In 1832 was er by den boekhandelaer B. De Bruyne, te Mechelen, te koop een fraei en zwaer perkamenten handschrift in-folio, dat, ten jare 1138, voor de kerk van Sinte-Maria, te Utrecht, geschreven werd. Het bevat hoofdzakelyk het gekende Martyrologium van Usuardus, en Isidorus de Regimine Canonicorum. (Dit laetste te vinden in de Concilia van Binius, ap. Concilium Aquisgranense)(1); doch, behalve dat, ook nog vooraen eene korte Chronijk van 539 tot 1138, eene aenteekening op het eerste blad en een vijftal andere op onderscheidene plaetsen van het Martyrologium. Dit alles is van eene en de zelfde hand, en van bovengemelden jare. Verder zijn er door onderscheidene latere handen, op sommige bladen, die wit gebleven waren, eenige charters der dertiende eeuw, rakende de kerk van Utrecht, geschreven. Eene dezer vond ik by Bondam(2); de overige zijn waerschijnlyk onuitgegeven.
Die Codex werd, ten gemelden jare 1832, aengekocht voor rekening van den Noord-Nederlandschen baron van Westreenen van Tiellandt, eenen man, die eene ryke verzameling boeken en oudheden byeenbracht en zich ook in de letterkundige wereld
gunstig bekend maekte door onderscheidene belangryke verhandelingen, zooals, onder anderen, door zyne Recherches sur la Langue Nationale de la majeure partie du royaume des Pays-Bas, in 1830 verschenen. Deze geleerde overleed den 22sten November 1848, doch hy heeft gewild dat al wat hy verzameld had, in zijn geheel, als Museum-Westreenianum, in zijn hotel, te 's Gravenhage, zou vereenigd blyven, tot sieraed zyner woonplaets en van zijn vaderland. Het utrechtsche handschrift van 1138 moet dus heden aldaer berusten(1).
Vóór dat het echter het eigendom werd van den baron van Westreenen, had ik het ter myner beschikking, en ik schreef daer uit af, zoo niet de charters, dan toch al het overige, dat voor de geschiedenis van eenig belang is.
Hoe en wanneer die Codex naer België kwam, heb ik niet kunnen gissen. Waerschijnlyk reeds vóór den tijd van Matthaeus, aen wien het niet blijkt, dat deze korte Chronijk bekend was, anders zou deze vlytige geleerde ze stellig in zyne Analecta hebben opgenomen.
De aenteekening, die op de voorzyde van het eerste blad te lezen staet, geeft ons de verdeeling van het utrechtsche bisdom in 1138. Uit dien hoofde, en ook voor de spelling der plaetselyke benamingen in zoo vroegen tijd, is ze niet zonder belang. Zy luidt als volgt:
Circatus episcopi: Anno bissextili post ipsum bissextum, in Flandern, in Walechron, in Scalde, in Hollande.
Secundo anno, in Hemelande, in Batue, in Velue, in Testrebant, in Maselant, in Westflinge.
Tertio anno, in Ostrege et Westrege.
Quarto anno, in Tuenta et prepositura Daventrensi.
De Chronijk begint op bladzyde 1 vo en strekt zich uit tot bladzyde 2 vo. Zy loopt, zoo als ik reeds boven aenstipte, van het jaer 539 tot op het jaer 1138, wanneer het handschrift voltooid werd. Ik zeg voltooid, want uit de aenteekening voorkomende in het Martyrologium van Usuardus, op den VIden der Kalenden van Januarius (27 December), blijkt het, dat dit boek opgeofferd werd aen de nagedachtenis van Otto, den derden deken der utrechtsche kerk, die reeds op 27 December van het jaer 1130 overleed. De afschryver schijnt dus verscheidene jaren aen dien Codex gearbeid te hebben.
Het is jammer, dat de chronijkschryver ons zulke beknopte aenteekeningen heeft nagelaten, en dat hy, vooral over de gebeurtenissen van zynen tijd, niet wat breedvoeriger heeft gehandeld. Doch men weet dat zulks het geval is met talryke andere gedenkstukken van den zelfden aerd, uit die vroege tyden. Hetgeen hy ons heeft nagelaten verdient toch, mijns dunkens, alles zins onze aendacht. Want al is het, dat de voornaemste gebeurtenissen, waervan hier gewag gemaekt wordt, ons reeds uit andere bronnen, en soms beter, bekend zijn, dan toch wordt hierdoor het verhael, dat men elders aentreft, bekrachtigd, en voor de kerkelyke geschiedenis van het bisdom Utrecht komt er wel het een en ander voor, dat tot hier toe nergens geboekt was.
Aen deze Chronijk zijn later hier en daer eenige woorden bygevoegd door eene andere hand dan die van het jaer 1138. Dat weinige heb ik hier tusschen haekjens, en in cursief laten drukken.
Zie hier het stuk:
Zie hier thands het vijftal aenteekeningen, welke in het Martyrologium, en wel op de volgende dagen, door de hand van 1138, zijn bygeschreven.