[p. 147]

Binnenlandsche letterkunde.
Bibliographie.

I. Fraaie Letteren.

Heiligerlee-literatuur.

No. 1. HEILIGERLEE EN ULTRAMONTAANSCHE KRITIEK door Mr. G. Groen van Prinsterer I, II, III. Amsterdam. H. Höveker 1868.
No. 2. UIT DEN GEUZENTIJD. Verhalen uit den vrijheidsoorlog tegen Spanje door W.N. Wolterink. Dordrecht, J.P. Revers 1868.
No. 3. VOOR DRIE HONDERD JAREN. Historische herinnering door W.J. Hofdijk V, VI, VII, VIII. Utrecht, Kemink en Zn. 1867, 68.
No. 4. Over de beide staatspartijen in de voormalige republiek der Vereenigde Nederlanden door Mr. H.J. Koenen. Uitgegeven ten behoeve der oprichting van een gedenkteeken op het slagveld van Heiligerlee. Amsterdam, C.G. van der Post, 1868.

Het jaar 1868 mag in menig opzicht een allerbelangrijkst jaar heeten ook voor ons vaderland, en hij, die eens de geschiedenis van onzen tijd voor onze nakomelingen schrijft, zal het ongetwijfeld naast '48 en '53 stellen onder de jaren, die époque maken in onze ontwikkelingsgeschiedenis. Een jaar van strijd en agitatie! Heeft de kroniekschrijver er al geen grondwetsherziening of monsterpetitie te vermelden, de partijschap, de verbittering, niet het minst door de herleving van oude herinneringen, het openrijten van onde, kwalijk geheelde wonden opgewekt, heeft niet minder ernstige gevolgen. Die partijschap, tot nog toe binnen enger grenzen beperkt, breidt zich op onrustbarende wijze uit. Op kansel en katheder, in 's lands vertegenwoordiging zoowel als in de pers, in handel en nijverheid, ja in het dagelijksch verkeer doet zij haar invloed gelden. Tegenover de katholieke demonstratiën, vormt zich een even heftige protestantsche, laat ik liever zeggen anti-katholieke manifestatie, de schifting der partijen dreigt eene scheuring te wor-

[p. 148]

den tusschen medeburgers, tusschen kinderen van denzelfden grond. Teeken ik den toestand te zwart? Is het niet een feit, in mijn oog een zeer betreurenswaardig feit, dat, terwijl de katholieken bijna zonder onderscheid den geloofsgenoot stemmen om zijn geloof bij verkiezingen, ondersteunen om zijn geloof in nering en bestaan, daarentegen niet weinige protestanten en zelfs zij, wier verlichte denkwijze hen volstrekt onverschillig maakte omtrent den geloofsvorm, den katholiek bestrijden of hunne klandisie ontzeggen om diezelfde reden.

Die toestand is niet plotseling geboren, maar de herinnering, die het jaar 1868 met zich bracht, aan den aanvang van den tachtigjarigen worstelstrijd met Spanje heeft er zeker toe medegewerkt. De katholieken niet tevreden met de herwonnen vrijheid, betreurden de toen verloren alleenheerschappij, en gretig maakten zij van die vrijheid gebruik om aan de drie eeuwen oude grieven lucht te geven. Niet voor de eerste maal, het is waar; immers reeds voor zestien jaren o.a. achtte van Vloten zich ‘geroepen, een enkel trouwhartig woord tot zijn roomsche landgenooten te richten, die zich naar de meening van sommigen hunner, in eene geheel andere verhouding van hunne overige medeburgers, op een - waarom het leelijke woord niet geuit? - vijandig standpunt tegenover Nederlands bevrijding van Spanje bevinden.’1)

Maar noch Alberdingk Thijms protesten, noch Nuyens' bewerking van Kochs Onderzoek naar de oorzaken der Nederlandsche omwenteling in de XVIe eeuw, noch zijn jongst verschenen Geschiedenis der Nederlandsche beroerten zelfs maakte eenigen indruk of wekte wederspraak bij de aangevallen partij. Het laatste werk werd zelfs met eenige ingenomenheid door die tegenpartij begroet. Zij schuwde den strijd niet - zoo lang de aanval geschiedde eerlijk en loyaal.

Op den dag zelf, waarop in den slag bij Heiligerlee de aanvang van onzen vrijheidsoorlog herdacht werd, hield de abt J.W. Brouwers te Amsterdam eene redevoering, die in naam zijner katholieke geloofsgenooten een krachtig, een afdoend protest moest zijn tegen de opvatting van dien oorlog, sedert drie eeuwen bij nagenoeg al onze geschiedschrijvers zoowel als bij

[p. 149]

de massa des volks gangbaar, Een krachtig protest was 't zeker; - maar afdoend? Mr. Groen van Prinsterer achtte zich, en te recht, geroepen dat protest te beantwoorden, en daar ook de heer Brouwers zijne stellingen nader bepleitte, gaf dit aanleiding tot een proces voor de rechtbank der publieke opinie met zeer ongelijke krachten maar daarom toch met niet minder scherpte gevoerd. Tegenover Groen, den man, wien ongetwijfeld, hoe men ook over zijne gevoelens op godsdienstig of staatkundig gebied moge oordeelen, eene eereplaats toekomt onder onze vaderlandsche geschiedvorschers, den man, die zijn halve leven gewijd heeft aan de studie hoofdzakelijk van het tijdperk in kwestie, en die op dit punt eene autoriteit is zelfs voor zijne bestrijders, tegenover hem zien wij een voorzeker scherpzinnig en welbespraakt advokaat, maar die, op dit gebied zoo goed als vreemdeling, (zoowel Mr. Groen als Ds. ter Haar1) hebben het overtuigend bewezen) in zijne oppositie alleen afgaat op het gezag van zijn orakel Dr. Nuyens zonder zich eens de moeite te geven de zaak behoorlijk te onderzoeken, waar de bronnen voor de hand liggen. Wil men een voorbeeld. Een goed deel van Groens derde brochure is gewijd aan de beschuldiging, door Brouwer met zekere voorliefde telkens herhaald, als zou Lodewijk van Nassau schuldig geweest zijn aan den beeldenstorm. Nuyens verzekert het, dus Brouwers twijfelt er niet aan. Als afdoend bewijs haalt hij daarvoor een uit zijn verband gerukte volzin aan van een brief door Lodewijk zelven geschreven. De heer Groen geeft ons dien volzin in zijn verband terug, waardoor het bewijs zeer negatief wordt. Daarbij neemt hij welwillend aan, dat Brouwers te goeder trouw en onvoorbedachtelijk zich met dien volzin heeft tevreden gesteld zonder verder te lezen of notitie te nemen van de getuigen à décharge, die Groen in overvloed te voorschijn brengt. Ik vrees echter voor den lichtvaardigen beschuldiger, dat eene circonstance atténuante niet aannemelijk is, en dat het bekende qui se fâche à tort ook hier zeer toepasselijk is. Wat toch moeten wij zeggen van zinsneden als de volgende: ‘niet dan troebel water en eene onrijpe vrucht doet de heer Groen zijnen lezers voorzetten’, ‘de heer Groen heeft alweer niets anders gedaan dan al zijne oude en onlogische kunstgrepen met een nieuwen

[p. 150]

illogischen kunstgreep te vermeerderen,’ wanneer ze door een Brouwers een Groen worden naar 't hoofd geworpen? Een waardig contrast tegen dergelijke taal vormt het kalme, goed beredeneerde betoog van Mr. Groen; mocht hij ook onder de katholieken even onpartijdige, belangstellende lezers vinden als aan de bekwame woordvoerders der ultramontaansche partij onder de protestanten te beurt gevallen is! Dan moge ieder voor zich het oordeel vellen tusschen de oratorie van den een en de kritiek van den ander. Dan moge ook de heer Brouwers toezien, dat hij niet door die groote rechtbank der openbare meening, waarop hij zich heeft beroepen, worde schuldig verklaard aan hoon en laster en aan moedwillige vervalsching der historische waarheid.

 

Een geheel ander karakter dragen de verschillende schetsen onder den gemeenschappelijken titel Uit den geuzentijd door den heer W.N. Wolterink bijeenverzameld en ‘bij gelegenheid van het derde eeuwfeest uitgegeven’. Niet gaarne zou ik ook dit werkjen mijn katholieken landgenooten aanbevelen. Immers, en dit is mijne voornaamste aanmerking op deze verhalen, het ademt niet alleen een sterken anti-Spaanschen maar ook een bepaald anti-katholieken geest, en daardoor kan het slechts de wederzijdsche verbittering versterken, waar aan verzoenende woorden zoo groote behoefte is. Het kan niet genoeg herhaald worden, dat, speelde al de godsdienst een groote rol in het verzet tegen de Spaansche dwinglandij, zij niet de eenige factor was, dat roomsch en onroomsch beiden een afkeer hadden van de inkwizitie,1) dat de strijd voor de aloude rechten en vrijheden in zijn oorsprong was een echt nationale, geenszins een uitsluitend protestantsche. Die nationale richting, door Oranje zoo waardig vertegenwoordigd, heeft onze geschiedenis verrijkt met hare schoonste bladzijden. De godsdiensthaat daarentegen gaf aanleiding tot gruwelen als die te Gorkum, in Noord-Holland en elders, die een donkeren schaduw werpen op de edele zaak. Ook de

[p. 151]

heer Wolterink is niet blind voor de gebreken en misdrijven dier ‘waterleeuwen’, wier heldenfeiten hij met zooveel ingenomenheid verhaalt. Zijn oordeel over den moord, aan Pacheco gepleegd, bewijst het en die met hem meenen, dat het ‘inderdaad noodig was, dat een paaschlam geofferd werd om Vlissingen daarmede de vereischte kracht te geven voor eene waardige voortzetting der zoo stout begonnen en zoo grootsche taak’, zij, die in de ondergane verdrukking eene verontschuldiging kunnen vinden voor de hardvochtigheid en losbandigheid, aan eene revolutie onvermijdelijk verbonden, zij zullen deze flinke schilderingen van de roemrijkste feiten uit de eerste jaren van den vrijheidsoorlog met onvermengd genoegen lezen. Op dergelijke romantische tafereelen mag het mes der historische kritiek niet al te streng worden toegepast, en gaarne beaam ik de woorden van den prospektus: ‘zonder dat de geschiedenis ergens geweld wordt aangedaan, krijgt de lezer in losse maar uitgewerkte novellen tooneelen vol gloed en leven onder de oogen, die hem tijdelijk dwingen, te leven in het benardste, maar door de stoutste krachtsontwikkeling tevens meest zielverheffende tijdperk, waarvan 's lands historie spreekt.’

 

Over de vier vervolgnommers van Hofdijk, Voor driehonderd jaren kan ik kort zijn. Ik zou slechts mijn gunstig oordeel, over de vorige afleveringen uitgesproken, moeten herhalen. Hier wordt ons eerst in no. V een blik gegund in eene ‘verlaten huizing,’ het hof van Nassau te Brussel, als ‘het sombere symbool van het door zijne beste en edelste krachten verlaten Nederland.’ Oranje tegenover Egmond! Een heerlijke gelegenheid voor Hofdijk om in forsche, soms wel wat gezwollen bewoordingen in den eerste ‘Neêrlands kracht’ te verheffen ten koste van ‘Neêrlandsch zwakheid’, den weifclenden Egmond. Jammer dat zijn dichterlijke fantasie hem nu en dan doet overslaan in waren bombast. Of hoe zal men anders noemen volzinnen als deze (blz. 211): ‘de duivelvruchtige Durcy de Bruignac wijst er in onze dagen erustig op hoe, na het veelvuldig toegeven der Noord-Amerikanen aan het spiritisme, dien listigen duivelsvond, de verwoestende burgeroorlog is ontstaan; langs den weg van vrij wat gezonder redenering kon Oranje de onheilbrengende gevolgen voorspellen van de demonische uitspattingen der Calvinistische ijveraars.’ Kon de schrijver besluiten, waar hij als historieschrijver optreedt,

[p. 152]

zijn Pegasus een weinig in te toomen, zijne voorstelling zoude er zeker eer bij winnen dan verliezen.

N. VI. schetst ons Egmond tegenover Alba, den Maraan, die de Mauren haatte, maar toch trotsch was op een bloed dat zich beroemde van Toledoos Mohammedaansche koningen af te stammen. Vooral het tafereel van Egmonds gevangenneming is goed geteekend; de doodsche stilte ‘ter Andwerpsche beurze’ en in de straten van Brussel zoowel als in het hof van Nassau, terwijl het feest is in het hof van Culemborch, de laaghartigheid van Noircarmes naast den ridderlijken don Fernando, wiens beter gevoel in strijd komt met de vaderlijke bevelen, men bespeurt terstond, dat Hofdijk hier in zijn natuurlijk element is.

Beter dan in No. VIII, de Oranjelinde te Dillenburg, dat ons in extenso de processtukken geeft ter zake Alva contra Oranje, zeer interessant voorzeker, maar voor den meer oppervlakkigen lezer, voor wien toch dit werk in de eerste plaats bestemd is, reeds door de verouderde taal minder te genieten.

Ten slotte: No, VIII. Nunc aut numquam. Dat devies van den ‘kloeken Nassauer’ onder zijne net uitgevoerde beeldtenis, zoo als hij in volle wapenrusting het zwaard trekt op 't slagveld van Heiligerlee zegt ons genoeg, wat we hier te verwachten hebben. Eene bezielde schildering van een roemrijk wapenfeit. Waar Hofdijk zich in zijne beschouwingen soms wat veel laat medeslepen door zijne voorliefde voor scherpe contrasten en stoute beelden, daar wordt dit ruimschoots vergoed door de levendige voorstelling, waarmede hij de feiten zelve weet te schetsen. Te meer mogen wij dan ook van de volgende afleveringen verwachten, nu wij na het voorspel gekomen zijn tot het verheven drama zelf.

 

Door een betrekkelijk lossen band is het vierde der hierboven genoemde werken met de overigen verbonden. De omstandigheid, dat het werd ‘uitgegeven ten behoeve der oprichting van een gedenkteeken op het slagveld van Heiligerlee’ noopt mij het hier mede te bespreken. Het bevat twee biografiën, die moeten dienen ‘ter kenschetsing der twee staatspartijen, die onze voormalige republiek verdeeld hielden’, met uitvoerige, belangrijke bijlagen. In Cornelis Pietersz. Hooft (1347-1526) wordt ons een type der anti-stadhoudersgezinde of staatsche partij voorgesteld, in Reinier Adriaansz. Pauw (1564-1626) schetst ons

[p. 153]

de schrijver een der hoofden van de stadhouderlijke partij. Hoewel zijne natuurlijke sympathie voor deze niet te miskennen is, laat hij toch ook gene alle recht wedervaren. Het door hem in genomen standpunt verklaart de schr. zelf met de volgende woorden (blz. 43): ‘het is sedert geruimen tijd mijne stellige overtuiging, dat men bij de karakteristiek der staatspartijen en de kritiek der geschiedschrijvers het religieuse element te veel uit het oog verloren heeft....Even als in de Christenstaten van Europa de staatspartijen in den grond kerkelijke partijen zijn, zoo maakt ook het kerkelijk standpunt zan den geschiedschrijver den grond van zijne overtuiging in het staatkundige uit, en dit geldt inzonderheid van eene natie, welke een eigenaardig theologisch zeer sterk ontwikkeld karakter heeft.’ Van dat standpunt moet wel de kerkelijke strijd in den coup d'état van 1619 bij hem op den voorgrond staan, en in een paar bladzijden slechts wordt het ‘andere beginsel’ afgehandeld, dat ‘in de karakteristiek der staatspartijen van de zeventiende eeuw een grondtrek uitmaakt: de groote vraag namelijk, of de Vereenigde Nederlanden te beschouwen waren als een Statenbond, gelijk de Zwitsersche kantons, dan wel als een Bondsstaat, waarin de stadhouder benevens de Staten-Generaal met de hoogste macht bekleed zijn? Zonder dadelijk uitspraak te doen is toch de schr. duidelijk het laatste gevoelen toegedaan. Wenschelijk ware het dunkt mij geweest, dat ook hier de gronden voor en tegen waren uiteengezet. Mocht de oorspronkelijke bestemming dezer schetsen - twee spreekbeurten in de koninklijke akademie van wetenschappen - eene dergelijke uitweiding bezwarend maken, niets verhinderde bij de uitgave in deze leemte te voorzien. Karakteristiek voor den schrijver zijn nu vooral de bladzijden, waarin hij het karakter van Hooft resumeert (blz. 37 vlg.), en die hij aldus besluit: ‘beteekenisvol in naam en ambt maar eenzijdig en onbekwaam om de hoogere belangen des vaderlands uit een ander dan stedelijk standpunt te bevatten. Burgemeester Hooft kon geen Vader des Vaderlands zijn.’ Ongetwijfeld, maar hoewel in buitengewone gevallen, in dagen van strijd tegen de overweldiging een ‘Vader des Vaderlands’ onwaardeerbaar is, zoo weten wij en onze Duitsche naburen nog veel beter, toch bij ondervinding, dat een ‘Landesvater’ op den duur alles behalve verkieslijk is.

Hadden niet Hooft en de zijnen op hun, noem het dan bekrompen, stedelijk standpunt, met hunne ‘ond-republikeinsche

[p. 154]

denkbeelden’ pal gestaan tegen de pogingen door een ‘eminent Hoofd van den Staat’ ‘de eenheid des algemeenen vaderlands tot stand te brengen’, wie zal zeggen, of niet ook hier het fiere volksbewustzijn, dat kostbaarst erfgoed onzer vaderen, ware verloren gegaan onder de erfelijke souvereiniteit? Wij zijn daarom Mr. Koenen dank verschuldigd, dat hij het te veel vergeten beeld van den voortreffelijken Amsterdamschen burgemeester naast dat van den verdienstelijken raadpensionaris in zoo helder licht gesteld heeft. Niet alleen het doel der uitgave, ook de inhoud doe het vele koopers, vele lezers vinden.

 

Deventer, 31 Dec. 1868.

G.J. Dozy.

DE IDEALEN VAN DOMINÉ VAN BEEK. Pastorale novelle van Baltwina Vignon. D. Mijs, - Tiel 1868.

Dat wij ons romanlezend publiek tegenover den Hollandschen roman - vooral wanneer deze als eersteling van schrijfster of schrijver zijne intrede in de wereld doet - doorgaands op een minder gelukkig standpunt geplaatst vinden, is eene waarheid, welke nog bijna dagelijks hare bevestigingerlangt. Men is in dit opzicht verwend, en wil zich daarom misschien niet meer de eerlijkheid en de moeite der objectiviteit getroosten. De rijpe vruchten op het gebied der romantiek bij Engelschen en Zweden, Americanen en Duitschers gegaard; het bepaald uitstekende, ons door begaafde landgenooten in werken als Ferdinaud Huijck en bovenal in Mylady Carlisle verstrekt, - zij gaven ons oogenblikken van litérair genot, in de herinnering waaraan onze debuteerende Nederlandsche auteur altijd een gevaarlijken vijand ontmoet, en die het voor hem telkens moeielijker en moeielijker maken om zich een naam in de republiek der letteren te verwerven.

Men moest het toch eens meer leeren bedenken, hoeveel er reeds - om slechts een der meest bekende voorbeelden aan te halen - uit de vruchtbare pen van een Bulwer was gevloeid, eer die scheppingen van zijn geest het aanzijn ontvingen, waarin wij thans den ademtocht van het genie zoo beslist voelen kloppen, en die het merkteeken der verdienste zoo schitterend aan het voorhoofd dragen. Men moest ook onzen jongen auteurs meer tijd gunnen; onze onpartijdigheid moest meer leeren waardeeren; onze belangstelling meer aanvuren. Van dat vornehme ignoriren, waar-

[p. 155]

aan onze oververzadigdheid op het gebied der romantiek met betrekking tot den auteur novice zich is begonnen te gewennen, is inderdaad niets goeds te verwachten. Ook hier kan het vooroordeel alleen schadend en vernietigend werken. Het le sublime est l'ennemi du bien blijft wel een spreekwoord, maar wordt, in dit opzicht toegepast, nooit eene deugd.

Dat inzonderheid de Criticus zich moet trachten te hoeden voor de feil, waaraan wij zoo even de meeste gewone romanlezers schuldig verklaarden, valt in het oog. Bij hem ten minste mogen alleen de regelen der kunst en nooit zijne individuele herinneringen of persoonlijke sympathiën gelden. Het is voor de vierschaar der eerste en voor deze alleen, dat ieder te beschouwen werk door hem meet geplaatst worden. De objectivitet is Art. I van het heilig wetboek der Critiek.

Het scheen mij noodzakelijk; deze vluchtige opmerkingen te doen voorafgaan, eer ik mijn oordeel over den arbeid der schrijfster (?) van de Idealen des Heeren van Beek uitspreken ga. Het ongunstige van dat oordeel moge daardoor op zijne rechte waarde worden geschat, en vooral niet aan verkeerde oorzaken worden toegeschreven.

Maar moet dan dat oordeel inderdaad zoo ongunstig luiden? Helaas, ja! Eene eerste vereischte, die zeker aan den roman of aan de novelle mag worden gesteld, is deze, dat zij eene werkelijkheid fingeeren, die altijd mogelijk blijft; dat zij eene verdichting geven, die niet met alle waarschijnlijkheid in onverzoenlijken strijd is. En, ziedaar wat bij De idealen van Dominé van Beek ten eenemale uit het oog verloren is. Onwaarschijnlijk, onmogelijk is de geschiedenis, die ons hier medegedeeld wordt, van het begin tot het eind. Onwaarschijnlijk, onmogelijk zijn genoegzaam alle personen, zijn bijna zonder uitzondering al de kapitale momenten in den roman. Achter de idealen van Dominé van Beek schuilt eene volstrekt niet ideale (ware zulks nog slechts het geval!) maar bepaald phantastische, ja, geheel utopische werkelijkheid. Daar ligt de fout van het boek, en tevens de veroordeeling er van. Wat onder den naam van pastorale novelle ons aangeboden wordt, blijkt bij nadere kennismaking eenvoudig te zijn een avontuurlijk sprookje en anders niet.

Natuurlijk behoort zulk een oordeel te worden gemotiveerd, en wij haasten ons, om aan dezen zoo billijken eisch te voldoen. Onwaarschijnlijk en onmogelijk is in de eerste plaats Dominé

[p. 156]

Kornelis van Beek, de held van het boek, waar hij ons wordt voorgesteld als iemand, die het ideaal zijner aanstaande levensgezellin steeds fix und fertig in de schatkameren zijner verbeelding met zich draagt, afwachtende slechts, tot hij in de werkelijkheid het evenbeeld daarvan aantreffen mag; die, eenige oogenblikken na de ontmoeting met de dochter van den marskramer Carlini (alias Graaf Fiamma) en nadat ‘de stralen, die uit zijne oogen schoten, die twee onzichtbare geestenrails in de lucht daargesteld hadden, waarlangs het brandende, gloeiende, blakende hart stroomde, dat rechtuit op Angiola aanstormde’ (blz 120) (de auteur heeft blijkbaar groote voorliefde voor dit beeld, daar deze er later nog op terugkomt en dan spreekt van het moment, toen de locomotief-harteblik afreed) die, zeg ik, eenige oogenblikken na die ontmoeting tot zijn vriend komt met het belachelijke: ‘Zij is het!’ (blz 125); die, zonder over het verschil van geboorte, godsdienst enz, tusschen hem en Augiola Fiamma bestaande, na te denken op zijn geïncarneerd ideaal verliefd wordt op een wijze, als misschien in den schooljongen of den halfkrankzinnige te verklaren zoude wezen, maar zeker niet in den predikant, van wiens ernst en gezond verstand ons eerst (blz 12, 14) zoo hoog opgegeven was; die van zijn hartstocht genezen wordt door middelen, welker heelende werking zoo min door iemand zoude vermoed zijn, als die dan ook, naar mijn oordeel ten minste, door den meest geoefenden psycholoog kan nagespoord of begrepen worden; die ten laatste huwt met de dochter van Zwierums Burgemeester, van welke hij nooit iets anders dan beslisten afkeer gevoeld heeft, maar in wier armen hij zich zachtjes door zijne moeder laat ‘duwen’, als hij van de reis terugkeert, die hem van zijne vorige verliefdheid genezen moest, en zoo raadselachtig genezen heeft. En ziet, even onwaarschijnlijk als de held van het boek is, zijn het ook met geringe uitzondering alle nevenfiguren. Omwaarschijnlijk is de overigens zoo schrandere Piet Dillman met zijn nutteloos en doelloos huwelijksaanzoek aan Riekje van den Burgemeester, en met zijn voorslag eener Italiaansche reis ter genezing van Kornelis. Onwaarschijnlijk is Riekje, het naïve landmeisje, zoowel in het oogenblik, waarin zij, al koffie zettende, de intiemste hartsgeheimen van Dominé van Beek en Dillman aan den laatste ontsluiert en dezen hare hand weigert, als in die andere ure, waarin haar lang en schijnbaar hopeloos wachten met het straks vermelde ‘geduwd worden’ vergolden wordt. Onwaarschijnlijk

[p. 157]

is Sorié, de advocaat, ‘wiens liefhebberij was wapens, blazoenen, genealogiën enz.,’ en bij wien die liefhebberij het karakter van eene zooveelomvattende, verbazingwekkende wetenschap heeft aangenomen, dat hij, op de enkele vertooning van een familie-wapen, niet alleen den Italiaanschen Graaf Fiamma aanstonds als den bezitter daarvan aanwijst, maar tevens de meest volledige inlichtingen omtrent hem zelven en geheel zijn in die oogenblikken levend geslacht verstrekt. Onwaarschijnlijk is Brand, wiens ‘liberale gevoelens’, gevoegd bij zijn fabelachtigen rijkdom, hem nopen, aan den Italiaanschen balling bij de eerste kennisneming van diens toestand zijn ‘aangenaamgelegen buitenverblijf’ met daarbijgevoegde geldsommen aan te bieden; wiens kolossale mystificatieplan de ongerijmdheid zelve is, en, in gewone omstandigheden, voor het geschokte hersenleven van Dominé van Beek het ergste moest hebben na zich gesleept. Onwaarschijnlijk is voorts de Graaf Fiamma, het verbannen hoofd van een der aanzienlijkste Milanesche geslachten, die op Hollandsche kermissen zijne snuisterijen aan de boeren rondvent, en als een anderen Riccabocca - maar als een Riccabocca op een hondenwagen! - zich aan ons voordoet. Onwaarschijnlijk is geheel het Oostenrijksche gouvernement - en dat nog wel het gouvernement uit de dagen van Metternich -, hetwelk zich zoo gereedelijk met de phanthasiën van den heer Brand tot genezing van een verliefden Nederlandschen dorps-dominé inlaat, en zoo verplichtend tot de uitvoering van die phantasiën de hand leent. Onwaarschijnlijk is eindelijk niemand minder dan keizer Frans van Oostenrijk zelf, welke die phanthasiën in een gelukkig oogenblik in zekeren zin tot werkelijkheid verheft.

Heeft nu echter het boek, in tegenoverstelling van zijne kardinale gebreken, waarop wij gewezen hebben, ook niet iets, waardoor het zich aan zijne lezers aanbeveelt? Zeker. Ook hier worden de deugden der zonden geenszins gemist. Er is in het geheele verhaal, juist door het excentrische van zijn inhoud, iets dat onmiskenbaar spant en boeit, inzonderheid daar alles op geleidelijke en onderhoudende wijze medegedeeld wordt. In de schildering van Dillman, de best geteekende figuur van het geheele boek, heeft de schrijfster (? ach, het wil er bij mij nog maar niet in, dat wij hier met eene dame te doen hebben) overigens inderdaad allergelukkigste ooogenblikken gehad. Jammer slechts, dat over het algemeen de latere hoofdstukken van het werk, wat

[p. 158]

fiksheid van voorstelling betreft, zoo ver bij de eersten achterstaan! Jammer ook, dat de breede uitweidingen over dominé's-costuum (blz. 33), kerkgezang (blz. 62), roeping der dominé'svrouw (blz. 68) enz. maar niet liever geheel achterwege gebleven zijn! Zij werpen smetten op den vorm, die reeds zooveel voor de kranke gedachte goed te maken had.

 

C.J. van Bemmel Suyck.

DE BIECHTVADER. Door den abt ***, schrijver van ‘De vervloekte, enz.’ II Deelen. Utrecht, uitgave en druk van L.E. Bosch en Zoon. 1868. In groot 8o. 641 blz. Prijs f.
DE PLATTELANDS-PASTOOR, door den Abt ***. Uit het Fransch, II Deelen. Dordrecht, P.K. Braat 1868. In groot 8o. 520 blz. Prijs f.

1. De strekking en vorm van ‘De vervloekte’, ‘De non’, ‘De monnik’, ‘De jezuït’ zijn genoeg bekend om ons te ontslaan, er veel van te zeggen. 't Zijn romantische inkleedingen eener onverholen openlegging van de dwaze, gevaarlijke, zielemoordende uitvloeisels der Ultramontaansch-jezuïtische grondstellingen. 't Zijn geen pijlen geschoten tegen het Catholicisme in het algemeen, maar tegen die geheimzinnige macht, die bijna de geheele R.C. kerk beheerscht en onderdrukt, tegen dat verfoeilijk jezuïtisme, waaronder de paus evenzeer gebukt gaat als de minste leek - dat beginsel van zieleheerschappij als over een lijk ‘perinde ac cadaver’, waardoor alle zelfstandigheid van den geest, alle vrijheid van denken en oordeelen vernietigd wordt; waarbij men komt als eene, die in den ‘Biechtvader’ wordt ten tooneele gevoerd, betuigende, dat, als bij helderen zonneschijn op een lichten zomerdag de paus verklaarde dat het donker was, zij oogenblikkelijk de waskaarsen zou aansteken en de luiken sluiten.

Vraagt men hoe het mogelijk is dat iemand met een gezond menschenverstand tot zulk een toppunt van dwaasheid komt, dan wordt het antwoord gegeven door het werk dat hier wordt aangekondigd. Indien men zich geheel en al aan de leiding van een zoogenoemden zieleherder overgeeft; indien men, niet slechts in zaken van godsdienst, maar ook in alle omstandigheden des maatschappelijken, huiselijken, ja huwelijkslevens geenen stap doet nog zoo klein, zonder den raad, of laat mij liever zeggen, de bevelen van den zieleherder te vragen en te volgen;

[p. 159]

indien men letterlijk als een blinde aan diens leiband loopt, door geen oog ziet dan het zijne, geenen wil heeft dan den zijnen, - dan komt het aan de eene zijde zoo ver, dat men zich onbepaald en geheel met de ziel - en (want het zijn meest vrouwen) maar al te dikwijls ook naar het ligchaam - aan zijn geestelijken vader (!) overgeeft, en aan de andere zoo ver, dat met eene alle grenzen van geloof baarheid te buiten gaande onbeshaamdheid vragen doet, van welkér ware beteekenis de onbezoedelde jonge maagd geen denkbeeld heeft en over welke de gehuwde vrouw zelfs met haren echtgenoot niet zou durven spreken. Kent de lezer het boekje: Le confessional et les femmes? De afschuwelijke liederlijkheden, die daar worden opgegeven als vragen en inlichtingen aan vrouwen en meisjes, vragen en inlichtingen die men in een bordeel nauwlijks zou dulden, zijn zij uit de lucht gegrepen of door boosaardigen godsdiensthaat verdicht - neen! zij zijn ontleend uit boeken van Liguori, Dens, van den Velden en anderen. Die boeken worden ten deele ook in Nederland gebruikt bij het onderwijs, dat toekomstige R.C. geestelijken op seminariën ontvangen. En - er is immers in ons land vrijheid van godsdienst, men mag immers dan ook zulke beestachtigheden onderwijzen aan jongelingen. die gevormd worden om als bichtvaders op te treden!.....

Voor dengene die Latijn verstaat zijn die morsigheden met onverholen realiteit, niet in het verhaal ingeweven, maar in een afzonderlijk hoofdstuk over de ‘erotische theologie’ blootgelegd. Kwam het boek in de handen waar het behoort, dan mogt dit als aanprijzing gelden aan ouders en opvoeders. De lezer of lezeres, die nu slechts kan begrijpen, dat achter dat Latijn ietwat van St. Anna zit, slaat van zelv' de ‘kwaaie namen’ over en doet evenals de kamenier Jeannette, die blozend tot gloeiens toe zich verontwaardigd verklaarde over de onkuische vragen, die vader Jerôme haar in de biecht gedaan had en zich niet kon begrijpen, dat hare mevrouw bij zulk een priester te biecht ging. Dat Jerôme de eenvoudige, maar schrandere kamenier reeds in de eerste biecht het vuur zoo na aan de scheenen legt, is niet zeer waarschijnlijk.

Die pater Jerôme van de orde der predikheeren is geen biechtvader in den gewonen zin des woords. Hij is de man, die het geheele gemoed en al de gedachten, woorden en daden van mevrouw Deville onbepaald beheerscht, een ‘leidsman’. Van die zijde is

[p. 160]

de titel eenigzins onjuist, maar ik weet niet of onze R.C. kerktaal er een ander woord voor heeft. En tot op zekere hoogte is dit ook hetzelfde, want ook de gewone biechtvader - de geestelijke, aan wien men zijne bedrevene zonden biecht - kan, als men eenmaal de schrede heeft gedaan hem over gemoedsbezwaren te raadplegen, overwicht genoeg op zijne biechtdochter erlangen, al loopen de ondervragingen en inlichtingen niet over zulke ontuchtige onderwerpen. Trouwens deze laatste staan hier dan ook niet op den voorgrond. Jerôme betoont zich in dat opzicht anders tegenover mevrouw Deville; hij heeft het alleen gemunt op haar vermogen, maar daarvoor aarselt hij ook niet, haar huwelijks geluk, haar geluk als moeder driest te verbreken. En pater Jerôme is geen jezuït, hij is dominicaan; maar het jezuïtisme beperkt zich ook niet binnen de grenzen der ‘sociëteit van Jezus’ - men vindt het overal, ook zelfs onder Protestanten. Pater Jerôme zou niets meer of niets minder verachtelijk zijn, indien hij jezuït ware: hij is verachtelijk omdat hij een schandelijk misbruik maakt van zijn heilig ambt, en tegen zulk misbruik is men door niets gewapend dan door de zedelijke eerlijkheid van eenen priester, die....volgens Liguori, Dens en van den Vilden onderwezen is in ‘het bedienen van het H. Sacrament der boetvaardigheid.’

De nadrukkelijke acte van beschuldiging, in dit boek opgemaakt tegen het schandelijk misbruiken van de goedgeloovigheid der biechtelingen, is niet onderteekend door eenen onverdraagzamen Protestant, maar door eenen Roomsche. Want, hoe ook de Ultramontanen schreeuwen, het Gallicanisme en het Jansenisme zijn elementen in de R.C. kerk en - het ware voor de eer en waardigheid van deze te wenschen dat zij dit erkende - vrij wat meer integreerende elementen dan het jezuïtisme, dat als eene parasitische plant der Catholieke kerk is ingedrongen en haar, indien den aanleggers van het door Pius IX uitgeschreven lateraan-concilie hun doel bereiken, misschien voor lang verstikken zal.

Wilde ik het werk beschouwen en beoordeelen als letterkundig voorbrengsel, als kunstwerk, dan zou ik vrij wat aanmerkingen hebben op nog meer onwaarschijnlijkheden dan de reeds opgegevene, als: dat de brief D II, blz. 211 volstrekt geen brief van Deville aan zijnen aanstaanden schoonzoon Villani, maar geheel een verhaal van den schrijver is; op de gesprekken als hier en daar overgaande in onnatuurlijk harengueeren - en wat

[p. 161]

ik meer zou kunnen noemen. Maar ik spreek van de strekking; zij is om den vinger op eene diepe, in het verborgen rondvretende wonde te leggen, of beter, naast de wonde, ten einde haar te ontblooten en aan te wijzen. Wanneer zal men die wonde willen zien? Wanneer gelooven dat zij bestaat? Wij weten het niet en niemand weet het. Oogen hebbende om te zien, zien zij nogtans niet, en ooren hebbende om te hooren, hooren zij nogtans niet, die zich laten wijsmaken, dat het leugen en laster is wat zelfs door processen en vonnissen in het volbloed Roomsche België wordt bewezen. En...zou men dan geloof slaan aan eenen ketterschen roman van den ketterschen ‘abt***’? Doch al opende die ‘abt’ slechts één paar oogen, dan zou hij nog niet vruchteloos geschreven hebben.

Bij enkele plaatsen legde ik vouwtjes, doch lang zal ik den lezer der Letteroefeningen niet met mijne aanmerkingen vermoeien.

Deel I blz. 16 noemt hij Lacordaire den grootsten christenredenaar der XIX eeuw. ‘Dem Verdienste seine Krone’ zegt Schiller, maar ik neem dit alleen ‘onder beneficie van inventaris’ aan, gelijk mede, dat de kansel der Nôtre Dame te Parijs de eerste kansel der wereld is - iets dat ik hem gratis laat zeggen.

Ik kan mij niet herinneren - vooraf geef ik lof aan de vertaling in het algemeen - ooit een vertaald boek te hebben gelezen, waarin het w. wanneer zoo dikwijls onjuist wordt gebruikt voor indien. Eéne plaats uit misschien honderd: ‘Ik had mij voorgenomen, mij niet in de zaak te mengen....wanneer pater Jerôme u bewijst, dat gij dit huwelijk moet verbreken, dan verzoek ik, dat gij u tot mij wendt.’ Wanneer is eene kwestie van tijd, indien eene kwestie van omstandigheid. Herziening der vertaling eischen: ‘beredeneerde huwelijken’ (mariages de raison, d.i. huwelijken van berekening; ‘beredeneerde huwelijken’ zijn huwelijken, op verstandig overleg gesloten; zij staan dus niet tegenover uit die uit liefde, gelijk de mariages de raison tegenover de mariages d'amour), Deel II blz. 186; ‘in eene provincie’ staat Deel II blz. 211, maar de Franschen noemen alles ‘la province’ wat geen Parijs is, zoodat men, als duizendmaal geschiedt, uit het Fransch vertalen moet: ‘in de, of in eene provincie,’ maar: ‘buiten Parijs.’ ‘De jonge man heeft waarlijk goede beginselen, dacht de monnik. Men kan

[p. 162]

toch niet ongestraft leven in de nabijheid van Rome, dat groote centrum van alle katholieke kerk’ (Deel II blz. 263). Indien die monnik in het Nederlandsch gedacht had, zou de auteur hem hebben in den mond gelegd: ‘In de nabijheid van Rome, dat luisterrijke (een punt is nooit groot of klein) middelpunt der katholieke kerk, kan niemand leven, zonder dat het sporen bij hem achterlaat’, of iets degelijks. Dat ‘ongestraft’ is geen goed gekozen woord. Doch nu genoeg; wij komen tot No. 2.

2. Deze romantischen ingekleede voorstelling van het leven, dat wil zeggen: het ellendig lijden van eenen dorpspastoor, besluit de, zoo heet het, eerste reeks van geschriften, in welke de ‘abt ***’ de treurige ‘verborgenheden’ van den Roomschen clerus blootlegt. Ook in dit verhaal geloof ik gaarne, dat niets overdrevens is, ja dat de ‘plattelands-pastoor’, niet alleen in Frankrijk, maar ook nog wel elders, aan nog veel meer kwellingen en onderdrukkingen is blootgesteld dan in het voor mij liggende verhaal zijn geschilderd. Maar om die kwellingen en onderdrukkingen voor te stellen in het hier bedoelde licht zou een niet klein gedeelte van de geschiedenis geheel hebben moeten wegvallen. Voor zoover de rampen van den geestelijke - verkeerdelijk staat op vele plaatsen: ‘abt’, eene letterlijke vertaling van het Fransche ‘abbé’, dat eenen geestelijke in het algemeen aanduidt, doch in onze taal doet ‘abt’ aan iets hoogers denken dan aan een kapellaan, in dit werk verkeerdelijk ‘vicaris’ genoemd - Berthomieux het gevolg waren zijner, wij zeggen het met nadruk: volkomen reine en onberispelijke vriendschaps-, of beter platonische liefde-betrekking tot Félicie mist de voorstelling haar geheele doel, juist omdat die voorstelling den held van het verhaal in eenen gansch abnormalen toestand plaatst. Overigens zal de schrijver er wel gelijk in hebben, als hij den kapellaan voorstelt als het voorwerp van hooghartige miskenning van de zijde des pastoors, van bedelzieke bemoeizucht van die der kwezels en dergelijk volkje. Ik zou vrij wat bijdragen tot die schilderij weten te geven, zelfs van pastoors, die hun kapellanen zoo diep vernederden, dat zij hen bij de meid in de keuken lieten eten en daardoor aanleiding geven tot....Ook de pastoor verkeert in eenen toestand van ellendige afhankelijkheid; hij staat bloot aan laaghartige verspieding, waar hem, zoo hij geen volkomen slaaf ‘perinde ac cadaver’ is, kapellanen worden op zijde gezet, die al zijne gangen bespieden en - vaak

[p. 163]

in een verkeerd licht - aan de hoogere geestelijkheid overbrengen; een hoofdstuk in het leven van den ‘platteland-pastoor’, dat de ‘abt ***’ heeft laten liggen, misschien omdat het in Frankrijk eenigszins anders is dan hier te lande. Maar dan ware algeheele omwerking te verkiezen geweest boven vertaling, die bovendien gansch niet onberispelijk is, ‘Wij tutoieerden elkander’ (wij noemden elkander gemeenzaam: gij, D, I blz. 95; denkbeelden ‘doorgevoerd’ (blz. 111); 1 Cor. XI:27, 28 geheel verkeerd vertaald (D. II blz. 1289 - maar ik corrigeer geen schoolvertaling, even weinig als eene drukproef, anders zou ik D. I blz. 133 groffe in grove en D. II blz. 207 herkende in kerkorde veranderen. Wat zoo flink en waar over het ellendige formalisme (D. II blz. 130 vlg.) en het afgodische Marianisme (aldaar blz. 137 vlg.) in de Roomsche kerk gezegd wordt verdient alle behartiging.

't Jammerst maar is, dat zulke boeken niet in de regte handen komen, en dat, komen ze er, de waarheid begraven wordt onder de ellendigste knoeijerijen. Met dat al, 't is boven reeds aangeduid, men weet niet, in welke goede aarde soms één goed zaad vallen kan.

 

v.O.

CHEQUERIANA, door Bern. Koster Jr., Amsterdam P.N. van Kampen 1868.

Een auteur, die (natuurlijk niet uit winzucht) de verstrooide stukken verzamelt, die hem in de verschillende tijdperken van zijn vorming uit de pen zijn gevloeid, maakt op mij, en misschien ook op 't publiek, den indruk van een handelaar, die zijn zaken liquideert, om er voortaan òf in 't geheele geene òf totaal andere te doen. Of we nu bij de liquidatie van de firma B. Koster, [Voorsanger en Cie] zoo schrikkelijk veel verliezen, betwijfel ik op, naar mij dunkt, goede gronden. Ik was erg benieuwd om kennis te maken met bovengenoemd werk, welks vreemdsoortige titel en dito gewaad blijkbaar bestemd waren om tot kennismaking niet uit te noodigen, maar aan te prikkelen. Wel gevoelde ik eenige vrees, dat aan het bonte uiterlijk niet zou beantwoord worden door den inhoud, maar ik was edelmoedig genoeg om dat voorbarig oordeel dadelijk te onderdrukken. Ik sloeg dus 't kostbare deksel op om mij aan de

[p. 164]

kern der vrucht te verkwikken, en liet mijne oogen weiden over 't wonderlijk amalgama van Bernard Kosters hersenvruchten. What to say about it? Ik sta waarlijk verlegen. Daar is te veel gewerkt op die schijnbaar los weg uit de pen gevloeide stukjes, dan dat ik ze met een onvoorwaardelijk veto zou durven treffen. Voor tijdschriftlectunr zijn ze wezenlijk goed genoeg. Maar dat is - met een enkele uitzondering - ook al. Ze bijeen te brengen en als letterkundige producten de wijde wereld in te zenden, daarvoor zijn ze, en ik zeg het noode, deels verouderd, deels te zwak. Tot de eerste soort reken ik de reisbeschrijvingen Een Hoogtij te Milaan, - Op het meer van Como, tot de laatste de beide stukjes, die ten doel hebben ons in de beschrijving der Zuidzee-eilanden en van Polderlands Hoofdstad eigen feilen en dwaasheden voor oogen te stellen. Edoch, waar de kunstenaar als hekelaar optreedt, is zijn kunst middel, de waarheid, die hij verkondigen wil, doel. Liggen nu Kosters waarheden zóó diep, dat er aanwijziging en opheldering voor noodig was? Zijn ZEds. geeselslagen, is zijn ironie of, wilt ge, zijn sarcasme zoo bijtend, stekelig, treffend of vernuftig, dat de lezer zich gewond, maar tevens onderricht voelt? Integendeel. Een zoetelijke glimlach alleen kan 't loon zijn voor zooveel slovens. Meer zal onze satiricus stellig niet uitwerken.

Rest de nieuwe stadsherberg, een stukje in den geest van den genialen Potgieter (maar gelukkig zonder diens afschuwelijke vrouwelijke meervouddatieven met der!) - een wezenlijk veelbelovend kunstproductje, dat echter door geen dergelijke gevolgd is. Voorts Arabella, een niet onwaardig novelletje, en de roerende geschiedenis van den kleinen Noel, 't beste voorzeker van den geheelen bundel. Gaarne zoude ik dit tot 't laatst bewaard hebben. Maar de schrijver heeft ongelukkigerwijze den indruk daarvan totaal bedorven door 't onmiddelijk volgende verhaal Hoe men een groot man wordt. Dit zouteloos opstelletje had m.i. best achterwege kunnen blijven. Vometisch werkt 't contrast van den lamzaligen Zebedeus en zijn dichterlijken, ergo excentrieken neef Albrecht. Terwijl zich de eerste althans schatten en eereposten verwerft, al is 't dan ook door die schitterende gereserveerdheid, welke bij zeker slag van luiden voor groote bekwaamheid doorgaat, wordt de tweede trots zijn talent en nobel karakter verguisd en diep rampzalig - misgeraden mijne Heeren! compagnon in de firma zijns geachten vaders en

[p. 165]

tevens de tot barstens toe gelnkige echtgenoot der talentvolle Constancia R. 'T verhaal eindigt, bij wijze van apotheose, met een vriendschappelijk bezoek van Zebedeus en echtgenoot aan 't dichterlijk paar. 'T ergste van den heelen boel is dat dit vod tachtig bladzijden vult, circa een vierde van den geheelen bundel.

De schrale lof, dien ik Koster toegezwaaid heb, moge iets gestijfd worden door mijn verklaring, dat taal en stijl over 't geheel vloeiend en zuiver zijn. Enkele smetjes natuurlijk er afgerekend, als daar zijn: liever dan schoon (pag. 147), de compagnie was volteekend (212), daar bruist het aan onze regte (282) en laffe composita als een bokken-van-de-schapen-scheiding-[s]-gewoonte (170). En niet weinig valsch vernuft ligt er in de phrase: ‘De pater familias - had - de oogen gesloten; wat was natuurlijker en betamelijker dan dat de huizinge, die hij bewoonde (?), ook de hare sloot.

Haarlem 6 November 1868.

P.J. Cosijn.

II. Godgeleerdheid.

FÉLIX PÉCAUT. - DE MODERNE ORTHODOXIE EN DE HERVORMDE KERK. - Brief van een modernen aan een ortho doxen predikant. (Uit het fransch.) - Kampen. H. van Hulst. 1868. Prijs ƒ 0,60.

Een tiental jaren geleden zou de verschijning van den boven omschreven brief meer opzien hebben gebaard, dan nu 't geval zal zijn. Het onderwerp is niet nieuw meer, al mag het nog volstrekt niet als verouderd op zijde geschoven worden. Bekend zijn sedert jaren de waarheden, hier geleidelijk en in aangenamen vorm ontwikkeld. Maar bekend en erkend zijn zoo vaak, met 't oog op eenige waarheid, twee. Zoolang zij niet één zijn geworden, is de herhaling van het bekende noodzakelijk. Goed, wanneer een man als Pécaut zich met die taak heeft belast!

De fransche schrijver is voor het lezend publiek in Nederland geen vreemdeling. Men kent hem als een der uitstekendste vertegenwoordigers van de moderne beginselen in de Hervormde kerk van zijn vaderland. De bloei dier kerk gaat hem ter harte. De geest van uitsluiting, afscheiding en onverdraagzaamheid, die haar dagelijks met den ondergang bedreigt, heeft zijne ziel met weemoed vervuld. Maar een Félix Pécaut kan niet lijden, zonder naar 't wapen te grijpen, waarmede de oorzaak der smart bestreden moet worden, zal er rechtmatige hoop op genezing mogen bestaan.

[p. 166]

Van welke zijde dreigt voor 't oogenblik het grootste gevaar? Van den kant der moderne orthodoxie, die zich inbeeldt rechtzinnig te zijn in oud- en tevens echt christelijken, in wederom oud- en tevens echt protestantschen geest. Op die inbeelding afgaande achten de voorstanders dier richting zich gerechtigd en verplicht de grenzen van christendom en protestantisme zoo scherp, mogelijk te trekken, zichzelf daarbinnen, alle liberalen en modernen daarbuiten te sluiten. Al het woelen en strijden, uit 't aangeduide streven geboren, rust als dit zelf op inbeelding, misverstand, gebrekkige kennis, noem 't hoe ge wilt: de oorzaak van het betreurenswaardige exclusivisme is gelegen in de onvolledigheid der voorstellingen, die men ontwerpt én van zichzelf én van anderen. De moderne orthodoxen zijn niet orthodox. Ziedaar het zeker niet nieuwe, veeleer welbekende en toch lang niet algemeen genoeg erkende thema, aan welks ontwikkeling Pécaut zijne krachten heeft beproefd; we mogen er bij voegen: met gunstigen uitslag.

Als de ‘belangstellende broeder’ van een orthodoxen predikant, ontvouwt Pécaut voor dezen zijne gedachten. Hij stelt zich voor, dat de andersdenkende vriend hem schriftelijk ‘de eischen zoowel als de grieven’ der orthodoxie heeft opgesomd. Zijn antwoord is de hier aangekondigde brief.

Vooraf schijnt noodig het karakter te omschrijven van de twee richtingen, die hier in aanmerking komen, de moderne en de orthodoxe. Blijkt de leus der eerste: de autonomie van het individuëel geweten; die der andere: het gezag der openbaring en van den bijbel; men mag dan vragen of twee beginselen van zoo verschillende natuur met elkaâr in vrede leven kunnen in den boezem derzelfde kerk? Het antwoord is bevestigend, want hoewel van nature opposiet, kunnen zij toch niet buiten elkander. Daar is een zekere eenheid, een in vele opzichten merkwaardige overeenstemming tusschen modernen en orthodoxen.

Evenwel: ook veel verschil. Doch dit vormt geen kloof, ‘die ons voor goed van elkander scheiden zou.’

't Bewijs der laatstgenoemde stelling is gemakkelijk te leveren aan hen die het tegendeel mochten meenen. De leer en het oordeel, dat de modernen vellen over de bovennatuurlijke feiten der openbaring, kan hen niet onherroepelijk scheiden van de orthodoxen. Want onder de laatsten heerscht volstrekt geen eenstemmigheid in het bepalen van leerstukken, die een onmisbaar be-

[p. 167]

standdeel uitmaken van het christendom. Zij hebben reeds zooveel van hun dogmatisch erfgoed prijsgegeven. Zelfs hebben zij zich vergrepen aan het geloof der eerste christenen. Wat zij den grondslag van hun geloof noemen, is allesbehalve fundamenteel geweest in de oogen der oude kerk. Noch met de apostolische, noch met de kerkelijke, noch met de protestantsche- oudheid denken zij eenstemmig. Hun zoogenaamd vasthouden aan de groote bovennatuurlijke feiten der openbaring, blijkt gedurig uiterst zwak indien zij tegenover vele wonderen, vooral oud-testamentische staan, die zij niet kunnen aannemen. Hun pogen om den slagboom te stellen, dien de modernen niet mogen overschrijden, is dus ijdel, daar zij in weerwil van zichzelf, menschen van den modernen tijd zijn, die de geschiedenis bestudeerd, de ervaring geraadpleegd, de uitspraken der wetenschap vernomen hebben en daarnaar hunne oud-kerkelijke overtuiging wijzigen moesten.

Breedvoerig en helder heeft Pécaut de door mij aangestipte punten ontwikkeld, en zich zoo den weg gebaand om te wijzen op de nadeelige gevolgen van de inbeelding der moderne orthodoxen, dat hunne rechtzinnigheid onberispelijk is. Op twee feiten vestigt hij in 't bijzonder de aandacht. Het eerste is dit, ‘dat menig huisvader, wien zijne vroomheid niet onverschillig maakt voor de ware belangen zijner kinderen, er zelfs niet meer aan zal denken, om zijn zoon voor predikant op te leiden.’ Het andere bestaat hierin, dat de handelwijze der orthodoxen, hoewel 't hunne bedoeling volstrekt niet is, inderdaad ‘bij vriend en vijand schijnheiligheid aankweekt.’ Want ‘er zijn tegenwoordig geen echte orthodoxen meer, dan onder hen, die niet denken.’ De geschiedenis der kerk leert ouwedersprekelijk, hoe de strijd over leerstukken een voorbijgaande is; hoe vaak de rechtzinnigheid van heden, morgen als ketterij gebrandmerkt wordt, en omgekeerd; hoe 't onmogelijk is scherpe grenzen te bepalen voor den denkenden, vrij zich ontwikkelenden geest. Dat is ook niet noodig ter instandhouding der kerk, wat sommigen dienaangaande ook mogen meenen...Een kerk immers is geen sekte. Zij moet gedoogen dat hare leden opwassen en dat hunne denkbeelden zich voortdurend ontwikkelen.

Het is dus ‘de plicht der partijen,’ zoo kan in 't kort de slotsom worden opgemaakt, ‘en evenzeer haar belang, dat de vrije discussie niet worde gesmoord, maar tevens dat niet dan in de uiterste noodzakelijkheid tot afscheiding en scheuring worde

[p. 168]

overgegaan. Dat is haar plicht,...omdat zij, bij verschil op menig gewichtig punt, 't met elkander eens zijn in beginselen en methode; omdat zij 't zelfde ideaal zich zien voorgesteld. Maar dat is ook haar belang, want, vooreerst, daar beide richtingen zich vasthechten aan een andere zijde van het protestantisme, vullen zij, ten minste zoolang zij verbonden blijven, elkander aan; maar daarenboven ook, omdat zij alleen, wanneer zij saamverbonden blijven, talrijk en machtig genoeg zijn om zich in weerwil van den sterken tegenstand van 't katholicisme te blijven ontwikkelen, terwijl zij verdeeld en van een gescheurd, slechts een armelijk leven zullen overhouden, dat geen vermogen in zich heeft, om zich uit te breiden of zich staande te houden.’

De brief van Pécaut is een vredewoord, dat aanspraak heeft op de belangstelling van allen, die 't wel meenen met den bloei der protestantsche kerk in Frankrijk. Ook in ons vaderland is dergelijke taal niet overbodig. De heer A.G. van Anrooy heeft daarom een goed werk verricht, toen hij den brief van Pécaut uit Le Disciple de Jésus-Christ overnam en vertaalde. Zijn naam als vertaler is te goed bekend, dan dat 't noodig zou zijn nog opzettelijk te gewagen van de deugdelijkheid der overzetting. Jammer is 't maar, dat brieven als deze van F. Pécaut, zoo zelden aan 't juiste adres worden bezorgd. Onze kerkelijke toestanden mogen niet volkomen dezelfde zijn als die, waarin Pécaut en de zijnen zich bewegen; wij kunnen zelfs gegronde bedenkingen hebben tegen eenigen zijner voorstellingen, waar zij onveranderd op vaderlandschen bodem worden overgebracht, ter kenschetsing b.v. van de twee hoofdrichtingen op kerkelijkgodsdienstig gebied, blz. 6-9; wat de voorname inhoud van dit geschrift uitmaakt is toch zeer de kennisname en behartiging waardig van onze eerlijke, moderne orthodoxen die gestudeerd hebben en dus leerden denken, ook over den afstand, die hen scheiden van hunne orthodoxe vaderen. Dien te meten, zal tevens zijn: erkennen, hoe eigen zwakheid hen verbiedt, den staf te breken over het christelijk-protestantsch karakter der modernen; en hoe de bewustheid van eigen kracht, vergeleken bij de zwakheid der voorgeslachten, hen dwingt tot waardeering van de meerdere kracht, die uit het vrij zich ontwikkelend denken, gelooven en belijden der modernen tot hen spreekt.

W.C. van Manen.

[p. 169]

III. Rechts- en Staatswetenschappen.

Geschiedenis van de Nederlandsche Regering in Indië gedurende 1816-1858 door den Hoogleeraar G. Lauts. Twee deelen. Amsterdam, Frederik Muller. 1866.

Ik geloof, dat eene geschiedenis van Nederlandsch Indië meer in overeenstemming met de regels der historische wetenschap, beter naar den vorm en meer onderhoudend geschreven kan worden dan in het boven aangekondigde boek. Verder moet ik doen opmerken, dat eene historiebeschrijving als in dit boek aangetroffen wordt, niet is eene historie-beschrijving van den tegenwoordigen tijd. Wij hebben op dit gebied te veel uitstekends gezien, dan dat wij ons met dergelijke middelmatigheden langer behelpen willen. Wij lezen in deze geschiedenis van Indië, waarvan mij alleen deze beide laatste deelen ter aankondiging toegezonden zijn, een verhaal der gebeurtenissen sedert 1816. Ik kan dus moeijelijk een verslag er van geven, want ik zou de grenzen, voor deze aankondiging gesteld, verre overschrijden. Wenschelijk ware het, als deze geschiedenis van Nederlandsch-Indië de aanleiding werd, dat er eene betere geschiedenis van Nederlandsch-Indië het licht zag, vooral ook met wat minder groote woorden.

Wat het laatste aangaat - wat beteekent het, dat de schrijver zijne inleiding aanvangt met de woorden ‘Zonderling en vaak geheel onverwacht zijn s'werelds wisselingen, zoodat de mensch gedwongen wordt te erkennen: er is eene Hoogere Magt, die alles bestuurt.’ Daaraan wordt immers niet getwijfeld! Maar daarom is het ook geheel overbodig, een historisch boek er mede te doen aanvangen.

Op bladz. 25 vg. 1e. deel wordt gespoken over het landrentestelsel van Raffles in afkeurenden zin. Als argument tegen dat stelsel wordt aangegevoerd, dat het geheel der uitgaven over 1815 ruim anderhalf millioen Java ropijen meer heeft bedragen dan de inkomsten. Tegen dit millioenen-argument moge de opmerking gelden, dat het landrente-stelsel veel te kort gewerkt heeft, om er eenig besluit uit af te leiden. De groote voordeelen van het cultuurstelsel ontstonden immers ook jaren na de invoering daarvan, en dan nog wel ten gevolge van de hooge prijzen der koffij en suiker. Op bladz. 34 vlg. zelfde deel komt weder eene minder juiste

[p. 170]

voorstelling van het Engelsche tusschen-bestnur voor. Commissarissen-generaal vonden bij het overnemen van het bestuur den toestand alles behalve zoo als deze wezen moest. En dat alles zou alleen het gevolg der invoering van het landrente-stel zijn geweest!

Op bladz. 155 zelfde deel wordt gesproken over den uitnemenden invloed, welken de oprigting van de handelmaatschappij op het herleven der oude bedrijvigheid uitoefende. Zeker dit handelsligchaam heeft veel bijgedragen tot de opkomst van handel en scheepvaart. Maar als dezelfde practische blik op zaken, welke bij de handelmaatschappij in den aanvang voorzat, ook nu nog aanwezig was, dan was, er is geen twijfel aan, de werkkring van dit ligchaam reeds voor lang gewijzigd en had men reeds lang aan den particulieren handel overgelaten wat tot zijn gebied behoort, gedachtig aan het spreekwoord: als het getij verloopt, moeten de bakens verzet worden.

Op bladz. 188 zelfde deel wordt gehandeld over Diepo Negoro en de beweging op Java. Diepo Negoro wordt daarbij voorgesteld als zeer ingenomen tegen de Europeanen. Alsof dit inandsch hoofd ingenomen moest zijn geweest met een volk, hetwelk immers op zijn standpunt volstrekt geen regt tegen en magt over den inlander had. Uit zulk een uitsluitend Nederlandsch gezigtspunt kan de historie niet geschreven worden. Die ingenomenheid van Diepo Negoro, en in het algemeen van de inlanders, tegen een vreemd gezag is zeer natuurlijk. Alleen door een wijs en mild bestuur kunnen wij die tegeningenomenheid keeren. Bij deze gelegenheid wordt de commissaris-generaal du Bus en zijne handelingen ook nog eens krachtig gegispt. Waarschijnlijk omdat de burggraaf du Bus tot een liberaal stelsel van bestuur overhelde, minder in den geest van onzen schrijver.

In het 8e. hoofdstuk van het 1e. deel wordt het cultuurstelsel behandeld, en de uitnemendheid van dat stelsel natuurlijk breed uitgemeten. Ik heb daar niets tegen. Het cultuurstelsel heeft buiten twijfel zijne goede zijden - gehad. Het heeft stellig groote voordeelen opgeleverd zoowel voor den inlander als het gouvernement. Het had waarschijnlijk nog grooter voordeelen kunnen opleveren, als men niet overdreven had. Maar even zeker is het, dat, als men nog van cultuurstelsel spreken kan, het uitgediend heeft. Wij zoeken nog slechts naar den staats-

[p. 171]

man, die op geschikte wijze en met voorafgaande regeling van een toestand van overgang er ons van af helpt. Het is overigens bekend, dat wij hier te lande lang zoeken.

Wat ik nu echter volstrekt niet goedkeur en waarin ik geheel met den schrijver van dit boek verschil, is zijne ingenomenheid met de cultuurpercenten der Europesche en inlandsche ambtenaren. Ik zal daarvan niet veel zeggen. De ambtenaren, die percentsgewijze belooning erlangden in verhouding tot hetgeen de bevolking aan producten opbragt, hadden er dus belang bij de productie zooveel mogelijk op te voeren. Het is niet twijfelachtig dat dergelijke regeling niet in het belang van den inlander was.

De indigo-cultuur bestaat als gouvernements-cultuur niet meer. Deze cultuur was zoo bezwarend voor de bevolking en zoo weinig voordeelig voor de schatkist, dat reeds de gouverneur-generaal Rochussen in der tijd daarin verandering bragt. Ik geloof niet, dat de bevolking met de koffij-cultuur zoo bijzonder ingenomen is, zoo als dat op bladz. 260 vermeld wordt, want dan moest de productie vrij wat meer zijn. Juist door den zwaren arbeid en de weinige verdienste, gaat er van dit product aanzienlijk verloren. Nu wordt er wel gezegd, dat Europa nog lange jaren eene steeds toenemende koffij-productie op de markt kan slijten, maar 1o. dient men in aanmerking te nemen, dat die behoefte niet onbegrensd is, en 2o. dat Java niet het eenigst producerend koffij-land is; men denke eens aan de Braziel- en Ceylon-koffij.

Op bladz. 282, le. deel, lezen wij, dat het cultuurstelsel steeds meerdere inkomsten den lande afgeworpen heeft, en gestrekt heeft, om de welvaart van den Javaan te vermeerderen. Wat de meerdere inkomsten van de schatkist aangaat - ik erken, zij zijn belangrijk geweest, niet zoo zeer evenwel ten gevolge van het cultuurstelsel dan wel door de hooge prijzen der koffij en suiker; maar, dat is niet zoo gebleven en dat kan ook zoo niet blijven. Op de laatste staatsbegrooting komt onder de middelen voor eene bijdrage uit Indië tot een bedrag oorspronkelijk geraamd op ƒ 15.618.358. Dat is weinig in vergelijking met vorige jaren. En het zal nog minder worden, want de hoognoodige uitgaven in Indië nemen toe. En het cultuurstelsel heeft niet de vereischte krachten in zich, om de inkomsten te vermeerderen. Tegen de stelling, zonder eenig bewijs, dat het cultuurstelsel ook den

[p. 172]

Javaan bevoordeeld heeft, stel ik eenvondig het omgekeerde. Die meerdere welvaart van den Javaan blijkt ook niet uit het medegedeelde feit, dat het plantloon van 1845 tot 1850 van ƒ 16.96 tot ƒ 22.02 voor ieder huisgezin geklommen is, (bladz. 186 2e. deel). Als men de meerdere welvaart van den Javaan bewijzen wil, dan dient men met geheel andere feiten te komen, en daarbij aan te toonen, dat deze dan hebben plaats gehad ten gevolge van het cultuurstelsel. En dat zal zoo gemakkelijk niet gaan.

Men begrijpt, dat ik niet dan met een enkel woord van het cultuurstelsel spreken kan. Voor zooveel noodig verwijs ik naar hetgeen omtrent dit onderwerp in dit tijdschrift bij herhaling gezegd is.

Uit eene circulaire van den gouverneur-generaal Rochussen van 1850 ter regeling der zoogenaamde heerediensten, leidt de schrijver van het boek in quaestie af, hoezeer men op de belangen van den inlander bedacht was. In die circulaire komen o.a. voor de volgende woorden: ‘dat de heerediensten zonder onderscheid behooren te worden beperkt tot de nuttige en onmisbare werken, en tot de behoeften van de dienst der inlandsche hoofden’. Ik laat nu voor het oogenblik daar de diensten, welke de inlander ten behoeve van het gouvernement presteert. Maar laten wij nu eens nemen de diensten, om in de behoeften der inlandsche hoofden te voorzien. Pleit het dan voor het practische gevolg dezer circulaire, dat de minister van de Putte maatregelen moest beramen en ook beraamd heeft, om die dienstprestatien geheel uit te sluiten en de inlandsche hoofden in de plaats daarvan eene ruimere bezoldiging te geven? Pleit het voor een ordelijk bestuur, dat, met het bestaan eener dergelijke circulaire, zelfs een conservatief minister van koloniën er toe heeft moeten overgaan, om aan de vertegenwoordiging des lands voor te stellen, de diensten aan de inlandsche hoofden te beperken met toekenning van eene hoogere bezoldiging van de laatsten? Wat is dan die geheele circulaire anders dan eene holle phrase?

De hongersnood, welke de bevolking van Demak en Grobogan in 1849 trof, wordt op pag. 200 vlg. 2e. deel aan natuurlijke oorzaken toegeschreven. Inderdaad de oorzaak was zeer natuurlijk. Men had, zoo als de schrijver zelf mededeelt, een moeras drooggemaakt, maar men had niet gedacht aan het graven van kanalen tot afvoer van het overtollige water. Verder had men

[p. 173]

weder geeue maatregelen genomen om bij droogte het land van water te voorzien. Nu denke men eens aan het rijst-verbouw, waar het water zulk eene voorname rol te vervullen heeft, en vrage dan, wat daarvan onder zulke omstandigheden worden moest. En dan in een land als Java, waar maar niet zoo spoedig en gemakkelijk door de eene residentie in de behoeften van de andere voorzien kan worden, vooral in aanmerking genomen de gebrekkige communicatie-middelen, en ik geloof niet dat men nog naar andere oorzaken van deze ontzettende geschiedenis behoeft te zoeken.

Er wordt ook gehandeld over de politieke demonstratie te Batavia in 1848. Veel zal ik er niet over zeggen. De schrijver hecht daaraan veel gewicht. Wanneer men dat gewigt echter naar de resultaten wil afmeten, dan blijft er weinig of niet over. Maar ik moet opkomen tegen de wijze waarop de schrijver den heer Mijer, den tegenwoordigen gouverneur-generaal, in deze gegeschiedenis laat optreden. Het is bekend, dat de heeren van Hoëvell en Mijer groote voorstanders dezer politieke demonstratie, eene demonstratie van het liberalisme, waren. En hier wordt het voorgesteld, alsof de heer Mijer zijn best had gedaan, om de demonstratie geen gevolgen te doen hebben. De heer Mijer is later zeer behoudend en orthodox geworden. In die rigting werd hij voor de eerste maal minister van koloniën in het ministerie van den Brugghen; het steeds onuitgevoerd blijvende drukpers-reglement voor Oost-Indië dagteekent van zijn eerste ministerie. Toen is de heer Mijer eenigen tijd lid van de tweede kamer geweest en stond tijdens het tweede ministerie Thorbecke aan de spits van de koloniale oppositie. Toen vervolgens de pogiugen van den heer van de Putte, om zonder Thorbecke toch een ministerie Thorbecke gaande te houden, mislukt waren, werd de heer Mijer voor de tweede maal minister van koloniën, maar niet om als zoodanig te blijven. Toen de Indische begrooting van 1867 afgehandeld was, ging hij als gouverneur-generaal naar Indië. En daar regeert nu die landvoogd, niet behoudend, - omdat behoudende beginselen slechts goed zijn om daarmede oppositie te voeren maar als regeringsbeginselen niet bruikbaar zijn; - niet liberaal - omdat hij met een behoudend kabinet te doen had. Maar in 1848 behoordde heer Mijer onder de liberalen en van daar dat hij aan die publieke demonstratie mededeed.

Ik heb gelegenheid gehad om te wijzen op beweringen door

[p. 174]

den schrijver dezes boeks op den voorgrond gesteld, door niets gemotiveerd. Iets dergelijks vond ik al weder op pag. 296 2e. deel. Daar wordt gezegd, dat de gouverneur-generaal Duymaer van Twist volstrekt niet overeenstemde noch met den vice-president van den raad van Indië, den heer J.F.W. van Nes, noch met de leden van dien raad. Dergelijke bewering had bewezen moeten worden.

Overigens wensch ik over het bestuur van den gouvernenrgeneraal Duymaer van Twist het stilzwijgen te bewaren, ofschoon het boek in quaestie mij ruimschoots de gelegenheid aanbiedt, om er over te spreken. Eene zaak echter wensch ik te bespreken. Wat door den heer Duymaer van Twist betrekkelijk de opiumpacht verrigt is, wordt door den schrijver geheel verkeerd voorgesteld. En het bewijs daarvan put ik uit zijne eigene mededeelingen. Ik dien vooraf met een enkel woord te herinneren, dat het gouvernement is de eenige leverancier van opium, maar het gouvernement verkoopt zelf de opium niet; het verpacht dit artikel. Die pacht is zoodanig geregeld, dat de pachters verpligt zijn eene zekere hoeveelheid tegen zekeren prijs van het gouvernement te pachten (opium tiban), terwijl er vervolgens nog eene zekere hoeveelheid opium-siram, ten gevolge van den maatregel van den gouverneur-generaal Duymaer van Twist zooveel de pachters verkiezen, ter hunner beschikking gesteld wordt.1)

Bij publicatie van 1854 werd bepaald, dat de pachters zooveel opium-siram konden verkrijgen als zij zouden verlangen tegen den prijs van ƒ 12 het kattie. Daardoor nam het opium-verbruik op ontzettende wijze toe. Intusschen laat de schrijver voorafgaan, dat van Singapore dien ten gevolge voortaan niet meer ingevoerd kon worden, omdat de prijs daar ƒ 17 per kattie bedroeg. Juist voorgesteld. De gouverneur-generaal Duymaer van Twist zag in, dat een zeker bedrag opium voor het gebruik noodzakelijk was. Wat nu de pachters te kort kwamen, dat werd van Singapore ingevoerd, en dat ging tot nog toe best, omdat de prijs te Singapore minder was dan op Java. Wat deed nu de

[p. 175]

gouverneur-generaal? Bepalen dat de pachters zooveel opium-siram als zij verlangden konden verkrijgen en dat tegen een prijs aanzienlijk lager dan te Singapore betaald werd. Daardoor moest de invoer van Singapore, welke het verbruik buiten verhouding vermeerderde, ophouden. Neen, zegt de schrijver, het verbruik nam toe. In 1825 werden gesleten ruim 20.000 katties, in 1856 29.291 en in 1867 43.127. Maar die vergelijking gaat niet op. Dat in 1856 en 1857 meer opium verbruikt worden dan in 1825 kan het gevolg zijn geweest van onderscheidene omstandigheden, maar zeker niet van een maatregel van den heer Duymaer van Twist; dat in 1857 al weder zooveel meer verbruikt werd dan in 1856 heeft daarmede ook niets te doen. Als men had willen aantoonen, dat de maatregel van den heer Duymaer van Twist het verbruik van opium in de hand werkte, dan had men moeten vergelijken eenige jaren voor- en eenige: jaren na de uitvoering van de bepalingen der boven aangehaalde publicatie. Bovendien zou dat toenemend verbruik nog geen maatstaf ter beoordeeling van den maatregel zijn. Vroeger toen er van Singapore ingevoerd werd, was natuurlijk hetgeen op die wijze gebruikt werd niet bekend. Nu die aanvoer ophield, werd het geheele verbruik aanstonds bekend. Het doel van den maatregel was geen ander dan de pachters zooveel opium toe te dienen dat zij hunne hoeveelheden niet meer zouden kunnen afzetten en de opium hoe langer hoe minder in prijs en waarde werd.

In het 20e. hoofdstuk beschrijft de schrijver een gedeelte der geschiedenis van Japan: de openstelling van dat land voor den handel. Ik kan niet inzien, dat deze geschiedenis bij die van Nederlandsch-Indië behoort.

Ik herhaal nogmaals, dat in deze geschiedenis van Nederlandsch-Indië wetenswaardige bijzonderheden vermeld staan. Maar het is geene geschiedenis, zoo als onze tijd die verlangt.

Op het gebied van taal en stijl heb ik niets te zeggen. Alleen moet ik in het algemeen opmerken, dat op beide niet weinig aan te merken valt, dat het herhaald gebruik van het woord daarstellen hinderlijk en de stijl hier en daar ontzaggelijk waterig is.

 

Deventer.

T.

[p. 176]
Wet van 29 Junij 1851, S. 85, regelende de Zamenstelling, Inrigting en Bevoegdheid der Gemeentebesturen, met de daartoe betrekkelijke besluiten, vonnissen en arresten, en alphabetisch register door L.N. Schuurman, secretaris der gemeente Zwolle. Vierde veel vermeerderde uitgaaf, bijgewerkt tot Julij 1868. Zwolle W.E.J. Tjeenk Willink. 1868. 112 blz. Prijs ƒ -, 50.
Bij denzelfden uitgever verscheen eveneens van den heer Schuurman een tweede uitgaaf, mede tot Julij 1868 bijgewerkt, der Wet van den 19 Augustus 1861. S. 72, met die van 1 Mei 1863 S. 44, en 22 April 1864, S. 22, betrekkelijk de Nationale Militie, met aanteekeningen, alsmede Besluiten en voorschriften ter uitvoering dier wet, Reglement op het geneeskundig onderzoek en Alphabetisch register. 152 blz. ƒ -, 50.

Er zijn thans een 17tal wetten onder redactie van den bekwamen Zwolschen secretaris, bij den wakkeren uitgever Tjeenk Willink, in zakvormaat verschenen.

De meeste dier uitgaven beleefden reeds een 2en, de gemeentewet zelfs een 4en druk, niet alleen met het woord ‘vermeerderd’ op het titelblad prijkende, waar ook in de aanteekeningen de sporen dier vermeerdering en bijwerking dragende. De deugdelijkheid der bewerking is reeds zoo afdoende gebleken, het nut dezer uitgaven, wegens derzelver beknoptheid en volledigheid, zoo boven elken twijfel verheven, dat ik geen oogenblik aarzel om zonder eene overtollig geworden aanprijzing, te voldoen aan het verzoek van den heer uitgever om de aandacht van het publiek bij de vermelde werkjes te bepalen. Zij die met de Gemeentewet en de wet op de Nationale Militie iets te maken hebben, - en wie heeft dit niet? - zullen zich het doen van menige vraag besparen zoo zij zich deze wethoekjes aanschaffen.

R.C.N.

IV. Wis- en Natuurkunde.

DE WONDEREN DER WETENSCHAP (,) of geschiedenis en beschrijving der nieuwste uitvindingen (,) aan het volk verhaald door Louis Figuier (.) Het stoomwerktuig (-) de stoomboot - de locomotief en de spoorwegen (-) de locomobiel - de electriseermachine (.) Eerste deel (.) Den Haag (, bij) Gebr. Belinfante, Drukkers-Uitgevers (.) 17, Paviljoensgracht; 72, 2de Wagenstraat (.) MDCCCLXVIII (.)

Bovenstaande titel is al weêr een bewijs, dat men weinig staat kan maken op een uithangboord. Wie zal niet erkennen, dat ik er met regt het ontbrekende in parenthesi heb bijgevoegd? Maar

[p. 177]

er is nog meer op aan te merken. Lees maar: ‘Geschiedenis en beschrijving, aan het volk verhaald’. Of klinkt u dat verhalen van eene beschrijving niet vreemd? Eindelijk nog iets. Eerst staat er: Het stoomwerktuig enz. en daarna: Eerste deel. Die volgorde moet worden omgekeerd, want bij de bestaande rangschikking zou men meenen, dat in het geheele werk geene andere, dan de vermelde onderwerpen worden behandeld. Of het gepast is, het jaartaal der uitgave van een Nederlandsch boek met Romeinsche cijfers aan te wijzen, betwijfel ik zeer.

Maar....op het uithangbord kan men niet veel staat maken. Ik houd het er voor, dat de bouwmeester of eigenaar van het hôtel het vervaardigen daarvan wat al te zorgeloos aan een of anderen kladschilder overgelaten en er volstrekt niet meer naar omgezien heeft. Hij had wel wat om de klandisie mogen denken, - het oog wil ook wat hebben.

Het werk heeft intusschen meer titels. Één van deze luidt eenvoudig: ‘De wonderen der wetenschap (,) door Louis Figuier(.),’ en de andere: ‘De wonderen der wetenschap of de geschiedenis der nieuwste uitvindingen (,) aan het volk verhaald door Louis Figuier (.) In het Nederduitsch (Nederlandsch?) vertaald en bewerkt onder toezigt van Dr. A. van Oven. 's Gravenhage (, bij) Gebr. Belinfante, Drukkers-Uitgevers (.) 1868.’ Met dat vertaald en bewerkt ben ik hier ook wat verlegen. Mij dunkt, bewerkt alleen is reeds voldoende.

Is het eerste gedeelte van mijn verslag wat vitterig, de uitgever, de bewerker en de patroon van den bewerker kunnen zich met betrekking tot het overig gedeelte volkomen gerust stellen. Ik behoor niet tot de reizigers, die zich door een uithangbord laten afschrikken, en heb mij daarbij in het gegeven geval zeer goed bevonden.

De wonderen der wetenschap zijn van Franschen oorsprong. Zij zijn eene vertaling van het werk: ‘Exposition et histoire des principales découvertes scientifiques modernes, par Louis Figuier’. De Parijsche uitgave, die naast mij ligt, is de derde (1854-1857), en ik onderstel, dat er na dien tijd meer dan ééne vermeerderde editie van verschenen is, want de Nederlandsche bewerking telt onderscheidene hoofdstukken, welke in mijne uitgave niet te vinden zijn, - en die hoofdstukken, het nieuwste bevattende, zijn geenszins de minst belangrijke. Ook vind ik in de Nederlandsche bewerking eene andere volgorde van onderwerpen. De

[p. 178]

elektriciteit, die in het eerste deel behandeld wordt, komt in mijne Fransche editie eerst in het vierde of laatste deel voor.

Het is reeds geruimen tijd geleden, toen ik de eerste aflevering van de Wonderen der wetenschap ontving. Het is moeijelijk, een geheel werk naar eene eerste aflevering te beoordeelen; daarom meende ik te moeten wachten met het geven van een verslag totdat het eerste deel voltooid was. Achtereenvolgens ontving ik de afleveringen 1-8 (met uitzondering van de 6de, die op haren togt van den Haag herwaarts verdwaald schijnt te wezen), en nu zie ik het eerste deel voor mij liggen. Ik zal de volvoering mijner taak niet langer uitstellen.

Wie betuigen wil, dat hij iemand door en door kent, zegt alligt: ‘Ik heb hem onder mijne oogen zien opgroeijen’, of ‘ik heb hem als kind gekend’. Wat waar is van zulk een ‘iemand’, is niet minder waar van deze of gene wetenschap. Wil men haar grondig leeren kennen, dan moet men haar gadeslaan in hare wieg, - in de waggelende gangen van haren kindertijd, - in de weelderigheid harer jeugd, - en in de kracht van haren rijperen ouderdom. Men kan dat bovenal verzekeren van de grootsche ontdekkingen onzer eeuw. Zij hebben eene geschiedenis, - eene hoogst belangrijke geschiedenis. De geniale blik van een groot man, een zamenloop van omstandigheden of het toeval legt daarvan den eersten grondslag. Somtijds dient aanvankelijk tot een vermakelijk speeltuig, wat door latere toepassing een hefboom wordt der beschaving, een zegen voor de maatschappij. Het gevondene wordt gewijzigd, verbeterd en met annere uitvindingen in verband gebragt. Het bevredigt eene behoefte door kracht of een werktuig te verschaffen tot het volbrengen van een gewigtigen arbeid, en bereikt eindelijk een graad van volkomenheid, die het menschelijk verstand tot onvergankelijken roem verstrekt.

Die geschiedenis der nieuwste uitvindingen is in de Wonderen der wetenschap voorgesteld. Het eerste deel handelt in de eerste plaats over het stoomwerktuig, vorvolgens over de stoomboot, dan over de locomotief en de spoorwegen, daarna over de locomobiel, en eindelijk over de electriseermachine. Aan die onderwerpen zijn 327 kwarto bladz., elk van twee kolommen, gewijd; ze zijn - opgehelderd had ik haast gezegd - neen, het werk is versierd met eene groote menigte houtsneden. Opgehelderd was het woord niet, want een overgroot aantal figuren, vooral

[p. 179]

portretten, geeft omtrent de onderwerpen verstrekt geene opheldering - ze zijn eigenlijk nutteloos. Schoon die houtsneden - in dit eerste deel 208 in getal - over het geheel vrij goed zijn, durf ik niet van allen beweren, dat ik naar waarheid gezegd heb, dat zij het werk versieren. Het geheele boek zal in 34 afleveringen (elk voor 25 ets.) compleet zijn.

En nu het werk zelf. Het is oneindig veel beter dan zijn uithangbord. Ik heb met genoegen herlezen, wat ik in het oorspronkelijke boek vlugtig had doorgeloopen, en had tevens het voorregt, om in de bijgevoegde hoofdstukken veel belangrijks te vinden. Dit deel is bij uitstek geschikt voor het volk, dat van den stoom en de stoomwerktuigen weinig of niets weet. De Schrijver leidt ons van de beginselen dier gewigtige uitvinding langs al de verbeteringen, toevoegselen en toepassingen heen, om ons duidelijk te doen begrijpen, hoe de stoombooten, locotieven en locomobielen voor onzen tijd zijn ingerigt. Wat verschillende uitvinders daartoe hebben bijgedragen, wordt, gewoonlijk met vermelding hunner lotgevallen, aangevoerd en beoordeeld. Waar de prentjes niet tot verklaring strekken, verschaffen ze eene aangename afwisseling. De druk is duidelijk en de geheele uitvoering loffelijk. Eindelijk komt het mij voor, dat de bewerker berekend is voor zijne taak. Bij eene vergelijking met het origineel is het mij gebleken, dat hij het overtollige hier en daar met ervaren hand heeft weggesnoeid. Het overbrengen der kunsttermen kost hem geene moeite. Zijn stijl is vloeijend en in den regel zeer duidelijk.

Op de aangevoerde gronden acht ik mij geregtigd, de Wonderen der wetenschap, als een nuttig en aangenaam boek, ten sterkste aan te bevelen. Ik geloof, dat de uitgever de verspreiding van dit werk niet weinig bevorderen zou door een prospectus te geven van al de onderwerpen, die er in behandeld worden.

A. Winkler Prins.

NIEUW GEÏLLUSTREERD HANDBOEK VOOR VROUWEN EN MEISJES. Naar het Hoogduitsch van Karl Rusz, door Dr. J. Sasse. C. Morks Jzn, Dordrecht. (In 8 of 10 afleveringen voor 30 cts. ieder).

De Schrijver van dit boek zegt in zijne voorrede: ‘Hoe bekoorlijk moet der werkzame huisvrouw hare keuken, haar tuin en haar huis dán worden, wanneer zij weet en ziet, dat al haar

[p. 180]

doen niet op het werk eener doode machine gelijkt, maar dat zij al de gevolgen harer “huishouding” geheel berekenen kan, omdat juist daarvan het meerder of minder welzijn harer huisgenooten, het hoogste geluk des levens: de gezondheid en de welvaart van het geheele huis afhangt! Ja! dàn eerst, dàn kan zij zich in hare huiselijkheid waarlijk gelukkig gevoelen, wanneer zij weet, wat aan ieder harer huisgenooten tot nut of nadeel strekt. Zij kan met volkomen zekerheid het laatste afwenden en het eerste bevorderen en daarin het groot, bijna onomvatbaar beloop van hare betrekking erkennen, eene betrekking, die juist bij de vrouw in het hoogste en edelste des levens bestaat, n.l. in de liefde!’

Om dat doel te bevorderen, behandelt de Schrijver: I. Chemie in de keuken, II. Physica in de huishouding, III. Botanie voor vrouwen, IV. Gezondheidsleer, en V. De nieuwe en nieuwste geheimmiddelen.

Of er behoefte bestaat aan zulk een boek voor Nederlandsche vrouwen en meisjes? Zonder twijfel, maar die behoefte zou grooter wezen, wanneer het onderwijs beter was. ‘Het onderwijs?’ zal deze of gene welligt vragen, ‘hebben wij dan niet ons voortreffelijk lager onderwijs, bloeijen niet de scholen voor middelbaar onderwijs, en’....zacht wat, mijn vriend, gij weet toch, dat onze scholen van middelbaar onderwijs in den regel niet door meisjes worden bezocht, en dat ons lager onderwijs uitsluitend met het oog op jongens is georganiseerd? Waar vindt men openbare scholen van lager onderwijs, waar hoofdonderwijzeressen en hulponderwijzeressen zich met het onderrigt der meisjes belasten? Wat leeren de meisjes op die scholen, behalve het lezen, schrijven en rekenen, dat haar later als echtgenooten en moeders te pas komt? ‘Maar dan is zulk een boek te dringender noodig’. Toegestemd, - maar bij de gebrekkige ontwikkeling onzer vrouwelijke jeugd wordt de behoefte aan zoodanige kennis, als wij daarin vinden medegedeeld, veel te weinig gevoeld. Er is slechts één middel, om aan dat Handboek toegang tot onze huisgezinnen te verschaffen, namelijk dit: dat het zich vertoone in een vorm, die onweêrstaanbaar tot lezen uitlokt.

Laten wij zien, wat ons wordt aangeboden.

Na de voorrede en eene inleiding, getiteld: Eene enkele zonnestraal, volgt I. Chemie in de keuken, en in de beide afleveringen, die mij zijn toegezonden, vind ik de volgende onderwerpen behandeld: 1. Hard water, 2. De vrouw als giftmengster, 3. De ele-

[p. 181]

menten, 4. Het dagelijksch brood. 5. Boter en kaas, 6. Soep en gebraad, 7. De melk, 8. De koffij, 9. De thee, 10. De chocolade, 11. Het keukenzout, 12. De zoete stoffen, 13. Schuimend bier, Champagne en selterwater, 14. Potasch, soda, en zeep, 15. De aniline-kleuren.

Belangrijk zijn deze onderwerpen. Bij het lezen der inleiding dacht ik, dat zij in romantischen vorm zouden worden behandeld. Ik had mij vergist, want de geschiedenis van het arme meisje gaat niet verder dan de eerste bladzijden. Ik behoef naauwelijks te zeggen, dat de Schrijver de scheikundige oorzaken van vele verschijnselen, die men in de keuken opmerkt, als met den vinger aanwijst. Ik vrees echter, dat er nog te veel wetenschappelijke benamingen in voorkomen, die onze schoone lezeressen zullen afschrikken. Ze dansen zoo bevallig en achten zulk eene vermoeijenis van de voeten gering, maar...ze zijn zoo weinig gewoon het hoofd te vermoeijen, behalve met eene nieuwe coiffure!

In het algemeen moet ik zeggen - voor zoo ver ik op grond van een paar afleveringen een oordeel mag uitspreken -, dat de vorm van het boek het elegante mist, hetwelk de smaakvolle sekse onwillekeurig tot lezen uitlokt. Het papier is naauwelijks middelmatig, en de Vertaler, die met verdienstelijken ijver het hoofdstuk over de chocolade geleverd en aan het Nederlandsche werk toegevoegd heeft, had wel wat zorgvuldiger kunnen letten op taal en stijl. Wij hebben reeds in de aanhaling uit de voorrede het woord ‘onomvatbaar’ aangetroffen. Ik hoop, dat de wet tot naturalisatie van dien snaak nooit zal worden voorgedragen. ‘Vrolijk stemmende lotgevallen’ (blz. 7) mag ik niet door den beugel laten gaan - ‘tot vrolijkheid stemmende’ moge passeren. ‘Levendige beelden’ (blz. 13) zal wel levende moeten zijn. ‘De eigenschappen der ons tegenkomende gewassen’ (blz. 13) is eene uitdrukking, die ik niet kan verdedigen. Is ‘troebeling’ (blz. 16) een Nederlandsch woord? De versregel ‘innig gemeen’ (blz. 27) drukt niet alleen niet uit, wat Schiller in het Duitsch zegt, maar is tevens ver van duidelijk. Wat ‘verduiveld gemeen’ is, weet ieder, maar wat wij onder ‘innig gemeen’ moeten verstaan, is raadselachtig. Zou ‘onderkenning’ (blz. 36) genade vinden in de oogen der Heeren van 't Woordenboek? Is het goed gezegd: ‘Het (ei) bevat n.l. de meeste bestanddeelen van het vleesch in overeenkomstige zamen-

[p. 182]

stelling’? Ik zou 't beter begrijpen wanneer de beide laatste woorden vervangen werden door ‘dezelfde verhouding’. Wat de taal betreft, moet ik aanstippen, dat ik hier en daar ‘geele’, ‘kooken’, ‘hoopen’ gespeld vindt in plaats van gele, koken, hopen, terwijl de interpunctie nog al iets te wenschen overlaat.

Ook stuitte ik hier en daar op onnaauwkeurigheden. Ik lees blz. 10: ‘Ieder holgeslepen glas heeft namelijk de eigenschap, alle zonnestralen, die op zijne vlakte vallen, in zijn middelpunt te vereenigen.’ Het woord ‘middelpunt’ zal ‘brandpunt’ moeten zijn. Op blz. 30 vindt ik: ‘Zij (de scheikunde) heeft uit de werkplaatsen de eerste Alchymisten of goudmakers, onzigtbaar heengaande, zich ingang verschaft enz.’. Van de eerste Alchymisten? Wat beteekent hier ‘onzigtbaar heengaande’? Ik vermoed, welk Duitsch woord hier gebruikt is, maar dat beteekent iets anders dan onzigtbaar. Op blz. 37 wordt gesproken van ‘dravik (bromus secalinus)’. Dravik is een geslachtsnaam. Hier wordt bedoeld de dreps of rogge-dravik, die in Twente opzettelijk verbouwd en, met rogge vermengd, wel degelijk gegeten wordt. Op bl. 38 staat: ‘Gelijk wij reeds gezien hebben, zijn wij van de bedriegerijen en vervalschingen - niet altijd verzekerd.’ Die uitdrukking deugt niet, wanneer men zeggen wil, dat men daartegen niet altoos beveiligd is.

De Vertaler houde het mij ten goede, dat ik de vlekjes aanwijs, die hij met eenige oplettendheid gemakkelijk had kunnen vermijden. Ik hoop, dat hij door eene vermeerderde zorg voor den vorm moge bijdragen tot verspreiding van een boek, hetwelk een grooten rijkdom van nuttige wenken bevat voor het schoone geslacht.

 

A. Winkler Prins.

V. Onderwijs.

Schoolboeken.

No. 1. Leesboekje met één-lettergrepige woorden, voor de laagste klasse; door C.A. de Kruijff, Hoofd-Onderwijzer te Blauw-Kapel. Te Utrecht, bij S. Folkers. 24 blz. ƒ 0,07½
No. 2. HET EERSTE LEESONDERRICHT naar de beginselen van Nieuwold, door J. Visser, Hoofd-Onderwijzer te Sneek. Uitgegeven van wege de Vereeniging ‘Nieuwold.’ Te Sneek bij van Druten en Bleeker. 1868. 32 blz. ƒ 0,30.
[p. 183]

No. 3. LANDELIJKE TAFEREELEN EN BEDRIJVEN. Leesboek voor de volksschool door B.L. van Albada. Kampen, K. van Hulst 1868. 88 blz. f?

De grootste of, dien men aan een boekje als het sub. 1 vermelde geven kan, is dat men bij de lezing van een paar lesjes, zoo men op den titel geen acht heeft geslagen, niet terstond bespeurt dat er slechts éénlettergrepige woorden in voorkomen.

Een doelmatig aanvankelijk leesboekje te schrijven is geene zeer gemakkelijke taak, vooral wanneer men, zooals deze schrijver zich aan een bepaald soort van woorden bindt. Dat hij daarin geslaagd is vermeld ik hier gaarne.

No. 2 is een klein maar zeer belangrijk boekje, dat der ernstige aandacht van elken onderwijzer overwaard is. Maar al te dikwijls, vooral op scholen met een beperkt onderwijzend personeel, ziet men hoe de laagste klasse overgelaten wordt aan een nog onervaren hulponderwijzer, of erger nog aan een kweekeling, die de kinderschoenen nog niet heeft uitgetrokken en die van paedagogiek nog niet het allerminste begrip heeft. Zulke scholen bezoekende, is het waarlijk om medelijden te krijgen met de arme kleinen, wien die dorre letters en zinlooze klanken door oneindige herhaling worden ingestampt. De lezing van dit boekje zal, hoop ik, bij menigen hoofdonderwijzer de belangstelling in zijne ‘Spamannetjes’ wêer verlevendigen en hem doen beproeven of hij niet de aldaar besprokene methode van onderwijs hij het eerste leesonderricht, ook op zijne school zou kunnen aanwenden. Reeds op verscheidene scholen ingevoerd, levert die methode, waarbij de ontwikkeling en vorming van het denk- en aanschouwingsvermogen der nog zoo jeugdige leerlingen op den voorgrond staan, uitstekende uitkomsten op. Te recht merkt de heer Visser op: ‘dat alle waarlijk vormend onderwijs:

1o van de aanschouwing moet uitgaan, en deze aanschouwing dienstbaar maakt tot verkrijging van heldere begrippen, en

2o behoudens de noodige hulp en leiding, alles door de leerlingen zelfstandig laat opnemen en verwerken.’

Deze waarheden worden maar al te dikwijls vergeten en mogen daarom nog wel eens herhaald worden. Niet het instampen door machinaal voorzeggen des meesters en nabauwen van den leerling, maar het zelf doen vinden der zaak zal de kinderen ontwikkelen. Hoe ook deze methode daaraan dienstbaar gemaakt wordt zal zeker ieder onderwijzer willen weten.

[p. 184]

Welnu, zijne prijzenswaardige weetgierigheid kan hij voor 30 ct. bevredigen; hij zal geen rouwkoop hebben.

In No. 3 wordt, zooals de titel aanduidt, aan de kinderen het een en ander over het landleven en het boerenbedrijf, en wel van Pieter Klaverkamp, bijgenaamd Pieterboer, medegedeeld.

Het zal voor vele scholieren een welkom boekje zijn; 't is onderhoudend en vloeiend geschreven en heeft, daar het niet in lessen is afgedeeld, weinig van een schoolboekje, en daardoor veel kans ook buiten de schooluren te worden ingezien. Enkele uitdrukkingen en eigen namen zijn zeer Friesch en zullen misschien in andere provinciën den onderwijzer eenige moeielijkheid bij het bespreken van het gelezene veroorzaken. Eenige latijnsche namen van planten en enkele woorden van vreemden oorsprong hadden wel gemist kunnen worden, daar het een leesboek voor de volksschool is.

Octr. 1868.

Monitor.

LEERBOEK der AARDRIJKSKUNDE, door L.J.C. Ludolph. Tweede, veel vermeerderde en verbeterde druk. Rotterdam, Otto Petri. 1868. 252 blz. ƒ 1,25.

Daar ik de eerste uitgave van dit werk, dat eenige jaren geleden het licht zag, niet voor mij heb, kan ik niet beoordeelen waarin de vermeerderingen en verbeteringen van dezen 2e druk bestaan. Bijna geen boek heeft echter zoo dikwijls aanvulling en verandering noodig als een geographisch werk.1)

De vele veranderingen der laatste jaren hebben vooral in het staatkundige gedeelte eene geheele omwerking noodwendig gemaakt. Het voorbericht meldt niet, voor welke leerlingen dit leerboek bestemd is, daar echter de heer Ludolph te Rotterdam aan het hoofd staat eener jongensschool voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs, is het waarschijnlijk dat hij hoofdzakelijk de leerlingen van dergelijke scholen op het oog heeft gehad bij het bewerken van zijn leerboek; ook zijn er nauwelijks 8 blz. aan ‘astronomische geographie’ en 26 aan ‘physische geographie’ gewijd, terwijl de overige meer dan 200 blz. door de ‘politische geographie’ worden ingenomen (waarom de schrijver niet onze goed-hollandsche woorden: wis- natuur- staatkundige aardrijkskunde gebruikt, blijkt niet). Voor evengenoemde soort

[p. 185]

van scholen komt mij het boek bruikbaar voor; voor gewone lagere scholen is het te uitgebreid, voor hoogere burgerscholen zouden de rubrieken wis- en natuurkundige aardrijkskunde niet volledig genoeg zijn. Aanmerkingen zijn er hier en daar te maken: zoo ben ik het met den schrijver niet eens dat eene opsomming der zwitsersche kantons in dit leerboek niet gepast zoude zijn, ook de residentiën van Java, - de schrijver spreekt in zijn voorbericht van districten - mist men ongaarne in een leerboek van dezen omvang. Het is daarom niet noodig ze allen machinaal door de leerlingen te laten opzeggen. De opsomming der zwitsersche kantons of der javasche residentiën, zoude voor den leerling stellig nnttiger zijn dan die van: de Daphne, de Kapernaum, de Anon, de Kedron, de Hieromax, de Regaba, de Krit, de Jabbok, de Arnon, de Leontes, de Belus, de Kischon, de Chorseus, de Kana, de Jarkon, de Eschkol, de Besor, voorkomende op bladz. 152.

De schrijver zegt verder in zijn voorbericht, dat ‘waar de uitspraak van eenige eigen namen moeilijkheid aanbood, de geaccentueerde lettergreep met eene vette letter gedrukt werd.’ Van enkele namen is dit waar, bij andere echter niet. Men zie slechts blz. 168 en volgende, waarvoor sommige indische eigen namen wel, voor andere niet wordt aangegeven op welke lettergreep de klemtoon moet gelegd worden.

Ten slotte een staaltje van stijl, die niet overal even mooi is: ‘Te Amsterdam, Haarlem, s' Gravenhage, Rotterdam, Dordrecht, Brouwershaven en Vlissingen, vindt men de dankbaarheid des volks uitgedrukt, door met een standbeeld de nagedachtenis zijner groote mannen te vereeuwigen.’ (blz. 97).

Papier en druk zijn zeer net; van den heer Otto Petri kan men dat ook niet anders verwachten.

Octr. 1868.

Monitor.

W. Pütz, Grondbeginselen der vergelijkende aardrijkskunde, onder medewerking van Dr. J.J. Kreenen, uit het Hoogd. vertaald door J. Jurrius. Tweede herziene en veel vermeerderde druk. Sneek van Druten en Bleeker, 1868.
Aardrijkskundige Tabellen, naar de beste bronnen en nieuwste opgaven bewerkt door J. Jurrius. Sneek van Druten en Bleeker 1868.
Algemeene grondbeginselen der aardrijkskunde door Dr. L.A. Schroeder Steinmetz. Zesde verbeterde druk, bewerkt door Mr. G.R. Voormeulen van Boekeren. Leeuw. G.T.N. Suringar 1868.

Wij kondigen hier een drietal geographische handleidingen

[p. 186]

aan, die allen aanbeveling verdienen. Het eerste werk is te bekend, dan dat het noodig zou hebben nogmaals bij ons publiek ingeleid te worden. Dat het binnen zoo korten tijd reeds een tweeden druk beleefde bewijst, dat het gunstig oordeel, in 1866 in dit Tijdschrift er over uitgesproken, door velen werd gedeeld. Deze herziene en vermeerderde uitgave behoeft waarlijk bij de vroegere niet achter te staan. De belangrijkste territoriale veranderingen, die er sedert in en buiten Europa hebben plaats gehad, vonden wij er in opgenomen. Maar bovenal verheugt het ons, dat een aantal aanstootelijke germanismen thans verdwenen zijn. Toch zouden we wenschen dat de heer Jurrius, bij de algemeene beschouwingen die aan de beschrijving van elk werelddeel voorafgaan, zich wat minder streng aan zijn origineel had gehouden. Sommige zinnen zijn te gewrongen en we meenen dat duidelijkheid voor een schoolboek een eerste vereischte is.

Ook het laatste is geene nieuwe verschijning op geographisch gebied. Wij hadden reeds voor jaren aan Schroeder Steinmetz onze eerste aardrijkskundige kennis te danken. Het was toen zeker het eenige goede handboek. Maar onder de wetenschappen, die in den laatsten tijd reuzenschreden hebben gedaan, moet vooral de aardrijkskunde worden genoemd. Dit werk begon dus gaande weg te verouderen. Maar - hoeveel verschilt thans deze zesde uitgave van de vroegeren. De heer Voormeulen van Boekeren heeft den tekst van zijn voorganger niet alleen bij- maar op vele plaatsen geheel omgewerkt. Het is een nieuw werk geworden en altijd een oorspronkelijk Nederlandsch werk gebleven, en dit is eene aanbeveling te meer, nu men het er op schijnt toe te leggen om alle Dnitsche handboeken te vertalen. Dit verschijnsel en het benoemen van zoovele Duitschers tot hoogleeraren aan onze inrichtingen voor hooger- en middel-baar-onderwijs, zouden eerder doen gelooven aan een plan tot annexatie van onze zijde, althans op wetenschappelijk gebied. - Deze algemeene grondbeginselen der Aardrijkskunde verdienen vooral de aandacht van allen, die met het onderwijs in dit vak belast zijn, om het eerste, tweede en derde gedeelte, die met bijzondere zorg en uitvoerigheid zijn behandeld. De benaming van wiskundige aardrijkskunde, ter kwader ure uitgedacht voor de beschouwing van de aarde in betrekking tot andere hemellichamen, zal men hier vruchteloos zoeken. Maar om die beschouwing nu is aan de beschrijving van de natuurkundige gesteld-

[p. 187]

heid der aarde, bijna de helft van het boek gewijd. Daarom juist heeft het als handboek groote waarde.

Met de Tabellen, gevolgd naar de hoogduitsche van Grantoff, zijn we minder ingenomen. Voor het onderwijs in de geschiedenis stellen we hoogen prijs op tabellen, wanneer ze kort en duidelijk zijn; doch we achten dezen vorm in de geographie juist niet bijzonder geschikt, - tenzij men eene tabel wil vervaardigen om in de scholen opgehangen te worden, in den geest van Dr. Hübners ‘Statistische Tafel aller Länder der Erde’. Zulk een tabel kan ook, op linnen geplakt en saamgevouwen, voor weinig geld verkrijgbaar worden gesteld en in veler handen zijn, terwijl het niet veel bezwaar heeft om telkens in eene nieuwe oplage de plaats gehad hebbende veranderingen op te nemen. Doch men kan zich even goed van de duitsche van Hübner bedienen. Bovendien hebben we in deze tabellen naar vele opgaven vruchteloos gezocht. Zoo misten we de verdeeling bij de kaapkolonie, waarover de schrijver bijzonder kort is. Andere opgaven zijn onjuist, bijv. Java is niet meer verdeeld in 21 residentiën en 4 assist.-residentiën, maar in 26 residentiën. Zoo is ook van Britsch-Indië nog de oude verdeeling opgegeven. We zullen niet ontkennen dat aan de Nederduitsche bewerking zoowel als aan de nette uitgave veel zorg is besteed. We willen ook niet beweeren dat Grantoff's tabellen niet bruikbaar zouden zijn, maar van het practisch nut zijn wij voor het tegenwoordige nog niet overtuigd.

Mercator.

No. 1. De voornaamste regels der Engelsche taal, enz. voor instituten en burgerscholen, door P.J. Wichers, Amsterdam, Henry Koster. 1869. 118. blz. prijs ƒ 0.60.
No. 2. Inleiding tot de Engelsche Spraakkunst, door P.F. van Pesch Amsterdam, I.D. Sybrandi. 1868. 22 blz. prijs 15 cts.
No. 3. Oefeningen ter toepassing van de Regels der Engelsche taal, door K.H. Vink, Leeraar in de Engelsche taal aan de Hoogere Burgerschool te Haarlem. Te Haarlem bij de erven F. Bohn 1868. 110 blz. prijs ƒ 0.75.

De toenemende beoefening der engelsche taal wettigt het bestaan van het vrij groote aantal spraakkunsten, christomathiën, woordenboeken, oefeningen enz., welke ook in ons land in de laatste jaren geschreven of samengesteld zijn door hen, die met het onderwijzen dier taal belast zijn. Men vrage dus niet al te angstvallig of de markt wat overvoerd worde, doch onderzoeke

[p. 188]

alleen, of al die werken met kennis van zaken geschreven zijn en aan hen, die eene studie dier taal maken, werkelijk van dienst kunnen zijn. Ik meen de drie aan het hoofd dezes genoemde werken onder de aandacht van HH. docenten en onderwijzers te mogen brengen, daar zij elk veel goeds bevatten, hoewel de beide eersten niet in allen deele geprezen kunnen worden.

De heer Wichers, die zich zelven in zijne voorrede den nederigen titel van ‘Verzamelaar’ geeft, is bij het schrijven zijner spraakkunst uitgegaan van het niet onjuiste denkbeeld dat het niet wenschelijk is aan leerlingen, die de taal nog niet vrij goed meester zijn, eene in het engelsch geschrevene grammaire in handen te geven; het is niet zijn doel de werken van de HH. Vos, Gerdes, Cowan en Maatjes en anderen te verdringen, doch hij heeft vooral hen op het oog gehad, die met de studie dezer taal een aanvang maken. Voor dezen heeft hij de regels der taal zoo eenvoudig mogelijk willen verklaren en ‘alles bijeenbrengen wat tot 't zuiver schrijven en tot 't recht verstaan van een Engelsch schrijver noodig is’.

De goedkope prijs en nette uitvoering van het werkje zullen het voorzeker een ruim debiet doen vinden. Het is mij daarbij een genoegen de schrijver de verzekering te kunnen geven, dat hij in zijn doel in vele opzichten goed geslaagd is, terwijl ik vertrouw dat hij eenige m.i. gegronde aanmerkingen, welke ik bij eene nadere uiteenzetting van den inhoud van zijn boekje moet maken, als blijk van belangstelling zal willen beschouwen en zich dezelve bij het bewerken eener tweede uitgave zal willen ten nutte maken. Het werkje kan in drie deelen verdeeld worden, t.w. de grammaire (blz. 1-74), losse stukken uit beroemde schrijvers, (blz. 74-112) en eenige oefeningen benevens een bijvoegsel, behelzende de titels gebruikelijk bij het schrijven van brieven.

Het nut der laatste afdeeling behoeft geen betoog; de keuze der stukken is goed, elk stukje wordt gevolgd door eenige opgaven, welke eene nuttige vingerwijzing voor onderwijzers en leerlingen zijn en van den practischen zin des verzamelaars getuigen. Ik kan mij dus tot eene eenvoudige vermelding en aanprijzing van dit gedeelte van het werkje bepalen, waarop slechts aanmerkingen van ondergeschikt belang te maken zijn, en ietwat uitvoeriger spreken over de eigenlijk gezegde spraakkunst, waarvan de eerste bladzijden wij de minst goede van het gegeheele boek voorkomen te zijn. Ik zou zelfs durven beweren,

[p. 189]

dat, indien een leerling de voornaamste regels voor de uitspraak, hier door den heer Wichers gegeven, getrouw volgt, hij voor een Engelschman geheel onverstaanbaar zal worden. Trouwens moet men de eigenaardige moeielijkheid niet uit het oog verliezen van het in letters van ons nederlandsch alphabet weergeven der uitspraak van engelsche woorden. Dit in aanmerking nemende, meen ik toch dat de schrijver in zijne poging daartoe, al bijzonder ongelukkig geslaagd is; tot staving van mijn beweren eenige voorbeelden uit velen; ‘Rome’ moet volgens den heer Wichers uitgesproken worden alsof de o klinkt gelijk de nederlandsche oe; ‘turban’, alsof de u die klank had; ik moet den Engelschman nog ontmoeten die deze uitspraak heeft; wat Rome betreft kan echter de heer W. misschien eene autoriteit aanhalen, de bekende acteur John Keurble sprak dat woord op die wijze uit, doch vond daarin weinig bijval.

Ook worden pail, mail, niet uitgesproken als pel, mel in 't Nederlandsch, beter ware pél, mél, of nog liever peel, meel. Om voor blood, flood - blod, flod te laten zeggen is oorverscheurend, even als het woord cause door kouz te willen weergeven. In de woorden to read en to lean zal ook geen Engelschman de ea uitspreken als de hollandsche e in pen -; evenmin als hij zou toegeven dat de zachte th in thus, den klank zou hebben van d in dus, of dat de w stom is in het woord swoon.

Bij het herzien dezer eerste bladzijden mag de geachte schrijver zijnen corrector wel wat op de vingers zien en tevens enkele verouderde of weinig in gebruik zijnde woorden door anderen doen vervangen. Op blz. 5 staan drie leelijke drukfouten vlak bij elkaar; als voorbeelden van woorden waarin de p stom is worden aangehaald: ampty recupt, sypmtom, moet zijn: empty, recept, symptom, op blz. 6 moet prifix gelezen worden prefix.

Onder de weinig of in 't geheel niet in gebruik zijnde woorden, in een boek voor beginners minder geschikt, reken ik halm en schalm, waarvan men het tweede zelfs bij Johnson en Walker te vergeefs zoekt. Bath en sommige anderen zijn ook niet meer in dagelijksch gebruik. Dit alles is echter geen doodzonde, doch het is wat al te kras om een zoo erg gemeen woord als ‘to bawd’ in een boek dat door jongens en meisjes gebruikt kan worden, als voorbeeld aan te halen.

Op blz. 3 wordt namelijk gezegd:

‘De aw klinkt meestal als aow, bijv. to bawd (koppelen)’.

[p. 190]

Nu is het hollandsche woord al niet bijzonder fatsoenlijk, doch het gebruik van het engelsche woord zou een boek in Engeland terstond doen veroordeelen. In een boek voor kinderen geschreven is dit nog veel erger, te meer daar het zoo gemakkelijk ware geweest een ander voorbeeld te nemen, als: bawl, brawl, crawl. etc.

Op blz. 17 komt eene zeer vreemde fout voor. Daar lezen wij: enkele woorden hebben in 't meervoud twee beteekenissen en onder die woorden wordt opgegeven: stag hert
stags herten, keurslijf;
waar de schrijver dit heeft van daan gehaald vat ik niet; niet stags, maar stays is het engelsche woord voor keurslijf of korset. Dit is een dier woorden welke geen enkelvoud hebben, tenzij men het woord stay, steun, daarvoor wil aannemen.

Op blz. 22 wordt gezegd ‘Nearest beteekent de kortste. The nearest way to Amsterdam, Next beteekent de naaste, digst bijzijnde. The next way to Amsterdam.’

Deze omschrijving is min volledig. Wanneer ik bijv. zeg: My mother is my nearest and dearest relative, dan heeft nearest niet de beteekenis van kortste, maar wel van naaste.

De ‘lijst der onregelmatige werkwoorden,’ kan met enkelen vermeerderd worden. Ook vind ik hier weder eene fout: shid, shed, shid, moet zijn shed, shed, shed. Over het geheel genomen is er echter zeer veel goeds in het werkje van den heer Wichers op te merken en kan het zeer bruikbaar worden, indien de tweede editie vóór het afdrukken eens door een deskundigen Engelschman wordt nagezien; dikwijls toch treft men er uitdrukkingen san die, hoezeer niet bepaald fout, echter niet door een Engelschman zóó zullen gebezigd worden.

2. ‘Dit boekje is bestemd voor die jeugdige beoefenaars der Engelsche taal, die hunne studiën aanvangen met het eerste deeltje der leercursus,1) der engelsche taal, door de HH. Cowan en Maatjes.’ Dit vertelt ons het Voorbericht; het boekje bevat, zoo als verder gezegd wordt, de hoofdregels der etymologie, welke met zeer veel beknoptheid en vrij groote nauwkeurigheid worden medegedeeld. Enkele aanmerkingen zouden er wellicht hier en daar te maken zijn; bijv. op blz. 2 wordt het woord staff opgenomen onder de woorden die op f of fe uitgaan en

[p. 191]

het meervoud vormen door deze uitgangen in ves te veranderen. Beter zou het m.i. geweest zijn, staff als uitzondering te vermelden op den regel: dat de woorden op ff uitgaande het meervoud vormen door achtervoeging van een s.

Op blz. 4 zouden: bachelor - maid,
  buck - doe
  bull - cow
  hart - roe,

en misschien nog eenige andere woorden, kunnen worden toegevoegd aan de daar voorkomende lijst van verschillende woorden ter onderscheiding der geslachten.

Op blz. 5 zoek ik te vergeefs, hoe de tweede naamval gevormd moet worden wanneer het woord in het enkelvoud eindigt op es.

De ‘lijst der onregelmatige werkwoorden’ blz. 17 vlg., is vrij volledig, hier en daar wordt een enkel werkwoord gemist, b.v.:

behold, beheld, beheld,
bless, blessed, blessed,
burn, burned or burnt, burnt,
curse, cursed or curst, curst,
dress, dressed, drest,
grave, graved, graven,
load, loaded, loaded or laden,
rive, rived, riven,
sew, sewed, sewn,
shave, shaved, shaven.

Het kleine bestek in aanmerking nemende, bevat het boekske van den heer v.P. echter zeer veel en is voor 15 cts. waarlijk niet te duur.

3. De heer Vink heeft zijne ‘Oefeningen’ geschreven om de ‘leerlingen, die de eene of Engelsche spraakkunst hebben doorgewerkt, gelegenheid te geven, om de regels verder in toepassing te brengen.’ Daarbij is de volgorde der taalregels gekozen, zoo als die in de spraakkunst van Degenhardt voorkomen.

De inhoudsopgave beslaat 24 bladzijden en behelst tevens in korte woorden menigen taalkundigen regel. Drukfouten komen ook hierin weder voor. Zoo staat op blz. 107 proggressive in plaats van progressive.

Gaarne had ik aan het einde eenige opstellen gezien van gemengden aard, doch de heer Vink zegt zelf, dat hij om de uitgebreidheid veel van hetgeen hij nog wenschte op te nemen,

[p. 192]

heeft moeten achterwege laten. Zoo als het boekje daar ligt is het evenwel reeds zeer bruikbaar en behelst het vele bijzondergoed gekozene opgaven.

Monitor.

WISSEL-ARBITRAGE, ten behoeve van het middelbaar onderwijs door Mr. J. Léon, advokaat te 's Gravenhage, Arnhem D.A. Thieme 1868.

Het middelbaar onderwijs heeft reeds eene menigte leerboeken in het leven geroepen, vruchten van rijpe studie en....ook van voorbarige schrijversjeukte. Onder de eerste categorie mogen wij zeker het werkje hier aangekondigd begrijpen. Op eene eenvoudige en duidelijke wijze wordt daarin de wissel-arbitrage uiteengezet en de schrijver erkent gaarne, dat de Duitschers Feller en Oderman hem tot gidsen, voorzeker betrouwbare gidsen, hebben verstrekt.

Begroeten wij dus de verschijning van dit werkje met vreugde omdat op dit gebied in Nederland nog zoo weinig degelijks verscheen, zoo komt er toch een verschijnsel in verband met die, uitgave voor, dat wij minder mogen toejuichen.

Het is het verschijnsel, dat het onderwijs in de vakken aan de Hoogere Burgerscholen gegeven te zeer wordt uitgebreid.

Het doel van den schrijver zal wel geweest zijn, dat dit werkje aan de Hoogere Burgerscholen als leerboek zal gebezigd worden en dan vraag ik, wat zal er van de arme jongens worden, wanneer een afzonderlijk werk over de wissel-arbitrage een plaats onder hunne leerboeken inneemt?

De leer der wissel-arbitrage is toch slechts een klein onderdeel der ‘Kaufmännischen Arithmetik’ en deze nog weder een klein onderdeel der Handelswetenschappen.

Stelt men er zich dus niet meê te vreden, dat de leerling der Hoogere Burgerschool een juist begrip van wisselkoers en wisselreductie heeft, maar dat hij een volslagen wisselarbitrant worde, dan moet hij in de overige deelen der wetenschap gelijke vordering doen.

En dan vraag ik, behoort die studie thuis op eene hoogere burgerschool of zal niet liever de leerling die, na het verlaten dier inrigting, zich aan den handelsstand wil wijden, op eene handelschool zich de bijzonderheden der ‘Kaufmännischen Arithmetik’ moeten eigen maken? Is er, m.a.w., niet eenige overdrijving merkbaar in de eischen, die men aan de jeugd wil stellen?

[p. 193]

Wij onderwerpen dievraag aan den denkenden lezer en wenschen daardoor vooral geen vlek te werpen op de verdienstelijke wijze, waarop de schrijver de leer der wissel-arbitrage heeft uiteengezet.

29 Januarij 1869.

d.W.H.

VI. Letterkundige Varia.

PRINS YPSILANTI, Historische Novelle van Louise Mühlbach. (Eerste deel van den tweeden jaargang der Romantische Bibliotheek, Lectuur voor alle Standen: onder Redactie van J. Speijer Klerk en A.J. le Gras.) s' Gravenhage H.v. Duijl Jr. 1868.

Daar zullen zeker maar weinig Redactiën van Maandwerken of Tijdschriften wezen, die op meerdere medewerking en medewerkers rekenen dan de Redactie dezer Romantische Bibliotheek! Immers in het Prospectus van den tweeden jaargang bl. II zegt zij: ‘Binnen vier weken tijds hadden reeds meer dan duizend inteekenaars van hun belangstelling in deze uitgave blijk gegeven, terwijl dit aantal dag aan dag zoodanig toenam, dat wij onze onderneming thans als gevestigd kunnen beschouwen’. Al die inteekenaren nu worden beschouwd als werkelijke of aanstaande Medewerkers! Want op blz. IV van het Prospectus staat te lezen: ‘De Redactie mocht reeds hier en daar bewijzen van belangstelling en medewerking ontvangen. Dit deel onder anderen levert er een bewijs van op. Zij beveelt haren arbeid dan ook bijzonder in de belangstelling der inteekenaars aan. Elke bijdrage in het belang harer Bibliotheek, zoowel vertaald als oorspronkelijk, zal haar hoogst welkom zijn’, (ik zou zeggen: ‘de bijdragen knnnen er naar wezen’; maar de Redactie zegt:) ‘Overtuigd dat lectuur voor allen ook door allen moet geleverd worden.’

Nu! Als dat geschiedde, dan ‘acht ik, dat ook de wereld zelve de geschrevene boeken niet zou bevatten.’ Maar ik gis, dat het zoo'n vaart wel niet loopen zal! En als de heeren le Gras en Speijer Klerk voortgaan zoo als zij begonnen zijn; hebben zij de hulp van zulk een schrijvers-bent volstrekt niet noodig.

Immers ook het stuk, waarmede deze tweede jaargang geopend wordt, is goed gekozen en goed vertaald. Prins Ypsilanti is een zeer belangwekkend persoon; en zijne pogingen om zijn Vaderland (Griekenland) van de Turksche overheersching vrij te maken, waren edel en onbaatzuchtig. Wanneer al de helden van den vrijheidskrijg hem waren gelijk geweest, dan zou dat ongelukkige land reeds vroeger in de vrijheid, die het nauwelijks

[p. 194]

verdiende, hebben gedeeld; maar partijschap, baatzucht en verraad verslonden de beste krachten des volks, dat ten laatste door Europa is vrijgemaakt, maar niet, als Nederland, zich vrijgevochten heeft; en ook daarom nog altoos iets heeft overgehouden van den geest van een vrijgelaten slaaf.

Ypsilanti mocht echter zijn doel niet bereiken. Te Weenen gedurende het congres, is hij begonnen te werken aan de verlossing van zijn dierbaren geboortegrond, en eene jarenlange gevangenschap is op zijne vruchtelooze en heldhaftige pogingen gevolgd. Te Weenen stierf hij ook, door een vroegtijdigen dood gespaard om de ellende van zijn onwaardig vaderland te aanschouwen.

Ook het stukje, Het einde van een Regtsgeding, een Siciliaansch verhaal, uit het Fransch door Henken, is boeiend geschreven en verdiende de goede vertaling waarin wij het nu lezen. Dit stukje is eigenlijk eene verrassing voor den lezer, want op den titel is het niet vermeld.

Wij wenschen de Redactie verder voorspoed op hare ondernemingen, en danken haar voor de opmerking, blz. II dat zij beter papier geleverd heeft dan in den vroegeren jaargang. Het zou ons toch niet kwalijk kunnen genomen worden, hadden wij het, zonder hare aanwijzing, niet bespeurd! Een Tijdschrift met meer dan Duizend inteekenaren mocht ook wel met beter letter worden gedrukt.

Rosendaal.

Tydeman.

GEDROOGDE KRUIDEN. Zestig platen met bijschriften en een portret, naar de Herinneringen uit mijne leerjaren op het land door Frits Reuter, uit de Mekklenburgsche volkstaal door A.G. vertaald. Leiden. Akademische boekhandel van P. Engels 1868.

Wie zijne vrouw of dochter een aangenaam cadeau wil maken, of geve veilig hun dit zestigtal geestige en goed geteekende platen, ter illustrering bestemd voor een der meestgunstig bekende werken van Frits Reuter, in handen. Zelden kwam mij in ons lieve vaderland, waar de illustratiekunst nog zoozeer als in windselen ligt besloten, voor betrekkelijk zulk een geringen prijs, een zoo goede waar onder de oogen. De figuur van Bräsig - een van de meesterlijkste conceptiën uit de ‘leerjaren’ - o.a. is voortreffelijk geslaagd. Reuter's welgelijkend portret versiert deze uitgave, voor wier keurig nette uitvoering mij den heer Engels onzen welgemeenden dank toebrengen.

R.-v.