Van de berijmde chronijk, die algemeen bekend is onder den naem van Spiegel Historiael van Lodewijk van Velthem, maer die, zoo als profr. Jonckbloet het eerst deed opmerken(1), waerschijnlyk het werk is van eenen ongenoemden schryver, die pastoor te Velthem was, bestaet er heden slechts één enkel volledig handschrift. Het berust op de akademische bibliotheek te Leiden en werd, in 1727, door Lelong voor zyne uitgave gebruikt. De druk echter door dien geleerde bezorgd, is slordig wat den tekst betreft, en met talryke onbruikbare aenteekeningen en verklaringen voorzien. Te recht zegt Dr Jonckbloet, dat eene kritische uitgave van dit werk hoogst nuttig zou zijn.
Vóór eenige jaren heeft de heer Lorsch te Bonn, twee fragmenten (te samen 322 versen bevattende), van een tweede hand-
schrift ontdekt. De varianten van beide deze bladen zijn door Jonckbloet opgegeven(1).
Doch, behalve het volledig handschrift van Leiden, en de twee fragmenten van Bonn, zijn er van die rijmchronijk geene andere Codices overgebleven.
Dat er echter, ten jare 1631, nog een ander handschrift, ten minste van een gedeelte, bestond, blijkt hieruit: Wichmans, in zyne Brabantia Mariana(2), verhaelt, dat de bisschop van 's Hertogenbosch, Michiel Ophovius, hem eenen perkamenten Codex, vóór drie honderd jaer, door eenen geestelyke, die kapellaen te Sichem was, geschreven, en welk boek ten titel voerde: Quinta pars Speculi Historialis, ter hand stelde. Wichmans, die uit de tael had meenen te mogen opmaken dat de schryver een Zeeuw of een Vlaming was, voegt er by dat deze, zoo als hy zelf getuigt, in 1303, kapellaen was van O.L. Vrouw te Sichem, en dat hy aldaer recht tegen over zekeren Arnold Pickel woonde. Verder haelt hy de volgende versen aen:
Deze regelen treft men in de uitgave van Lelong, IV boek, cap.
57 aen(1), doch tusschen het hier opgegeven zevende en achtste vers, leest men er in den druk nog zeven andere, die Wichmans uit het handschrift niet heeft opgegeven, als niet gunstig zijnde voor hetgene hy wilde beweeren.
Alhoewel de tekst van Wichmans grooten deels met dien van Lelong overeenstemt, (want op de vernieuwde schrijfwyze van sommige woorden neem ik geen acht), schijnt het my dat eenige varianten, die daerin voorkomen, genoegzaem zijn om te bewyzen, dat het handschrift, te 's Hertogenbosch, in 1631 voor handen, niet hetzelfde is, als dat hetwelk zich thands te Leiden bevindt.
Lelong schreef in zyne voorrede dat hy, zoo veel het hem mogelyk was na te gaen, niet had konnen ontdekken, dat er meer dan een exemplaer van dit werk overig was; hetwelk, omtrent den jare 1620, Mr Adriaen van Meusenbroek, advokaet te Dordrecht, had toebehoord en door W. van Gouthoeven(2), als ook waerschijnlyk tot het uitgeven van de Rijmchronijk in 't zelfde jaer, ter leen werd gebruikt. Vervolgends, gaet hy voort, schijnt het, in handen van P. Scriverius(3), verder in die van Fred. Arn. van Westphaalen en eindelyk in die van professor Ant. Matthaeus gekomen te zijn; diens bibliotheek in den jare 1717 te Leiden geveild zijnde, is hetzelve door Mathias Ooster gekocht, die het op verzoek van Lelong door dezen liet uitgeven.
Uit dit alles, zoo wel als uit de weinige versen by Wichmans te lezen, mag men veronderstellen, dat het handschrift van bisschop Ophovius wel degelyk een ander, dan het gekende, was. Misschien wordt het nog eens terug gevonden. Ik trek hierop de aendacht der noord-brabandsche geleerden.