De twintig hier volgende gedichten zijn afgedrukt naer een papieren handschrift, in-quarto, van de veertiende eeuw, dat vroeger aen Van Hulthem toebehoorde, en dat thands op de koninklyke bibliotheek te Brussel berust. Het is de zelfde verzameling(1), waeruit Willems, Blommaert en Hoffmann van Fallersleben reeds talryke stukken getrokken hebben, maer die nog veel belangrijks bevat, waermede ik myne lezers nader zal bekend maken. In afwachting dat ik eene volledige opgave des inhouds van geheel den bundel mededeele, lasch ik hier een twintigtal kleine gedichten van verschillenden aerd, in.
Onze oude epossen, onze chronyken en de werken der didaktische school van Maerlant, trokken meest alle, in de laetste jaren, de aendacht der geleerden tot zich. Maer onze middeleeuwsche literatuer is niet alleen rijk aen werken van uitgebreiden omvang, de kleinere gedichten, die thands nog voor handen zijn, bewyzen genoegzaem wat er al ook vroeger van dien aerd moet bestaen
hebben. Menig dier stukjens kan niet alleen gerust tegen dergelyke produkten van de fransche of duitsche letterkunde opwegen, maer zou zelfs nog heden door de pen van onze hedendaegsche schryvers verdienen op nieuw ingekleed te worden.
Ik bepael my tot het uitgeven der teksten en onthoude my van tael- en letterkundige aenmerkingen, waertoe elk stuk aenleiding kan geven. Later, wanneer ik meer dergelyke gedichten zal opgenomen hebben, kan ik op alle te samen beter terug komen. Myne hoofdzaek tot hiertoe is: ongeraedpleegde, en in handschrift begraven geblevene rijkdommen der middennederlandsche literatuer voor eenieder toegangbaer te maken.
Een paer der hier gedrukte stukken (Nr III en XV) wekten reeds vroeger de aendacht van Willems(1) op, omdat ze twee tot dan toe onbekende dichters deden kennen, namelyk Colpaert en Jan Dingelsche.
Colpaert was hoogstwaerschijnlyk een Vlaming van geboorte. Die geslachtsnaem, welke in andere gewesten van ons vaderland zoo niet voorkomt, was, van de vroegste tyden tot heden toe, algemeen in Vlaenderen verspreid. Reeds treft men te Everghem, by Gent, in 1360, eenen Arent Colpaert aen(2) en, tydens Jan Hyoens, eenen Simon Colpaert onder de aenvoerders der gentsche Witte Kaproenen. Race Colpaert is aldaer schepen in 1432 en volgende jaren(3). Te Brugge ontmoet men, in 1385, eenen Jan Colpaert, als zorger van de gilde van S. Joris(4). En, in 1806 zien wy nog eenen Colpaert van Lichtervelde, in West-Vlaenderen,
naer den prijskamp, door de Rhetorykers van Wacken uitgeloofd, mededingen.
Willems, die de eerste en laetste regels van Colpaerts gedicht opgaf, wees het bestaen van een fransch fabliau le Chevalier au Barizel aen(1), maer voegde er te recht by dat het onze er niet naer vertaeld is. Ik heb de twee teksten vergeleken en het is stellig dat beide dichters eene vroeger bestaende sage, elk volgends zyne manier van zien en denken, berijmden. Colpaert zegt: van enen ridder in latijn ic scouwe, dus dat hy eene latijnsche bron te rade ging; waeruit de fransche schryver zijn verhael putte blijkt nergens uit. Het nederlandsch stuk, zoo wel als het fransche, behoort tot de zoo genaemde Contes dévots en het onderwerp dat behandeld wordt is vry onbeduidend. De wyze van voordracht der twee schryvers is geheel verschillend. Alhoewel uitvoeriger dan de vlaemsche tekst, laet de fransche zich ook zeer goed lezen.
Colpaert schijnt my een vroom man, die het gekozene onderwerp met oprechte godvruchtigheid bearbeidde; zijn oogwit is de zedeleerende strekking van zijn verhael tot het hart zyner lezers te doen doordringen. De fransche dichter nam het wat min ernstig op; by hem was de hoofdzaek de vertelling op eene bevallige wyze voor te dragen en met treffende beschryvingen te versieren. Hy schept er behagen in om de handelwyze der persoonagien af te schilderen en ze tegen over elkander te stellen. Colpaert is langdradig in de godvruchtige redeneringen die hy in den mond van den heremiet legt. Hy stapt lichter over alles heen wat tot zijn stichtend besluit niet rechtstreeks leidt.
Willems, die insgelijks de eerste en laetste versen van het gedicht vander taverne door Jan Dingelsche mededeelde en die
beloofde het later geheel op te nemen, giste dat Jan Dingelsche zoo veel beteekent als Jan d'Engelschman.
Nr V. Ene exempel vanden raven, is een onderwerp dat meer dan eens werd behandeld. Marie de France(1) heeft dergelyke fabel gedicht, welke men by Legrand d'Aussy zeer vry in proza overgebracht vindt(2). De onze is niet naer de fransche dichteresse vertaeld. Ook in de Contes van Desperriers leest men zoo iets; maer aldaer is het geene raef, doch wel eene ekster.
Nr VII. Vanden esel, is eene bevallige fabel, welke in den Esopet door Clignett uitgegeven, niet voorkomt. In de fransche literatuer van dien tijd kennen wy ze niet, ten minste in de verzameling van Robert(3) treft men ze niet aen, want het bekende de ezel in een leeuwenvel heeft met ons stukjen weinig gemeens. En onder die fransche fabels, door Robert in het licht gebracht, is er niet ééne in gekruiste versmaet. Ook by Marie de France(4) heb ik ze niet gevonden. Ze schijnt dus oorspronkelyk aen onze letterkunde toe te behooren.
Nr XX. Van mauwene is een soort van lied op een reeds vroeger bestaende spreekwoord.
In hetzelfde handschrift(5) leest men tusschen talryke andere spreuken:
De dichter van ons stukjen, wanneer hy vers (24-25), zingt:
schijnt zich te beroepen op van wel connen te helene, een klein gedichtjen van den zelfden aerd als van mauwene en dat reeds in het Belgisch Museum(1) uit den zelfden Codex gedrukt werd. Waerschijnlyk heeft men beide aen éénen dichter te danken.
In het Hs. onder Nr CXXXIV, bl. 114, vo, col. b.
In het Hs. onder Nr XCIIII, bl. 77. vo.
In het Hs. onder Nr LXVII, bl. 61, vo col. b.