In den band eens exemplaers van een boekjen in-16o: Breve directorium ad Confessariorum munus per J. Polancum, te Leuven, in 1554 gedrukt, vond ik een strookjen perkaments, dat uit een handschrift van de laetste helft der veertiende eeuw versneden was. Al is het dat ik uit de weinige regels, die overgebleven zijn, met geene zekerheid kan opmaken tot welk dichtwerk zy behoorden, dan toch mag men veronderstellen, dat het tot een stuk van uitgebreiden omvang was, en waerschijnlyk wel tot die reeks van ridderromans, waerin de twisten tusschen de Christenen en Mahomedanen bezongen worden, en waervan de meeste tot den karolinger kring kunnen terug gebracht worden.
Mone, in zijn Uebersicht(1), heeft reeds het bestaen van dit fragment aengekondigd en er den naem van Pinnaert, die er in voorkomt, aen gegeven.
De drie-en-twintig regels van de voorzyde, zijn omtrent in hun geheel bewaerd gebleven. Het ontbrekende zou licht kunnen aengevuld worden. Ik heb bereids eenige woorden, die het gemakkelykst te raden zijn, in cursief laten bydrukken. De herstelling echter van de keerzyde zou moeijelyker vallen, alzoo aldaer de versen juist ten halve zijn doorgesneden.
Tot hiertoe waren slechts de acht eerste regels van dit fragment door Mone gedrukt. Thands dat al, wat er van overblijft, het licht ziet, zal misschien de een of ander kunnen aenwyzen tot welk dichtstuk het behoord heeft. De eigennamen Pinnaert, Sumaglore, en Malaert zullen eenigs zins op het spoor brengen.