Het groot Hulthemsche handschrift No 192, ter koninklyke bibliotheek te Brussel, is eene byna onuitputtelyke bron voor onze oude letterkunde. De heeren Angillis, Blommaert, Hoffmann, Mone, Snellaert, Willems en ik, hebben daeruit reeds talryke stukken doen kennen, en des niet tegenstaende blijft er nog al het een en het ander te drukken over. Al de gedichten en prozastukken, welke ik hier mededeel, zijn uit dien beroemden Codex getrokken.
De twee allegorische stukken: Ene beschedene Jacht en de Ghelasen Sale zijn geheel in den trant der XIVe eeuw. De twee gedichten, die daerop volgen, zijn waerschijnlyk iets ouder: Ene disputatie tusschen enen clerc ende sinen meester, behoort misschien nog tot de XIIIe eeuw. In allen gevalle acht ik als meer belangrijk: Alrehande Proverbiën van den wisen Salomon en Van vele edelen Parabelen ende wiser leren.
Willems heeft in zijn Museum reeds twee verzamelingen van berijmde spreuken en zedelessen, aen het Hulthemsche handschrift ontleend, opgenomen(1). Ik beschouw ze als behoorende tot de voornaemste voortbrengsels onzer oude letterkunde. Beide behooren stellig, volgends my, tot de XIIIe eeuw.
Hetgene ik hier laet drukken onder den titel: Van vele edelen Parabelen ende wiser leren is eigenlyk maer het vervolg van de spreuken reeds door Willems, in zijn zesde deel ingelascht. Geheel de verzameling in het handschrift voorkomende heeft 1386 regels. Het laetste gedeelte, dat door my wordt uitgegeven, heeft er slechts 546.
Willems heeft de spreuken noch van de eene, noch van de andere verzameling uitgegeven, zooals ze zich in het handschrift op elkander volgen. Hy heeft eerst al de tweeregelige, dan de vierregelige, dan de zesregelige, enz. byeengebracht. By deze rangschikking heeft men niets gewonnen.
Jammer is het dat Willems hier en daer het handschrift slecht gelezen heeft, en daer door soms eenen zeer gebrekkigen tekst heeft gegeven.
Zoo leest men by hem(1):
Het handschrift heeft:
By Willems:
Er staet in het handschrift:
By Willems luidt het:
In het handschrift duidelyk genoeg:
Uit dit weinige zal het blyken dat deze spreuken wel op nieuw zouden mogen gedrukt worden. Misschien zal ik later al de verkeerde lezingen van Willems opgeven, ten einde men aldus eenen verbeterden tekst zou kunnen leveren.
Van het gedeelte dezer edelen Parabelen, dat ik hier opneem, heeft Willems twee spreuken in zijn Museum medegedeeld(1).
Eerst die, welke hier voorkomt onder v. 199-204, Joete van Nederlant seit, om de aendacht te trekken op den naem van eene vrouwe, welke misschien als dietsche dichteres kan beschouwd worden, indien men mag veronderstellen dat deze zes regels oorspronkelyk door haer werden geschreven. Sedert twintig jaren echter dat Willems hierop opmerkzaem maekte, heeft niemand ontdekt wie deze Joete geweest is, al is het dat de naem Joete of Jutta zeer veel in de XIIIe eeuw voorkomt.
Verder liet Willems ook nog drukken de regels 513-522 tRecht seit. Maer het is onbegrypelyk hoe hy ook in die woorden, waervoor men by hem Trecht seit leest, den naem van eenen dichter wil vinden. Hy zegt immers: ‘Ik kan niet wel onderstellen dat deze spreuken uit eenig boek van rechte getrokken zyn, maer
denk veeleer dat de dichter dien naem droeg naer de stad Trecht, dat is Maes-trecht of Maestricht.’ Geheel de redeneering van Willems kan aen de kritiek niet wederstaen. De acht verzen zijn wel degelyk aen het een of ander boek van rechte ontleend. Misschien was het wel doenlyk te ontdekken, waeruit ze getrokken of vertaeld zijn.
Waerom heeft Willems een groot gedeelte der spreuken in den Hulthemschen Codex bevat, niet gedrukt, en juist die welke uit dezen of genen schryver, waervan de naem telkens wordt opgegeven, getrokken zijn? Hier omtrent kan ik slechts eene gissing maken. Misschien was het omdat hy geene kans zag de namen dier schryvers, waervan sommige deerlyk gerabraekt zijn, op eene voldoende wyze te herstellen. In der daed dat is niet zeer gemakkelyk, en zou nog al tijd vereischen. Ik ook laet die taek aen anderen over. My dit mael wederom bepalende tot het leveren van teksten, welke getrouw het handschrift teruggeven, zal ik niet trachten al die raedsels op te lossen. Want indien men in Oratius, Persies, Purdentius, Juvelales, Ylegelius, dadelyk Horatius, Persius, Prudentius, Juvenalis, Aulus-Gellius, kan herkennen, dan valt het toch zoo gemakkelyk niet om aen te duiden wie men door Omerenus, Robamius, Anieta, Finseus, Aschayus, Enpeclus, Achalius, Zalinus, Bosco, enz., te verstaen hebbe. Doch, ik herhael het, ik heb hier omtrent niet veel nagedacht, of niet veel opzoekingen gedaen, en laet anderen over zich hier mede bezig te houden. Thands is het de vraeg of men die deerlyke verminking van de meeste dier namen aen den copist van den Hulthemschen Codex moet toewyten, of wel zulks, voor een groot gedeelte, op rekening mag stellen van de weinige bekendheid, die men tydens de middeleeuwen had met de schryvers van vroegere dagen? Men heeft hier eene zonderlinge byeenraping der boeken van de Heilige Schrift, zooals David, Salomon, Tobias, enz., met de werken van Cicero, Sallustius,
Lucanus, enz., en dan met voortbrengsels der middeleeuwen zooals Sydrac, Marcolf, enz., waerby men zelfs Aristoteles, Alexander, enz., mag voegen. Het gezamenlyke zie ik als eene zeer gewichtige bydrage aen, om aen te duiden in hoe verre men des tijds met de schryvers der Oudheid bekend was, en ook om aen te toonen waerin alsdan de geleerdheid bestond(1).
Op de gedichten heb ik eenige prozastukken laten volgen. Al wat het Hulthemsche handschrift van dien aerd bevat, bleef tot hiertoe onbekend, behalve twee stukjens door den heer Angillis gedrukt in de Rumbeeksche Avondstonden(2). Het overige zal ik later mededeelen met de weinige dichtstukken, welke tot hiertoe het licht nog niet hebben gezien, en, ter zelfder tijd met het algemeen verslag over den inhoud van dat voor onze letterkunde zoo merkwaerdig handschrift.
Tot hiertoe heeft onze middeleeuwsche poëzie, wat al te uitsluitelyk de aendacht tot zich getrokken, en de proza is te zeer verwaerloosd gebleven. Nochtans is deze voor de kennis onzer oude tael ruim zoo belangrijk. Uit dien hoofde aerzel ik niet, voor al, wat er in den Codex voorkomt, eene plaets in dit Museum in te ruimen. Want behalve het Leven van Jezus door professor Meijer in vroegere jaren uitgegeven(3), en dat Boec van den Gheesteleken Tabernacule(4) van Jan Van Ruusbroec onlangs door den heer kanonik David aen het licht gebracht, is er tot hiertoe nog geen volledig werk verschenen, al is het dat professor Van Vloten door de uitgave zyner Verzameling van Nederlandsche Proza-
stukkken(1) aengetoond heeft, wat al schatten er daerin voor onze taelstudie verborgen liggen.
De meeste stukken in het handschrift zijn van geestelyken inhoud. Hierop maken nochtans uitzondering de zonderlinge regels, Aghangalaura geheeten, zijnde een soort van horoskoop of voorspelling, en ook het itinerarium of wegwyzer van Parijs naer St.-Jacobs in Gallicië. Dit laetste, ongetwyfeld ten dienste der talryke pelgrims vervaerdigd, welke in de middeleeuwen, het zy vrylyk, het zy gedwongen, het graf van Sint-Jacob gingen bezoeken, is misschien van eenige waerde voor de aerdsrijkskunde van die tyden.
Verder volgen, eerst Vanden Onderschede tusschen der Naturen ende der Gratiën, waerschijnlyk uit de werken van eenen mystieken schryver der XIVe eeuw, Jan Ruusbroec, of eenen anderen getrokken; eindelyk andere geestelyke stukken, waervan eenige niet alleen voor de tael, maer ook voor onze letterkundige geschiedenis niet zonder belang zijn.
In het HS. onder Nr L. Bl. 53 ro kol 1. - 53 vo kol 2.
In het Hs. onder nr LXXXVI. Bl. 73 ro kol. 1. - 74. ro kol. 1.
In het Hs. onder nr C.LXXII. bl. 180. vo kol. 1. - 181. ro kol 1. De verzen van dit stuk zijn doorloopend geschreven, en hun getal staet niet opgegeven.