Het epos, waervan ik het eenig fragment, dat men tot hiertoe ontdekt heeft, voor de eerste mael laet drukken, is stellig een der merkwaerdigste voortbrengselen van onze middeleeuwsche letterkunde. Het is van eenen anderen aerd als al wat wy tot hiertoe kennen, en het schijnt geheel en al by ons te huis te behooren.
Aenzienlyk is, zooals men weet, het getal der ridder-romans, die onze voorvaders in de XIIe en XIIIe eeuwen uit het fransch of vertaelden of navolgden. Door het gedurig rondzweven in eenen gedachtenkring aen onze zuidelyke naburen eigen, stralen soms, by ons, zelfs in oorspronkelyke ridder-epossen, zooals de Walewein, uitheemsche begrippen door.
Met den Wisselau is het anders gelegen. De sage behoort tot de algemeene duitsche wereld, maer schijnt alleen by ons behandeld te zijn geweest, alhoewel men haer in verband kan brengen met het Heldenbuch. Men zal met Mone niet(1) kunnen aennemen, dat de overwinning van Chlodowig I, op Syagrius, koning van Soissons, ten jare 486 behaeld, aenleiding gegeven heeft tot deze verdichte geschiedenis. Wat haer echter tot grondslag gediend heeft, is voor my vry onzeker.
In de overgeblevene verzen van den Wisselau worden slechts
vijf personaedjen genoemd. De beer, die de hoofdrol speelt, en die zynen naem aen het dichtstuk heeft gegeven; Geernout de heer en leider van den beer; Karel de Groote, die van alles getuigen is, maer zelf byna noch spreekt, noch handelt; Espriaen, de koning der Reuzen, en eindelyk dezes opperkok Brugigal.
Espriaen komt in de hoogduitsche letterkunde, onder den naem van Asprian, voor. Geernout is een der helden uit de Niebelungen.
Ons dichtstuk heeft met de dierensage, zooals men ze in den Reinaert aentreft, niet gemeens. Wisselau immers spreekt niet, en zelfs in het gedeelte van het epos, dat wy behouden hebben, handelt hy niet uit eigene beweging. Hy is geheel ten dienste van Geernout, zynen heer, en doet alles wat deze hem gebiedt.
De overgeblevene episode van den Wisselau herinnert ons eenigs zins aen het Niebelungen-lied en wel aen de aventuer van Siegfrieds Beerenvangst, waerin ook een beer in de keuken loopt en daer alles in rep en roer brengt, al maekt hy het juist zoo erg niet als Wisselau, die den kok Brugigal in het ziedend water doopt, en hem dan opeet.
Mone uit de meening, dat men het dichtstuk tot de XIIe eeuw kan doen opklimmen. Ik denk, dat de uitgave van het stuk het gevoelen van dien geleerde zal komen bevestigen. Het draegt immers talryke sporen van hoogen ouderdom. Aen alwie met de gedenkstukken onzer middeleeuwsche letterkunde bekend is, en vooral met die der XIIIe eeuw, zal het verschil dadelyk in het oog loopen, dat er tusschen dit stuk en andere bestaet. Het metrum vooral, is hier geheel anders. De verzen, die elders gewoonlyk drie of vier heffingen of slagen hebben, zijn hier in 't algemeen zeer kort, en tellen er meestal slechts drie, en soms ook maer twee. By voorbeeld:
en dergelyke.
Verder heeft het geheel eenen waes van oudheid, die de gissing van Mone, zooals ik reeds zegde, komt bekrachtigen.
Maerlant, die ten jare 1283 zynen Spiegel Historiael ondernam, spreekt reeds van den Wisselau:
Maerlant was van jongs af, een vyand van alle verdichtselen; maer ongetwyfeld had hy in zyne jeugd den Beer Wisselau gelezen, en toen hy den Spiegel Historiael schreef, en met het vorderen der jaren nog meer ernstig geworden was, stond het hem vry met minachting van dat gedicht te spreken, alzoo het waerschijnlyk des tijds reeds niet veel meer in den smaek viel, en ook omdat waerschijnlyk de schryver alsdan reeds sedert lange jaren overleden was. Dat Maerlant echter, die een man was van buitengewoone belezenheid, met den inhoud zeer wel bekend was, blijkt uit de gepaste uitdrukking.
In dit epos in der daed bedrijft de beer euveldaden, waeraen Maerlant te recht den naem van snodelheden geeft, terwijl hy Reinaerts poetsen slechts boerden heet:
In den Reinaert gaet het immers nooit zoo gruwzaem toe als in den Wisselau. Daerin worden geene menschen opgegeten, zooals in het fragment, dat ik hier mededeel.
By eenen anderen onzer middeleeuwsche dichters, namelyk by Jan Boendale, wordt ook gewag gemaekt van den Wisselau:
Maer deze plaets van Boendale is door hem aen den gemelden Spiegel Historiael, ontleend alwaer ze insgelyks, maer elders, voorkomt(2).
Van het fragment, dat ik hier laet drukken, werden er vroeger enkele verzen medegedeeld door professor Mone, door doctor Snellaert en door C.A. Serrure.
Mone, in zijn Uebersicht ten jare 1838 verschenen, heeft er zeventien opgenomen (v. 612-618 en v. 646-658). De heer Snellaert, in zyne bekroonde Verhandeling, ten zelfden jare van de pers gekomen, deelde er achttien mede (v. 604-621). In de insgelyks bekroonde Verhandeling van mynen zoon, welke in 1855 van de pers kwam, komen er vier en vijftig verzen voor (v. 604-628 en 646-674). Uit deze opgave blijkt, dat steeds de twee zelfde
plaetsen tot proeven werden gegeven, en dat wel om reden dat men telkens een gedeelte van het fragment, hetwelk het leesbaerst was, heeft uitgekozen.
Jammer is het, dat er van den Beer Wisselau, dat waerschijnlyk een gedicht was van grooten omvang, slechts één enkel fragment tot ons gekomen zy(1). Het is een dubbel vel perkaments uit een handschrift van de eerste helft der veertiende eeuw, in groot 4to-formaet, en op vier kolommen, van 45 verzen elk, geschreven. Ware dus het vel ongeschonden, dan zou het zeven honderd en twintig regels bevatten. De codex, waertoe het eens behoorde, was van eene fraeije en zeer leesbare hand. Enkele groote letters in rooden inkt, wyzen van tijd tot tijd den overgang aen tot een nieuw hoofdstuk des gedichts. De verkortingteekens zijn niet talrijk en niet anders dan die, welke men gewoonlyk ontmoet. Zoo staet er cō voor coninc, K'l voor Karel, m' voor maer, d' voor daer, w'pen voor werpen, enz.
De tael is zeer zuiver en zeer verstaenbaer. Hier en daer ontmoet men vormen, die alhoewel niet onbekend, toch in de meeste onzer handschriften niet voorkomen. Zoo leest men byna altijd de voor die, de coninc voor die coninc; ook staet er veeltijds o in plaets van oe, dus ho voor hoe, te mode voor te moede, mote voor moete, sote voor soete, gehodet voor gehoedet. Verder ook hier en daer de enkele u voor w, dus betrouen voor betrowen, ontvlouen voor ontvlowen, Wisselaue voor Wisselawe, enz. Eindelyk de ij voor ie, hijr voor hier, dijs voor dies, enz.(2).
Het vel perkaments had in het handschrift het binnenste blad uitgemaekt van een kwatern, zoodat er, te midden in, niets ontbreekt, en het verhael gaet doorloopend voort.
Het laetste vers van de eerste helft van het vel:
rijmt met den eersten regel van het tweede gedeelte, en de zin gaet door:
Ik zegde boven, dat wy in het bezit zouden zijn van zeven honderd en twintig verzen, indien het vel perkaments ongeschonden tot ons ware gekomen. Doch dat is, jammer genoeg, aldus niet; want het heeft alle slach van mishandelingen ondergaen. Hel diende wel eens, eerder tot omslag dan tot schutblad aen een register. De schaer heeft een gedeelte van de eerste helft wat ingekort, zoodanig dat er aen het einde van elke kolom een of meer verzen zijn afgesneden. Aen de buitenkanten zijn op meer dan eene plaets stukken afgerukt, of door den ouderdom verdwenen. Hier en daer zijn de letters uitgesleten. Daer en boven ligt er op het grootste gedeelte van den voorkant, bevattende de kolommen 2, 3 en 4 van A ro. eene bruine korst, waer onder het schrift soms bezwaerlyk te lezen valt. Eindelyk is de binnenkant van het vel in lateren tijd, met inkt bemorst, waerdoor er ook nog talryke verzen verdwenen zijn.
Het afschryven van dit stuk was dus eene zeer moeijelyke taek. Mijn zoon heeft zich daer mede belast, menig uer er aen besteed en de noodige chemische middelen gebruikt, om hetgene verdwenen was, zoo veel mogelyk, terug te doen komen. Ik zelf heb hem daerin geholpen, alles zorgvuldig nagezien, en eindelyk nog de drukproeven tegen het handschrift vergeleken; maer niet tegenstaende al onze poogingen is er nog veel, dat als onwederroepelyk verloren moet beschouwd worden.
Men kan berekenen, dat het getal der verzen, welke gansch of gedeeltelyk afgerukt of afgesneden zijn, en waeronder die van twee geheele kolommen, op ongeveer honderd en zestig beloopt,
terwijl die, welke, het zy door de sleet, het zy door de inktvlekken, het zy door de bruine korst, onleesbaer zijn geworden of sterk geleden hebben, op een zestigtal kunnen begroot worden.
Al wat op het Fragment nog leesbaer is, geef ik met de grootste nauwkeurigheid terug. Hier en daer heb ik woorden of letters, die ontbraken, by gissing hersteld. Deze heb ik in cursief laten drukken.
Het doen van meerdere aenvullingen van dien aerd, die soms niet moeijelyk zullen vallen, laet ik aen anderen over.
De episode uit den Wisselau, die ons overgebleven is, zal nog meer het verlies van dat heerlyk dichtstuk doen betreuren; maer zy is dan toch toereikend om over de verdiensten van het geheel te doen oordeelen, en om hieraen eene eerste plaets in onze oude letterkunde toe te kennen. De recht epische gang van het verhael, de schilderachtigheid der tafereelen, de gepastheid der uitdrukkingen en de zuiverheid der tael, loopen te samen om mijn gezegde te staven.
Aen welken dichter men den Wisselau verschuldigd is, zal wellicht altijd een raedsel blyven.
Zie hier eene flauwe schets van het fragment. Hierin was het my natuerlyk niet mogelyk de bestaende leemten aen te vullen; en ik beken het recht uit, dat ik in verre na de kleur van het oorspronkelyk niet terug gegeven heb.
Karel de Groote, met zijn gevolg, waeronder Geernout, is in een reuzenland, waervan Espriaen koning is, aengekomen. Zy zijn zeer beducht, hoe zy hieruit zullen geraken. Maer Geernout heeft by zich eenen beer(1), Wisselau genoemd, die al verstaet
wat zijn heer hem zegt, en al doet wat hy hem gebiedt. Deze vat eenen der reuzen aen, die, naer het schijnt, op den oever van de zee, op wacht stond, of ten minsten hun te gemoet was gekomen. Het dier mishandelt hem deerlyk. De reus roept om hulp tot Espriaen en zyne gezellen. ‘De duivel, schreeuwt hy heeft dien beer hier gezonden! Is hy de duivel zelf niet, dan is hy toch een van zyne gezellen! o Koning, blijft hy lang in uw land, dan brengt hy u alle schandelyk om, zooals hy my nu verslindt! Ach! ware myne speer zoo verre in de zee niet weggesmeten, dan zou geen vyand my dus van myne eer berooven!’ De reuzenkoning, die zynen man op het zand verslagen ziet liggen, roept de zynen byeen om tegen den beer en dezes geleider op te trekken. Hy zweert zynen kamper te zullen wreeken. ‘Dat zal niet ongestraft blyven, roept hy uit. Al wie my ooit dorst wederstaen, heeft er schande by gehaeld! Maekt uwe wapenen gereed, zegt hy tot zyne mannen. Gaen wy hem te gemoet.’
Geernout, die hen zag naken, sprak tot Wisselau: ‘Trek uwe klauwen uit, en laet uwe prooi liggen. Ik zie van gindsche borcht koning Espriaen met zyne vreeselyke reuzen afkomen. o Heer! wat zal er van ons geworden! Talryke manschappen volgen den koning, die zeer vertoornd is, omdat zijn kamper verslagen werd. Verwyder u van hier, gaet hy voort tot den beer, en laet u op nieuw vast binden, totdat wy zien wat er voorvalle. Later, en wanneer het noodig zou zijn, kan ik u wederom los maken. By de eerste gelegenheid vat gy nog eenen reus aen, en handelt gy met dezen, zooals met den eersten.’ Wisselau gehoorzaemt, houdt op den reus te verslinden, en laet zich naer de kiel van het schip terug brengen.
Koning Espriaen wendt zich tot zyne reuzen, en vraegt wie hunner tegen den beer durft worstelen. Hy kon immers den aengedanen hoon niet verduren. Niemand komt er echter vooruit. Dan spreekt Geernout listiglyk tot hem......
De koning zegt aen Geernout, dat hy zynen kamper vastgebonden moet laten staen. ‘Kwame hy in myne zael, hy verslond ons allen’ Maer Geernout antwoordt: ‘Ik heb de vier broeders van Wisselau in de kiel van ons schip gelaten. Ik zal ze met ons leiden. Doe gy ons eten genoeg voorzetten; want die vier makkers zullen wel in eens verslinden al wat gy op eenen geheelen nacht zult kunnen doen gereed maken. Zy hadden immers sedert drie dagen, slechts één brood te eten’ Koning Espriaen dorst niet langer meer vertoeven. Hy trekt met zyne reuzen naer de borcht terug; want zy waren bevreesd, dat de vier andere beeren zouden worden los gelaten, en hun allen zouden verslinden. Doen deed Geernout den rok brengen, dien men voor Wisselau, toen deze te Aken aen het hof van Karel den Groote was, had doen maken. Hy trok hem dat kleed over, om hem daerdoor meer aenzien by te zetten, en hem des te meer door mannen en vrouwen te doen eerbiedegen. Toen de beer aldus opgetooid was, trok Karel met al zyne gezellen insgelyks ter borcht op. Geernout was nogmaels de geleider van den beer. Onder weg zegt hy hem: ‘Wanneer wy in de zael met koning Espriaen zullen zitten, loop gy dan naer de keuken, en vreet maer de spyzen op, die gy daer zult vinden, het zy gezoden, het zy gebraden. Zie goed wie de meesterkok is, klauw hem aen, vat hem by het haer, en verbrand hem in den ziedenden ketel. Als de anderen dit zien, zullen ze weg vlieden. Neem dan den ketel op, breng hem in de zael van den koning, en zet hem voor zynen troon neêr. Aldaer grijpt gy er den kok uit, en eet gy hem maer op.’ Geernout zegde hem dit in eene tael, welke noch door Karel, noch door zijn gevolg, noch door Espriaen verstaen werd, maer die aen Wisselau zeer welbekend was.
Als zy de borcht binnen traden, vas Wisselau, voor allen, uitgenomen voor Geernout, even barsch. Toen de poortier den beer zag, vluchtte hy weg en gilde: ‘o Wee! o Wee! Heer koning, de duivel komt hier gegaen!’ - ‘Laet, zegt Espriaen tot Geernout,
den beer hier buiten.’ - ‘Neen, antwoordt deze, dat doe ik niet; het is een voortreffelyke kamper; ik acht en vereer hem daervoor te veel.’ - ‘Mijn poortwachter kan zijn aenzicht niet verdragen.’ - ‘Hy moet voor hem niet vluchten. De beer komt immers met zynen heer.’ - ‘Welnu, ik zal hem dan eer bewyzen, en hem genoeg laten eten, indien hy zich maer stil wil houden.’
Toen Karels gezellen de borcht binnen waren, werden zy bedacht, hoe zy het aen de reuzen zouden ontkomen; zy beraemden of zy deze zouden aenvallen; maer zy waren toch wel te moede, omdat Wisselau by hun was. Deze was hun troost, en moest, wat er ook gebeurde, hun verlosser zijn.
Wanneer zy nu in de zael gezeten waren, liet Geernout eensklaps den beer los. Espriaen vaert tegen den meester van het dier uit; maer deze antwoordt, dat hy Wisselau in dezes land heeft overwonnen, dat hy dus zijn heer is, en dat de beer, zoowel als zyne vier broeders, altijd doet, wat hy hun heet; dat hy tegen het dier wel durft worstelen, en het ook wel zou kunnen dood slaen, dat diensvolgends de reuzen niet moeten bevreesd zijn. Espriaen hernam, dat hy er geene trouw in had.
Onder dit gesprek komt er in eens eene groote menigte de zael binnen gestoven. Het zijn de schenkers en de drossaerts(1) gevolgd door de koks. Het gedrang was zoo groot dat de een zynen nek, de ander zijn been, de ander zynen arm brak. De koks, die al over hoop vlogen, kermden yselyk: ‘o Wee! o Wee! o Koning Espriaen, gilden zy, de duivel is in de keuken gevallen, en hy verslindt al wat er gereed staet, het zy ruw of gezoden! Hy is zoo afschuwelyk dat wy hem niet durven aenzien. Uw geliefde kok Brugigal, is deerlyk in den grooten ketel verbrand, en het dier heeft en vleeschhaek en lepel al verbroken.’
Geernout grimlachte, als hy naer den ketel zag, waer Brugigal in lag te zieden.
De koning vloog op en wilde vluchten op eenen toren, om daer in zekerheid te zijn, maer Geernout, zijn gast, dwong hem neder te zitten. Wisselau zette den ketel voor den koning. Hy stak zyne pooten in het zop, en onder het algemeen gelach van Karel en zyne gezellen, trok hy herhaelde malen uit den ketel stukken vleesch van den kok, dien hy daerin gezoden had. Hy zat stillekens te eten, en wierp soms eenen afschuwelyken blik op den koning. De reuzen waren zoodanig verschrikt dat zy op de balken klommen. Van daer bedreigden zy den beer, en riepen zy: ‘Onheil geschiede u, gy die onze goede kok, welke ons zoo dikwyls heerlyk bezorgde, zit op te vreten!’
‘Laet, zei de koning, uw kamper weg gaen. Hy is zoo naer om te zien. Ik kan zynen aenblik niet verdragen. Help my dat ik vluchtte. Hoe zou ik, verlaten van al myne mannen, het dier bevechten?’ - Gy spreekt niet recht, zei Geernout, want ik zal alleen den beer wel overmeesteren. - ‘Ik zou zulks niet durven bestaen, want myne mannen zijn my alle ontvloden, en hebben zich weggestoken. Zy konden den blik van het gedrocht niet verdragen. Hoe zoudt gy, die zulke kleine worm zijt, met dat dier durven worstelen?’ Dit alles zesde de koning door list. Hy hoopte, dat de vertoornde beer Geernout en al die met dezen waren, zou verslinden. En dan zou hy, met zyne reuzen, het dier met alle slach van wapens overvallen, en dood slaen.
Geernout sprak dan Wisselau aen in de tael, die zy alleen verstonden: ‘De koning is op ons vergramd. Zie, wy zullen te samen worstelen, maer gy zult my niet byten, al is het dat ik u dapper sla. Gy weet, ik ben Geernout, uw heer, liet gy uwe klauwen my in de huid gaen, dan was het met onze vriendschap gedaen. Laet u ter neêr vellen, zoo zullen wy met eere naer ons land kunnen terug trekken.’
Hierna richtte hy zich tot den koning en sprak: ‘Om u te behagen, zal ik den beer temmen.’
Hy springt dus op, en geeft Wisselau zulken geduchten slag, dat deze niet meer wist, waer hem de kop stond. Toen hy bekwam, vloog hy op Geernout, als of hy hem verbyten wilde. Hy greep hem in zyne klauwen, maer deed hem toch geen leed. Hy gehoorzaemde getrouw aen het gebod, dat zijn meester hem gedaen had. Hunne worsteling duerde wel zoo lang, dat men intusschen eene fransche myle weegs zou hebben afgelegd. Eindelyk week de beer, en veinsde overwonnen te zijn. Toen riepen al de reuzen: ‘Hoe kan het toch zijn, dat die kleine man dien kamper ten onder deed! De vreeselyke beer, die den reus zoo deerlyk mishandelde, is nu zelf ter nêer geveld. Die dwergen kunnen veel meer dan wy. Ons sloeg het dier dood; maer thands durft het niet meer opstaen. - ‘Van waer kwam u, vragen zy aen Geernout, zulke buitengewoone sterkte, dat gy den beer overmeesterdet?’
Toen sprak Geernout: ‘Sta op, Wisselau! Gy hebt hier al verslonden wat er gezoden of gebraden was. Ik weet niet wat wy zullen eten.’
De koning en zyne mannen begonnen te lachen.
Wisselau sprong op, en schudde zich zoo geducht, dat de kostbare knoppen van zynen rok afsprongen. Karel en zyne gezellen schaterden, en de keizer riep: ‘Waerom verslijt gy aldus uw kleed? Men zal u toch niet verwyten, dat uw heer u heeft overwonnen.’ De beer werd gram, en scheurde zynen heerlyken rok aen flenters, en smeet ze in het vuer. Toen vlyde hy zich neder by den aerd. Als hy daer lag, met den buik rond gegeten, was er geen reus, die voor duizend mark het zou hebben durven wagen hem te doen opstaen, of slechts van plaets te doen veranderen. Hy zat daer als een jonker. Hy had het warm, en de maeg vol van al het vleesch en het brood, dat hy had ingeslokt. De reuzen dorsten het vuer niet genaken.
‘Laet, zeî Espriaen tot Geernout, uw kamper niet zonder band in onze borcht. Myne mannen zullen ons wel spijs bereiden,
al is het dat ik waerlyk niet weet, wat wy u zullen geven; want hy heeft het al verslonden dat gereed stond, en ons niets overgelaten. Hy zy vervloekt, omdat hy ooit in ons land is gekomen! Ik ben op hem vertoornd; maer u, lieve heeren, wil ik geerne eer bewyzen, want ik ben u bevriend.’
Geernout antwoordde: ‘De beer is thands zoo verzaed dat hy heden niet meer van zyne plaets zal afkomen. Hy zal hier by het vuer blyven rusten. Voor het overige stem ik met u in; maer men sla, of stoote hem niet. Gaet, sprak hy tot de reuzen, het eten bereiden.’ Met schroom gingen zy de spijs bezorgen, en maekten er genoeg gereed.
‘Zal, vroeg koning Espriaen, uw kamper met ons blyven? Ongeerne eet ik, waer hy is. Hy is zoo leelyk dat geen myner schenkers of drossaerts hem drank of spijs zou durven voorzetten.’
De beer bleef in de eetzael liggen. Geernout dacht intusschen altijd aen de middelen om zyne gezellen op eene eerbare wyze uit het land te doen komen. Telkens dat Espriaen zag dat de beer zich oprichtte, scheelde het niet veel, of hy zou met zyne mannen de tafel ontloopen. In zyne eigene zael had hy geene rust meer, maer was daer met doodelyken angst op het lijf.
Als zy nu van eten verzaed, zich by het vuer hielden, sprak men van te gaen rusten. ‘Zal, vroeg Espriaen, de kamper met u slapen?....’
De achttien laetste verzen leveren geenen goeden zin meer op.
Zie hier den tekst van het fragment: