[p. 144]

Een tuiltje geurige bloemen van Vlaamschen bodem
door A.J. Servaas van Rooijen.

Novellen van Rosalie en Virginie Loveling. Gent 1874. Gedichten van R. en V. Loveling, Groningen 1870.

Veelvuldig en veelsoortig zijn tegenwoordig de banden, die ons meer dan ooit aan België binden, en de verbroedering nader bevèstigen. De veete van 1830 is nog wel niet vergeten, getuige de onthulling onlangs van 't Monument te Ginneken; maar de herinneringen aan die dagen wekken geen haat, geen wrevel; wat gebeurd is, wordt als afgedaan beschouwd, en slechts de verzoening en niet de scheuring wordt herdacht. De hand der vriendschap is toegestoken, is aanvaard geworden en daarmede is alles uitgewischt; en slechts de geschiedenis met haar onverbiddelijke gestrengheid en waarheidlievende onpartijdigheid heeft het feit geboekstaafd, om het nageslacht te wijzen op 't geen heeft plaats gehad; dikwerf voor het oogenblik een oogenschijnlijk groote ramp, die later blijkt goede gevolgen en uitkomsten te hebben gegeven. - Zoo ook kan men de noodzakelijkheid der zelfstandigheid van België en Nederland als een goed gevolg der gebeurtenissen van '30 beschouwen, en heeft die noodzakelijke afscheiding, bij het vele goede dat zij ten gevolge had, ook zeker niet 't minste aandeel in de uitbreiding der Noord- en Zuid-Nederlandsche Letterkunde, in 't bijzonder wat deze laatste

[p. 145]

betreft, met het oog op die der Vlaamsche provinciën. - Zonder zelfs den schijn te willen aannemen van ons te verhoovaardigen op eigen grootheid en roem tegenover minderen bloei en geringere productie, meenen we gerust te mogen zeggen dat, wat de letterkunde betreft, België en wel de Vlaamsche provinciën al zeer weinig gewicht in de schaal tegenover Nederland kunnen leggen, ten minste in de eerste tijden nadat België en Nederland zelfstandige rijken uitmaakten. - Wat is daarvan de oorzaak? In de eerste plaats mogen we zeker aanvoeren het bekrompen onderwijs, dat geheel in handen der geestelijkheid berust, en hoe zedelijk dan ook van strekking, alles behalve de vereischten bezit om veelomvattend en vruchtbaar te zijn. - Daarin zit de kracht der klerikalen: onderwijs, doch zóó beperkt, zóó besnoeid, dat de kern verstikt in de harde dogmatische schil, en zoodoende het zaad, dat niet eens in overvloed wordt uitgestrooid, alle levensvatbaarheid mist om te ontkiemen en bij ontkiemen, onder goede leiding en verzorging, goede vruchten op te leveren. Deze eerste reden waaraan we den geringen bloei der letterkunde in Zuid-Nederland toeschrijven, zou uitgebreider en meer gemotiveerd behandeld kunnen worden, ware 't niet, dat de aard van ons onderwerp daartoe te weinig aanleiding bood. - Als tweede groote hoofdoorzaak kan vrijelijk aangevoerd worden het domineeren der Fransche taal. ‘De taal is gansch het volk’, heeft eens een even groot dichter, als menschenhater gezegd, en ook: ‘zijt meester van de taal, ge zijt het van 't gemoed’. Zonder nu aan dergelijke gevleugelde woorden en geijkte gezegden der groote mannen van weleer eene bijzondere profetische waarde te willen toekennen, gelooven wij deze beide Bilderdijkiaantjes als waar te mogen aannemen, en ze tevens als bewijs te laten gelden, dat zonder taal geen volk kan bestaan, maar in omgekeerden zin zonder volk evenmin een taal bestaanbaar is. De elementen der Belgische provinciën zijn half Fransch, half Hollandsch; voornamelijk was Brussel de hoofdzetel van Fransche taal, Fransche zeden enz., terwijl Gent, Antwerpen en andere steden meer de Vlaamsche taal en zeden handhaafden en als 't ware het evenwicht tegenover de Fransche overstrooming herstelden. De machten waren echter niet gelijk en in plaats van zelfstandigheid in taal en spraak, kreeg

[p. 146]

men een mengelmoes, waardoor de letterkunde in de eerste plaats scheen te zullen ondergaan. - Die ondergang is echter gelukkig verhoed. Dank zij de afscheiding, trad België zelfstandig op, en in en met haar vele beoefenaars der fraaie letteren, die begrepen dat een taal het volk één maakt niet alleen, maar groot, krachtig en zelfstandig. Van daar de herleving der beoefening der Vlaamsche taal, en door die beoefening de productie in den vorm van proza en poëzij. - Noemen we niet met eere een Conscience, een Snieders, een van Beers, een Heremans en zoovelen meer, en mogen we nu niet met een aangenaam gevoel wijzen op de Dames Loveling! En Rosalie, èn Virginie zijn opgetreden om mede Vlaanderens letterkunde te doen herleven en haar standaard omhoog te dragen. Aan een bundel gedichten, reeds in 1870 gemeenschappelijk door haar uitgegeven, onlangs door een bundel Novellen gevolgd, is dit opstel gewijd.

Beide boekskens afzonderlijk te behandelen, komt ons minder geschikt voor. De bundel Proza toch heeft zooveel Poëzij, dat we dien wel en premier kunnen behandelen, en bij de beoordeeling het kleinere bundeltje Poëzij daartusschen kunnen vlechten, gelijk in een bouquet rozen van allerlei kleur en vorm het eenvoudige vergeetmijnietje een plaatsje inneemt. - Is 't een toeval of is 't een goede gedachte der beide uitgevers, om èn het Proza èn de Poëzij in een helder wit gewaad te steken? De inhoud toch is over 't algemeen zoo rein, zoo zuiver, zoo streng zedelijk, dat het symbool der onschuld een hoogst passende kleedij voor beide boekjes is. De bundel Novellen begint met ‘Jan-Oom en Belle Trezeke’. Dit verhaal heeft geen markante intrigue, het weefsel is niet zoo gesponnen, dat men met koortsachtige drift naar het slot verlangt, om...ja om den afloop te weten. Wat velen echter als een misslag zouden beschouwen, vinden wij, hier als in zoovele der novellen, een groote aanbeveling. - Eenvoudig, waar, leerzaam. Dit is o.i. de trits hoedanigheden, die de novelle moet hebben. Een novelle toch geeft enkele gedachten, enkele opmerkingen, waarvan de uitwerking is overgelaten aan den denkenden lezer. Iets anders daarentegen is het met den roman. Door ruimer bestek kunnen daarin de karakters meer ontwikkeld worden, de denkbeelden breeder uitgewerkt en de opmerkingen en zede-

[p. 147]

lessen in den vorm van gesprekken als anderszins aan het licht komen. Groot is dus van eene zijde het verschil, en van eene andere zijde weder niet. Iedere novelle toch is als de losse schets eener schilderij, met enkele trekken en lijnen aangegeven, waaraan het penseel den gloed en het leven nog moet geven, even als de roman de uitwerking is van vluchtige pennestreken, het schema en de losse omtrekken, die bij eenige uitwerking de novelle scheppen. Wanneer wij, te beginnen met 't reeds genoemde verhaal ‘Jan-Oom’, ons de Binnenhuisjes van de Bull herinneren, dan zouden wij geneigd zijn eene vergelijking te maken. Denzelfden aangenamen toon, dien de Bull aanslaat, vindt men bij de Dames Loveling. Tegelijk echter merkt men al dadelijk groot verschil tusschen de meerdere gespierdheid bij genen en den zachteren tint bij dezen. Prof. Heremans zegt in zijne inleiding, dat om kleur te krijgen, reliëf aan te brengen, dikwerf eigenaardige plaatselijke gebruiken en gezegden moeten aangewend worden, en haalt daarbij ook onzen Cremer aan; wij willen nog verder gaan en vinden dat die gevierde novellist op zijde gestreefd wordt in genoemden bundel novellen. Vooral No 1 en No 3, getiteld ‘Serafine’, doen ons niet alleen aan Cremer denken, maar zelfs eenige gelijkenis vinden met enkele zijner novellen. Echter worde daarbij wel in 't oog gehouden, dat wij hier met Vlaamsch, daar met Betuwsch te doen hebben en dat, behalve het verschil van zeden en gewoonten, ook dat tusschen den Protestantschen en Katholieken geest op den voorgrond treedt. Maar vorm, strekking, teekening, dat al getuigt van éénzelfden, reine liefde ademenden geest. In No 1 wordt het bijgeloof behandeld. Dat uitvloeisel van gebrekkige ontwikkeling en geringe beschaving wordt door Mej. Rosalie als thema gebruikt voor hare novelle. Dat bijgeloof in zijne jammerlijkheid ten toon te stellen is de tendenz die er in ligt, doch o.i. had het wel wat meer gegeesseld mogen worden Wel wordt 't kleingeestige, 't bekrompene er van aangetoond, maar hoe ongelukkig de gevolgen ook geschetst zijn, had het licht en donker sterker moeten spreken. Die tegens tellingen toch, waarmede Doré weet te tooveren, kunnen, in de novelle vooral, zoo'n flink effect maken, gelijk wij het dan ook vinden in No 2, ‘de Baan der Kunst’. - Verkeerde opvoeding wordt hierin als een groote ramp ten toon gesteld, maar daarbij gewe-

[p. 148]

zen op het te veel over godsdienst, dat vaak reeds zoo vroeg in de kinderhoofdjes wordt gepompt, en dikwerf goede elementen en goeden aanleg verstikt. Treffende waarheid spreekt uit den aanhef dezer novelle: ‘Mevrouw Mandelier zat alle dagen in de eerste mis met hare twee kinderen, sinds den dood van haren echtgenoot. Het kleine meisje kon bijna hare oogjes niet openhouden; de knaap zat met gevouwen handjes en wendde zijne blikken van de groote altaarschilderij niet af’. De moraal is niet ver te zoeken. Dat pressen van kinderen naar eene kerk, waar ze schijnbaar luisteren, schijnbaar bidden, is mooi op 't oog, doch inderdaad de doodsteek voor allen godsdienstzin, wijl door ontijdigen toevoer van hetgeen hunne harten nog niet kunnen omvatten, de goede geest wordt uitgebluscht. Dit niet alleen wil Mej. Loveling in deze novelle zeggen. Ze wijst in 't bijzonder, door den loop van haar verhaal, op het verkeerde van onze kinderen te dwingen dit of dat te worden, geheel in strijd met hun wil of aanleg. Mevr. Mandelier toch bestrijdt met kracht bij haar zoon het ontluiken van zijn talent als schilder, terwijl een schilder, wiens dochter lust noch geschiktheid voor de schilderkunst heeft, gedwongen wordt als een machine, als automaat te geven, wat haar 't genie ontzegt. - 't Genie wordt geboren, niet gemaakt. - Heeft men no 1 en 2 gelezen, men haakt naar No 3, ‘Serafine’, en toch dat haken, 't vluchtig lezen dezer novellen zullen we niemand aanraden; waarlijk er ligt zooveel levenswijsheid in, dat ze gerust, elk op zich zelve, als een voedzame vrucht met smakelijken geur, kunnen genuttigd worden; te veel zou hier licht schaden, de goede uitwerking zou gemakkelijk verloren kunnen gaan. ‘Serafine’ heeft niet die kracht, die frischheid, die we in de andere novellen reeds opmerkten; 't Vlaamsch moge hierin, even als bij Cremer 't Betuwsch en bij Reuter 't Platduitsch, aantrekken, de schets zelve heeft weinig om 't lijf, de strekking is niets, de kunst gering. Haast zouden we zeggen, dit verhaal had uit den bundel gemist kunnen worden. Het had daarin als al te onbeduidend geen plaats moeten vinden. Mej. Loveling neme zelve haar bundel nog eens ter hand, zij leze ‘Serafine’ eens over en voorzeker zal het haar gaan als ons, zij zal niet tevreden wezen. In den overigen inhoud van haren bundel zelven vinden wij daarvoor den waarborg.

[p. 149]

‘Broeder en zuster.’ Aldus heet de 4e novelle van de hand van Mej. Ros. L. - Een diepe zin ligt daarin verborgen. We zien daaruit, dat niet alleen Nederland het land is, waar dikwerf domheid en onverstand zegepralen boven bekwaamheid en talent; dat 't niet alléén in Nederland voorkomt, dat het laatste moet wijken voor het eerste, en dat nog dikwerf gevraagd wordt: ‘wie is het?’ in plaats van ‘hoe is het?’ - evenzeer als vroeger, nu gelukkig in mindere mate, niet 't: ‘weet hij het?’ maar 't ‘hoe weet hij het?’ maatstaf was bij het begeven van betrekkingen. In deze novelle is Josephine een lieve figuur; eene goede zuster; eene deelnemende vriendin, die echter niet het geluk vond, dat zij zoo dubbel waard was. Ware 't slechts ter belooning voor al haar lijden, waarin zij zooveel kracht en zielenadel toonde! Eduard haar broeder, die, vroeger altijd verongelijkt, zich gekrenkt gevoelde, door dat anderen van minder bekwaamheid dan hij, hem vooruitgingen, wordt eindelijk door vasten wil, datgene waarop hij om studie en aanleg reeds lang had aanspraak gehad. Zijn karakter is echter al misvormd, 't heeft reeds geleden onder de teleurstellingen die hij heeft ondervonden en Paus Ego, waaraan hij vroeger niet dacht of dien hij slechts flauw kende, maar bij anderen met goed gevolg als alleenheerscher had zien tronen, was daardoor ongemerkt ook zijn boezem binnen geslopen. Hij vergat wat achter hem lag, hij zag slechts om zich heen, wat hem grooter en meer geëerd kon maken en 't rein eenvoudige had plaats gemaaakt voor een ijskoude zelfzucht. De karakters in deze novelle zijn goed geteekend. De ietwat lichtzinnige of coquette Coralie; de reine Josephine; de eerst edele Eduard, later door de wereld bedorven en evenzeer voor de wereld verloren; de goedhartige, doch gedachtelooze Amédée; 't is een viertal portretten die flink spreken en waarop een uitnemend licht valt. Wanneer dit verhaal was uitgewerkt, zou het, bij 't talent van Mej. L., een boeiende roman zijn geworden. - Is er in de opeenvolging der verhalen van Mej. Rosalie een climax in hetgeen boeit, aantrekt en hoogst prijzenswaardig is op te merken, 't laatste of vijfde stukje, ‘Meester Huyghe’, zet de kroon op haar werk. Wie, die eenige sympathie heeft voor menschelijk lijden, zal niet een traan voelen opwellen bij 't lezen van dat aandoenlijke schetsje. Geheele

[p. 150]

bladzijden zouden we willen afschrijven om dit oordeel te staven. Nemen we slechts het volgende: ‘Aldus leefden de beide oude lieden voort, met hunne hoop en vrees; want zonder hoop leeft men niet. Zij hoopten nog altijd, dat Evarist eens wederkeeren zou. Zoolang men het zich ontkennen kan, dat men iemand verloren heeft, doet men het: niettegenstaande iedereen den zoon van Meester Huyghe voor dood hield, was hij van Vader en Moeder niet vergeten, en werd hij nog te huis verwacht.

Hunne vrees was 't armhuis; des te grooter was zij, omdat ze die niet bekennen mochten. Het gebeurt zoo dikwijls, dat iemand u op eene reddingplank wijst, en dat gij juist dat voor de klip aanziet, die u geheel verbrijzelen moet.

De veldwachter ook, die wel wist, dat Meester Huyghe en zijne vrouw begonnen armoede te hebben, sprak hem eens van in 't armhuis te gaan; hij zeide hun, dat allen er zoo goed verzorgd en zoo tevreden waren: de Burgemeester had hem dat alzoo opgegeven.

Het is zonderling, er zijn menschen, welke u gaarne eenen dienst doen, die u bedroeft, en alzoo was de Burgemeester. Hij hield dan ook niet op aan Meester Huyghe eene plaats in 't armhuis aan te bieden: de oude man moest hem daarvoor dankbaar zijn; want een ieder geraakte er niet in; maar hij werd toch treurig telkenmale men er hem over sprak. Hij gevoelde, dat hij met dat ongeluk bedreigd was en wilde het toch zoolang mogelijk verdragen.

Het is dàn eerst, wanneer men een struik poogt uit te rukken, dat men gewaar wordt, hoe vast de wortel staat, en nu ook, dat hij het verliezen ging, zag Meester Huyghe, hoe hij aan zijn huisje gehecht was. - Ja, Meester Huyghe was gehecht aan 't huisje, waarin hij lief en leed had ondervonden; waaraan zoovele herinneringen hem boeiden, en waar hij gehoopt had, zijn hoofd eenmaal ter ruste te kunnen leggen. Begreep 't dan niemand dat zijn huis hem zoo liefelijk in de ooren klonk; dat 't prijsgeven daarvan gelijk stond aan 't loslaten van 't onwrikbaar vasthouden aan 't beginsel, dat hij geen aalmoes wenschte aan te nemen. Ja, goede Meester Huyghe, we begrijpen uw lijden, uw zielesmart; als we u zoo straks met zooveel humor hoorden vertellen van uwe lotgevallen onder Napoleon en uw figuur

[p. 151]

leven en geest aanneemt, en 't u later, langen tijd later, onder droeve omstandigheden weder hooren doen, maar nu niet aan uwe scholieren of uwe vrienden op een zonnigen achtermiddag, maar aan uwe medegezellen in 't armhuis; nu niet voor de deur van uw huis gezeten, maar voor die van 't huis, waar ge een aalmoes ontvangt; dan kunnen we begrijpen dat de gulle toon in uwe verhalen heeft plaats gemaakt voor die der droefheid en zielesmart; dan kunnen wij uw lijden in ons hart een plaats geven en deelen we uwe droefheid. Wel was zijne vrouw, zijne goede Beatrice, nog in haar huis gebleven en “Meester Huyghe” was tevreden in zijn hart, dat hij haar toch tot het laatste toe gehouden had en dat zij in het hospitaal niet gestorven was. Het scheen hem, dat het een troost moest geweest zijn voor haar, op haar sterfbed al de voorwerpen, waaraan zij gewoon was, rondom haar te zien, het uurwerk te hooren, waarvan zij den slag kende, en haar behangsel rondom haar bed te hebben met de druiventrossen en de kinderen, die met den grooten hond speelden, welke er op gedrukt waren. Ik heb ze toch kunnen houden, dacht hij. Het was eene zegepraal, die de oude soldaat behaald had! maar hij moest dat huisje, dat zijn tehuis verlaten; hij moest zwichten voor de gestrenge gebiedster: de armoede, en “de veldwachter” laadde het huisraad op den wagen en liet dien voorop rijden, hij kwam stillekens achter aan met Meester Huyghe; want hij hadde het wreed gevonden dien ouden man geheel alleen te laten gaan, en toen zij over 't kerkhof gingen, want dat was de kortste weg, zweeg Meester Huyghe en keek naar den grond: het was alsof hij moeite had om voort te gaan. De veldwachter vertraagde zijnen stap: die oude lieden kunnen zoo haastig niet meer op, dacht hij. Meester Huyghe vreesde misschien, dat de veldwachter zijne gedachten mocht geraden hebben; want hij wees met zijn stok in 't hooge gras, als om zich te verontschuldigen, dat hij daarin keek en zegde als onverschillig: “het is zonderling, dat er op de kerkhoven altijd zooveel maluwbloemen groeien”. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Eene gevoelige ziel is als bestolen, wanneer iemand hare gewaarwordingen bespiedt, en wendt alle moeite aan om hare indrukken voor vreemden te verbergen.’ Hoe waar, hoe

[p. 152]

innig lief is dat gezegd. Mej. R. Loveling heeft een snaar doen trillen, die 't medelijdend hart zeer doet. Zij heeft den strijd geschetst tusschen de fatsoenlijke armoede en 't eergevoel. O, niet genoeg kan daarop worden gewezen. Juist de zoogenaamde fatsoenlijke armoede is de grootste pijniging, de grootste ellende. Groot voor de wereld; schijnbaar onbekrompen zich moetende voordoen, en innerlijk aan alle ontberingen ten prooi. ‘Meester Huyghe’ sleept mede; trekt aan; is in een woord een juweeltje en ware slechts dit enkele verhaal door de Schrijfster geproduceerd, dan reeds kon men zeggen, dat zij een meesterhand van schrijven heeft.

Dezelfde reine, naieve toon, die de Schr. in hare novellen aanslaat, vindt men terug in hare Poëzij. Oppervlakkig lezende, zou men hare gedichtjes wat eenvormig, dikwerf onbeduidend noemen, maar inderdaad zijn zij keurige vruchten van een liefdeademend zieleleven; ze zijn ontstaan uit een warm gevoel en innige godsvrucht. Meer dan in de novellen spreken zwakke momenten van ontluikend genie, maar meerendeel zijn 't liefelijke beelden, waarvan de gedachten nieuw en frisch zijn en in den eenvoudigen en zeer bijzonderen vorm waarin zij werden gegoten, beurtelings aantrekken en bewondering vergen. De dichteres, sober in woorden, is echter rijk aan gedachten en beelden. We halen b.v. aan ‘Genezing’. Slechts twaalf regels groot, is het een meesterstukje, dat ons aan 't ‘Haantje van den Toren’ van den eenigen de Genestet doet denken. Doch dit niet alleen, zoovelen meer, herinneren ons aan dien vriendelijken eenvoudigen zanger. Dat natuurlijke, dat innig liefelijke, beknopt van vorm, breed van gedachte; dat ware, dat gemoedelijke, in de Genestets gedichten te vinden, is ook in de gedichtjes van Mej. R. Loveling op te merken. 't Is een genre, dat alleen staat, en met het oog op Prof. Tiele's versjes, slechts op een drietal beoefenaars kan bogen. Loveling, de Genestet, Tiele; ze kunnen uit dit oogpunt in één adem worden genoemd. Bij karige aanwending van hoogdravende woorden, blijft echter de zeggingskracht, de leertoon ons tegenschitteren als een dauwdrop op de eenvoudige roos. 't Boekske is zoo gering in prijs, dat ieder 't zich kan aanschaffen. We willen dus alleen enkele versjes noemen, die ons 't meest boeiden. Ze zijn: Doodstraf; Bogen;

[p. 153]

't Maantje; 't Bedelkind; en wij sluiten Mej. Rosalies Poëzij en Proza met het laatste couplet van ‘de Kleine Luitspeler.’

 
‘'t Kistje droeg men naar het kerkhof,
 
Waar men 't d'afscheidszegen gaf,
 
En een zachte zomerregen
 
Weende alleen op 't kindergraf.’

't Is zeker bijzonder en hoogst eigenaardig, dat twee zusters niet alleen beiden de letteren beoefenen, maar zelfs in vorm, strekking en inhoud van hare geestelijke kinderen zooveel overeenkomst hebben dat, wanneer men 't niet wist, en 't niet werd aangegeven, men geneigd zou zijn den bundel novellen, zoowel als 't bundeltje Poëzij aan ééne en dezelfde hand toe te dichten. Leest men ongemerkt door, zonder te letten op de afscheiding van een witte pagina waarop slechts staat: Virginie, - zeker niemand zou denken aan verandering van schrijfster. 't Is een verschijnsel, dat zich niet dikwerf voordoet. In onze litteratuur toch zijn ons slechts twee gevallen bekend. Wij denken aan de dames Visscher en de heeren van Haren, die beiden, als zusters en broeders onze letterkunde beoefenden en wel in hetzelfde genre. Gaat men echter met een kritisch, scherp gewapend oog naar overgang en onderscheid zoeken, dan laten zich ook deze gemakkelijk vinden, en zouden we geneigd zijn Rosalies meerdere kracht boven Virginies wel eens al te groote matheid te verkiezen, ware 't niet, dat omgekeerd Virginies fijnere teekening en uitwerking in enkele gevallen Rosalies meerdere gedrongenheid in de schaduw stelden. Doch met recht zeggen we den Heer Leopold na, en passen dit ook toe op de novellen, dat deze producten der twee gezusters bewonderd mogen worden om hunne eenvoudige en toch veelal zoo welsprekende vormen, en hunnen doorgaans zoo rijken inhoud. Mej. Virginie opent de rij harer verhalen met drie schetsjes getiteld: Geschenk van den arme; Geschenk van den rijke; Geschenk des Harten. 't Is een klaverblad, dat al dadelijk de schrijfster een groote plaats in ons hart doet innemen. De verschillende wijzen van zijne dankbaarheid te betoonen voor ontvangen weldaden, gaven der schrijfster een ruim veld voor de keus van hare stof, en

[p. 154]

zij weet de verhalen zoo in te kleeden, dat zij in enkele trekken op een ontvangbaar gemoed meer indruk zullen maken, dan de langste zedepreek. 't Is geen theorie waarmede zij leeren wil; zij geeft de praktijk in al hare naaktheid en waarheid, en kleurt die en verwerkt die tot een aangenaam geheel, dat onmiskenbaar den lezer boeit, en hem zeker zal doen gevoelen, welke dankbaarheid de meeste waarde heeft. Mej. Virginie bewijst een grondige studie te hebben gemaakt van het menschelijk hart en al de roerselen en beweegredenen van deze of gene handeling te waardeeren. Is 't eerste schetsje vol gevoel, in 't tweede ligt een snijdend sarcasme, terwijl 't derde zoo vol gloed, zoo zonnig, zoo warm van teekening is, dat niet licht iemand het haar zal verbeteren.

Marlitt, de lieve Duitsche schrijfster, heeft in den laatsten tijd eenige uitgewerkte novellen (Romans willen we ze niet noemen) gegeven, waaronder vooral uitmunt: ‘het Geheim van de oude Jufvrouw’. Toen we Virginies tweede Novelle ‘Sidon’ hadden gelezen, maakten we de opmerking, dat die novelle van Marlitt haar zeker de hoofdgedachte had gegeven voor ‘Sidon’. Zonder juist een bepaalde overeenstemming te vinden in den geheelen gang van het verhaal, trof het ons toch, dat Sidon uit haar verhaal, en Felicitas uit Marlitts novelle zoovele punten van gelijkenis bieden; niet alleen in karakter, maar zelfs wat afkomst, pleegouders en opvoeding betreft. Bovendien is de Tante, tevens pleegmoeder van Sidon, Mevrouw de Lange, in alles gelijk aan Mevrouw Helwig en is de echtgenoot dier dame uit Marlitts roman even goedig, doch ook even zwak als de heer de Lange, die slechts half goed doet, wijl hij zijne echtgenoote niet genoeg controleert bij de opvoeding der pleegdochter, zijne nicht, en haar te veel in hare grillen toegeeft. Nog meer typen vindt men min of meer uit het ‘Geheim der oude Jufvrouw’ terug bij ‘Sidon’, zoodat Caroline en Pompee kinderen van den heer en Mevr. de Lange, benevens Toreken, de meid en de goede, degelijke blinde ‘Bonpapa’ ons allen in meerdere of mindere mate aan figuren uit Marlitts roman doen denken. De vorm, moge dan de inhoud al eenigszins dezelfde zijn, verschilt echter hemelsbreed met dien van Marlitt en daarenboven zijn de uitwerking en de ontknooping geheel onderscheiden. Kunnen we nu al eenige overeen-

[p. 155]

stemming opmerken, de onderstelling dat de typen ontleend zouden zijn aan Marlitt, wil er nog niet bij ons in, hoewel we alle aanleiding hebben om te gelooven, dat de hoofdgedachte bij Marlitt is geborgd. - Dit is in zeker opzicht te betreuren en zeker zouden we het niet zoo sterk doen uitkomen, waren we niet innig overtuigd, dat Mej. Virginie evenals hare zuster een te scheppend vermogen bezit om bij anderen ter markt te gaan. Oorspronkelijkheid is in ons oog eene der schoonste eigenschappen voor een auteur, en waar men blijken geeft de macht en de kracht te hebben om oorspronkelijk te blijven, zorge ieder, onverschillig op welk gebied ook, zelfs den schijn te vermijden. - 't Is echter een zwak, waaraan maar al te dikwerf wordt toegegeven en leefden we nog in den tijd van ‘Braga’ het zou ongetwijfeld meermalen blijken. Dat groote schrijvers, we willen nu op 't gebied der Nederl. Letterkunde blijven, wel eens aan die fout mank gingen, heeft onze van Lennep bewezen, die in zijn gedicht: ‘Hoe stroomt de Dussel door het Hol van Neander:’ den onergdenkenden en oppervlakkigen lezer aan oorspronkelijk werk deed denken, terwijl de Engelsche poëet Robert Southey hem reeds vele jaren vroeger de stoffe daartoe had gegeven.

Wanneer in Vlaanderen vele zulke modelherbergen worden gevonden als ons in ‘de Hope van Vrede’, 't derde der novellen, wordt geschilderd, dan voorzeker zouden ze, zoo geen goed, ten minste geen kwaad doen, en zouden we voor Nederland jaloersch kunnen zijn. Hoor slechts. ‘Het was ook zulk eene vreedzame herberg, waar zelden iemand kwam, tenzij den Zondag morgen, vóór of na de mis, en dan waren het nog meest gezette, bejaarde lieden; des zondagsnamiddags zat gansch de zaal vol, en men zag schier niet door den tabaksrook, en kon elkander moeilijk verstaan van al het gerucht daarbinnen. De boeren zaten meest met de kaart of de dobbelsteenen te spelen. Nooit was er twist, want op het dorp waren het brave inwoners. De bazin kwam langzaam aangestapt, als iemand met een tinnen liter of een pintglas op het tafelbord sloeg en héla! of herberg! riep. . . . . . . . . . Een raamken met een groot oog en “God ziet mij” daaronder, en een ander, waarop te lezen stond “Hier vloekt men niet” hingen aan den wand. -

[p. 156]

Zoo was de herberg van bazin Sertouw.’ Zoo ongekunsteld, zoo voorvaderlijk als deze herberg is, even eenvoudig en natuurlijk zijn ook de personen, die daarin figureeren. 't Is een type van 't echt landelijke, 't is eene schildering van eenvoudige zeden zooals onze Hildebrand ze zoo fijn en keurig wist te penseelen. Eene bepaalde strekking is in dit korte verhaaltje niet op te merken. 't Is een rij van portretten van het Vlaamsche platteland, die de schrijfster voor ons oog doet heengaan en die ze elk op zichzelf onder een eigenaardig licht brengt om het effect te vermeerderen. Ditzelfde zouden we ook kunnen zeggen van ‘de Verdwaalden.’ In dit verhaal is echter meer licht en donker, meer tegenstelling van goed en kwaad. Een dronken brouwer, eene verwaarloozende huisvrouw, bedorven en ondeugende kinderen staan hier tegenover een oom, een familiestuk, die lang als ‘Suikeroom’ beschouwd, eindelijk 't oudevrijersleven vaarwel zegt, en een meisje uit minderen stand, maar met een edel hart, naar 't ‘outer’ voert. De karakterteekening van den brouwer is uitstekend; toornig, lastig, wanneer hij niet door den drank is opgewonden; gul, goedgeefsch, uitermate hartelijk, wanneer hij in de jeneverroes verkeert. Daarbij eene slordige huisvrouw en kinderen, die, door 't slechte voorbeeld hunner ouders, toonen dat de vrucht niet ver van den stam valt. De teekening van het vroeger schoone kasteel, bewoond door eene adellijke Spaansche familie, met al zijn kanteelen en boogen, doet ons aan Hofdijk denken. We willen daar volstrekt niet mede zeggen, dat Hofdijk en Jufvr. Virginie Loveling eenige overeenkomst hebben, maar voeren het alleen aan om te doen zien, hoe ruimschoots de Schr. is begaafd en in allerlei genren, met vele nuanceeringen en schakeeringen weet te schetsen en te verhalen. Zij is haar pen uitmuntend meester; nu eens treft zij door de aandoenlijkste passages, dan weder geeft ze in enkele trekken, doch breed gepenseeld, eene schildering van natuur of gebouw, waarin niet eene lijn wordt vergeten, om straks weêr met flinke trekken het karakter van hare personen weêr te geven. - Noemen we nog haar laatste verhaal ‘Emiliaantje’, dat een serie van figuren ons te zien geeft en zeer ter lezing wordt aanbevolen, dan hebben we ook Mej. Virginies novellen de revue laten passeren en vlechten we, als Madeliefjes tusschen een

[p. 157]

bouquet rozen, hier nog enkele harer gedichtjes tusschen om te doen zien, dat ook daarin eene groote overeenkomst met hare zuster Rosalie is op te merken. We hebben daartoe in de eerste plaats slechts aan te halen: ‘Haar laatste wandeling’. Hebben we ‘de Genezing’ van Rosalie gelezen en valt ons oog op dit gedichtje van Virginie dan is er tusschen die beide eene gelijkenis te bespeuren die groot is, doch ook slechts in zekeren zin; want is in 't laatstgenoemde het zieke meisje overtuigd van haar naderend einde, in ‘de Genezing’ meent zij, hoewel aan den rand van het graf, dat hare gezondheid zal terugkeeren. Vorm en type echter zijn geheel dezelfde. De reine, zedelijke toon door Rosalie in hare versjes aangeslagen, vinden we bij Virginie terug, doch meer moraliseerend, meer dogmatisch. Enkele oogenblikken zouden we aan ziekelijke dweeperij denken, ware 't niet, dat dit vergeeflijk is uit het oogpunt van haar godsdienst en de over 't algemeen mystieke tint en kleur, die over de werken der Vlaamsche schrijvers als Conscience, Snieders, van Beers e.a. ligt gespreid. Wel kunnen we merken, dat de dames Loveling die schrijvers vlijtig hebben gelezen en bestudeerd, maar het langdradige, het dikwerf omslachtige van van Beers, vinden we gelukkig niet bij haar terug. Breedsprakigheid, waarin dichters zoo gemakkelijk kunnen vervallen, hebben zij weten te vermijden, terwijl 't zangerige, 't zoetvloeiende zeer goed op den voorgrond treedt. Zelfs in het proza is dikwerf een aangename gang, een poëtische toon, die de lectuur aangenaam maakt, en bewijst voor haar dichterlijk talent, dat zelfs in 't proza, met de noodige schaarschheid, is te vinden.

De slotsom onzer beschouwing kunnen we in enkele woorden samenvatten. De dames Loveling hebben getoond, zoo in dicht als ondicht, meesteressen te zijn van heur taal en daardoor zijn zij 't ook van het gemoed, doch even als onze gespierde maestro Ten Kate ook het omgekeerde verlangt, toonen ook zij door een rein gemoedsleven de taal aan hare uiting dienstbaar te kunnen maken. De dames L. gebruiken dikwerf weinig woorden, om oneindig veel te zeggen en daarin schuilt o.i. juist haar grootste kracht, Een enkele regel geeft dikwerf den lezer een reeks van gedachten, die alle leerzaam en nuttig kunnen zijn. 't Ligt er slechts aan, we zeiden 't reeds in het begin, hoe gelezen

[p. 158]

wordt. We zijn overtuigd, dat wie de beide bundels ter hand neemt, ze niet neerlegt, voor ze zijn uitgelezen; maar even zeer hopen we ook, dat ieder de kern, de krachtige kiem zal weten te vinden, die in elk stuk ligt opgesloten, opdat de lectuur daardoor vruchtbaar zij. - Wij achten de dames L. zoowel voor de Vlaamsche, als voor onze litteratuur eene krachtige aanwinst, en eindigen met den wensch, dat zij voorzichtig blijven in hare keuze, gematigd in hare productie, doch steeds even natuurlijk en eenvoudig. Blijve ook voor haar eenvoud het kenmerk van 't ware schoone en goede.

 

Utrecht.