krijgers met de gouden helmen en lansen hebben de daken der huizen reeds ingenomen en komen langzaam maar zeker op

[p. 648]

de nachtspoken af. Nog een oogenblik, en deze zwarte reuzen liggen ontzield op de straat; hun levenskracht is weg, en als het lichtheir de stad genomen heeft, zijn zij uitgemergeld; de laatste snik wordt gegeven. Op dezen Meimorgen is het er warm toegegaan; want zelfs op de lijken hebben de overwinnaars hun tenten geslagen.

God deed het licht des daags opgaan over boozen en goeden, gelijk het licht der waarheid. Wij zouden haast geneigd zijn, eerbiedig te vragen, of 't niet beter ware, dat het rijk der nachtspoken en sombere reuzen een kleine wijl van kracht bleef, opdat de mensch eenmaal de welsprekende taal mogt verstaan van den nacht? Eenmaal van zijn telgen en tolken leeren, wat hij zou kunnen onderwijzen, indien hij aan 't woord werd gelaten? Leerzame knekelzangen kon hij zingen op de wijze van Lenore...maar de hemelsche Vader heeft niet alzoo gewild. Na iederen avond nacht, maar zeer kort; na iederen nacht dag en zeer lang; en iederen morgen liefde, licht, lucht, leven voor allen; zij zijn allen zijn kroost; één dankbaar kinderhart van deze zijde, één teeken van berouw van gindschen kant, doet reeds den eersten morgen daarna de zon met meerder luister de overwinning vieren op den nacht.

Van dit geloof doordrongen, gaan de meesten reeds vroeg naar de kerk. Wie de stad het vroegst bevolken, zijn de nijveren: de tempelgangers; op 't zelfde oogenblik, dat ginds in 't over-Jordaansche de leeuwerik zijn dank zingend opdraagt naar den hemel, bidt zacht en dankt nog zachter zoo menig edel menschenhart.

Met zoo menige traan van berouw opent deze dag zijn blijheid en zijn bron van zegen voor een weleer afgesloten gemoed. Geluk u, heil u, groote stad! die zoo 't nieuwe leven begint op dezen veelbelovenden Zondag!

Terwijl er zoovelen naar de ochtendkerk gaan, gaan er velen naar buiten. Er is op Zondagmorgen zoo menig juk afgelegd. Dit kunnen enkelen, die den schijn hebben geen juk te dragen, niet begrijpen, en daarom laken dezulken zoo menigmaal den vroegen kerkgang, de vroege wandeling, de blijde gezigten - onverdienderwijze. Ik noem ze niet gelukkig, die menschen, die meenen geen juk te hebben; noodzakelijk zijn zij verstoken van 't Zondagsgevoel. Wat ons aangaat, liever zes dagen van de zeven een juk op de schouders, om de zevende maal der week

[p. 649]

in den druk te worden verligt door het gezegend Zondagsgevoel, dan zeven dagen der week zonder zorg, om de zevende maal der week zonder geluk te zijn, dat geluk immers, dat in de Zondagsviering, reeds als zoodanig, is gelegd.

Sints de laatste zeven jaar, en inzonderheid sints den achttienden oktober 1867, gaan veel Amsterdammers, op een Zondagmorgen, gelijk nu, de Leidsche poort uit naar buiten. Weinigen gaan regtsaf den alouden Overtoom op, om welligt een pleizierreisje met het bootje te maken naar de Meer of een wandeling naar Sloten. Weinigen regtuit om in 't Voorhout1) te zitten en de menigte de poort te zien uitkomen. De meesten gaan linksaf het groote park in, dat door weldoende stadgenooten aangelegd en aan hun stadgenooten geschonken is. Dit park, dit schoonst geschenk aan een zoo groote bevolking als die van Amsterdam, heet sints den 18den oktober 1867: het Vondelspark.

Daar hebben wij den tweeling: Vondel-Amsterdam; daar hebben wij het medium, dat Amsterdam tot Vondel leidt: het Vondelspark. Wat wonder, dat de bevolking, die tegenwoordig binnen de muren der stad veel harder werken moet om het dagelijksch brood, dan er ooit te voren in die rijke stad gewerkt is, behoefte gevoelt, zijn Zondagsgevoel de edelste wijding te geven. Zij gaat daar immers op tot den man, die Amsterdam zoo lief had om zijn grootheid, om zijn pracht, om zijn luister onder de wereldsteden; tot den dichter, die aan Amsterdam zijn grootsten luister schonk, door er een geheele eeuw de minnezanger van te zijn. Zij gaat daarheen om in het park en in het beeld des dichters te aanschouwen, welke groote burgers de stad heeft voortgebragt. Daar is derhalve haar voorbeeld en haar trots, haar vereering en haar prikkel: de afbeelding van haar stad gedurende een harer krachtigste tijdperken. Zij heeft haar zorgen afgeschud en vermeit zich in verbeelding in dat park Amsterdam te zien staan in zijn vollen bloei der geheele 17de eeuw. Schoone Spiegel - die door regte lijnen iets heerlijkers geeft te aanschouwen, dan het krom en verdraaid geslacht, waarmede zoo veel andere parktuinspiegels onze oogen beleedigen.

[p. 650]

Want wij behoeven ons niet te vergenoegen met enkel beeld. 't Is hiermede niet zooals met de voormalige leidsche poort, die wij nog maar alleen op den hoek der leidsche- en kerkstraat kunnen zien op een ruit boven de deur eener kroeg; - niet zooals met zooveel andere merkwaardige oudheden, die weggeslagen werden door den hier en daar zegepralenden ontkennenden tijdgeest. Godlof! meer dan een stadspoort, meer dan een oude toren was hier. Hier was een amsterdamsch burger van 92 jaar; hier was een hoogvereerde van land en stad en vors enhuis; hier was een zoon van Apollo: de vorst der dichters van 't vaderland was hier: een dier onsterfelijken, door ie der volk waaraan God ze had geschonken, zoo hoog gewaardeerd; wijl zij de roem der natie waren en tegelijk de waarborg van haar duur.

Zoo liggen dan ook Vondel's werken ter beschikking van zoovelen, die op dezen blijden Zondagmorgen Vondelwaarts gaan. En den opmerker en luisteraar kan al spoedig blijken, dat die werken den volke bekend zijn, te hooren uit zooveler gesprekken en opmerkingen. Ik vind 't een weinig gewaagd van Beets, dat rondweg vonnissend, m.i. miskennend woord: ‘men kent, noch leest Vondel.’ Van Lennep heeft bijna geen hoofdstuk in zijn vele historische romans, zonder een regel of een vers, en daarvan veel uit Vondel, tot motto. En nu geloof ik, dat 't niemand zal invallen, een motto het karakter van gids naar den besproken dichter te ontzeggen - tenzij dr. v. Vloten, ‘der Geist, der stets verneint.’ Maar behalve deze trouwe schaduw van Mefistofeles, zal ieder zich overtuigd houden dat vooral ook daardoor alweer onderwijs is gegeven in de Vondelspoëzie sints bijna tweehonderd jaar, om met regt te mogen zeggen, dat het hollandsche volk Vondel kent. Die ‘van oudsher altijd weer opgehaalde verzen’ mijnheer van Vloten! die zijn het, die aan uw tijd en vlijt, aan Vondel en Nederland besteed, het bedoelde en verdiende loon zullen doen toekomen. Indien de vaderen op die wijze niet herhaaldelijk aan de deur hadden geklopt, u zou nu nog niet opengedaan zijn, of meent gij inderdaad zoo maar met dien eenen slag van u water te doen springen uit de rots? ‘Een einde te maken aan dien ijdelen ophef met een naam, dien men met alle regt zou vieren, als men 't met wat meerder kennis deed!’ Humbug. De rots was reeds door Antonides omgetooverd in een bron en de bron verrijkt door den vijandelijken Westerbaen.

[p. 651]

Noli esse justus multum, mijnheer?

Gij zoudt gevaar loopen, veel minder des Joostes te zijn, dan gij meent, door zulken ijver.

Ik denk, dat het gemis van volkskennis en begripsverwarring omtrent onze standen is, - en ik hoop 't ook - die u het ‘nimium nocet’ in de kaken doet loopen.

Daar hebt gij mijn buurman den sleper. (In andere steden zegt men stalhouder en eerlang welligt: vivantvélocipédeur of wieler of zoo iets onzinnigs.) Mijnheer en de juffrouw hebben bij zich mijnheer en mevrouw de kommies van het ministerie van finantiën. Als ik u zeide, wat mijn buurman geantwoord had op de uitnoodiging, die hun Haagsche kennissen hun hadden gezonden op de wijze van Fuchs en Kranich, dan zoudt gij dadelijk in hem den hardnekkigen lezer van de Roskam begroeten. En mij bij slot van rekening welligt niet gelooven; want mijnheer en mevrouw kwamen gaarne, na het hartelijk bewijs van deelneming van hun oude vrienden, in de vaak dreigende verborgenheden der kommiezerij.

Mevrouw.

Dat 's een vroegertje, lieve man! maar 't is dan ook een lieve ochtend: 't is letterlijk nog nacht.

Mijn buurman.

(komt de stoep af, na zijn deur te hebben gesloten en geeft zijn orders aan den aanwezigen stalknecht). 't Is waar, mevrouwtje. 't Is hier en daar noch nacht, maar 't zou me niet verwonderen, als we buiten de poort zijn, of 't is al knap dag....(Tot Mijnheer). Volgende maand koop ik dat perseel er bij, dan heb ik net de halve straat voor mijn stalling. 't Heeft me kracht gekost, maar eigen grond hoor-je! geen vlottende of vastzittende schuld, zooals in zooveel ministeriën van finanties....

Mijnheer.

Een land heeft in den regel meer schuld dan geld, maar 't is er niet minder om. In groote schulden liggen dikwijls groote krachten....maar in bijzondere omstandigheden, zooals hier, dan mag ik wel zoo'n onbezwaarde halve straat.

Juffrouw.

Hier heb-je 't leidsche plein....

Mevrouw.

O, dus is dit de schouwburg! Ik houd ijselijk veel van komedie. Van de week, beste man! bij ons, heb-je 't gezien? Ristori als Marie Antoinette? We maken er nog al eens gebruik van, juffrouw! 't is zoo veredelend voor den smaak en de kinderen zijn er zoo zoet. U komt er zeker niet veel: (medelijdend) de meeste menschen houden er niet van.

[p. 652]
Juffrouw!

Jáwel, een enkele keer - maar wij wachten altijd op zulke stukken, daar niet veel volk voor komt ten minste van de grooten. Stukken zooals:

De vrouw uit de volksklasse, laurierboom en bedelstaf en zoo - waar komt dat ook weer in voor, man, Henri's drinklied?

Mijn buurman.

Wel, wijfje! dat noem je daar. Maar noem er nu de komediestukken bij van Cremer, van van Lennep, van Schimmel, van Ruijsch - wat wereld! Die slaan wc nooit over. Mevrouw zal wel denken, dat we onze eigen ferme kerels oversloegen. En dan, meneer! Nieuwjaarsavond hoor!

Mijnheer.

Och kom! Kloris en Roosje zeker? Bestevaar....of hoe heet die sukkel?

Mijn Buurman.

Voor iemand van die komaf ben je de plank erg mis. Gijsbrecht van Amstel, maatje.

Gijsbrecht van Amstel van mijn eenigen Joost. Ik - haalt nu allebei je schoêren op...ik moet zeggen - 't is hier en daar als een oud, dik paard voor een zandwagen...maar de kern..De pit er van is de roem en de lof van Amsterdam. En weet-je wel, mensch! dat de komedie er mêê ingewijd is, toen van Kampen ze klaar had in den jare 1638 op den vierden Januari.

 
‘De trotsche Schouwburg heft zijn spitsche kap
 
Nu op, en gaat de Starren naadren.
 
En wellekomt, met dartel handgeklap,
 
Al 't raadhuis en ons wijze vadren.’

Zoo zong de man en 't was ook zoo.

Dien avond was er de keur van de stad, de grooten niet te vergeten en de gemeenteraad: burgemeesters aan 't hoofd. Ik had er wel bij willen zijn- b.v, naast Joost, die toen 50 was.

Want de joffers zaten te huilen, dat bezweer ik je, om 't lot van Badeloch - en het hollandsche bloed begon in de mannen en knapen te koken bij den heldenmoed van Gijsbrecht en de zijnen.

 
‘De wreedheid wordt gestuit
 
Met dapperheid en moed. Waar laat gij u vervoeren?
 
Het kermen is onnut; men moet de handen roeren,
 
Scheep! Scheep!’
Mevrouw.

Nu maar, Gij kunt die rijmpjes van buiten hoor...wel een bewijs..

Mijn buurman.

Noemt u dat rijmpjes! (Hij mompelt en verveelt zich.)

[p. 653]
Mijnheer.

Wat is dat daar voor een Amerikaansche speech op dat bord? (Zet zijn knoopsgatglas op) ‘Het plantsoen en de handhaving van de goede orde worden het publiek aanbevolen.’

Mevrouw.

IJankees...

Juffrouw.

Ik vind het heel beleefd van 't Gemeentebestuur.

Mevrouw.

Gij zijt naïef, Juffrouw! (zij lacht)

Mijn buurman.

Die Speech is het beste bewijs van den invloed van Joost. Dat is een waarschuwing, zooals het gemeentebestuur alleen uit Joost heeft kunnen halen: Een lof op Amsterdam en ons, als ik 't zeggen mag. Het park en het beeld des dichters zijn door de kommissies aan den Burgemeester en den raad, en door deze alweder aan de inwoners geschonken. Hier zegt een Amsterdammer: ‘ik ben in mijn tuin.’ En als je baldadig zoudt willen zijn: ‘blijf af, asjeblieft! of ik zal je de ooren wasschen.’

Neen, man! dat bord te zien, is een verkwikking voor meniet waar, wijf?

Wat is 't geval in Rotterdam? Bij iederen boom een diender; en een bord, waarop met tijgerachtige letters een artikel uit de strafwet staat geschreven. En van welke uitwerking, meneer?,...Dat de heesters geschonden, het gras verloopen, de bloemen verwoest en zelfs de boomen geattakeerd worden...Is dat zoo mooi?

We zullen 't heele park doorwandelen als ge wilt - en je mag ze zien, hoor! al de heesters en pootsels - bekijk ze; maar blijf er af...

Mevrouw.

Gij zijt een enthoesiast, dat mag ik wel.

Juffrouw.

Mijn man is vooreerst een Amsterdammer en ten tweede een geweldige vondelsman; ik heb er dikwijls pleizier in, zooals hij met de slepers en de stalknechts bezig is om ze verzen van Vondel te leeren.

Mijnheer.

't Is een punt van smaak: ik voor mij versta Schiller en Lamartine beter dan Vondel.

Mevrouw.

Maar of je ze zoo zoudt reciteren, manlief, als mijnheer telkens doet?

Mijn Buurman.

Hoor eens! 't zullen ook wel ferme kerels zijn; maar nu, asjeblieft! enkel hollandsch.

Mijnheer.

(Bevrijd van geheugenp roeven en bewijs van domicilie te leveren) Anders zou ik je kunnen dienen.

Mijn buurman.

(Houdt vreesachtig een blad van een boom voor de ooren, en versnelt zijn stap). Daar is hij!

[p. 654]

Nu houden zij allen hun stap in, daar zij vlak voor het beeld zijn gekomen.

Mevrouw.

Wel, dat is een edele houding?

Mijnheer.

Een indrukwekkend beeld inderdaad.

Juffrouw.

Mijn man dweept er niet meê, maar ik vind 't ook mooi.

Mijnheer en Mevrouw zien verwonderd mijn buurman aan.

Mijn buurman.

Ja, ik kom er rond voor uit - ik ben blij dat het er is en ik durf zeggen: ik heb geholpen. Maar de kop staat mij tegen, te beginnen bij dien band om dat voorhoofd naar boven. 't Gezigt is goed en al het overige prachtig - maar de kroon wil mij maar niet bevallen....

Mijnheer.

Maar, beste jongen! knnt gij dan niet zien, dat uw lievlingsdichter gekroond is met de laurier? Dat kan ik nog wel velen, die niet zoo dweep met hem. Is hij inderdaad de man, als gij zegt, dan heeft hij dubbel en dwars die idealizering verdiend.

Mijn buurman.

Hollandsch, asjeblieft. Die tweeslachtige afbeeldingen mag ik nu eenmaal niet. Hij is Joost of hij is Joost niet. En ik zeg, dat de kousenwever uit de Warmoesstraat er zoo niet heeft uitgezien: van zijn voorhoofd tot aan zijn voet, dus bijna 't heele beeld, is goed - maar 't bovenste deugt niet. Dat is goed, voor een beeld van: Rhangabé, den griekschen afgezant, voor zijn betoonden moed, als hij dood is; - of Julius Cesar of Napoleon, zoo'n vechtersbaas.

Mijnheer!

Wat zal ik zeggen: de beeldhouwer stelt zich den dichter niet voor als kousenwever of lombardklerk maar als hooggeplaatst kunstenaar. Gelijk Vondel daar zit, alzoo bekleedt hij in den geest des beeldhouwers een plaats; alzoo komt hij in onzen geest een plaats innemen. 't Is de dichter, die daar zit: door zijn volk gekroond; 't hoofd opwaarts, waar zijn geest is.

Mijn buurman.

't Doet me genoegen van je, dat je er ook wat mee op schijnt te hebben; dat merk ik aan je redevoering. Maar 't zou mij pleizier doen, hartelijk pleizier, als hij daar zat, zooals vooraan in het boek, dat ik heb van zijn werken. Dat 's een beeld naar mijn zin en zelf heeft hij er van gezegd, omdat de schilder Filips de Koning heette:

[p. 655]
 
‘Dus volgt de kunst het leven altijd nader.
 
Al zwijgt ze stil, nog spreekt het stomme beeld,
 
Dat koning Flips bekent voor zijnen vader;
 
Geen koning, die nog Alexanders teelt,
 
Maar koning door penseel en doek en verven,
 
Zoo blijft de mensch in 't leven na zijn sterven.’

Waarom heeft de beeldhouwer dat niet genomen voor patroon; hij wist toch zeer goed, hoe vereerd en hoe blij Joost was, toen hem deze vreugde, deze gave door zijn vrienden werd geschonken? Ik ben er een beetje boos om.

Juffrouw.

Nu man, dat helpt niet veel. Het beeld is nu eenmaal zoo en gij zegt zelf, dat 't een knap man is, die 't zoo mooi gedaan heeft voor de rest. Bederf je vrijen dag niet.

Mevrouw.

(Leest de opschriften). Begrijpt gij dien aanhef, man?

Mijnheer.

(Heeft de ronde reeds gedaan) Ja wel. Wezenlijk krachtige taal, die aan alle kanten te lezen staat.

Mijn buurman.

Scripsit aeternitati, wat is dat ook weêr?

Mijnheer.

Hij schreef voor de eeuwigheid: wat er aan de volgende zijde is opgenoemd.

Mijn buurman.

Ja, zoo is 't ook. 't Heeft destijds in de krant gestaan. Hij schreef voor de eeuwigheid: Gijsbrecht van Amstel. Zoolang Amsterdam bestaat, zoolang zullen zijn burgers dat schoon gedicht kennen en dat lied der reien voor Badeloch:

 
‘Waar werd opregter trouw
 
Dan tusschen man en vrouw
 
Ter wereld ooit gevonden.’
Mijnheer.

U slaat er een over, waarom?

Mijn buurman.

Lucifer ken ik niet van buiten.

Mijnheer.

Ik woû u anders vertellen, dat dit dichtwerk nu in 't Duitsch is overgezet en dat knappe mannen aan het werk meer waarde toekennen, dan aan Milton's verloren paradijs.

Mijn buurman.

Je hoeft me niets te vertellen; ik weet wel dat Joost een baas was, 't kan me niet veel schelen of de moffen hem mooi vinden; de Hollanders, mijnheer! de Hollanders laten die al zijn werken overzetten in hun hart. Maar ik begrijp 't,...'t is oûerwetsch, weet-je! Joost is een paar eeuwen oud, zeggen ze. Maar wat ik zeg! meneer?....de

[p. 656]

duivel is oud, dat is een Joost van een heel andere soort. Maar hij daar is jong, is altijd jong en krachtvol en zoo hollandsch dat je hart er van opspringt. Daar heb je Palamedes.

 
Ook, zooals je ziet, voor de eeuwigheid geschreven
 
En 't is niet overdreven.

Nu mag men over Oldenbarnevelt denken zoo als men wil; ik denk er ook 't mijne van; maar dat de wet zich wreekt op een man van 72 jaar op zoo'n beulenmanier, bewijst enkel maar, dat die wet niet deugt. Honderdmaal heil den dichter, die zulk een snoode wet weet van een te scheuren en tot held te verheffen, die er 't slagtoffer van was.

Kent gij Palamedes' gebed tot het vaderland:

 
‘Het ga met mij zoo 't wil, ik blijf een echte zoon
 
Van bloed en van gemoed en zal u niet ontaarden;
 
In vromigheid en trouw tc midden van de zwaarden,
 
Te midden van de nijd en lasteringen, daar
 
Mijn goede naam en faam mee wordt gedrukt zoo zwaar.
 
Ik weet, waarop ik steun; mijn ongekreukt geweten
 
En is niets kwaads bewust en heeft zich nooit vergeten
 
Aan eenig schandig feit.’

Mijnheer en mevrouw zagen mijn buurman verbaasd aan. De Juffrouw zag Mijnheer en Mevronw aan en mijn buurman sloeg met zijn zakdoek een paar kiezels van het voetstuk des beelds, terwijl hij in zichzelf mompelde van netjes en, ze moesten er afblijven of zoo iets. Zij deden nog een enkele maal de ronde om het hekwerk en mijn buurman ging nog even zitten om zijn geliefden dichter in 't aangezigt te zien. Zijn gezelschap was reeds gereed om een der zijpaden des parks langs den vijver in te slaan, toen hij opspringende zijn hoed afnam en groetende zeide:

 
‘Waar zijn wij toe gekomen,
 
Dat 's hemels burgertwist,
 
De regimenten splitst
 
En 't zwaard is opgenomen
 
Te zinneloos en blind?
 
Wie is er van ons benden
 
(Hij sneuvelt of verwint)
 
Gelukkig, die de ellenden
[p. 657]
 
Van hunne broeders zien
 
En rijks- of reigenooten?
 
Of die verwonnen vliên
 
In ballingschap gestooten?
 
O, zoons van éénen God,
 
Waartoe verdwaalt uw lot?..’

Hij had dus ook Lucifer gelezen en geleerd? Waar mag mijn buurman aan gedacht hebben, toeu hij zich dezen reizang met zooveel aandrang herinnerde, dat hij hem opzei? Wij zullen dit spoedig voor ons opgehelderd vinden.

Terwijl hij daar tot ons leedwezen zich begeeft naar zijn gezelschap, dat door hem aan Vondel is herinnerd op allerlei wijzen, heeft hij een paar kapellaans onder de menigte van Vondelbeschouwers opgemerkt en hij heeft hen met zijn blikken niet gespaard....Een zonderlinge sleper!....Maar zij zijn er zoo; en een lachstertje daar aan den arm van haar aanstaande, zullen wij even bespieden tot straf voor haar, wijl zij om den dweependen sleper achter haar zakdoek lacht; zij kent hem, zegt zij schalk tot haar beminde.

Middelerwijl immers is 't getal wandelaars nog al vermeerderd. Van twee zijden zijn zij komen aanstroomen, deze om Vondel, gene om een bankje, een derde om de vogels, een vierde om de pret. Wat al roerselen en bedoelingen! Daar zijn er ook het park binnengekomen op andere wijze dan door de opengestelde erkende ingangen. Het gevogelte des hemels heeft zijn eigen pad gebaand, door geen menschenhand te bereiken. In de ochtendschemering, Mevrouw! zijn zij in reien komen rennen en hebben hun vleugelen ingehouden toen zij kwamen voor 't groot gordijn. Maar zij hebben een lied gezongen en dit lied was voldoende om een onzigtbare hand het gordijn te doen ophalen op wonderlijke wijze. Want wie zag de hand? Wie zag het opwaarts inkrimpen van het hemelsch lijnwaad zoo fijn van stof en toch als afsluiting zoo eerbiedwaardig, dat een vogeltje eerst een liedje zingt eer 't verder, eer 't nader komen durft, hoe vol verlangen naar zijn dichter! Zie, toen geen afsluitende nevel meer, al ware hij van gouddraad, al ware hij van hemelsch weefsel en zij dartelen nu fladderend en klapwiekend, dan zwevend in de eerste zonnestralen van gindsche Godheid, die zij nu in het morgenblinken der natuur zoo digt bij den hemel zien; daar er nog zoo wei-

[p. 658]

nig ruimte is tusschen zijn lauwerkrans en Gods troon,..Daar zetten zij zich ongezien in de nederigheid des gebeds in 't heestergewas neder en zingen; hem ter eere.

Ja jongeheer! Op die oogenblikken tusschen schemering en meimorgen wordt hier een geheel blijspel opgevoerd door u onbekende reien en u onbekende zangers...Want als gij komt, dan zijn de lieve spelers in hun laag nest tegen de hooge zon geborgen...en de dichter staat nu roerloos stil, wat op die grensminuten heel anders is: dan nijgt hij dat trotsche hoofd voor zijn welbeminde koren en zij, die daar de lier tokkelt aan den regterfronthoek van het voetstuk (hebt gij haar al eens goed bekeken;) zij stijgt dan op en haar stem en snaren klinken door de stille natuur, begeleidend de orgelkeelen der dankbare schepselen Gods. Ga bij gelegenheid eens luisteren. Kunt gij niet langs 't vogelpad in 't park komen, blijf aan 't hek staan, maar luister, kleine man! Ik heb mij ook eens de moeite gegeven, op 't vogelenuur op te staan en tegen 't hek te leunen aan den kant der Vondelstraat. En ik ben er later zoo blij om geweest. Ik heb er zooveel lieve gezangen gehoord, die ik toen nog niet kende van Vondel. Onder anderen heugt mij nog zoo het gezang van Hageroos en Adelaart - gij weet wel, in de Leeuwendalers!

 
't Is bruiloft in de weide,
 
't Is bruiloft op het land!
 
Nu danst om deze beide
 
En huppelt hand aan hand
 
Ous Hageroos en Adelaart.
 
Door ongeveinsde min gepaard,
 
Door reine liefde en trouw vergaard.
 
O zoete, zachte band!

Dat geheele blijspel, door de bewoners van Leeuwendaal opgevoerd, is een hartverheffend natuurtooneel en tevens zulk een krachtig bewijs voor de echte vaderlandsliefde des dichters. Leer het lied! Gij gelooft niet? kleine Thomas, 't is toch waar wat ik u zeg.

 
‘Zij heft haar stem op, om te zingen,
 
En zal gewis de vogelzank
 
Ontsteken aan dien zoeten klank!’

Hoort gij nu, dat Vondel 't zelf zegt? Vraag voorts Uw leermeester in de dichtkunst op de hoogere burgerschool.

[p. 659]

Nu echter is dit alles reeds geeindigd. Gegroet, vriendje!

Het meisje, waarvan ik zoo even repte als pretmaakster om de vondelsgeestdrift van mijn buurman, schijnt zoo pas verloofd. Als ik naga hoe zij om zooveel dingen lacht, hoe zij aan 's jongelings arm hangt, hoe zij bloost en koost en hoe blij zij is, dan mag ik 't er voor houden, dat zij in 't genot is van de eerste minneteugen. Ik haast mij evenwel hier bijtevoegen, dat zij niet zoo blijft dartelen, nu zij samen om het vondelsbeeld staan. Zij is nog altijd een weinig luidruchtig - maar ik zou denken dat dit van zelf spreekt. De natuur in mei, haar hart in mei, een dichter dichtbij en digtbij1) een vrijer aan haar zij en allebêi zoo heelemaal vrij..wees blij, mijn kind, wees blij!..

Jong meisje.

Zeg, Willem! dat beeld met de lier, daar begrijp ik iets van - maar die andere moet je me eens uitleggen; - die op de lier volgt.., dat weet ik ook ten naastebij: is dat de waarheid of zoo iets?..Dus die twee kunnen we dan overslaan...

Jongeling.

't Is toch vreemd, . Is dat nu toeval of wat is het, dat ik die twee mooie moet overslaan en de twee leelijke moet bekijken...sliep uit., zegt hij zacht..

Jong meisje.

Laf, hoor Willem! verschrikkelijk flauw! geen haar op me hoofd, dat er om denkt...Zeg maar liever, wat ze beduiden, die daar zulke rare gezigten trekken.

Jongeling.

(Kust haar stilletjes vlugjes en denkt - als de gan s met haar snavel - dat niemand het ziet.) Nu; regterfronthoek het beeld van den lierzang. Nu; links van Scripsit: het beeld der waarheidsliefde en trouw, want onder ons gezegd, Vondel heeft ook historische zangen gemaakt zooals...

Jong meisje.

Dat hoeft niet.,. ga verder - hier - regts van aeternitati, mijn kleine Sarfati! Stil, snapster! gedenk dezen naam met eerbied.

Jongeling.

Nu, regts van aeternitati, dat is het beeld der Satire of van 't hekeldicht. Vondel heeft in zijn 92 jarig leven veel stof tot hekelen gevonden,,..

Jong meisje.

Daar praat die overmaazenaar altijd zoo over, over hekelen: is dat 't zelfde?

[p. 660]
Jongeling.

Ja, precies net eender: maar daar die man 't over heeft, is zijn vlas in de Meer - en Vondel deed 't menschen.

Jong meisje.

Zet zij daarom zoo'n valsch lachend b...gezigt?. Dat kan me nu eigenlijk spijten van Mijnheer Vondel.

Jongeling.

Hij deed 't niet uit pleizier, mijnheer van Hekelingen spelen, waarachtig niet...maar daar viel heel wat te rossen, toen zoowel als nu; en hij deed het als kunstenaar, daar heb je b. v:..

Jong meisje.

Dankje vrindelijk! doe dat als ik eens een kwaê buî heb..,

Jongeling.

Ja maar, daar straks wôu ik een gedicht uit de geschiedenis opzeggen en toen was 't ook al mondje digt.

Jong meisje.

Nu niets opzeggen..enkel nu praten en kijken en wandelen en straks rusten, hoor, mannetje!..Wie is zij, die daar zoo vreeselijk naar is?...

Jongeling.

Zij, op den linkerfronthoek is het zinnebeeld des treurspels.

Jong meisje.

(Theatraal) Het zinnebeeld des treurspels!..

Jongeling.

Tisiphone eigenlijk. Zij werden (want zij had ook twee zusters) door de ouden voorgesteld als die furiën, die de boozen tuchtigden in de onderwereld: van daar haar slangenharen. Vondel heeft er ook de boozen meê getuchtigd in zijn treurspelen zooals: Adam in ballingschap, Palamedes, enz..

De Jongeling hield even op alsof hij verbaasd was, dat hij zoolang aan 't woord mogt blijven, toen hij verschrikte door de afwezigheid zijner Klorinde, die misbruik gemaakt had van zijn verdieptheid in de fabelleer, om wegtesnappen. Arme Willem! Maar welk een blijde omkeer in zijn geschokt hart., toen zij hem van een zitbank ginds in de schaduw verzoenend tot zich wenkte...Hij mogt er ook wel op rekenen, wat de Beekzang zegt van de heldin van Ferdinand Huijck. En haar vragen:

 
‘Zwem je in lachjes en geruchtjes?
 
Leeft uw geest in zoete kluchtjes?
 
Springt uw zieltjen in uw lijf?
 
Erft gij enkel heil en zegen?
 
Ben je juist van pas geregen?
 
Niet te los en niet te stijf?’
 
‘Zeg het toch uw medemeisjes,
 
Vol zwaarmoedige gepeisjes,
 
Heel uw speeluoots al gelijk
 
En word dokter van de wijk!’
[p. 661]

Ik hoop dat Willem, wijl hij een Vondelvereerder is, in zijn meisje de bezongen, weldoende, heelende, schragende beeknimf vinde waartoe zij zooveel aanleg toont.

Toen kwamen daar twee Levieten voorbij.

le Kapellaan.

Behoort hij ons, broeder Stefanus! of behoort hij ons niet?

Br. Stefanus.

Neen.

le Kapellaan.

(Ziet hem aan met een vraagteeken tegen den linkerneusvleugel, daar zij tusschen het treurspel en de satire staan.) Als ik toch in aanmerking neem, dat hij vijftig jaar oud was, toen hij in den schoot der heilige kerk werd opgenomen; - dat toen zijn groot vermogen zijn volle kracht begon te beseffen en aantewenden; dat hij vóór dien tijd luttels heeft voortgebragt; - dat zijn roem en groote naam als Hollands dichterkoning, eerst dagteekenen sints 1640 - dan zou ik toch meenen regt te hebben, om te beweren, dat Joost van Vondel eerst dichter was, toen hij voor zijn vermoeid hart bij de heilige maagd rust kwam zoeken.

Br. Stefanus.

't Ware te wenschen. Maar de Beekzang; Jefta; Palamedes; Grol; Roskam; Gijsbrecht van Amstel; Geboorteklok; meesterstukken onder ons gezegd, waren reeds uit zijn pen gevloeid behalve zijn voortreffelijke vertalingen, b. v, Elektra van Sofokles, toen hij (niet, zooals gij 't uitdrukt, werd opgenomen maar) terugkeerde in den schoot der kerk. Immers was hij van geboorte roomschkatholiek, zoodat er wel spraak kan zijn van verlies aan onze zijde, maar volstrekt niet van aanwinst. Bovendien: Adam in ballingschap, van de opdragt en voorrede af tot den laatsten reizang toe is geen werk eens regtgeloovigen:

 
‘Het is geen dralenstijd. De Geest, die ons verscheen,
 
't Scheen geen Ariel, maar Godzelf, wiens wet wij braken,
 
Om boven 's menschen peil te steigeren in de daken
 
Des Hemels, boven God in wijsheid en in magt.
 
Een roekeloos bestaan heeft ons ten val gebragt.
 
Helaas! wie onderstut mijn twijfelende stappen?
 
Mijn wêêrgade! onderstut me in droeve ballingschappen.
 
De beenen siddreu. 't Is hoog tijd om te vliên.
 
Wij scheiden zonder hoop van immer u te zien;
 
O, lusthof! Paradijs! o Schoot van ons Geboorte!
 
Wat baat het ommezien!’..
[p. 662]

Zoo spreekt onze Adam niet. Nu zwijg ik nog van Lucifer verschrikkelijker gedachtenis!

le Kapellaan.

Daar staat nog al wat tegenover, broeder Stefanus! Heeft hij de heldinne-brieven van den vervloekten romein niet vertaald enkel om zich een voorbeeld eigen te maken voor zijn brieven der heilige maagden? Heeft hij niet de altaargeheimenissen opgedragen aan den Aartsbisschop van Mechelen. Ook zegt hij in zijn dankdicht aan dien prelaat voor de erkenning van zijn werk:

 
‘O licht der Nederlanden! laat,
 
(Nu mijne nederduitsche maat
 
Uw oor behaagt) mij dan volstaan
 
Met dezen wensch: dat ik voortaan
 
Gerekend bij uw minste leden,
 
Geniet de kracht van uw gebeden!’
Br. Stefanus.

Humbug! Waar hij zoo dicht, is hij 't zwakst. Ik hecht er niet de minste beteekenis aan en pas in al die gevallen (bovendien heeft hij die altaargeheimenissen niet aan Jakob van Mechelen opgedragen) op hem toe, wat hij zijn Zoïlus Westerbaen verweet:

 
‘Heer! gij zeilt de kerk niet mis;
 
Want gij laat die, daar zij is’.

Indien de kerk op dichters moest steunen, broeder! mogt ge u haasten, broeder! ze omtescheppen in een brouwketel van Nektar en Ambrosia. Zóó zou 't lukken.,.

le Kapellaan.

Daar hebt gij dan b.v. op Loyola:

 
‘Ignatius, de vurigste beschermer
 
Van Jezus naam en leer,
 
Verrijst hier tot Gods eer.!
 
Zijn heiligheid verdooft dit zuiver marmer.,'
Br. Stefanus.

Humbug. Zoo zoudt gij ook zijn lijkzang op Paus Alexander VII en zijn loflied op Klemens IX kunnen aanhalen; Humbug.

Neen, broeder! de leeuwenkracht van de groote dichtergaven in hem ligt in dat alles aan banden. 't Is daarmeê als met zijn klagt, toen hij zestig jaar was en zijn poeetsgevoeligheid op 't ergerlijkst was beleedigd door de schotschriften op zijn Maria Stuart:

[p. 663]
 
‘Maar gij, Mary! en gij, o rei der heilge maagden!
 
Die 't al èn lijf èn goed ook voor de godsdienst waagden,
 
Ai, ziet mij gunstig aan, wilt acht slaan op mijn druk,
 
Hebt meêlij met mijn lot en dit mijn ongeluk!
 
U heb ik toevertrouwd, U heb ik al mijn dagen,
 
Nadat ik ben verlicht, mijn liefde toegedragen,’ enz.

Humbug, broeder! Hoe geloovig die klaagzang klinke.1). Vergelijk daarmeê zijn vaderlandsche liederen: zooals de Teemsglorie; de inwijding van 't Stadhuis; de geboorteklok van den Prins, en zoo menig ander tintelend gezang en gij ziet in, dat er als kind der kerke op hem noch te bogen noch te roemen valt. Er zou zeer zeker nooit spraak van Vondels belijdeniswisseling geweest zijn, indien hij niet gestreden had aan de spits der vervolgde arminianen. Reken die vechtperiode er buiten en gij houdt niets anders over dan een slecht katholiek van zijn 1e tot zijn 92e levensjaar.

De zon staat op 't hoogst, en om het beeld des dichters slechts een enkele, want de meeste parkbezoekers hebben zich onder het gastvrije uitspansel des tenteniers bij een verkwikkenden dronk neergezet; velen wandelen in de lanen, waar 't meeste lommer is, of zitten half verscholen op een verwijderd bankje. Evenwel zijn veler oogen nog naar het beeld gerigt, want na het gesprek der geestelijken, - die zich echter ouder gewoonte niet een enkel blijk van verrukking hadden laten ontglippen of van geestdrift voor deze of gene meening, - is daar een andere dialoog ingetreden2) door andere personen. Twee krijgslieden. Zoo kalm als hun voorgangers waren, zoo luidruchtig zijn deze.

le krijgsman.

Wat was hij toch voor een vent? Ik ken hem uit onze boeken niet. Jij snuffelt nog al eens buiten de botanie der sabelleer om, Zwarte! in de rigting van de fabelleer.

[p. 664]
Zwarte.

Lees als je niet te lui bent; zoo om, regts op, dan kun je er alles van weten.

le krijgsman.

Jamaar, als gij 't zegt, dan weet ik 't net zoo goed en wel zoo gemakkelijk; ik ga daar liever op die plank zitten. Zeg, Zwarte! vind je niet, dat het hier minstens zoo warm is als bij Millingen, en dat hij wel wat van Generaal Bumm heeft.

Zwarte

(gaat naast hem op het bankje zitten, vlak vóór het beeld en draagt tot antwoord voor):

 
‘Eer den zeeheld met een wapen,
 
Hang zijn slagzwaard in 't gestarnt,
 
Dat den Brit in de oogen barnt,
 
Dat de zee wil overgapen
 
En verslinden al wat zeilt,
 
Holland heeft zijn grond gepeild.
 
 
 
Riddert vrij met kousebanden,
 
Rniter, Gent en Ruwaart Wit
 
Toonen u het regte pit
 
Van 's lands adel, die de tanden
 
Den verwaanden hoogmoed biedt,
 
Die noch God noch mensch ontziet.
 
 
 
Keizers, koningen, gezanten,
 
Al wie tegen slaafschen dwang
 
Zich in 't blanke harnas kanten,
 
Van den op- en ondergang,
 
Komen haar van verre groeten,
 
Treên in onderling verdrag;
 
Daar 't geweld voor hare voeten
 
Ligt verwonnen, slag op slag.’
le Krijgsman.

Houd nu eens even op? Van wie? Waarom? Waarop? Waartoe? Wanneer?

Zwarte.

(op Vondel wijzende) van Vondel ter eer van de helden, die Londen hadden bestookt om Karel te tuchtigen in den Engelschen oorlog.

le Krijgsman.

Een jongen van Jan de Wit. Ik mag hem. Gij onthoudt goed, Zwarte. Als je alles zoo vasthoudt, dan kan het vaderland gerust in gevaar komen...Bezit jij dien poeet heelemaal?

Zwarte.

Ik heb er een van mijn oudneef van Lennep gekregen..een mooie...

le Krijgsman.

Leen me je oudneef voor een oogenblik of zijn schenksel voor een jaar.

[p. 665]
Zwarte.

Om den d.....niet. Mijn oudneef is helaas! niet meer en boeken leen ik niet uit. Je mag er in lezen op mijn kast; maar verder komt mijn dichter niet. 't Is mijn eenige, die er toonbaar uitziet...en ik ben te arm om er een vriend van armen en rijken op na te houden...

le Krijgsman.

Afgesproken. Ik kom bij je, niet meer om jou, maar om Vondel...Laat nog eens wat hooren....

Zwarte.
 
Zoo stonden zij gekant en slagreê, drom bij drom,
 
Een ieder op zijn lueht en hoefslag, en bij rijen
 
Gesnoerd aan hun gezag, om 't schoonst van wederzijen,
 
Wanneer de dolle trom en klinkende trompet
 
Zich mengen, het geluid geweer en handen wet,
 
En steigert in den trans van 't heilig licht der lichten;
 
Een klank, waarop terstond een zwangre wolk van schichten
 
Geborsten, slag op slag, een gloênden hagel baart,
 
Een storm en onweer, dat de hemelen vervaart,
 
De hofpilaren schudt;
le Krijgsman

(ziet hem verrast aan en volgt zijn geestdrift) Waarom? Waarop? Waartoe? Wanneer? Vecht voort! ga voort! laat je niet storen...

Zwarte.
 
Al weerlicht wat men ziet, al wat men hoort is donder.
 
Wat blijft er in zijn stand? Hët bovenste raakt onder.
 
De legers, na 't gedreun van 't eerste schutgevaart,
 
Geraken handgemeen met knods en hellebaard,
 
En sabel, speer en dolk. Het gaat er op een kerven
 
En steken. Al wat kan, wat toeleit op bederven,
 
Op schenden, rept zich mee, bederft en treft en schendt,
 
De broederschap heeft uit, en niemand ziet noch kent
 
Zijn medeburger meer...
le Krijgsman.

Bravo! Hij is goed. Hakt er op in, kerels!

Zwarte.
 
Men ziet er parlchuiven,
 
Gekrulde vlechten haars, en pluim en pennen stuiven
 
En schitteren, in 't vuur der bliksemen gezengd.
 
Men ziet turkooisblaauw, goud en diamant gemengd,
 
En paerelsnoer, en wat de haarlok kon versieren;
 
De vleugels half geknot; gebroken pijlen zwieren
 
En zweven door de lucht. Een gruwzaam veldgeschrei
 
Verheft zich uit den stoet der groene liverei;
 
Daar lijdt het krijgsheer last, geperst uit nood te deizen,
 
De dolle Lucifer hervat den strijd drie reizen,
 
En stut de flauwheid van zijn regiment zoo trotsch,
 
Gelijk het zeegedruisch al schuimend op een rots
 
Gestuit wordt, reis op reis en meer niet uit kan rigten.
[p. 666]
le Krijgsman.

Nu, Zwartje! hoe loopt het er mee? kom gauw! als een goed soldaat.

Zwarte.
 
Wat gaf 't een schoon verschiet, omlaag een hallefroud
 
Of halve maan...
le Krijgsman.

Zij schijnen nog al hoog te staan. Neem me niet kwalijk, hoor! 't is in 't vuur mijner improvisatie.

Zwarte.

Als je profaneert, schei ik er uit..

 
omhoog een driekant spits te aanschouwen!
 
De regimenten, die zich sluiten en ontvouwen,
 
Op 't wenken van hun hoofd, een ieder in zijn vaan,
 
Te zien zoo pal gelijk metalen muren staan,
 
Als op een tegenwicht van lucht en eigen zwaarte,
 
Met al hun slingertuig, geschut en stormgevaarte.
 
Zij hangen, even als men zich een wolk verbeeldt,
 
Een wolk, waarin de zon met heure stralen speelt,
 
En schildert en schakeert door luchte regenbogen.
 
 
 
Daar komen ze afgestort en stroomen uit den hoogen,
 
Gelijk een hinnenzee of noordschen waterval,
 
Die van de rotsen bruist en ruischt met een geschal,
 
Dat dier en ondier schrikt in diepgezonken dalen,
 
Daar steenen van de steilte en dikke waterstralen
 
En masten zonder tal, verpletten of vertreên,
 
Wat tegen woest geweld van stroom en hout en steen
 
Niet opgewassen is.
 
 
 
De trotsche Lucifer, dan hier, dan daar gedreven,
 
Schiet toe op 't angstgeschrei en geeft zich rustig bloot,
 
Om zijn groothartigheid, in 't uijpen van den nood,
 
Te toonen voor de vuist op zijnen oorlogswagen.
 
Dat geeft den flauwe moed. Hij schudt de felste slagen
 
En schoten op 't gebit van zijn verwoed gespau.
lc Krijgsman

op Vondel wijzende) Hij is soldaat geweest; hij weet er alles van.

Zwarte.

Ik schei er uit.

le Krijgsman.

Ik bidje om d'uitslag en de vergunning om straks een flesch te geven...

Zwarte.

Laf, hoor je!..

 
Zit af, o Lucifer, en geef het God gewonnen;
 
Geef over uw geweer en standaard; buig voor God!
 
Weg met dat heilloos heer, dat goddelooze rot!
 
Of anders wacht uw hoofd!
[p. 667]
 
Hij, trotscher op dat woord, hervat in aller ijl
 
Den slag tot driemaal toe, om met zijn oorlogsbijl
 
Het diamanten schild, waarop Gods naam, te kloven.
 
Maar wie den hemel tergt, gevoelt de wraak van boven.
 
De heerbijl klinkt en springt op 't diamant
 
Aan stukken. Michael verheft de regterhand,
 
En drijft de bliksemstraal, gesterkt door 't Alvermogen,
 
Den overmoedige door helm en hoofd in de oogen,
 
Al te ongenadig, dat hij achterover stort.
 
 
 
En met den zwaren val
 
Des stedehouders breekt de boog der halve maan
 
In stukken.
le Krijgsman.

Hij is in 't vuur geweest, hé? krachtig. Dat is dus het gevecht van den aartsengel tegen het opperwezen; Ik had er als jongen van gehoord. Ik dankje Zwarte! Bij gelegenheid, hoor! 't Is eigenlijk jammer, dat het peis is tegenwoordig: daar viel uit te leeren.

Zwarte,

Daarom is Vondel van zooveel waarde. Vooral in zijn grootere werken blijkt, dat hij alles bestudeerd heeft, wat hij behandelt. 't Is alsof hij alle nandwerken, alle vakken en standen in de samenleving heeft doorloopen.

le Krijgsman.

Wat was hij eigenlijk van zijn beroep? wachtmeester?

Zwarte.

Handelaar in kousen en stoffelaarsjes in de Warmoesstraat.

De krijgslieden verwijderen zich. Langzamerhand trekt de vermoeienis weg, die sinds den hoogen stand der zon over 't park drukte; de zon wordt zachtmoediger, gelijk zoo menigeen die een hoog standpunt voor minder moet verlaten. Enkele heesters, opengespannen en uitgezet van 't geweld der warmte en uit vrees voor erger, hernemen hun kalmte en sluiten bladen en kelken in 't volle vertrouwen op den milderen avond, die al langzaam nadert, te merken aan de wassende schaduwen en aan de ontelbare goede-nachts, die uit het diepst der bosschaadjes opruischen...ook de wandelaars zijn anders dan op het midden des daags: 't Is alsof enkel de sentimentelen zijn achtergebleven en 't is alsof er enkel sentimentelen aankomen,., allen nachtegalen in hun soort en viooltjes...zij zoeken de stilte en de tweezaamheid. Voor de omgeving gesloten verstaan zij slechts elkander twee aan twee. En alles wordt zoo minnestil.

[p. 668]

Luister echter! gij kent den boomstam daar achteraan, in 't diepst van 't park waar 't vergunning geeft de oogen te laten weiden over lekkere weiden tot in 't ongeziene, alsof zij glooiend opwaarts klommen met haar zuivelrijke zoden tot daar waar de wezens geen behoefte hebben aan onze akkerschatten zoodat ze zeker straks onverrigter zake terug zullen keeren naar de aarde, zich van schaamte verbergende in het floers van den nacht? Daar is nog gedruisch. Luidruchtig zelfs klinkt er van daar een stem door de avondrustigheid der natuur. Zoo kan men voorbarig oordeelvellen. Want dáár zijn nog drie jongelui wier luid gesprek en wilde manier van springen en zitten een andere natuur verraden dan van 't viooltje. Terwijl er twee half in 't gras half tegen den boomstam zitten, staat de derde op een blok tegen de kleine loods. Daar schijnt hun katheder te zijn: hij deklameert:

 
De zwakheid van den mensch behoeft gestut te worden
 
Door loon en straf; dit eischt gezag en wettige orde,
 
Gezag en orde meldt terstond het onderscheid
 
Van volk en burgerij en 't amt der overheid.
 
Het amt vereischt een plaats en huis, hiertoe gekoren,
 
Te dienst der stad. Alzoo nu wordt het stedehuis geboren.
1e Grasbijter.
 
Te Rotterdam alleen erkent men 't stsêhuis niet,
 
En steekt den brand er in, daar de overheid het ziet.
2e Grasbijter.

Nu, laat die dronken kerels in 't rasphuis daar ze zijn. Verscheidenen waren er bij, die bij hun trouwen wat blij waren, dat er een overheid en een stadhuis was; ze hebben berouw en straf...punctum, zand er over...Zeg, jij daar in de ton, ken je nog meer?

Tonman.

Ik had je nog willen vragen, of je 't gemerkt hebt, hoe mooi Amsterdam van die dagen in dit dichtstuk beschreven is.,. maar die vlegel daar breekt me telkens af met zijn waterrijm.

 
Daar zooveel duizenden als nu ter poort indringen,
 
Zich spoeden naar den dam om 't wijfeest in te zingen;
 
In 't midden onzer vloên: den Amstel en het IJ,
 
Met al de burgerjeugd van de oude en nieuwe zij,
 
Op 't heldere geklank der zilveren trompetten,
 
Het dondren van kartouw en maatklank van musketten,
 
Het vliegen van de vane en luid triomfgeschal,
 
Terwijl alle element van blijdschap juichen zal.
[p. 669]
1e Grasbijter.
 
Komt, vrienden! naar den Dam! de zon is reeds verdwenen.
 
Wij zijn alleen in 't Park.
2e Grasbijter.
 
Ik sta al op mijn beenen.
Tonman.

Nu, mijnheeren, dat's voor 't laatste, hoor je! dat ik mij uitsloof. 't Is nog lang niet uit.

De beide Grasbijters.
 
Neen, vriend! spreek niet zoo bar. Wij danken voor 't genot,
 
En komen weldra weêr, hier naar dit reednaarskot.
 
En wil ons met uw schoon talent dan weêer gerieven,
 
Wij zijn al oor: zelfs voor de heilge-meisjes-brieven.

De deugnieten, die zich alleen in 't Park wanen, gaau weg, en terwijl hun ontrustend, verstorend gedartel te gelijk met hun schreden, al zwakker klank krijgt - tot er niets meer van overblijft dan een onbestemde, onbezielde echo in de verte, wordt er weer hier en daar op verborgen schemerbankjes gefluisterd en geminnekweeld, zoo zacht, zoo beschroomd, maar al vrijmoediger en al luider. Welnu, het stille rijk behoort nu ook aan de gratie bij uitnemendheid. Is het niet de schoone, eeuwige gezellin der groote menschbetooverende godheid...is het ditmaal niet Euphrosyne, die hier namens haar meesteres den teederen schepter voert? Haar bekorende verordeningen en handvesten geven slechts vrijheid te meer en alle hart, dat tintelen kan van de weelde der jonkheid en der liefde, tiert onder haar bezielenden onvoelbaren dwang alleen. Zalig, zalig! die nogtaus kennen haar liefelijk veredelenden dwang. Want tegen 't sluiten der poorten ontwinden zich dezulken aan de heerlijke koorden en zijn dankbaar voor 't genoten burgerschap. Zeer langzaam maar zeker, nu zwijgend van liefde, dan kozend ook van liefde, verlaten de paren de boeiende plaatsen; gezegend! gezegend! gij, jonge volle harten, die onderpand erlangt van de goedkeuring des hemels in den frisschen, verkwikkenden dauw die zich uitspreidt over u allen als een rein borduursel over een rein kleed.

In deze plechtige stilte, nu de trouwe wachter op het aangekondigde uur de poorten sloot, nu ontstond er een magtig gedruisch om het beeld heen des dichters. De hoekbeelden schijnen te ontwaken; de dichter treedt uit de wolk, die zijn ademhaling onzigtbaar maakte voor de menigte en tegen middernacht staat hij op en wekt de zangster, die aan zijn voeten is gezeten aan zijn linkerzijde. Op dit hoog bevel staat zij op en stijgt

[p. 670]

hoog boven allen en zingt dat heerlijk lied op 't sterven van den dag:

 
Kon uwe heerlijkheid, zoo schoon,
 
Zoo gansch verwelken en verflensen! enz.1).

Toen zonk zij terug en terwijl de lucht nog weerklonk van haar stem en snaren, ontwaakten ook de zusters der schoone zangster en de dichter bedaarde haar niet. Zijn oog ging over de tinnen der paleizen en beurtelings moest hij dan aan de eene, dan aan de andere het woord gunnen: aan de waarheid niet het minst; maar ook de roskam, ook de tragoedie.

o, Ik zal niet verraden, wat zij vertolkten uit het hart des armen dichters, toen zijn geest zich verplaatste in zijn welbeminde stad!

Maar dankbaar dook hij weg in het nachtelijk uitspansel, zoodra zij insliepen van vermoeienis.

Goeden nacht! goeden nacht!