terug  begin  verder
[p. 253]

De Beer Wisselau.

Het epos, waervan ik het eenig fragment, dat men tot hiertoe ontdekt heeft, voor de eerste mael laet drukken, is stellig een der merkwaerdigste voortbrengselen van onze middeleeuwsche letterkunde. Het is van eenen anderen aerd als al wat wy tot hiertoe kennen, en het schijnt geheel en al by ons te huis te behooren.

Aenzienlyk is, zooals men weet, het getal der ridder-romans, die onze voorvaders in de XIIe en XIIIe eeuwen uit het fransch of vertaelden of navolgden. Door het gedurig rondzweven in eenen gedachtenkring aen onze zuidelyke naburen eigen, stralen soms, by ons, zelfs in oorspronkelyke ridder-epossen, zooals de Walewein, uitheemsche begrippen door.

Met den Wisselau is het anders gelegen. De sage behoort tot de algemeene duitsche wereld, maer schijnt alleen by ons behandeld te zijn geweest, alhoewel men haer in verband kan brengen met het Heldenbuch. Men zal met Mone niet(1) kunnen aennemen, dat de overwinning van Chlodowig I, op Syagrius, koning van Soissons, ten jare 486 behaeld, aenleiding gegeven heeft tot deze verdichte geschiedenis. Wat haer echter tot grondslag gediend heeft, is voor my vry onzeker.

In de overgeblevene verzen van den Wisselau worden slechts

[p. 254]

vijf personaedjen genoemd. De beer, die de hoofdrol speelt, en die zynen naem aen het dichtstuk heeft gegeven; Geernout de heer en leider van den beer; Karel de Groote, die van alles getuigen is, maer zelf byna noch spreekt, noch handelt; Espriaen, de koning der Reuzen, en eindelyk dezes opperkok Brugigal.

Espriaen komt in de hoogduitsche letterkunde, onder den naem van Asprian, voor. Geernout is een der helden uit de Niebelungen.

Ons dichtstuk heeft met de dierensage, zooals men ze in den Reinaert aentreft, niet gemeens. Wisselau immers spreekt niet, en zelfs in het gedeelte van het epos, dat wy behouden hebben, handelt hy niet uit eigene beweging. Hy is geheel ten dienste van Geernout, zynen heer, en doet alles wat deze hem gebiedt.

De overgeblevene episode van den Wisselau herinnert ons eenigs zins aen het Niebelungen-lied en wel aen de aventuer van Siegfrieds Beerenvangst, waerin ook een beer in de keuken loopt en daer alles in rep en roer brengt, al maekt hy het juist zoo erg niet als Wisselau, die den kok Brugigal in het ziedend water doopt, en hem dan opeet.

Mone uit de meening, dat men het dichtstuk tot de XIIe eeuw kan doen opklimmen. Ik denk, dat de uitgave van het stuk het gevoelen van dien geleerde zal komen bevestigen. Het draegt immers talryke sporen van hoogen ouderdom. Aen alwie met de gedenkstukken onzer middeleeuwsche letterkunde bekend is, en vooral met die der XIIIe eeuw, zal het verschil dadelyk in het oog loopen, dat er tusschen dit stuk en andere bestaet. Het metrum vooral, is hier geheel anders. De verzen, die elders gewoonlyk drie of vier heffingen of slagen hebben, zijn hier in 't algemeen zeer kort, en tellen er meestal slechts drie, en soms ook maer twee. By voorbeeld:

 
De reussche heren.
 
Lachen began.

en dergelyke.

[p. 255]

Verder heeft het geheel eenen waes van oudheid, die de gissing van Mone, zooals ik reeds zegde, komt bekrachtigen.

Maerlant, die ten jare 1283 zynen Spiegel Historiael ondernam, spreekt reeds van den Wisselau:

 
Karel es menech waerf beloghen
 
in groten boerden ende in hoghen,
 
alse van borderes ende oec dwase
 
diene beloeghen van Fierabrase,
 
dat nie ghesciede noch en was.
 
Ooc eist loghene ende ghedwas
 
van Pont van Mautriple mede,
 
van bere Wisslau die snodelhede,
 
ende meneghe favele groet ende cleine(1).

Maerlant was van jongs af, een vyand van alle verdichtselen; maer ongetwyfeld had hy in zyne jeugd den Beer Wisselau gelezen, en toen hy den Spiegel Historiael schreef, en met het vorderen der jaren nog meer ernstig geworden was, stond het hem vry met minachting van dat gedicht te spreken, alzoo het waerschijnlyk des tijds reeds niet veel meer in den smaek viel, en ook omdat waerschijnlyk de schryver alsdan reeds sedert lange jaren overleden was. Dat Maerlant echter, die een man was van buitengewoone belezenheid, met den inhoud zeer wel bekend was, blijkt uit de gepaste uitdrukking.

 
Van bere Wisslau die snodelhede.

In dit epos in der daed bedrijft de beer euveldaden, waeraen Maerlant te recht den naem van snodelheden geeft, terwijl hy Reinaerts poetsen slechts boerden heet:

 
Want dit es niet Madocs droem
 
no Reinaerts, no Arturs boerden.
[p. 256]

In den Reinaert gaet het immers nooit zoo gruwzaem toe als in den Wisselau. Daerin worden geene menschen opgegeten, zooals in het fragment, dat ik hier mededeel.

By eenen anderen onzer middeleeuwsche dichters, namelyk by Jan Boendale, wordt ook gewag gemaekt van den Wisselau:

 
Die scone valsche walsche poeten,
 
die meer rimen dan si weten,
 
belieghen groten Karle vele
 
in scoenen woerden, in bispele,
 
van Firabrase, van Alexandre,
 
van Porte Matribbe ende andre,
 
dat algader noit en was,
 
van vier Heemskindere, dat ic las,
 
dier ic, in groets Karels daghen,
 
noit historie horde ghewaghen;
 
van bere Wislauwe die slaghe,
 
dits algader ene saghe(1).

Maer deze plaets van Boendale is door hem aen den gemelden Spiegel Historiael, ontleend alwaer ze insgelyks, maer elders, voorkomt(2).

Van het fragment, dat ik hier laet drukken, werden er vroeger enkele verzen medegedeeld door professor Mone, door doctor Snellaert en door C.A. Serrure.

Mone, in zijn Uebersicht ten jare 1838 verschenen, heeft er zeventien opgenomen (v. 612-618 en v. 646-658). De heer Snellaert, in zyne bekroonde Verhandeling, ten zelfden jare van de pers gekomen, deelde er achttien mede (v. 604-621). In de insgelyks bekroonde Verhandeling van mynen zoon, welke in 1855 van de pers kwam, komen er vier en vijftig verzen voor (v. 604-628 en 646-674). Uit deze opgave blijkt, dat steeds de twee zelfde

[p. 257]

plaetsen tot proeven werden gegeven, en dat wel om reden dat men telkens een gedeelte van het fragment, hetwelk het leesbaerst was, heeft uitgekozen.

Jammer is het, dat er van den Beer Wisselau, dat waerschijnlyk een gedicht was van grooten omvang, slechts één enkel fragment tot ons gekomen zy(1). Het is een dubbel vel perkaments uit een handschrift van de eerste helft der veertiende eeuw, in groot 4to-formaet, en op vier kolommen, van 45 verzen elk, geschreven. Ware dus het vel ongeschonden, dan zou het zeven honderd en twintig regels bevatten. De codex, waertoe het eens behoorde, was van eene fraeije en zeer leesbare hand. Enkele groote letters in rooden inkt, wyzen van tijd tot tijd den overgang aen tot een nieuw hoofdstuk des gedichts. De verkortingteekens zijn niet talrijk en niet anders dan die, welke men gewoonlyk ontmoet. Zoo staet er voor coninc, K'l voor Karel, m' voor maer, d' voor daer, w'pen voor werpen, enz.

De tael is zeer zuiver en zeer verstaenbaer. Hier en daer ontmoet men vormen, die alhoewel niet onbekend, toch in de meeste onzer handschriften niet voorkomen. Zoo leest men byna altijd de voor die, de coninc voor die coninc; ook staet er veeltijds o in plaets van oe, dus ho voor hoe, te mode voor te moede, mote voor moete, sote voor soete, gehodet voor gehoedet. Verder ook hier en daer de enkele u voor w, dus betrouen voor betrowen, ontvlouen voor ontvlowen, Wisselaue voor Wisselawe, enz. Eindelyk de ij voor ie, hijr voor hier, dijs voor dies, enz.(2).

Het vel perkaments had in het handschrift het binnenste blad uitgemaekt van een kwatern, zoodat er, te midden in, niets ontbreekt, en het verhael gaet doorloopend voort.

[p. 258]

Het laetste vers van de eerste helft van het vel:

 
Hi komt met sinen here,

rijmt met den eersten regel van het tweede gedeelte, en de zin gaet door:

 
Ic willene gerne eren

Ik zegde boven, dat wy in het bezit zouden zijn van zeven honderd en twintig verzen, indien het vel perkaments ongeschonden tot ons ware gekomen. Doch dat is, jammer genoeg, aldus niet; want het heeft alle slach van mishandelingen ondergaen. Hel diende wel eens, eerder tot omslag dan tot schutblad aen een register. De schaer heeft een gedeelte van de eerste helft wat ingekort, zoodanig dat er aen het einde van elke kolom een of meer verzen zijn afgesneden. Aen de buitenkanten zijn op meer dan eene plaets stukken afgerukt, of door den ouderdom verdwenen. Hier en daer zijn de letters uitgesleten. Daer en boven ligt er op het grootste gedeelte van den voorkant, bevattende de kolommen 2, 3 en 4 van A ro. eene bruine korst, waer onder het schrift soms bezwaerlyk te lezen valt. Eindelyk is de binnenkant van het vel in lateren tijd, met inkt bemorst, waerdoor er ook nog talryke verzen verdwenen zijn.

Het afschryven van dit stuk was dus eene zeer moeijelyke taek. Mijn zoon heeft zich daer mede belast, menig uer er aen besteed en de noodige chemische middelen gebruikt, om hetgene verdwenen was, zoo veel mogelyk, terug te doen komen. Ik zelf heb hem daerin geholpen, alles zorgvuldig nagezien, en eindelyk nog de drukproeven tegen het handschrift vergeleken; maer niet tegenstaende al onze poogingen is er nog veel, dat als onwederroepelyk verloren moet beschouwd worden.

Men kan berekenen, dat het getal der verzen, welke gansch of gedeeltelyk afgerukt of afgesneden zijn, en waeronder die van twee geheele kolommen, op ongeveer honderd en zestig beloopt,

[p. 259]

terwijl die, welke, het zy door de sleet, het zy door de inktvlekken, het zy door de bruine korst, onleesbaer zijn geworden of sterk geleden hebben, op een zestigtal kunnen begroot worden.

Al wat op het Fragment nog leesbaer is, geef ik met de grootste nauwkeurigheid terug. Hier en daer heb ik woorden of letters, die ontbraken, by gissing hersteld. Deze heb ik in cursief laten drukken.

Het doen van meerdere aenvullingen van dien aerd, die soms niet moeijelyk zullen vallen, laet ik aen anderen over.

De episode uit den Wisselau, die ons overgebleven is, zal nog meer het verlies van dat heerlyk dichtstuk doen betreuren; maer zy is dan toch toereikend om over de verdiensten van het geheel te doen oordeelen, en om hieraen eene eerste plaets in onze oude letterkunde toe te kennen. De recht epische gang van het verhael, de schilderachtigheid der tafereelen, de gepastheid der uitdrukkingen en de zuiverheid der tael, loopen te samen om mijn gezegde te staven.

Aen welken dichter men den Wisselau verschuldigd is, zal wellicht altijd een raedsel blyven.

Zie hier eene flauwe schets van het fragment. Hierin was het my natuerlyk niet mogelyk de bestaende leemten aen te vullen; en ik beken het recht uit, dat ik in verre na de kleur van het oorspronkelyk niet terug gegeven heb.

 

Karel de Groote, met zijn gevolg, waeronder Geernout, is in een reuzenland, waervan Espriaen koning is, aengekomen. Zy zijn zeer beducht, hoe zy hieruit zullen geraken. Maer Geernout heeft by zich eenen beer(1), Wisselau genoemd, die al verstaet

[p. 260]

wat zijn heer hem zegt, en al doet wat hy hem gebiedt. Deze vat eenen der reuzen aen, die, naer het schijnt, op den oever van de zee, op wacht stond, of ten minsten hun te gemoet was gekomen. Het dier mishandelt hem deerlyk. De reus roept om hulp tot Espriaen en zyne gezellen. ‘De duivel, schreeuwt hy heeft dien beer hier gezonden! Is hy de duivel zelf niet, dan is hy toch een van zyne gezellen! o Koning, blijft hy lang in uw land, dan brengt hy u alle schandelyk om, zooals hy my nu verslindt! Ach! ware myne speer zoo verre in de zee niet weggesmeten, dan zou geen vyand my dus van myne eer berooven!’ De reuzenkoning, die zynen man op het zand verslagen ziet liggen, roept de zynen byeen om tegen den beer en dezes geleider op te trekken. Hy zweert zynen kamper te zullen wreeken. ‘Dat zal niet ongestraft blyven, roept hy uit. Al wie my ooit dorst wederstaen, heeft er schande by gehaeld! Maekt uwe wapenen gereed, zegt hy tot zyne mannen. Gaen wy hem te gemoet.’

Geernout, die hen zag naken, sprak tot Wisselau: ‘Trek uwe klauwen uit, en laet uwe prooi liggen. Ik zie van gindsche borcht koning Espriaen met zyne vreeselyke reuzen afkomen. o Heer! wat zal er van ons geworden! Talryke manschappen volgen den koning, die zeer vertoornd is, omdat zijn kamper verslagen werd. Verwyder u van hier, gaet hy voort tot den beer, en laet u op nieuw vast binden, totdat wy zien wat er voorvalle. Later, en wanneer het noodig zou zijn, kan ik u wederom los maken. By de eerste gelegenheid vat gy nog eenen reus aen, en handelt gy met dezen, zooals met den eersten.’ Wisselau gehoorzaemt, houdt op den reus te verslinden, en laet zich naer de kiel van het schip terug brengen.

Koning Espriaen wendt zich tot zyne reuzen, en vraegt wie hunner tegen den beer durft worstelen. Hy kon immers den aengedanen hoon niet verduren. Niemand komt er echter vooruit. Dan spreekt Geernout listiglyk tot hem......

[p. 261]

De koning zegt aen Geernout, dat hy zynen kamper vastgebonden moet laten staen. ‘Kwame hy in myne zael, hy verslond ons allen’ Maer Geernout antwoordt: ‘Ik heb de vier broeders van Wisselau in de kiel van ons schip gelaten. Ik zal ze met ons leiden. Doe gy ons eten genoeg voorzetten; want die vier makkers zullen wel in eens verslinden al wat gy op eenen geheelen nacht zult kunnen doen gereed maken. Zy hadden immers sedert drie dagen, slechts één brood te eten’ Koning Espriaen dorst niet langer meer vertoeven. Hy trekt met zyne reuzen naer de borcht terug; want zy waren bevreesd, dat de vier andere beeren zouden worden los gelaten, en hun allen zouden verslinden. Doen deed Geernout den rok brengen, dien men voor Wisselau, toen deze te Aken aen het hof van Karel den Groote was, had doen maken. Hy trok hem dat kleed over, om hem daerdoor meer aenzien by te zetten, en hem des te meer door mannen en vrouwen te doen eerbiedegen. Toen de beer aldus opgetooid was, trok Karel met al zyne gezellen insgelyks ter borcht op. Geernout was nogmaels de geleider van den beer. Onder weg zegt hy hem: ‘Wanneer wy in de zael met koning Espriaen zullen zitten, loop gy dan naer de keuken, en vreet maer de spyzen op, die gy daer zult vinden, het zy gezoden, het zy gebraden. Zie goed wie de meesterkok is, klauw hem aen, vat hem by het haer, en verbrand hem in den ziedenden ketel. Als de anderen dit zien, zullen ze weg vlieden. Neem dan den ketel op, breng hem in de zael van den koning, en zet hem voor zynen troon neêr. Aldaer grijpt gy er den kok uit, en eet gy hem maer op.’ Geernout zegde hem dit in eene tael, welke noch door Karel, noch door zijn gevolg, noch door Espriaen verstaen werd, maer die aen Wisselau zeer welbekend was.

Als zy de borcht binnen traden, vas Wisselau, voor allen, uitgenomen voor Geernout, even barsch. Toen de poortier den beer zag, vluchtte hy weg en gilde: ‘o Wee! o Wee! Heer koning, de duivel komt hier gegaen!’ - ‘Laet, zegt Espriaen tot Geernout,

[p. 262]

den beer hier buiten.’ - ‘Neen, antwoordt deze, dat doe ik niet; het is een voortreffelyke kamper; ik acht en vereer hem daervoor te veel.’ - ‘Mijn poortwachter kan zijn aenzicht niet verdragen.’ - ‘Hy moet voor hem niet vluchten. De beer komt immers met zynen heer.’ - ‘Welnu, ik zal hem dan eer bewyzen, en hem genoeg laten eten, indien hy zich maer stil wil houden.’

Toen Karels gezellen de borcht binnen waren, werden zy bedacht, hoe zy het aen de reuzen zouden ontkomen; zy beraemden of zy deze zouden aenvallen; maer zy waren toch wel te moede, omdat Wisselau by hun was. Deze was hun troost, en moest, wat er ook gebeurde, hun verlosser zijn.

Wanneer zy nu in de zael gezeten waren, liet Geernout eensklaps den beer los. Espriaen vaert tegen den meester van het dier uit; maer deze antwoordt, dat hy Wisselau in dezes land heeft overwonnen, dat hy dus zijn heer is, en dat de beer, zoowel als zyne vier broeders, altijd doet, wat hy hun heet; dat hy tegen het dier wel durft worstelen, en het ook wel zou kunnen dood slaen, dat diensvolgends de reuzen niet moeten bevreesd zijn. Espriaen hernam, dat hy er geene trouw in had.

Onder dit gesprek komt er in eens eene groote menigte de zael binnen gestoven. Het zijn de schenkers en de drossaerts(1) gevolgd door de koks. Het gedrang was zoo groot dat de een zynen nek, de ander zijn been, de ander zynen arm brak. De koks, die al over hoop vlogen, kermden yselyk: ‘o Wee! o Wee! o Koning Espriaen, gilden zy, de duivel is in de keuken gevallen, en hy verslindt al wat er gereed staet, het zy ruw of gezoden! Hy is zoo afschuwelyk dat wy hem niet durven aenzien. Uw geliefde kok Brugigal, is deerlyk in den grooten ketel verbrand, en het dier heeft en vleeschhaek en lepel al verbroken.’

Geernout grimlachte, als hy naer den ketel zag, waer Brugigal in lag te zieden.

[p. 263]

De koning vloog op en wilde vluchten op eenen toren, om daer in zekerheid te zijn, maer Geernout, zijn gast, dwong hem neder te zitten. Wisselau zette den ketel voor den koning. Hy stak zyne pooten in het zop, en onder het algemeen gelach van Karel en zyne gezellen, trok hy herhaelde malen uit den ketel stukken vleesch van den kok, dien hy daerin gezoden had. Hy zat stillekens te eten, en wierp soms eenen afschuwelyken blik op den koning. De reuzen waren zoodanig verschrikt dat zy op de balken klommen. Van daer bedreigden zy den beer, en riepen zy: ‘Onheil geschiede u, gy die onze goede kok, welke ons zoo dikwyls heerlyk bezorgde, zit op te vreten!’

‘Laet, zei de koning, uw kamper weg gaen. Hy is zoo naer om te zien. Ik kan zynen aenblik niet verdragen. Help my dat ik vluchtte. Hoe zou ik, verlaten van al myne mannen, het dier bevechten?’ - Gy spreekt niet recht, zei Geernout, want ik zal alleen den beer wel overmeesteren. - ‘Ik zou zulks niet durven bestaen, want myne mannen zijn my alle ontvloden, en hebben zich weggestoken. Zy konden den blik van het gedrocht niet verdragen. Hoe zoudt gy, die zulke kleine worm zijt, met dat dier durven worstelen?’ Dit alles zesde de koning door list. Hy hoopte, dat de vertoornde beer Geernout en al die met dezen waren, zou verslinden. En dan zou hy, met zyne reuzen, het dier met alle slach van wapens overvallen, en dood slaen.

Geernout sprak dan Wisselau aen in de tael, die zy alleen verstonden: ‘De koning is op ons vergramd. Zie, wy zullen te samen worstelen, maer gy zult my niet byten, al is het dat ik u dapper sla. Gy weet, ik ben Geernout, uw heer, liet gy uwe klauwen my in de huid gaen, dan was het met onze vriendschap gedaen. Laet u ter neêr vellen, zoo zullen wy met eere naer ons land kunnen terug trekken.’

Hierna richtte hy zich tot den koning en sprak: ‘Om u te behagen, zal ik den beer temmen.’

[p. 264]

Hy springt dus op, en geeft Wisselau zulken geduchten slag, dat deze niet meer wist, waer hem de kop stond. Toen hy bekwam, vloog hy op Geernout, als of hy hem verbyten wilde. Hy greep hem in zyne klauwen, maer deed hem toch geen leed. Hy gehoorzaemde getrouw aen het gebod, dat zijn meester hem gedaen had. Hunne worsteling duerde wel zoo lang, dat men intusschen eene fransche myle weegs zou hebben afgelegd. Eindelyk week de beer, en veinsde overwonnen te zijn. Toen riepen al de reuzen: ‘Hoe kan het toch zijn, dat die kleine man dien kamper ten onder deed! De vreeselyke beer, die den reus zoo deerlyk mishandelde, is nu zelf ter nêer geveld. Die dwergen kunnen veel meer dan wy. Ons sloeg het dier dood; maer thands durft het niet meer opstaen. - ‘Van waer kwam u, vragen zy aen Geernout, zulke buitengewoone sterkte, dat gy den beer overmeesterdet?’

Toen sprak Geernout: ‘Sta op, Wisselau! Gy hebt hier al verslonden wat er gezoden of gebraden was. Ik weet niet wat wy zullen eten.’

De koning en zyne mannen begonnen te lachen.

Wisselau sprong op, en schudde zich zoo geducht, dat de kostbare knoppen van zynen rok afsprongen. Karel en zyne gezellen schaterden, en de keizer riep: ‘Waerom verslijt gy aldus uw kleed? Men zal u toch niet verwyten, dat uw heer u heeft overwonnen.’ De beer werd gram, en scheurde zynen heerlyken rok aen flenters, en smeet ze in het vuer. Toen vlyde hy zich neder by den aerd. Als hy daer lag, met den buik rond gegeten, was er geen reus, die voor duizend mark het zou hebben durven wagen hem te doen opstaen, of slechts van plaets te doen veranderen. Hy zat daer als een jonker. Hy had het warm, en de maeg vol van al het vleesch en het brood, dat hy had ingeslokt. De reuzen dorsten het vuer niet genaken.

‘Laet, zeî Espriaen tot Geernout, uw kamper niet zonder band in onze borcht. Myne mannen zullen ons wel spijs bereiden,

[p. 265]

al is het dat ik waerlyk niet weet, wat wy u zullen geven; want hy heeft het al verslonden dat gereed stond, en ons niets overgelaten. Hy zy vervloekt, omdat hy ooit in ons land is gekomen! Ik ben op hem vertoornd; maer u, lieve heeren, wil ik geerne eer bewyzen, want ik ben u bevriend.’

Geernout antwoordde: ‘De beer is thands zoo verzaed dat hy heden niet meer van zyne plaets zal afkomen. Hy zal hier by het vuer blyven rusten. Voor het overige stem ik met u in; maer men sla, of stoote hem niet. Gaet, sprak hy tot de reuzen, het eten bereiden.’ Met schroom gingen zy de spijs bezorgen, en maekten er genoeg gereed.

‘Zal, vroeg koning Espriaen, uw kamper met ons blyven? Ongeerne eet ik, waer hy is. Hy is zoo leelyk dat geen myner schenkers of drossaerts hem drank of spijs zou durven voorzetten.’

De beer bleef in de eetzael liggen. Geernout dacht intusschen altijd aen de middelen om zyne gezellen op eene eerbare wyze uit het land te doen komen. Telkens dat Espriaen zag dat de beer zich oprichtte, scheelde het niet veel, of hy zou met zyne mannen de tafel ontloopen. In zyne eigene zael had hy geene rust meer, maer was daer met doodelyken angst op het lijf.

Als zy nu van eten verzaed, zich by het vuer hielden, sprak men van te gaen rusten. ‘Zal, vroeg Espriaen, de kamper met u slapen?....’

 

De achttien laetste verzen leveren geenen goeden zin meer op.

Zie hier den tekst van het fragment:

 
+Wisselau balch sinen moet,
 
datti op sine were scoet,
 
ende sloech met sinen clauen
 
in sine ogebrauen;
5.
ende trac dattine velde,
 
onwerde dattine quelde.
 
Hi liet hem liggen neder.
 
Dese nestont op weder.
[p. 266]
 
Doene Wisselau verwan,
10.
riep de rese vresam.
 
‘Helpe, coninc Espriaen,
 
brenc hir alle dine man,V. 12
 
de duvel heten .. bestaen!
 
often iemen mach verslaen.
15.
Blijfti lange in u lant,
 
gi sijt alle gescant.
 
Mi heefti verslonden
 
nu tesen stonden!
 
Hi gelaet ofti hongerde sere!
20.
Ay! die mi minen spere,
 
in de zee, so verre, ontdeet.
 
God gevem leede gereet!
 
Waer mi mijn spere,V. 23
 
so verloric niet mijn ereV. 24
25.
dus vore enen viant.25
 
Die duvel hieten hier gesant!’
 
Dit horde de coninc Espriaen:
 
‘En mach hijr niet langer staen
 
nu van groten scande.
30.
Ic sie an gene sande
 
minen kempe verslagen;
 
dat en canic niet gedragen;
 
hi was mi van herten hout.
 
Nie en was man so stout,
35.
die mi wilde wederstaen,
 
hine hads met scade gedaen.
 
Nu heves wonder mi;
 
waer iemen starc si
 
diene mochte vellen;
40.
die duvel uter hellen,
 
en hadt seker gedaen!’
 
Doe seide de coninc Espriaen:
 
‘Gereet uv wapene openbare,
 
ende laet ons gaen daer nare.’
45.
Si waren daer met eenen saen.
 
+Doen nam de coninc Espriaen
[p. 267]
 
sine man bi handen,
 
ende gingen, op den sande,
 
die rese Gernout tegen.
50.
Dit sach die cone degen,
 
ende sprac te Wisselauwe:
 
‘Trec ut dine clauwe
 
ende laet dijn eten staen.
 
Ic sie van gere borge gaen,
55.
na minen besten waen,
 
den coninc Espriaen
 
met vreseliken resen.
 
Here! wat sal onser weren!V. 58
 
ic siere hem vele volgen.
60.
Ic wane hi es verbolgen,
 
ende sere scelden sal te hant,
 
dat sin kempe es gescant.
 
Wisselau, sote vrient,
 
hier en soutu beiden twent;
65.
mac di wech ende vlie,
 
dat di de coninc niet en sie.
 
Lati weder binden
 
tote wi ondervinden
 
willen si ...... groet,
70.
so es ...... dinen moet,
 
so ontbindic u, te waren,
 
eer si di dare ontvaren,
 
ontlopen ofte ontrinnen.
 
Machtuse an .I. side gewinnen
75.
in hars selfs gewout,
 
sine wildent om h .. hen gout;
 
of si ons met nide bestaen,
 
so vanc enen saen,
 
ende treckene onwerde
80.
neder op die erde;
 
ende toechten dine cracht,
 
ende doe hem dattu macht,
 
dattu heves gedaen desen.’
[p. 268]
 
Wisselau liet sin eten wesen,
85.
watti was gereet dare,
 
inden kiel gevaren,
 
daer hi sine .......
 
ende lieten .......
 
De ..........
90.
do ...........
 
+..... haren bere ge ....
 
.............
 
Doe ginc die coninc Espriaen
 
vaste bi den resen staen,
95.
ende vragede openbare,
 
wie dorsten verwaren,
 
die sine kimpe hadde verslagen.
 
En cant niet verdragen
 
dien lachter no dese scande.
100.
‘Magickene in desen sande
 
en ..... ons verwaren,
 
ic loent hem .M. marc te ware.
 
Hi war in meneger goet
 
comen dor min .....
105.
beide lude ende wale.’
 
Doe antwerde Gernout,
 
.. n .... en .I. here stout:
 
‘Hort dat, her coninc mijn,
 
wi ..... k ......... dijn
110.
d . b ...........
 
wi ...... k ......
 
recht ende genade hebben onderscet,
 
dat wi daden es ons leet,
 
.. b .... ons .... out,
115.
hi en quam dinen kempe stout,
 
hi seide hi soude ons allen vaen
 
ende binden ofte doet slaen.
 
Doe balch hi ......
 
diere hem lettel ....
120.
datti iemene gewike,
 
sijn si arm ofte rike,
 
op datti verbolgen es.
 
Dijs sijt seker ende gewes,
[p. 269]
 
quamer .C. also groet
125.
alse dese, hi had se doet,
 
eer du geaets een claue,’
 
Die coninc seide Wisselaue:
 
‘.. dien soud .......
 
.. moch ..........
130.
................
 
................
 
................
 
................
 
................
135.
+ .. tic ............
 
hi dede datti .........
 
hi spranc ute . es .......
 
alse de wilde weder .......
 
ende sloech na ........
140.
... ter ...........
 
................
 
Wisse ............
 
d ...............
 
................
145.
................
 
................
 
de ..............
 
................
 
daer hi wa ..........V. 149
150.
maer d ............V. 150
 
. ene ............
 
den ma ........... V. 152
 
doe .............
 
..... si .........
155.
Karel ende .........V. 155
 
ten .............
 
Spae ...........
 
ende sp ...........
 
... t .. s ........
160.
..... d .........
[p. 270]
 
.............
 
macht..........
 
datti ..........
 
al i ...........
165.
d ............
 
h ............
 
d . n .......
 
on ...........V. 168
 
.............
170.
.............
 
.............
 
.............
 
.............
 
.............
175.
..............
 
.............
 
.............
 
.............
 
.............
180.
.............
 
+.......... sant
 
....... ic gescant
 
....... et getale
 
........ u also wale
185.
........ derlike
 
........ haestelike
 
........ st wan
 
.............
 
.............
190.
.............
 
.............
 
.............
 
.............
 
...............
195.
.......... en
 
... nen ... gen u, heren,
 
.. t allen goeden
[p. 271]
 
...............
 
...............
200.
..............
 
......... nc
 
........ de ge ....
 
........... nomen
 
.............
205.
.... gern .. w dan
 
.. bere hadde geleed,
 
.... hadde gereet
 
....... epe saen
 
........ es .. aen
210.
...............
 
.............. e
 
...............
 
...............
 
...............
215.
...............
 
...............
 
...............
 
...............
 
...............
220.
...............
 
...............
 
...............
 
...............
 
...............
225.
...............
 
...............
 
...............
 
...............
 
...............
 
+Doe seide coninc Espriaen:
 
‘Gi selt uwen kimp laten staen
 
gebonden in den kiele.
 
Semmi! mine ziele!
230.
quam hi op minen zale,
 
hi verbete ons allen wale;
 
dat ware mine scande.
 
Dien coensten van den lande
[p. 272]
 
dien latic over niet varen,
235.
wil hi mi niet daren,
 
no doen enege scande
 
met clauwe ofte met tande.
 
Semmi! den here, de mi geboet!
 
hets de duvel of sin genoet!
240.
Wa... vragdene hi ...
 
esser dar dan mere,
 
dan er met desen bracht?’
 
Doe wert Gernout bedacht,V. 243
 
ende sprac vele sciere:
245.
‘Ic hebbe sier bruder viere
 
gebonden in den kiele.
 
Semmi! mine ziele!
 
die sin vreselike gevaen;
 
si selen met ons opstaen,
250.
ic salse met ons leiden.
 
Doet ons genoech gereiden;
 
dat segic u wale,
 
si atent tenen male
 
al dat in .I. nacht
255.
gereides, met diere cracht.
 
Ydel sijn hare magen,
 
si en aten in drien dagen
 
barelijc maer een broet.V. 258
 
Dese hebben honger groet.’
260.
Met sorgen sprac Espriaen:
 
‘...... an u genaden staen
 
...... et belgen
 
.......... Iden
 
.......... en
265.
..........
 
..........
 
..........
 
..........
 
..........
270.
..........
[p. 273]
 
+...... en ....... d
 
Maer de coninc Espriaen
 
en dorste niet langer staen.
 
De reussche heren
275.
begonden weder keren
 
alle op hare borge,
 
met wel groter sorge
 
ofte de ander .IIII. ontbonden,
 
dat sise, in corten stonden,
280.
souden bringen toter doet,
 
dat was haer anxt groet.
 
Doen hiet brengen Gernout
 
Wisselauwe, den hi was hout,
 
sinen roc diere
285.
van .IIII. quarteneren,
 
dien hi dede maken
 
doen hi ten hove tAken,
 
met Karel was gevaen.V. 288
 
Dien gaf hi Wisselau, te waren,
290.
ende dedene hem ane.
 
Dat dede, ic wane,
 
dattem te bat souden scouwen
 
beide heren ende vrouwen,
 
en uut achte te mere,
295.
ende oec dor der werelt ere;
 
ende hi hem oec beliet,
 
doen hi hem te kempe sciet.
 
Doen hi den roc hadde ane,
 
gingen si alle sane
300.
tote Espriaens borge
 
met wel groter sorge,
 
Karel ende sine man.
 
Wisselau mede gaen began.
 
Gernout leiden doe
305.
ende sprac den bere toe:
 
‘Alsic in den borch come,
 
soutu dichten dine vrome,
[p. 274]
 
ende wi jegen den coninc spreken,
 
so soutu ons ontbreken,
310.
...... c dan weten
 
....... ect dat eten
 
....... binnen
 
..........
 
..........
315.
.......... ie
 
+die spise brenc dan hiere
 
die harste bi den viere,
 
eist gesoden of gebraden.
 
Dus sele si di ontraden.
320.
Dan merct wel wie hi si
 
den meester coc, ende scart hem bi;
 
nemen bi den hare,
 
ende scouten int sop openbare.
 
Alse dandere dat gesien,
325.
sele si alle vortvlien.
 
Dan nem den ketel saen
 
ende comer met tons gegaen,
 
ende doe dat ic di rade,
 
in sconinx kemenelde.V. 329
330.
Set neder den ketel
 
vore sconinx setel,
 
dan nem den coc uut sop,
 
des selen wi maken ons scop,V. 333
 
ende eten dan al in dinen mont.’
335.
Hoe wel de bere dit verstont,
 
Karel en wiste haer tale niet,
 
no dat reussce diet;
 
sine wisten niet haer tale,
 
maer Wisselau verstont se wale.
340.
Doe hi ter borch quam binnen
 
en wilde hi niemen minnen
 
sonder Gernoude, sinen here.
[p. 275]
 
Hort van den portenere,
 
de vore de porte stont.
345.
Doe hi sach, ter stont
 
began hi van dare te vlien.
 
Hine dorsten niet anesien.
 
Hi vloe, hi riep met wee:
 
‘o Wi! o wach! o wee!
350.
Here coninc Espriaen,
 
hier comt de duvel gegaen!
 
Hi es soe starc ende so groet;
 
hier es goeder hulpen noet.
 
Doe seide de coninc Espriaen:
355.
‘Laet, dorper, din geselle staen’ -
 
‘Hets .I. kempe eerlic;
 
mijn goede kempe eeric.’ -
 
‘Hine conden niet wederstaen.’ -
 
‘Dese en moesten te were staen;
360.
hi comt met sinen here.’ -
 
+‘Ic willene gerne eren;
 
ende willen genoech geven,
 
wille hi met gemake leven,
 
na minen besten waen.’
365.
Noch w .. den coninc Espriaen
 
Wisselau moede,
 
dattie kempe goede
 
darom .... nam
 
......... quam
370.
dese de borch ... sal.
 
De rese ........ al
 
dat si hebbe nu hare stat.
 
Karel vore den coninc sat.
 
M ..... Geernoude vanc
375.
die ....... dwanc
 
........ gout
 
..........
 
vertrakene ......
 
des goeden Geernouts knecht.
380.
Si hadden groten sorge
 
hoe si uter borge
 
souden metten live ontgaen;
[p. 276]
 
of se de resen wilden bestaen
 
met groten nide,
385.
dar si waren blide
 
dat Wisselau haer geselle was,
 
daer ic vormaels ave las;V. 387
 
ende si hadden groeten troest,
 
dat si seker verloest
390.
met hem souden wesen,
 
bestonden se de resen.
 
Doe si saten in de zale,
 
sprac Espriaen dese tale:
 
‘........ mi
395.
......... t besteti di
 
........ genoet
 
...... net so groet
 
...... uwen
 
...... ouwen
400.
...... u volgen
 
...... n
 
.... n niet ontfaren.
 
...... en te waren.’
 
Doe antwerde Gernout,V. 404
405.
die coen was ende bout:
 
+‘Espriaen, dats waer,
 
kinlijc ende openbaer,
 
dese kempe, dese here
 
doet mi dicke grote ere.
410.
Hore wijs, ic di trouwe geve,
 
hines no mijn maech, no mijn neve,
 
no niewer belant.
 
Ic verwan hem in sijn lant
 
datti mijn man wert sciere;
415.
ende siere broeder viere,
 
die doen alle mijn gebot,
 
in enen winke, wete God!
 
Ic dorste desen wel bestaen,
 
ende soudene te doet slaen.’
[p. 277]
420.
Doe antwerde de coninc,V. 420
 
dats waerlike dinc:V. 421
 
‘Ic en cans niet getrouwen.’
 
Mettien quamen gevlowen
 
scinkers, drossaten,
425.
die hars selfs so vergaten,
 
dat vloen in de zale.
 
Dies daric nu vermeten wale,
 
dat se so drongen over een,
 
datter selc brac sin been,
430.
selc sin arm, selc sin hoeft.
 
Alle de coke, dijs geloeft,
 
vloen schiere op een paras;V. 432
 
ende riepen: ‘o Wi! o las!
 
Here coninc Espriaen,
435.
in de cokene es gegaen
 
die duvel barlike!
 
Hi slint warlike
 
al datter es gereet,
 
rou, gesoden, God weet!
440.
Wine moegen met hem niet gesijn,
 
gine wilt ons gehulpech sijn!
 
Die liefsten coc Brugigal
 
es nu verscout al
 
in den groten ketel.
445.
Beide crauwel ende lepel
 
brecti an dine want.
 
Hi woest noch heden al u lant,
 
ende etet al, dart es binnen.
 
En condi oec niet ontrinnen,
450.
ghi latet hier u lijf,
 
+sidi man, sidi wijf.’
 
Doe sat Gernout ende loech,
 
ende sach waer Wisselau sloechV. 453
 
den ketel, dar Brugigal,
455.
in lach verscout al.
 
Die coninc Espriaen
 
wart op, ende wilde vlien saen,V. 457
[p. 278]
 
op ene torre, de was vast;
 
maer Gernout, sin gast,V. 459
460.
tractene datti neder sat.
 
Wisselau vor hem trac,
 
hi sette neder den ketel,
 
ende en eisscede crauwel no lepel.
 
Sijn poten stac hi int sop;
465.
des hielden haer scop
 
Karel ende sine genoete.V. 466
 
Vleesch stucken vele, groete,
 
trac hire uut van den coke,
 
dien hi scoude in den sope.
470.
Ay! hoe soetelike hijt at!
 
Doe hi vor den coninc sat,
 
hi sachen wredelike an.
 
Alle de rese, sine man,
 
varen vervart soe
475.
dat si op de balken clommen hoe.
 
Doe spraken si alle, te waren:
 
‘Evele moetstu gevaren,
 
ende evele mote di gescien,
 
dattu ets, dar wi toe sien,
480.
onsen coc ende onsen knecht,
 
die ons dicke wel heft berecht!’
 
Doe seide de coninc Espriaen:
 
‘Laet uwen kempe wech gaen;
 
hi es lelec ane te scouwen.
485.
Dus mochdi mi getrouwen,
 
ic magene niet aensien.
 
Helpt mi dat ic moege vlien
 
ende dat ic moege ontfaren.
 
Hier en settem niemen, ter waren,
490.
van al minen knechten;
 
hoe soudic iegen hem gevechten?’ -
 
‘Du seits onwaer.’ -
 
‘Du dorst evele bestaen,
 
dattu ... iene va ..
[p. 279]
495.
...............
 
+des en canic niet betrouen.
 
Mine knecht sin mi ontvlouen
 
ende hebben hem geborgenV. 498
 
met wel groter sorgen;
500.
sine dorstent niet gesien.
 
Dat en mochte niet gescien,
 
dor luste dorstes bestaen,
 
ende hem doet woudes slaen?
 
ende du so clenen worme bist.’
505.
Dit seidi al dor list;
 
hi hopede datti soude
 
verbiten Geernoude
 
ende alle die hem volgen,
 
op datti worde verbolgen.
510.
Ende dan waendene scieten
 
met staken ende met spieten,
 
met sniden ende met schachten.V. 512
 
Dit waren sine gedachte.
 
Doe sprac Geernout
515.
te Wisselaue, dijn hi hout,
 
in gargoensche tale,
 
dat niemen dar wale,
 
sonder Wisselau, en vernam:
 
‘De coninc es tonswert gram,
520.
wi selen te samen springen,
 
beide worstelen ende wringen.
 
Wisselau, ic ben dijn vrient,
 
du en sout mi biten twent,
 
al slaic u sere;
525.
ic ben Ghernout, u here.
 
Comt dijn clau in mine huut,
 
so es onse vrienscap uut.
 
Strijdt niet lange daer weder,V. 528
 
laet u werpen ter neder,
530.
Dan sele wi met eren
 
te lande weder keren.’
[p. 280]
 
Doe dese tale was gedaen.
 
sprac Ghernout, de cone, saen:
 
‘Espriaen, here,
535.
dor u minne ende u ere,
 
doe ic Wisselaue ....
 
wetu da es v ....
 
Jaet, sprac Ger ....
 
............
540.
............
 
+beide nacht ende dach.’
 
Doe spranc op Gernout,
 
en cone helt stout,V. 543
 
ende gaf den bere enen slach,
545.
datti en horde no en sach.
 
Alse doe verquam de bere
 
spranc hi op sinen here,
 
den goeden Geernoude,
 
alse of hine verbiten woude,
550.
alse hi oec hadde gedaen,
 
hadde hi de tale niet verstaen,
 
die hem Gernout hiet,
 
daer hijt al omme liet.
 
Doe dedi de gelike
555.
alse of hine gruwelike
 
al verbiten soude.
 
Doe wronc hi Gernoude
 
algader in sine claen;
 
maer hine wildes niet slaen,V. 559
560.
dattem iet dade wee.
 
Dus worstelden si twee,
 
wel so lange wile,
 
dat men ene fransoise mile
 
met gemake soude gaen.
565.
Doe weec de bere saen,
 
doe werpene onwerde