In het eerste deel van dit Museum(1) heb ik een dichtstuk, Vanden Eenhoren geheeten, opgenomen, waervan de dichter zich Lodewike noemt. Ter zelfder tijd heb ik aengetoond dat die middeleeuwsche allegorie tot op onze dagen toe was blyven voortleven. Sedert is het my gebleken, waer men den oudsten tekst van dit verhael kan vinden. Het is namelyk in den mystieken roman van Barlaäm en Josaphat, die oorspronkelyk in het grieksch schijnt opgesteld te zijn(2) en tydens de middeleeuwen in de meeste talen van Europa werd vertaeld(3).
Reeds vroeg werd de Barlaäm en Josaphat in onze tael overgebracht en in dichtmaet behandeld. Doch slechts vier fragmenten, te samen zevenhonderd-en-vierenzeventig verzen uitmakende, zijn er tot ons gekomen. Professor De Vries heeft deze uitgegeven in des heeren De Jagers Taalkundig Magazijn(4).
Men heeft dit werk langen tijd beschouwd als zijnde van den heiligen Joannes Damascenus, die omtrent het jaer 676 te Damasco geboren, in het jaer 760 stierf. Doch het schijnt ten onrechte dat men dien kerkvader als den schryver van den Barlaäm beschouwt.
Vader Cats heeft in zyne Doodt-kiste voor de Levendige hetzelfde verhael behandeld, en het maekt aldaer het zesenveertigste hoofdstuk uit. Door hem kwam ik op het spoor der oudste bron van die legende. Hy verklaert in eene kantteekening dat hy ze aen den Barlaäm en Josaphat ontleend heeft(1).
In de oude 4o-uitgave van Cats, te Amsterdam by J.J. Schipper verschenen, gaet zijn tekst vergezeld met eene groote plaet, waerop men eenen man aen eenen boom, met oranjeappelen beladen, ziet hangen. Twee ratten hebben den stam reeds meer dan de helft afgeknaegd. De boom hangt boven eenen kuil, waerin een draek, die vuer uitbraekt, te midden in de vlammen zit. Op den rand van den kuil spuwen vier slangen hun venijn den ongelukkigen man toe, en in de nabyheid komt er een beer aengeloopen, die aen een doodshoofd knaegt.
Zie hier hoe Cats dit verhael heeft ingekleed:
Wie nader met den Barlaäm en Josaphat wil bekend zijn, verwijs ik naer de inleiding van professor De Vries op de vier overgeblevene fragmenten, waervan een toevallig insgelyks het verhael Vanden Eenhoren bevat. Onze twee oude teksten verdienen vergeleken te worden.