Willems, wiens Belgisch Museum eene allerrijkste bron is voor alwie zich ernstig op de studie onzer tael en letterkunde wil toeleggen, nam in het vijfde deel(1), twee nog al uitgebreide lijsten op van oude voornamen, de eene in het nederlandsch, de andere in het friesch. Hy ontleende beide aen een verkort Rituale Romanum, te Amsterdam in 1726 gedrukt, en hy trok verder de aendacht op het Colophon propria hominum... nomina explicans, voorkomende achter de derde uitgave van Kiliaens kostbaer Etymologicum, die te Antwerpen, by Plantijn, in 1599, verscheen(2).
De bekende geschiedschryver en taelkundige Pontus de Heuiter, in zijn werk de Veterum ac sui saeculi Belgio, dat hy ten jare 1599(3) voltooide, had zich insgelyks met onze oude duitsche namen en voornamen bezig gehouden. Hy geeft er meer dan vijf honderd op, waervan hy de beteekenis of de afleiding aenwijst.
Willems maekt hier geen gewag van. Ook bleef aen dezen geleerde onbekend, schijnt het, eene opgave van Vercorte nederlandtsche namen met de latijnsche in 't geheel, om daer uyt sijnen patroon te vinden, opgenomen in de vertaling van de Generale Legende der Heylighen van Ribadineira, door pater Rosweydus(1). Waerschijnlyk mag men dit als het werk van laetstgenoemden geleerden jesuiet beschouwen. Alhoewel deze lijst niet zoo groot is als die welke door Willems werd medegedeeld, heb ik gedacht ze hier te mogen laten herdrukken, omdat ze talryke voornamen bevat, die op de andere niet worden opgegeven of omdat deze soms anders verklaerd worden.
Het ware wenschelyk dat iemand zich de moeite gave al wat er reeds over onze voornamen byeengebracht is, samen te trekken, aen een kritisch onderzoek te onderwerpen, en naging in hoeverre deze of gene voornaem als van oudduitschen, voorchristenen tijd, te houden zy, of wel als uit latijnsche namen van heiligen in het nederlandsch overgebracht, moet beschouwd worden. Zulke studie zou, zoo voor de wetenschap onzer geschiedenis, in het algemeen, als voor die der tael, in het byzonder, van groot belang zijn.
Kende iemand de voornamen niet, die in het gedicht Van dat die liede sijn gherne geheten joncfrou, dat ik hier boven mededeel(2), voorkomen:
dan zou hy daervoor op de lijst, die ik hier inlassch, kunnen zien dat deze als verkortingen gehouden worden van Helena of Heilwigis, Margaretha, Elizabeth en Catharina.
In een ander door ons medegedeeld stuk Vander Taverne(1), is er een vers dat zich moeijelyk laet verklaren:
Is dat goort een schimpwoord of is het de verder opgegeven voornaem Guert, Godefridus? Op eene der lijsten door Willems herdrukt is Geurt, Gaugericus, en op de andere, de friesche, is Goert, Gordianus.
Ook onze eigen- of geslachtsnamen zouden verdienen breedvoerig behandeld te worden. De Heeren Mone(2) en De Saint-Genois(3) hebben hier omtrent reeds belangryke wenken gegeven, doch de door hun geleverde bydragen zouden op eene aenzienlyke wyze kunnen vermeerderd worden.