De latijnsche overzetting van den Wapene-Martijn is tot hiertoe slechts in één handschrift terug gevonden, namelyk in eenen Codex, die op de Stads-bibliotheek te Bergen-in-Henegouw berust. Het was de geleerde, te vroeg afgestorvene baron De Reiffenberg, die, in den Bulletin der zitting van 4 february 1837, van onze Commission royale d'histoire(1), eene lijst mededeelende der handschriften welke te Bergen voor handen zijn, er een beschrijft waerin dit stuk te vinden is, en ons dus het bestaen van den latijnschen Wapene-Martijn leerde kennen. Volgends die opgave kon Dr Snellaert dezen in zyne bekroonde Verhandeling(2) (1838) aenhalen.
De benuttiging van dit handschrift werd my door de tusschenkomst der heeren Chalon, van Brussel, en Wins, van Bergen, vergemakkelykt. Ik betuig hun daervoor mynen welgemeenden dank.
De Codex is in-folio, op papier, telt 250 bladen, en is geheel, behalve hier en daer een enkel woord of een paer versen, door de zelfde hand geschreven.
Hy bevat de zeven eerste boeken van den bekenden, hene-
gouwschen chronijkschryver Jacques de Guise, die van bl. 1 tot bl. 185 recto loopen, en dus ruim drie kwart van het boek beslaen. Dat eerste gedeelte eindigt met dit belangrijk slot: Explicit prima pars historie illustrium principum Hanonie, edita a fratre Jacobo de Guisia, ordinis fratrum minorum, conventus Valenchenensis, scripta et completa per manus Johannis de Loe, sancti Jacobi de Gandavo clerici, Tornacensis diocesis, magistri in artibus, die veneris que fuit xxviiio mensis aprilis anno Domini millesimo quadringentesimo(1) LIII. Deo gracias.
Dan volgen verder, van bl. 185 recto tot bl. 237 verso, onderscheidene stukken in proza, welke in den Bulletin worden opgenoemd, doch waervan de meeste reeds gedrukt zijn, en die in allen gevalle niets met onze letterkunde gemeens hebben(2).
Eindelyk begint op bl. 238 recto de Dyalogus Jacobi de Merland, flandrensis, ad Martinum, trajectensem, socium suum, translatus de flamingo in latinum, die zich van daer tot aen bl. 250 recto, dat is tot aen het einde des handschrifts, uitstrekt. Dit gedeelte is op twee kolommen geschreven. Elke strofe heeft eene met rood doorhaelde voorletter, en onder de twee laetste regels van elke strofe zijn er roode streepjens, ongetwyfeld om hierop vooral de aendacht te trekken, vermits deze meestal het zakelykste van de voorgaende regels of iets doorslaende, bevatten.
Uit het boven aengehaelde blijkt het dat de Codex van Gent herkomstig is, en aldaer, ten jare 1453, door Jan van der Loe, geestelyke van St. Jacobskerk en meester in de vrye kunsten, geschreven werd.(3)
Het schrift van Jan Vander Loe is zeer regelmatig en heeft weinige doorhalingen of uitschrabbingen, maer met de talryke verkortingsteekenen destijds gebruikelyk, en daer het geheel met eene zeer doorloopende en vlugge hand schijnt afgewerkt te zijn, levert de lezing hier en daer meer moeijelykheden op, dan men by eene eerste inzage van den codex wel zou vermoeden. Er bestaet in der daed doorgaends byna geen onderscheid tusschen de n en de u, er zijn meestal geene stipjens op de i, enz. Daeruit volgt dat men slechts uit den zin kan opmaken of men hinc of huic, cerno of cervo, vivo of unio, enz. te lezen hebbe.
Het handschrift werd, voor dezen druk, getrouwelyk, ja slafelyk gevolgd. Alwie met het middeneeuwsch latijn eenigzins bekend is, zal zich door de schrijfwyzen: cepere, percucientis, justicia, michi, heresis, es, ruine, divine, ny, en dergelyke, voor coepere, percutientis, justitia, mihi, haeresis, aes, ruinae, divinae, ni, by het lezen niet hinderen. Aen anderen laten wy de zorg over eene kritische uitgave van dit stuk te bewerken. Want stellig heeft Jan Vander Loe niet altijd ons den tekst, zoo als hy uit de pen van den dichter gevloeid was, teruggegeven. In der daed, soms zijn er geheele versen weggelaten, en soms vindt men er te veel. Boek I, str. 52, heeft slechts 12 versen, zoo ook B. II, str. 18. - B. II, str. 24, heeft er 13. - B. I, str. 52, B. II, str. 12 en 19, B. III, str. 1, 8, 21, 23, 24 en 32, bestaen slechts uit 14 regels. - In B. III, str. 15, telt men er 16. - B. I, str. 58 en III, str. 28, hebben 17 versen. - Eindelyk in B. I, str. 57, en B. III, str. 4, leest men er tot 19 toe. Blijkbaer heeft dus de oorspronkelyke tekst meer dan eene verminking en interpollatie ondergaen.
De moeijelijkheid van het schrift en de slordigheid van den tekst leverden my meer dan eene zwarigheid op, die ik door de vergelyking met den oorspronkelyken Wapene-Martijn niet altijd uit den weg kon ruimen, alzoo de vertaler dikwijls zeer vry te werk gaet en zich soms geheel van het origineel verwydert. In hoe verre ik hierin geslaegd ben, zullen de lezers oordeelen, want ik vlei my niet alle onzekerheid te hebben doen verdwynen.
De uitgave dezer latijnsche overzetting van een der schoonste letterprodukten van onzen Jacob Van Maerlant, zal voor de geschiedenis onzer middeneeuwsche letterkunde niet onbelangrijk wezen. Wanneer men immers nagaet, dat nog in onze dagen, de hoogleeraer Clarisse(1) twyfelde of men de Wapene-Martijn, waerin de dichter zulke hooge vlucht neemt, wel aen denzelfden man kan toeschryven die de vertaling van den langdradigen en weinig dichterlyken Spiegel historiael en Rijmbybel geleverd had; ja dat de heer Halbertsma(2) zulks zelfs volstrekt loochende, dan toch, indien er na al de andere door professor Jonckbloet(3) bygebrachte bewyzen, nog geene genoegzame zekerheid bestond, zal de bekendmaking van dit stuk niet weinig bydragen om het pleit voor altijd te doen beslissen.
De dichter, die Maerlants werk in het latijn overbracht, hiet Jan Bukelare en was priester. Dat leeren wy uit Boek III, v. 59, waer hy zingt:
alsook uit het slot dat luidt: Explicit Martinus, latine translatus a Johanne Bukelare, presbytero.
Jan Bukelare was hoogstwaerschijnlyk een Vlaming. De uitgang van zynen naem op lare(4), doet dit reeds vermoeden. Verder was hy met de aengelegenheden van Vlaenderen zeer wel bekend. Wanneer men immers in het oorspronkelyk leest:
dun vertaelt hy:
om dat hy zeer wel wist dat de stad Sluis op het Zwijn, eenen inham van den Hont of Wester-Schelde, gelegen is.
Wanneer leefde Bukelare? Baer omtrent kan ik niets met zekerheid bepalen. Het handschrift dagteekent slechts van 1453; maer dat de vertaling meer dan eene eeuw ouder is, schijnt my stellig. Misschien werd ze korten tijd na de dood van Maerlant berijmd. Dat ze echter niet tydens zynen leeftijd verscheen, blijkt uit de volgende regelen, welke Bukelare aen Marten in den mond legt(1):
waervoor men in het oorspronkelyk leest:
Mag men de versen van den latijnschen dichter, die zoo als men ziet, met Maerlants dood zeer wel bekend was, naer de letter nemen, wanneer hy Marten, die waerschijnlyk ook wel wezenlyk zal bestaen hebben, in den tegenwoordigen tijd doet zeggen moror, dan zou men daeruit mogen opmaken dat deze goede compaen van Jacob, nog in leven was, toen Bukelare schreef. Ik geef dit bloot als eene gissing.
De drie regels van Bukelare, die wy hier aenhalen, zijn de oudste getuigenis, waerby men weet dat Van Maerlant, te Damme, onder den toren (onder het klokkenhuis), begraven werd. Was het slechts toeval dat zijn lijk aen den ingang der kerk ter aerde besteld werd? Waerom heeft men voor zulk eenen man juist deze plaets, en niet eene deftigere, zoo als op het koor of in eenen der
beuken, gekozen? Had men destijds aen den schryver, die zich in zynen langdurigen levensloop, door meer dan een zyner werken, den haet van eenige zyner tijdgenooten en vooral der geestelyken op het lijf had gehaeld, nog niet volkomen vergeven? Indien het vierde boek van den Wapene-Martijn, dat in 1299, dus slechts één jaer vóór 's mans dood, verscheen, en waerin zoo hevig als in het eerste boek, tegen de bestaende misbruiken uitgevaren wordt, wezenlyk uit zyne pen gevloeid is, dan zou ik eenigszins geneigd zijn te denken dat de misachting van sommigen hem tot aen het graf vergezelde. Slechts eenigen tijd later, denk ik, werd zyne nagedachtenis, door rechtschapene mannen, zoo als eenen Bukelare, gewroken, en eerst na eene halve eeuw zyne rustplaets met het bekende grafschrift versierd(1). Niettegenstaende dat alles werd zelfs nog, in de volgende eeuwen, de plaets waer Maerlants asch rust, niet altijd geëerbiedigd; men herinnere zich slechts hetgene door den brugschen rechtsgeleerde Van Belle en door den pastoor van Bovekerke, Van Male, verhaeld wordt, dat men den zark had moeten omkeeren, uit hoofde van den grooten toeloop des volks, dat beweerde dat Uilenspiegel daer onder begraven lag.
Bukelare vertaelde drie boeken van den Wapene-Martijn. Het derde(2) moet wel degelyk dien naem blyven behouden, al is het dat Dr Jonckbloet er afzonderlyk over handelt, als van een gedicht vander Drievoudicheden, zoo als het ook gekend is.
Men weet dat het eerste boek bestaet uit 75 dertienregelige strofen, waerin telkens slechts twee rijmklanken voorkomen. Het tweede boek telt 26 strofen, die in dezelfde versmaet als het eerste geschreven zijn. Het derde, vander Drievoudicheden, bevat 39 koepletten van gelijksoortigen vorm als die der twee vorige stukken, doch met dat onderscheid dat hier omgekeerd de lange regels op slepende, de korte op staende rymen uitgaen. Om dit klein verschil kon Jonckbloet het kwalyk beschouwen als met de twee
andere samenhangende. Moest men dit aennemen, dan zou dat insgelyks gelden omtrent het vierde boek, dat 49 strofen heeft, van 19 versen elk. Deze hebben ook niet meer dan twee rijmklanken. Die reden is voor my niet afdoende. Ik moet verder den heer Jonckbloet tegenspreken, wanneer hy zegt(1): ‘In alle handschriften volgt op deze drie samenspraken een ander strofisch gedicht, dat ten titel voert: Ene disputacie van onzer Vrouwen ende vanden heilighen Cruce.’ In de twee handschriften immers, waervan het eene aen Clignett(2) en het andere, dat vry oud is, aen Heber toebehoorde, en die thands deelmaken van myne bibliotheek, wordt die Disputacie niet gevonden. Ook heeft Bukelare dit stuk niet vertaeld. Men kan dus uit de handschriften geen gevolg trekken om het aen Van Maerlant toe te schryven. In allen gevalle heeft het met de Martijns slechts dit gemeen, dat het, zoo als de drie eerste, in dertienregelige strofen, met slechts twee rijmklanken voor elk, en ook als deze in samenspraken geschreven is, doch dit mael niet tusschen Jacob en Marten, maer wel tusschen de heilige Maegd en het kruis van Christus.
Vast gaet het dat de vier boeken die den naem van Wapene-Martijn dragen, niet ter zelfder tijd in het licht verschenen. Jonckbloet vermoedt dat het eerste omtrent het jaer 1247 uitkwam, en dat er tusschen dit en het tweede een vry aenzienlyk tijdsbestek ligt, al is het dat ook dit tweede nog tot den jeugdigen leeftijd van den dichter zou behooren. Het derde zou, volgends dien geleerde, even na 1270, aen den dag zijn gekomen. In het vierde luidt de aenvang van de laetste strofe:
Dus dat het van 1299 dagteekent.
Verder bestaet elk boek op zich zelve. De inhoud en strekking zijn verschillend. Het een moet dus niet als een noodzakelyk vervolg op het andere beschouwd worden. De opgang, dien de eerste Martijn maekte, was ongetwyfeld de beweegreden die Van Maerlant noopte, om later dien zelfden naem te geven aen dichtstukken waerin over eenigzins andere zaken gehandeld wordt.
Niet alleen by zyne tijdgenooten hadden de Martijns eene hooge beroemdheid bekomen. De vertaling door Bukelare is een nieuw bewijs hoe hoog men het, zelfs na Maerlants dood, met die stukken op had. En Bukelare zegt ons, in zijn voorwoord, dat reeds anderen, vóór hem, hunne krachten beproefd hadden om de Wapene-Martijn in leonijnsche versen over te brengen; maer dat zy het hadden laten steken:
Bekend werd het onlangs dat de yperling Jan De Weert, die omtrent het jaer 1345 leefde, eene Disputacie van Rogier ende van Janne schreef, geheel in den trant van Maerlant's Wapene-Martijn, aen hetwelk hy zelfs den aenhef van zijn gedicht ontleende(1):
Ook onder de gedichten, die men aen den bruggeling Jan Van Hulst toeschrijft, wordt er een gevonden waerin men den versbouw zoo wel van de twee eerste als van het derde boek des Wapen-Martijns terug vindt(2). Het is namelyk in strofen van
dertien versen, die slechts door twee rijmklanken zijn verbonden.
By de bekendmaking van het vierde boek, dat weldra zal volgen, zal ik nogmaels terug komen op den Wapen-Martijn. Intusschen druk ik den wensch uit dat de eene of andere geleerde al de boeken vereenigd, en met de vergelyking der talryke handschriften voorzien, op eene kritische wyze uitgeve. By die gelegenheid ware het ook de moeite waerd dat men, zoo veel mogelyk, de bronnen aenwees, die door den dichter geraedpleegd werden. Wy zullen hier slechts, in het voorbygaen, aenstippen dat Maerlant, onzes dunkens, voor het bewerken van zyn derde boek van der Drievoudicheden, veel denkbeelden of stellingen aen het Monologion en het Proslogion van den heiligen Anselmus van Canterbury(1) ontleende(2).
Over de waerde van de latijnsche vertaling zal ik hier niet uitweiden. De lezer oordeele zelf. Bukelare had eene zware taek op zich getrokken: het overbrengen van kernvolle dichtstukken, waerin meestal over de afgetrokkenste zaken gehandeld wordt. En niettegenstaende de moeijelykheden waertegen hy reeds, uit dien hoofde te worstelen had, aerzelde hy niet deze nog eenigszins te vermeerderen door het verkiezen van eene berijmde versmaet. Geen wonder dus dat hy zich niet altijd on de hoogste van het origineel heeft kunnen behouden: talryke strofen echter zijn zeer gelukkig uitgevallen en kunnen tegen die van Maerlant worden opgewogen. Bukelare in allen gevalle was het latijn meester en meer dan eene plaets verraedt dat hy met het grieksch bekend was, terwyl men uit eenige woorden of wendingen zou kunnen opmaken dat hy insgelyks de fransche tael bezat.