Ik laet hier al wat het groot Hulthemsch handschrift, Nr 192, die zoo ryke bron voor onze oude letterkunde, nog oplevert, volgen.
De twee eerste stukken werden reeds vroeger, doch naer andere handschriften uitgegeven. De legende van Sinte Gertruiden minne, waerin men den oorsprong verhaelt van het oud vaderlandsch gebruik, om, wanneer men zich van elkander moet verwyderen, by het afscheid nemen, den dronk van Sinte Geertrui toe te brengen(1), werd reeds vroeger door Clignett uitgegeven(2) Hy trok het uit een handschrift op de koninklyke bibliotheek te 's Gravenhage, hetwelk de gedichten van Willem van Hildegaersberch bevat.
Een tweede afschrift van dat zelfde dichstuk komt nog voor in eenen Codex, ter brusselsche bibliotheek berustende, die ook vroeger van Van Hulthems nalatenschap deel maekte, en waerin insgelyks de dichtarbeid van Willem van Hildegaersberch verzameld is(3).
De tekst van Sinte Gertruiden minne uit het handschrift Nr 192, dat voor my ligt, is dus de derde. Ik aerzel niet deze laetste lezing
hier mede te deelen, niet alleen omdat ze soms van de andere nog al afwijkt, maer ook omdat ze my in 't algemeen beter en ouder schijnt dan de twee andere. Daerby verdient het opmerking dat het slot van dit stuk geheel anders is, en dat daerin de naem van Willem van Hildegaersberch niet te vinden is.
By Clignett, en in een der handschriften van Brussel, luiden de laetste regels aldus:
Daer voor leest men in het handschrift dat ik volg:
Thands breng ik in bedenking of men voortaen nog dit dichtstuk mag beschouwen als zijnde uit de pen van Willem Van Hildegaerdsberch gevloeid?
Reeds vroeger zegde professor Jonckbloet: ‘De vraag is wel eens gerezen of alle gedichten in het bekende handschrift (het haegsche) wel van zijne hand zijn. En werkelijk er scheen reden tot die vraagt(1).’ Verder ontsnapte de raedselachtige wyze, waerop de naem van Willem Van Hildegaersberch in Sinte Gertruide minne voorkomt, aen dien geleerde niet, en hy wist daervan geene voldoende verklaring te geven.
Ik meen dat het dichtstuk het werk is van eenen anderen dichter, die vroeger dan Van Hildegaersberch leefde. De groote Hulthemsche codex bevat, mijns dunkens, niets, dat men aen Van Hildegaerdsberch verschuldigd is. Ook het stukjen: Van wel connen te helene, vroeger in Willems Museum uitgegeven, is, meen ik, niet van hem.
By den tekst, dien ik naer het groot Hulthemsch handschrift mededeel, voeg ik de varianten, welke de andere brusselsche Codex oplevert. Ik ben die verschuldigd aen de goedheid van mynen vriend, jonkheer Blommaert. Deze geleerde was voornemens de volledige werken van Willem Van Hildegaersberch aen het licht te brengen; doch hy heeft daervan afgezien, omreden de heer Leendeertz zich met den zefden arbeid heeft belast.
Op Sinte Geertruiden minne laet ik Een bedinghe van onsen Here volgen, die slechts het eerste gedeelte uitmaekt van een dichtstuk, hetwelk vroeger door Mone, naer een ander handschrift werd uitgegeven(2). Deze trok het uit het Peterhauser Gebedenboek, hetwelk op de bibliotheek te Heidelberg berust, en waerin het Van ons Heren passie heet. De tekst van Mone heeft honderd en drieennegentig verzen, terwijl de onze er slechts honderd en zesendertig telt. Er ontbreken dus aen dezen laetsten zevenenvijftig regels.
De elf eerste verzen uit den heidelbergschen Codex luiden als volgt:
Deze regels komen in eene andere orde voor dan by ons. De dichter wordt aldaer Otte van der Leyen genoemd, in ons handschrift Otte van Orleien. Welke lezing is de beste? Dat valt moeijelyk te beslissen, vermits het een, zoo wel als het ander, echt nederlandsch klinkt, en er in vroegere dagen wel geslachten zullen bestaen hebben die deze namen voerden. Waerschijnlyk zal eene latere ontdekking dit raedsel oplossen. Ik denk, in allen gevalle, dat die dichter, blykends zynen schrijftrant, in de tweede helft der veertiende eeuw te huis behoort.
Als eene byzonderheid stip ik hier aen, dat men hier soms drie verzen, in plaets van twee, aentreft, die het zelfde rijm hebben. Zoo als v. 5, 6 en 7; v. 32, 33 en 34; v. 65, 66 en 67; v. 128, 129 en 130. Alhoewel in de regels, die ik hierboven uit het heidelberger handschrift mededeel, het vers:
weggelaten is, vindt men toch ook elders in dien codex die zelfde drie te samen rymende regels, en zoo leest men de v. 159, 160 en 161, die by ons ontbreken:
Mone, die slechts op eene dezer plaetsen schijnt aendacht genomen te hebben, zegt: fehlt ein Reim aber der Sinn ist ganz. Ik denk echter, dat het zoo niet is, maer dat de schryver dit rijm met voordacht tot driemael toe heeft herhaeld. Andere onzer oude dichters leveren daervan nog wel voorbeelden op.
Van de Bevelinghe, die ik hier onder. Nr LXXIX opneem, zijn de verzen 9-11, 19-24, 45-46 en 51-56, reeds uitgegeven. Deze, te samen ten getale van twintig, maken met twee andere regels, die daer ten slotte zijn bygevoegd, een afzonderlyk stukjen uit, hetwelk op eene andere plaets(1), in het zelfde groot Hulthemsch handschrift, voorkomt. Volgends dezen tweeden tekst heeft de heer Angillis het laten drukken in de Rumbeeksche Avondstonden(2).
Omtrent de overige dicht- en prozastukken heb ik niets byzonders aen te merken. Deze laetste heb ik, op het aenraden van talryke vrienden onzer oude tael- en letterkunde, alle, zonder uitzondering, opgenomen, en dat wel vooral, omdat er tot hier toe nog zoo weinig van onze oude proza bekend gemaekt is.
In het Hs. onder Nr CXCII, bl. 189 ro. kol 2. - bl. 191 vo. kol. 2. - Uit het opgegeven getal van 452 verzen blijkt het, dat de afschryver één vers, namelyk v. 397, heeft weggelaten.