terug  begin  verder
[p. 116]

Latijnsche vertaling van Jacob van Maerlants Wapene-Martijn, door Jan Bukelare.

De latijnsche overzetting van den Wapene-Martijn is tot hiertoe slechts in één handschrift terug gevonden, namelyk in eenen Codex, die op de Stads-bibliotheek te Bergen-in-Henegouw berust. Het was de geleerde, te vroeg afgestorvene baron De Reiffenberg, die, in den Bulletin der zitting van 4 february 1837, van onze Commission royale d'histoire(1), eene lijst mededeelende der handschriften welke te Bergen voor handen zijn, er een beschrijft waerin dit stuk te vinden is, en ons dus het bestaen van den latijnschen Wapene-Martijn leerde kennen. Volgends die opgave kon Dr Snellaert dezen in zyne bekroonde Verhandeling(2) (1838) aenhalen.

De benuttiging van dit handschrift werd my door de tusschenkomst der heeren Chalon, van Brussel, en Wins, van Bergen, vergemakkelykt. Ik betuig hun daervoor mynen welgemeenden dank.

De Codex is in-folio, op papier, telt 250 bladen, en is geheel, behalve hier en daer een enkel woord of een paer versen, door de zelfde hand geschreven.

Hy bevat de zeven eerste boeken van den bekenden, hene-

[p. 117]

gouwschen chronijkschryver Jacques de Guise, die van bl. 1 tot bl. 185 recto loopen, en dus ruim drie kwart van het boek beslaen. Dat eerste gedeelte eindigt met dit belangrijk slot: Explicit prima pars historie illustrium principum Hanonie, edita a fratre Jacobo de Guisia, ordinis fratrum minorum, conventus Valenchenensis, scripta et completa per manus Johannis de Loe, sancti Jacobi de Gandavo clerici, Tornacensis diocesis, magistri in artibus, die veneris que fuit xxviiio mensis aprilis anno Domini millesimo quadringentesimo(1) LIII. Deo gracias.

Dan volgen verder, van bl. 185 recto tot bl. 237 verso, onderscheidene stukken in proza, welke in den Bulletin worden opgenoemd, doch waervan de meeste reeds gedrukt zijn, en die in allen gevalle niets met onze letterkunde gemeens hebben(2).

Eindelyk begint op bl. 238 recto de Dyalogus Jacobi de Merland, flandrensis, ad Martinum, trajectensem, socium suum, translatus de flamingo in latinum, die zich van daer tot aen bl. 250 recto, dat is tot aen het einde des handschrifts, uitstrekt. Dit gedeelte is op twee kolommen geschreven. Elke strofe heeft eene met rood doorhaelde voorletter, en onder de twee laetste regels van elke strofe zijn er roode streepjens, ongetwyfeld om hierop vooral de aendacht te trekken, vermits deze meestal het zakelykste van de voorgaende regels of iets doorslaende, bevatten.

Uit het boven aengehaelde blijkt het dat de Codex van Gent herkomstig is, en aldaer, ten jare 1453, door Jan van der Loe, geestelyke van St. Jacobskerk en meester in de vrye kunsten, geschreven werd.(3)

[p. 118]

Het schrift van Jan Vander Loe is zeer regelmatig en heeft weinige doorhalingen of uitschrabbingen, maer met de talryke verkortingsteekenen destijds gebruikelyk, en daer het geheel met eene zeer doorloopende en vlugge hand schijnt afgewerkt te zijn, levert de lezing hier en daer meer moeijelykheden op, dan men by eene eerste inzage van den codex wel zou vermoeden. Er bestaet in der daed doorgaends byna geen onderscheid tusschen de n en de u, er zijn meestal geene stipjens op de i, enz. Daeruit volgt dat men slechts uit den zin kan opmaken of men hinc of huic, cerno of cervo, vivo of unio, enz. te lezen hebbe.

Het handschrift werd, voor dezen druk, getrouwelyk, ja slafelyk gevolgd. Alwie met het middeneeuwsch latijn eenigzins bekend is, zal zich door de schrijfwyzen: cepere, percucientis, justicia, michi, heresis, es, ruine, divine, ny, en dergelyke, voor coepere, percutientis, justitia, mihi, haeresis, aes, ruinae, divinae, ni, by het lezen niet hinderen. Aen anderen laten wy de zorg over eene kritische uitgave van dit stuk te bewerken. Want stellig heeft Jan Vander Loe niet altijd ons den tekst, zoo als hy uit de pen van den dichter gevloeid was, teruggegeven. In der daed, soms zijn er geheele versen weggelaten, en soms vindt men er te veel. Boek I, str. 52, heeft slechts 12 versen, zoo ook B. II, str. 18. - B. II, str. 24, heeft er 13. - B. I, str. 52, B. II, str. 12 en 19, B. III, str. 1, 8, 21, 23, 24 en 32, bestaen slechts uit 14 regels. - In B. III, str. 15, telt men er 16. - B. I, str. 58 en III, str. 28, hebben 17 versen. - Eindelyk in B. I, str. 57, en B. III, str. 4, leest men er tot 19 toe. Blijkbaer heeft dus de oorspronkelyke tekst meer dan eene verminking en interpollatie ondergaen.

De moeijelijkheid van het schrift en de slordigheid van den tekst leverden my meer dan eene zwarigheid op, die ik door de vergelyking met den oorspronkelyken Wapene-Martijn niet altijd uit den weg kon ruimen, alzoo de vertaler dikwijls zeer vry te werk gaet en zich soms geheel van het origineel verwydert. In hoe verre ik hierin geslaegd ben, zullen de lezers oordeelen, want ik vlei my niet alle onzekerheid te hebben doen verdwynen.

[p. 119]

De uitgave dezer latijnsche overzetting van een der schoonste letterprodukten van onzen Jacob Van Maerlant, zal voor de geschiedenis onzer middeneeuwsche letterkunde niet onbelangrijk wezen. Wanneer men immers nagaet, dat nog in onze dagen, de hoogleeraer Clarisse(1) twyfelde of men de Wapene-Martijn, waerin de dichter zulke hooge vlucht neemt, wel aen denzelfden man kan toeschryven die de vertaling van den langdradigen en weinig dichterlyken Spiegel historiael en Rijmbybel geleverd had; ja dat de heer Halbertsma(2) zulks zelfs volstrekt loochende, dan toch, indien er na al de andere door professor Jonckbloet(3) bygebrachte bewyzen, nog geene genoegzame zekerheid bestond, zal de bekendmaking van dit stuk niet weinig bydragen om het pleit voor altijd te doen beslissen.

De dichter, die Maerlants werk in het latijn overbracht, hiet Jan Bukelare en was priester. Dat leeren wy uit Boek III, v. 59, waer hy zingt:

 
vel ubi fallit Bukelare,

alsook uit het slot dat luidt: Explicit Martinus, latine translatus a Johanne Bukelare, presbytero.

Jan Bukelare was hoogstwaerschijnlyk een Vlaming. De uitgang van zynen naem op lare(4), doet dit reeds vermoeden. Verder was hy met de aengelegenheden van Vlaenderen zeer wel bekend. Wanneer men immers in het oorspronkelyk leest:

 
Waert al dijn dat comt int Swin,
 
gout, selver, stael, loet, yser, tin,

dun vertaelt hy:

 
Licet tui fore(t) densus
 
Sluse thesaurus immensus.
[p. 120]

om dat hy zeer wel wist dat de stad Sluis op het Zwijn, eenen inham van den Hont of Wester-Schelde, gelegen is.

Wanneer leefde Bukelare? Baer omtrent kan ik niets met zekerheid bepalen. Het handschrift dagteekent slechts van 1453; maer dat de vertaling meer dan eene eeuw ouder is, schijnt my stellig. Misschien werd ze korten tijd na de dood van Maerlant berijmd. Dat ze echter niet tydens zynen leeftijd verscheen, blijkt uit de volgende regelen, welke Bukelare aen Marten in den mond legt(1):

 
In Dam fossa tui lecti
 
sub campanis, et Trajecti
 
moror, sic separamur.

waervoor men in het oorspronkelyk leest:

 
Jacob, du woens in den Dam,
 
ende ic tUtrecht; dies ben ic gram(2).

Mag men de versen van den latijnschen dichter, die zoo als men ziet, met Maerlants dood zeer wel bekend was, naer de letter nemen, wanneer hy Marten, die waerschijnlyk ook wel wezenlyk zal bestaen hebben, in den tegenwoordigen tijd doet zeggen moror, dan zou men daeruit mogen opmaken dat deze goede compaen van Jacob, nog in leven was, toen Bukelare schreef. Ik geef dit bloot als eene gissing.

De drie regels van Bukelare, die wy hier aenhalen, zijn de oudste getuigenis, waerby men weet dat Van Maerlant, te Damme, onder den toren (onder het klokkenhuis), begraven werd. Was het slechts toeval dat zijn lijk aen den ingang der kerk ter aerde besteld werd? Waerom heeft men voor zulk eenen man juist deze plaets, en niet eene deftigere, zoo als op het koor of in eenen der

[p. 121]

beuken, gekozen? Had men destijds aen den schryver, die zich in zynen langdurigen levensloop, door meer dan een zyner werken, den haet van eenige zyner tijdgenooten en vooral der geestelyken op het lijf had gehaeld, nog niet volkomen vergeven? Indien het vierde boek van den Wapene-Martijn, dat in 1299, dus slechts één jaer vóór 's mans dood, verscheen, en waerin zoo hevig als in het eerste boek, tegen de bestaende misbruiken uitgevaren wordt, wezenlyk uit zyne pen gevloeid is, dan zou ik eenigszins geneigd zijn te denken dat de misachting van sommigen hem tot aen het graf vergezelde. Slechts eenigen tijd later, denk ik, werd zyne nagedachtenis, door rechtschapene mannen, zoo als eenen Bukelare, gewroken, en eerst na eene halve eeuw zyne rustplaets met het bekende grafschrift versierd(1). Niettegenstaende dat alles werd zelfs nog, in de volgende eeuwen, de plaets waer Maerlants asch rust, niet altijd geëerbiedigd; men herinnere zich slechts hetgene door den brugschen rechtsgeleerde Van Belle en door den pastoor van Bovekerke, Van Male, verhaeld wordt, dat men den zark had moeten omkeeren, uit hoofde van den grooten toeloop des volks, dat beweerde dat Uilenspiegel daer onder begraven lag.

Bukelare vertaelde drie boeken van den Wapene-Martijn. Het derde(2) moet wel degelyk dien naem blyven behouden, al is het dat Dr Jonckbloet er afzonderlyk over handelt, als van een gedicht vander Drievoudicheden, zoo als het ook gekend is.

Men weet dat het eerste boek bestaet uit 75 dertienregelige strofen, waerin telkens slechts twee rijmklanken voorkomen. Het tweede boek telt 26 strofen, die in dezelfde versmaet als het eerste geschreven zijn. Het derde, vander Drievoudicheden, bevat 39 koepletten van gelijksoortigen vorm als die der twee vorige stukken, doch met dat onderscheid dat hier omgekeerd de lange regels op slepende, de korte op staende rymen uitgaen. Om dit klein verschil kon Jonckbloet het kwalyk beschouwen als met de twee

[p. 122]

andere samenhangende. Moest men dit aennemen, dan zou dat insgelyks gelden omtrent het vierde boek, dat 49 strofen heeft, van 19 versen elk. Deze hebben ook niet meer dan twee rijmklanken. Die reden is voor my niet afdoende. Ik moet verder den heer Jonckbloet tegenspreken, wanneer hy zegt(1): ‘In alle handschriften volgt op deze drie samenspraken een ander strofisch gedicht, dat ten titel voert: Ene disputacie van onzer Vrouwen ende vanden heilighen Cruce.’ In de twee handschriften immers, waervan het eene aen Clignett(2) en het andere, dat vry oud is, aen Heber toebehoorde, en die thands deelmaken van myne bibliotheek, wordt die Disputacie niet gevonden. Ook heeft Bukelare dit stuk niet vertaeld. Men kan dus uit de handschriften geen gevolg trekken om het aen Van Maerlant toe te schryven. In allen gevalle heeft het met de Martijns slechts dit gemeen, dat het, zoo als de drie eerste, in dertienregelige strofen, met slechts twee rijmklanken voor elk, en ook als deze in samenspraken geschreven is, doch dit mael niet tusschen Jacob en Marten, maer wel tusschen de heilige Maegd en het kruis van Christus.

Vast gaet het dat de vier boeken die den naem van Wapene-Martijn dragen, niet ter zelfder tijd in het licht verschenen. Jonckbloet vermoedt dat het eerste omtrent het jaer 1247 uitkwam, en dat er tusschen dit en het tweede een vry aenzienlyk tijdsbestek ligt, al is het dat ook dit tweede nog tot den jeugdigen leeftijd van den dichter zou behooren. Het derde zou, volgends dien geleerde, even na 1270, aen den dag zijn gekomen. In het vierde luidt de aenvang van de laetste strofe:

 
In diaer ons heren, dats waer,
 
een min dan dertien hondert iaer,
 
wert dese rime vonden(3)

Dus dat het van 1299 dagteekent.

[p. 123]

Verder bestaet elk boek op zich zelve. De inhoud en strekking zijn verschillend. Het een moet dus niet als een noodzakelyk vervolg op het andere beschouwd worden. De opgang, dien de eerste Martijn maekte, was ongetwyfeld de beweegreden die Van Maerlant noopte, om later dien zelfden naem te geven aen dichtstukken waerin over eenigzins andere zaken gehandeld wordt.

Niet alleen by zyne tijdgenooten hadden de Martijns eene hooge beroemdheid bekomen. De vertaling door Bukelare is een nieuw bewijs hoe hoog men het, zelfs na Maerlants dood, met die stukken op had. En Bukelare zegt ons, in zijn voorwoord, dat reeds anderen, vóór hem, hunne krachten beproefd hadden om de Wapene-Martijn in leonijnsche versen over te brengen; maer dat zy het hadden laten steken:

 
Prosam metrum leoninum
 
quidam coepere,
 
sed opus non composuere.

Bekend werd het onlangs dat de yperling Jan De Weert, die omtrent het jaer 1345 leefde, eene Disputacie van Rogier ende van Janne schreef, geheel in den trant van Maerlant's Wapene-Martijn, aen hetwelk hy zelfs den aenhef van zijn gedicht ontleende(1):

 
Wapene Rogier, hoe saelt gaen?
 
sal tfolc van sonden niet afstaen,
 
hoe saelt danne gheduren?

Ook onder de gedichten, die men aen den bruggeling Jan Van Hulst toeschrijft, wordt er een gevonden waerin men den versbouw zoo wel van de twee eerste als van het derde boek des Wapen-Martijns terug vindt(2). Het is namelyk in strofen van

[p. 124]

dertien versen, die slechts door twee rijmklanken zijn verbonden.

By de bekendmaking van het vierde boek, dat weldra zal volgen, zal ik nogmaels terug komen op den Wapen-Martijn. Intusschen druk ik den wensch uit dat de eene of andere geleerde al de boeken vereenigd, en met de vergelyking der talryke handschriften voorzien, op eene kritische wyze uitgeve. By die gelegenheid ware het ook de moeite waerd dat men, zoo veel mogelyk, de bronnen aenwees, die door den dichter geraedpleegd werden. Wy zullen hier slechts, in het voorbygaen, aenstippen dat Maerlant, onzes dunkens, voor het bewerken van zyn derde boek van der Drievoudicheden, veel denkbeelden of stellingen aen het Monologion en het Proslogion van den heiligen Anselmus van Canterbury(1) ontleende(2).

Over de waerde van de latijnsche vertaling zal ik hier niet uitweiden. De lezer oordeele zelf. Bukelare had eene zware taek op zich getrokken: het overbrengen van kernvolle dichtstukken, waerin meestal over de afgetrokkenste zaken gehandeld wordt. En niettegenstaende de moeijelykheden waertegen hy reeds, uit dien hoofde te worstelen had, aerzelde hy niet deze nog eenigszins te vermeerderen door het verkiezen van eene berijmde versmaet. Geen wonder dus dat hy zich niet altijd on de hoogste van het origineel heeft kunnen behouden: talryke strofen echter zijn zeer gelukkig uitgevallen en kunnen tegen die van Maerlant worden opgewogen. Bukelare in allen gevalle was het latijn meester en meer dan eene plaets verraedt dat hy met het grieksch bekend was, terwyl men uit eenige woorden of wendingen zou kunnen opmaken dat hy insgelyks de fransche tael bezat.

[p. 125]

Eerste boek.

Incipit dyalogus Jacobi de Merland, flandrensis, ad Martinum, trajectensem, socium suum, translatus de flamingo in latinum.

 
I.
 
Scribere Martinum
 
plerisque foret peregrinum;
 
en breve latinum!
 
Prosam metrum leoninum
5.
quidam cepere,
 
sed opus non composuere;
 
det michi complere
 
Deus, et quod glisco tenere.V. 8
 
Verum ditamenV. 9
10.
dictare Deus juvet! Amen.
 
 
 
II.
 
Prohemium breve.
 
Me delectat scribere
 
Martinum metro prosa,
 
cum Merlando libere
 
prolixitas exosa;
15.
flagret hec rethorica,
 
spirans ut rubens rosa,
 
comite gramatica,
 
venustate formosa.
[p. 126]
 
III.
 
Aaliud prohemium.
 
Stupor mundi, Merlandine,
20.
qualis quantusque! Ruine
 
crebrescunt per secula;
 
nefas necat, fas supine;
 
non est legis hoc divine!
 
tenebrescunt specula,
25.
jacent rose, surgunt spine,
 
cadit granum pressum sine
 
fruge; mundi gloria
 
frugi non est, repentine
 
transit, fallit falso fine;
30.
juris flet memoria,
 
dolus in historia,
 
dormit justicia,
 
pereunt lex atque sophia.
 
Regnant ista tria:
35.
demon, fraus et symonia!
 
 
 
IV.
 
Item, aliud.
 
Heu! Martine, vox dolentis,
 
vox clamantis, vox dicentis:
 
mundi crebret pravitas,
 
honor fugit sane mentis,
40.
fastus intrat jam fallentis,
 
exulat jam probitas
 
mersa; falsitatem gentis,
 
non amantis sed amentis,
 
cerno; languet caritas;
45.
justus fert percucientis
 
ictus, probra deludentis;
 
cecidit humilitas,
 
erigitur, heu! vilitas.
 
Te peto, nobilitas,
50.
dic, ubi nunc habitas?
[p. 127]
 
V.
 
Idem, aliud.
 
Heu dolentis! heu doloris!
 
Qualis mundus, talis horis
 
hiis plenus pravitate!
 
Decus fugit aulis, choris;
55.
vacat lex exporis foris,V. 55
 
sopita probitate;
 
intrat vox adulatoris
 
fraudans felle mellis oris,
 
mellita qualitate;
60.
jura silent intus, foris,
 
utrobique vincta loris,
 
magna calamitate,
 
cum taciturnitate!
 
Si vivo grate,
65.
derisus sum miser a te.
 
 
 
VI.
 
Item, aliud.
 
Munde, fer inmunde,
 
cur tam nequam, furibunde,
 
stas, bonique sit raritas?V. 68.
 
heu! michi responde:
70.
quo? qua? vel ubi venit? unde
 
tanta tis cordis cecitas?V. 71
 
subdole, variabunde,
 
plumas tollens, es reconde,
 
fraus, fraudem dolis agitas
75.
prope; procul et profunde
 
honor; virtus aliunde
 
fugit; intrat dolositas;
 
ovi lanam, pellem tonde,
[p. 128]
 
non vinum, sed fecem funde;
80.
quid? sequitur voracitas,
 
multorum friget caritas;
 
rara fides, bonitas;
 
sapiens si cosmita vitas.V. 84
 
 
 
1.
 
Item, aliud secundum textum.
 
Heu! Martine, michi fare:
 
hic si mundus diu stare
 
queat, tam egra laude,
 
dominatrix honorare
5.
mox indubie fugare
 
curiis, nec aude.
 
Cerno falsos honorare,
 
scientes effestucare
 
heros, ut ficta fraude;V. 9
10.
atque justum vapulare,
 
derideri, mancipare;
 
te vilem rima claude,V. 12
 
nam vix est pluma caude!
 
Desine cum fraude
15.
regnare. Per omnia gaude!
 
 
 
1*
 
Item, aliud et melius.
 
Quo? qua? ubi? dic, et unde?
 
ve ter tibi! nequam munde,
 
tis nephas increbruit?
 
Ruis, honor, quam profunde,
5*
exul fugis; infecunde
 
fenum et flos aruit;
 
falsitatis, furibunde,
 
adulantis aliunde,
[p. 129]
 
fraus, non laus, apparuit;
10*
tonsor ovis, pellem tonde,
 
ossa, carnem sibi funde
 
plus exactor voluit,
 
crisim nam precoluit,
 
veri cresim noluit.V. 14*
15*
Jam michi responde,
 
Martine, loquens perhabunde.
 
 
 
2.
 
Jacobus.
 
Usquequo, fer, sufferetur
 
et quo totum possidetur
 
in tuo principatu?V. 19
20.
Quamquam probus deprecetur,
 
parum prodesse videtur,
 
hoc minus uno flatu;
 
fodit, sed nil fodietur
 
et ad centrum nil centretur
25.
in ullo dominatu;
 
in Cochito submergetur
 
omnis color qui miscetur;
 
fidelis incolatu
 
non est huic, fle, reatu.
30.
Jus cadit omne statu;
 
surgit dolus absque meatu.
 
 
 
3.
 
Jacobus cum Martino.
 
O Martine! concorditer,
 
hinc femur uniformiter
 
dyalogo. Queratur
35.
hic: unde fletus viliter,
 
tam vilis olim, qualiter
[p. 130]
 
in altum jam levatur?
 
Te precor precabiliter,
 
dic, sic, vel ne, nec aliter
40.
de hoc quod demonstratur.
 
Trux ocio fit pigriter;
 
pir petra dat quam duriterV. 42
 
quo siccum concrematur.
 
Jam feris, et feratur.
45.
Qui verum fatur
 
vix auditur, reprobatur.
 
 
 
4.
 
Martinus.
 
Fari quidem, michi care,
 
vacat sensus; enodare
 
non possem, sed habere
50.
tuum reri declarare,
 
fluctuando dubitare,
 
est onus sustinere!
 
nolo tamen denegare
 
tuas preces acceptare,
55.
quod a me peciere.
 
Pluat Deus ut plorare
 
queam sensus et lavare,
 
qui me redemit vere,
 
optantem hoc implere;
60.
nam ceptum facere
 
medium, quasi fertur, habere.
 
 
 
5.
 
Jacobus.
 
Mundi quando cepit, mirum!
 
preferendo viro virum,
 
trusit honor domina
65.
rusticum tanquam delirum,
 
non dans eo putre pirum;
[p. 131]
 
probo: laudis famina
 
magni vagantur, ni mirum,
 
honor exulat per gyrum,
70.
quo migrarunt omnia;
 
unde virus hoc? quam dirum!
 
preciosum hunc saphirum
 
frangi cerno crimina;
 
cujus, fer, munimina?
75.
mundi regina;
 
subito ruat ista ruina!
 
 
 
6.
 
Martinus.
 
Jacob, clare michi claret:
 
postquam honor trepidaret
 
conari pro honore
80.
et versutum attractaret,
 
qui hinc inde consultaret,
 
nec castigando more,
 
accidit quod se gravaret
 
et extolli non curaret,
85.
sed in ruina fore;
 
hoc jam toti mundo paret
 
neque probamento caret;
 
honor exul dolore,
 
nec redit pre timore.
90.
Hinc fugito more
 
pravii, sic vivis honore.V. 91
 
 
 
7.
 
Jacobus.
 
Ecce Phebus quo lustratur
 
orbis visus, ministratur
 
per proprias naturas,
95.
dum cum nube colluctatur
 
et sub nubilo velatur,
[p. 132]
 
per horas has obscuras
 
splendor ejus obfuscatur,
 
sic fuscare fraus conatur
100.
nobiles creaturas,
 
hiis affixa solidatur,
 
quam nobilis amplexatur,
 
per nugas nocituras,
 
in evum duraturas;
105.
tenet perjuras
 
per fictas sepe figuras.
 
 
 
8.
 
Martinus.
 
Postquam dolus ita crevit
 
quod falsum verum delevit,
 
nec sapiens sentiret,
110.
inter saxa se cor sevitV. 110
 
nobile, seque replevit
 
undecumque veniret,
 
ac subridens acquievit
 
lucro, nam nichil deflevit
115.
quam quod ir deliniret.V. 115
 
Pereat, quod Deus sprevit!
 
qui os rodere consuevit,
 
quod nobilis glutiret,
 
unde virus hauriret.
120.
Qui bene sentiret,
 
mala non, sed justa sentiret.
 
 
 
9.
 
Martinus.
 
Ad quid cera vel sigillum?
 
scriba scribens codicillum,
 
paragraphos majorum
125.
perumpendo dans pulvillum?
[p. 133]
 
Saxo, Friso scribat illum,
 
nam rara fides horum.
 
Fides errat ut girgillum,V. 128
 
vertitur in glomicillum,V. 129
130.
dolo fracta pravorum;
 
non fuit vehens vexillum
 
unctus fraude, post pusillum
 
quin ruit propriorum
 
et exul terminorum.
135.
Post sata pravorum
 
crescunt syzania florum!
 
 
 
10.
 
Jacobus.
 
Pulcre michi respondisti:
 
atroces majores isti.
 
Sermonem variando,
140.
fari: hinc nil plus novisti?
 
Fraus, ludum fraudem dyxisti,
 
moribus derogando.
 
Caym, Abel occidisti;
 
ducem trucem, fraus, fovisti
145.
humo precipitando.
 
Juste judex, morte tristi
 
versipellem velis sisti
 
pro serculo nefando,V. 148
 
vel fine devorando!
150.
Hunc moritur quando
 
cape, demon; quod tibi mando!
 
 
 
11.
 
Jacobus.
 
Mea scire mens optavit:
 
Deus, qui se non imitavit,
[p. 134]
 
si rector creature,
155.
cur malignus sic regnavit
 
et nil bono secundavit?
 
Non est legis censure,
 
sensus hebes sic dictavit;
 
qui in Adam flatum flavit
160.
imperator nature,
 
confitere, rem mandavit
 
hanc (si verum, quis negavit?),
 
fortune perobscure,
 
semper variature.
165.
Punge, punge fureque,
 
feri sors nil tibi cure!V. 166
 
 
 
12.
 
Martinus.
 
Jacop, dic, infatuaris?
 
nil fortuna; more maris
 
videtur vacillare;
170.
in heresim ne labaris?
 
cuncta Deus scit, rebaris;
 
in hoc barbarizare?
 
quid in corde mox temptaris
 
quod ad yma declinaris?
175.
si clerus indagare
 
vult, extinctus suffocaris
 
et pulvillo compararis.
 
Non potes, dico clare,
 
sic Deo properare.
180.
Scit fortuna dare,
 
scit tollere, scit variare.
 
 
 
13.
 
Non est Deus fatigatus:
 
sic nec saltus, silve latus,
[p. 135]
 
quin ipso conservatur.
185.
Omnis rerum principatus
 
sue ditioni datus,
 
divinitus credatur;
 
quamquam suffert mitigatus,
 
nequam sit locupletatus
190.
et prudens vocitatur;
 
quanto magis exaltatus,
 
tanto plus precipitatus,
 
in cahos inflammatur,
 
ab hoste cruciatur.
195.
Dum magis optatur
 
quam sufficit, approperatur.
 
 
 
14.
 
Rectum iter ad infernum
 
ducens vernat, quod nil vernum,
 
est omne per peccata.
200.
Quando nephas per veternum,V. 200
 
mens gravatur in eternum
 
peccatis mancipata,
 
ac optatum sic modernum
 
luctum non curans fraternum
205.
nec corda desolata,
 
tunc mors venit, cor internum
 
terrens, non pensans supernum,
 
auferre congregata,
 
injuste cumulata.
210.
Tunc conturbata
 
sunt omnia morte parata.
 
 
 
15.
 
Jacobus.
 
Martinus, tis sermo faturV. 212
 
ita quod meus informatur
[p. 136]
 
de hoc quod ignorabam.
215.
Quamquam pravus honoratur,
 
hinc cor meum non tristatur
 
nec inde litigabam.
 
Si plus sumptibus ditatur
 
et, quodcumque vult lucratur
220.
in dolis, ut dictabam,
 
hic, illic periclitatur
 
atque vinculis mancipatur;
 
suos, ut cassam fabam,
 
natos considerabam;
225.
sed mea quando dabam
 
bona pauperibus, bene stabam.
 
 
 
16.
 
Ne, mi frater, esto ferus
 
ut res discam, quîs non merus
 
sum, sed ignarus harum.
230.
Cur peccatis Deus verus,
 
sit peccanti tam severus
 
verberibus plagarum?
 
nam post mortem, ait clerus,
 
in peccando quisque serus,
235.
cur miser est penarum?
 
semper merens est Homerus!
 
numquid non est justus herus,
 
conditor animarum,
 
in causa querularum?
240.
Penituisse parum,
 
post mortem, gustat amarum.
 
 
 
17.
 
Martinus.
 
Cui cuncta sunt prescita,
 
Deus, juxta cordis sita,
 
peccatorem theorat;V. 244
[p. 137]
245.
animalis sua vita
 
fore posset vellet ita;
 
et quia sic laborat
 
missus est ad infinita
 
tormentorum atonita;V. 249
250.
nam meruit, deplorat.
 
Intellectu si perita
 
vide verba, sic polita,
 
que sensus evaporat
 
et stemate colorat.
255.
Ridet, non plorat,
 
Dominum qui semper adorat.
 
 
 
18.
 
Jacobus.
 
Martine, verificari
 
sermo potest et probari
 
quid capax reperire.V. 258
 
Deo cuncta revellari
260.
certum est, ac numerari
 
quod polus quid ambire,261
 
frondes, flores, dies clari,
 
gutta cum arena mari,
 
nec ipsi grave scire.
265.
Ypocritas excecrari,
 
jubet illos cruciari
 
qui faciunt perire,
 
pias mentes sevire.
 
Hiis consentire
270.
noli, debes sed abire.
 
 
 
19.
 
Martine, dicit Scriptura,
 
vitam darem, es et plura,
 
ac sufferrem algorem,
 
festuce non foret cura;
[p. 138]
275.
Nova Lex fert et Obscura:
 
mortis culpa laborem,
 
artam vitam, strictura imaV. 277
 
polo dantes et tam dura,
 
o fiat id, quod orem!
280.
Cerberi sint in clausura,
 
luce verna caritura,
 
vi minuendo forem,V. 282
 
ne quis intret dolorem!
 
Inferni florem
285.
lege non, celi cape rorem.
 
 
 
20.
 
Multi probant, attemptando
 
Verbum Scriptum, putando
 
abyssum reperire;
290.
laycis confabulando,
 
nova novis garrulando,
 
que delectat audire;
 
sinistrorsum variando;
 
mors est illis sauciando
295.
verbum, quod fingunt scire;
 
rumpunt, suunt reparando
 
dispactum rursus clamando;
 
hii canes! qui sevire
 
faciunt et perire;
300.
plures sentire
 
valent, tormenta subire.
 
 
 
21.
 
Credunt ipsi contemplari
 
verba, rore salutari
 
in celo radicata;
305.
frustra datur hiis venari:
 
impari par coequari,
 
proportio nec data.
[p. 139]
 
Absit hoc interrogari;
 
sileam, nec ausim fari;
310.
re cedo dubitata.
 
Cedat manus dimicariV. 311
 
et cum pugile luctari,
 
sua vi conculcata,
 
isti nil comparata.
315.
Est manus armata
 
mors debilis accelerata.
 
 
 
22.
 
Si Deus in juditio
 
gesta sciet, hoc sicio,
 
quîs unquam peccabamus,
320.
fleret in precipitio
 
virtus equata vicio,
 
tunc fide careamus!
 
absit boni paritio,V. 323
 
nulla quin beneficio
325.
donabitur; speramus!
 
Dei rerum conditio,
 
quem non latet initio,
 
hunc frustra flagitamus,
 
si spernit quod rogamus.
330.
Ipsum laudamus,V. 330
 
si velle Dei faciamus.331
 
 
 
23.
 
Fides inquit: est necesse
 
unum Deum idem esse,
 
hunc nec posse concludi.
335.
Justus judex indefesse
 
et misericors expresse,
 
qui fecit, instar ludi,
[p. 140]
 
aquam, vinum, obstupesce!
 
se dat nobis totum esse,
340.
te stolidum erudi;
 
sis fidelis, fide cresce;
 
porci plures Christi messe
 
se crassant, mente rudi,V. 343
 
hii rasi, resi, nudi;V. 344
345.
quos simul effudi,
 
quia fructus sunt michi crudi.
 
 
 
24.
 
Fides tua, fides bona,
 
certus sum: virtus corona
 
vite coronabitur.
350.
Solvat solvens cuncta dona,
 
spe confirmans Symeona,
 
Sare mens plus labitur;
 
cuncta cingens sua zona,
 
pullos, ut gallina prona,
355.
alis amplexabitur.
 
Vitam dedit hora nona,
 
dulcis cantat Antiphona,
 
vita, qua donabitur
 
nobis et salvabitur.
360.
Gracia dat, scitur,
 
quod non inferius initur.
 
 
 
25.
 
Heret hemus. Si sit equusV. 362
 
Deus, et inquit: ‘amor cecus,’
 
quod quidem est vulgale;
365.
qui sum imprudens pecus,
 
fac me nosce si, vel secus
 
novi modicum, hoc tale
[p. 141]
 
verum sit, est labor; decus
 
non secutus hunc, in specus
370.
cadis deceptus male.
 
Ait Prudens atque Grecus:
 
amor Dei animequus
 
indutus est carnale,
 
corpus sumens mortale.
375.
Credimus hoc quale
 
fore visum, non fore tale.
 
 
 
26.
 
Jacobus.
 
Questio tis onerosa.
 
Rationis probat glosa
 
trifarium amorem.
370.
Primus caritas est: rosa
 
sine metu, nec exosa,
 
sed pluens celi rorem.
 
Alter mundi maculosa
 
trahit et ambiciosa:
375.
Agar ducens sororem.
 
Tercius temporum jocosa,
 
ut natura generosa,
 
par legit per dulcorem;
 
hunc rari legunt florem,
380.
sed mutant morem,
 
spernunt et amoris honorem.
 
 
 
27.
 
Primi tanta vis amoris,
 
quem laus nulla laudatorum
 
laudaret satis plene;
385.
nom manna traxit dulcorumV. 385
 
in matris sinum honoris,
 
contemptum inamene?
[p. 142]
 
Deus amor est, ardoris,
 
mortis, dixit quis, doloris;
390.
hunc tormentorum pene
 
hic in se clausit pudoris
 
in vas, ut fons tis cruoris
 
large fluxerunt vene,
 
o Jhesu Nazarene!
395.
Hec cantilene
 
placeant veluti philomene.
 
 
 
28.
 
Talis, qualis innotescit
 
amor, amor Christi, crescit,
 
nec potest excecari.
400.
Foret quo nox lucem nescit,
 
vi amoris inardescit
 
qui, nequit separari
 
hoc thesauro. Qui torpescit
 
et virtuti non assuescit,
405.
non poterit ditari
 
hoc dono, quod non macescit.
 
Gustat juste qui processit;
 
quid corpus laniari.V. 408
 
nec anima dampnari.
410.
Illam salvari
 
vult, qui voluit cruciari.
 
 
 
29.
 
Alter est insanus sanis,
 
vacat rebus nam mundanis
 
et mundi fautoribus.
415.
Amor, ipse tu inanis,
 
nam militibus insanis
 
et feneratoribus.
 
Vagus miles vacans vanis,
[p. 143]
 
cor, corpus, ut cibum panis,
420.
rodit, pro favoribus.
 
Si es floret flumen ranis,
 
animo fluens immanis,
 
sitiret ardoribus,
 
alter et fenoribus.
425.
Hic capit in foribus
 
es, decus ille tribus.