terug  begin  verder
[p. 90]

Historische oogslag op de rederijkkamers van Diest.

Elkeen, die maer hoe weinig het ook zy de geschiedenis onzes lands doorbladerd heeft, weet genoeg hoe ruimschoots de genootschappen, onder den naem van Rederijkkamers gekend, tot de vaderlandsche en godsdienstige plechtigheden hebben bygedragen. Doch daerby alleen bepaelden zich hunne bezigheden niet; zy beoefenden daerenboven nog de vaderlandsche tael en letterkunde, en de stukken, die zy ten tooneele voerden, hadden voor dien tijd, zelfs eenen heilzamen invloed op godsdienst en goede zeden(1). By het vermenigvuldigen dier genootschappen noodigden zy elkanderen op prijskampen uit, die men juweelen noemde, omdat men deze gemeenlyk als belooningsteekenen aen de overwinnaers uitdeelde(2). Was de prijsvraeg, aen al de genootschappen van geheel het land toegestuerd, en

[p. 91]

deze laeste algemeen tot zulk een juweel uitgenoodigd, zoo werd dit feest het landjuweel genoemd, gebeurde zulks maer voor eenige naburige kamers, dan noemde men dit feest het haegjuweel, misschien omdat er onder deze gezelschappen zich alsdan sommige bevonden, die tot het platte land behoorden. Dat die prijskampen den nayver by diergelyke inrichtingen moesten opwekken lijdt geen twyfel. De prijskamp van Antwerpen van 1561, waerop al de gezelschappen verzocht werden, en de pracht en luister die zy er aen den dag legden, geven ons hier van een afdoende bewijs.

De geschiedenis derhalve dezer inrichtingen is ten hoogste belangrijk, jammer maer dat er zoo weinig nopends deze is geboekt geworden, want ondanks de vlytige en geleerde opsporingen, die in deze laetste tyden betrekkelyk de belgische Rethorica-kamers zijn gedaen geweest, mogen maer weinige steden of gemeenten zich beroemen eene geschiedkundige beschryving der inrichtingen, welke vroeger in hunnen kring bestonden, te bezitten. Zulks is genoegzaem gebleken toen onlangs de koninklyke Akademie van Belgie voor prijsvraeg de geschiedenis dier kamers had voorgesteld, dewijl er slechts eene enkele verhandeling betrekkelyk die vraeg is ingediend geworden.

De reden hiervan is lichtelyk te beseffen, aengezien by gebrek aen oorkonden, niemand zonder groote gapingen die geschiedenis kan opmaken. Alvorens men die moeijelyke taek kan op zich nemen, zou het hoogst noodig wezen, dat in elke gemeente, waer zulke genootschappen by vroegeren dag bestonden, in navolging van 'tgene reeds elders heeft plaets gehad, vlytige opzoekingen werden gedaen in het plaetselyk archief, en al wat met deze in verband staet verzameld en in het licht gegeven werd.

Wat ons aengaet, wy zullen die taek trachten te vervullen ten opzichte der Rederijkkamers der stad Diest, nopends welke wy zeer belangryke ontdekkingen hebben gedaen, en die eenigs zins tot de

[p. 92]

geschiedenis dier genootschappen in 't algemeen zullen bydragen.

Het staet byna vast dat de Rhetorica-spelen in Frankrijk ontstaen zijn, en ons met de overige fransche zeden en gewoonten zijn overgezet; ook de Rethorykers-kamers bestonden lang by onze zuidelyke naburen eer die by ons werden ingericht. Nu en dan kwam een fransche troep herwaerts af, die uit hoop van gewin, onze vorsten of andere grooten met hunne liefhebbery kwamen vereeren. In byzondere omstandigheden, als kermissen enz., hadden de belgische steden, naby de grenzen gelegen, somtijds wel eens het genoegen de genootschappen der naburige plaetsen hunne stukken in hun midden te zien uitvoeren(1); de gedurige omgang met Frankrijk, waer de lakens en andere nyverheidsprodukten van ons land vry grooten aftrok vonden(2), dit alles doet genoegzaem verstaen, hoe die genootschappen by ons zijn ingevoerd en op zulk eene korte tusschenruimte zoo zeer zijn vermenigvuldigd geworden. Vergeten wy insgelyks niet aen te stippen, dat het hof van Bourgonje, hetgeen onder Philips den Goede zoo vele pracht aen den dag legde, en zulke luisterryke feesten gaf, hier niet weinig aen toebracht. Ook kwamen maer tydens het bestuer van dezen vorst en dit zyner nazaten die gezelschappen by ons algemeen in zwang.

De stad Diest bezat insgelyks al vroeg twee dier genootschappen. Gramaye van de diestsche Rederykers gewag makende, spreekt er

[p. 93]

met den grootsten lof van, en aerzelt niet te zeggen dat zy zich geheel Braband door hadden weten beroemd te maken, en dikwijls in den algemeenen wedstrijd, of gelyk men dit heette, het landjuweel, den opperprijs hadden behaeld, waerom zy ook in zynen tijd onder den naem van Faxenaers of tooneelkundigen waren gekend(1).

Het zou moeijelyk, om niet te zeggen onmogelyk zijn, hier met zekerheid op te geven, wanneer de Rederykers spelen te Diest zijn ingevoerd geworden. De eerste mael dat wy ze vermeld vinden is ten jare 1455. Ziet hier ter welker gelegenheid:

Er bestond weleer te Diest eene kollegiale kerk aen den heiligen Joannes den Dooper toegewijd, naby het slot van de voormalige heeren dier stad gelegen, en waervan een hunner voorzaten de stichter was. Uit die kerk, die destijds, om zoo te zeggen, de voornaemste der stad was, als zijnde de eenige, die een kanonikael kapittel bezat, trok jaerlyks met het Sint-Jans-feest een luisterryke omgang(2), die door de magistraet, de gilden, de ambachten, de kloostergemeenten enz. werd bygewoond. Dat de stoet er vry aenzienlyk moest van zijn kunnen wy genoegzaem hieruit afleiden, dat er van wegens het magistraet een bediende jaerlyks gelast werd om te paerd den omgang te besturen(3).

Na die plechtigheid werden er Spelen van zinne ten tooneele gevoerd, waerin onze diestsche rederykers hunne liefhebbery aen den dag legden. Wy zien dat in het voornoemde jaer het stadsbestuer

[p. 94]

er de bekostiging hielp van bestryden(1). Omtrent dit tijdstip hadden zich eenige diestsche rederykers tot een bestendig genootschap vereenigd, die omtrent de Putterstraetpoort hunne byeenkomst hielden of tot die wijk behoorden; uitwyzens de stadsrekeningen, genoten zy in het gemelde jaer van stadswege eene hulpsomme beloopende tot 27 st. 6 deniers brabants(2). Drie jaren nadien werden er ter gelegenheid van het Sint-Jans-feest diergelyke spelen door zekeren Heyn Koenen en medegezellen op de groote markt uitgevoerd, tot welker bekosting de stad insgelyks bydroeg(3).

Er had in onze stad nog een andere omgang plaets, die niet min prachtig was dan de voorgaende, wy willen spreken van degene die er gebeurde ter gelegenheid van het feest van O.-L.-Vrouw-Hemelvaert, die insgelyks door de bovengenoemde geestelyke en burgerlyke instellingen werd bygewoond. De spelen, welke er gewoonlyk dien dag werden uitgevoerd, waren de oorsprong van de oudste onzer rederijkkamers, de Lelie geheeten, als hierna blyken zal.

Deze laetste omgang, welke tot de Sinte-Sulpitius-kerk behoorde, alsmede die van Sint-Jans-kerk hielden op te bestaen in den jare 1520, wanneer zy beide door een keizerlyk besluit in een werden versmolten, en hersteld op zondag na O.-L.-Vrouwe-Visitatie, welker plechtigheid tot op het einde der voorledene eeuw voortduerde. Insgelyks op dien dag, vierde men de voornaemste, of gelyk men dit noemde, de groote diestsche kermis, welke hieraen haer bestaen was verschuldigd. Onder de verschillende

[p. 95]

veranderingen die er bepaeld werden nopends dien omgang, wordt er ook gewag gemaekt van onze Rederykers, trouwens wy merken er het volgende in op: ‘Vergadert zijnde sullen t' samen ter processie gaen nae oude costume wel verstaende dat Sint-Jans beeld voir, en Onser-L.-Vrouwe beeldt achter gedragen sullen wesen, en dat alle de spelen ende batementen van den huyskens van Sint-Jans ende Sinte-Plissis beyde de voirsc. collegiën, op dat die den selven nyet beletten precederen sullen’(1).

Het blijkt insgelyks uit de rekeningen dat in de eerste helft der XVIe eeuw jaerlyks in deze kerk de mysteriën van de Opvaert des Heeren en der Zending des Heiligen Geests op Hemelvaertdag en op Pinksterfeest speelgewyze werden vertoond. Die vertooningen werden destijds door het volk zeer gesmaekt, waerop zy eenen diepen indruk maekten(2).

Behalve de vertooningen, die er ter gelegenheid der bovengemelde plechtigheden werden gegeven, voerden de Rederykers nu en dan nog stukken ten tooneele by het inhuldigen onzer Heeren; by hunne plechtige intrede in onze stad, ter gelegenheid hunner trouw en geboortefeesten, als in andere buitengewoone omstandigheden(3).

Zoo zien wy, dat toen ten jare 1516 Claudia van Chalon, gade van graef Hendrik van Nassau, heer van Diest, hare eerste plech-

[p. 96]

tige intrede in Diest deed, er in verschillende straten Spelen van zinne werden vertoond(1). Eenige jaren vroeger, namenlyk in 1509, gaven de inwooners der Zoutstrate, ter gelegenheid van het plechtig inkomen van haren gemael, eene vertooning, zijnde eene pantomime of verbeelding met stomme personagiën, iets wat toentijds aen het volk zeer beviel(2).

Thands gaen wy handelen over elke onzer rederijkkamers in 't byzonder.

[p. 97]

De Lelie-kamer.

Zooals voorop gezegd is, gaf de jaerlyksche omgang van O.-L.-Vrouw gelegenheid ter oprechting onzer eerste Rhetorica-kamer. - Dit had plaets ten jare 1470, iets wat tot dus verre onbekend was. Hoogst waerschijnlyk had die kamer toen reeds al ettelyke jaren bestaen; doch het was slechts alsdan dat zy wettig werd erkend en hare inrichtingskaert ontving. Die kaert, welke hoogst belangrijk is voor de geschiedenis der rederykers genootschappen, en welke wy hierom in haer geheel zullen mededeelen, geeft ons het doel en het tijdstip harer instelling te kennen. Op 15 september 1503 werden by de bovengemelde statuten eenige nieuwe verordeningen gevoegd, welke door

[p. 98]

den toenmaligen onderschout, Frederik van Renesse, en de magistraet werden goedgekeurd en op nieuw bekrachtigd. Het verzoekschrift der Leliebroeders nopends de gemelde goedkeuring luidt als volgt:

‘Thoent ende geeft te kennen in alder oetmoet alle uwe getrouwe gewillighe ende onderdanighe, 't geselscap ende gulde van der Rethorycken der Liliën van Dieste, hoe dat de voerscreve Rethoryke der Liliën de oudste ende alderyerste Rethorycke is geërrigeert ende geïnstitueert ter eeren van Onser-Liever-Vrouwen, ende om der processie van Onser-Liever-Vrouwe Assumptionem jaerlycx in der selver stadt Dieste te eerene ende te verschierene.
Desen aenghesien, biddet 't gemeyn geselschap voerscreven, dat u eerweerdighe Heeren believen willen de statuten te confirmeren, die de selve geselscappe der Liliën verleent sijn geweest over vele jaeren ende daghen van onsen genadighen Heere, Hertoghe van Guylyke, Heere van Diest, als doen ter tijt ende met der stadt borgemeesteren scepenen ende gemeynen raidt der selver stadt Diest ende met sommige meer andere statuten te verleenene, om desen Rhetorycke te bat mede t' onderhouden, welcke ons genadeghe heer, heere van Nassouwen, van Diest, verleent heeft onsen medebroeders der Rethoerycke van Vreuchdendale tot Breda, de welcke hier nae volghen.’

Hetgeen de Leliebroeders had aengezet om eenige wyziging aen hunne statuten te doen toebrengen, was buiten twyfel de inrichting van een nieuw rederykersgezelschap, hetwelk ten jare 1502 in onze stad was ontstaen, en hetgeen insgelyks door onze magistraet was erkend geworden. Wy bedoelen hier het genootschap der Christus-oogen, waerover wy weldra opzettelyk zullen handelen.

De artikels 30 en 31 der nieuwe kaert van 1503 geven dit klaer te kennen.

30. Item, om egheen discoort tusschen der Liliën ende onsen medebroeders van der Christus-oogen te maken, meer minne ende vriendscap onder malcanderen te houden, soe begheert de Lilie voirscr. wanneer eenigh van den twee Cameren eenegh spel van zinne of esbatements spelen willen, dat sy de een den anderen dat condighen
[p. 99]
sullen als dat spel gerolleerd es om spelen ende dat binnen een der maent afspelen sullen, ende wie van den twee Cameren dat spel ierst condicht aen hooftman, prinche oft dekenens, die sal voerspelen. Dese voerscr. poenten zijn den goeden mannen van der Rethoryken der Liliecamer verleent by Joncker Frederick van Renesse, onderschoutet alhier, Borgemeesteren, Scepenenen ende Raet der Stadt Diest. Ende hor oude charte van den date (yeerst hen by den heer en der stadt Diest verleent als die ter selver tijt begon), te weten xxix daghen in Decembri int jaer ons Heere MCCCC end t'seventich, te nyete gedaen en geaboleert. Gedaen ende gesloten als voere, op Dijnsdagh tertia January XVc drie jaer stylo Leodiensi. Sigeri approbans additionem in quarto articulo in margine positam et signatam.
Sigeri(1).
31. Om seker merckelyke redenen den Heer ende de Stadt daer toe moverende, soe hebben sy den lesten artikel van der voerscreven Caerte vercleert ende vercleren mids desen, dat soe waneer eenegh van den Cameren spelen wilt, het sy Spel van sinne af ander, soe sal de factoer van der Cameren die spelen wilt, eer hy sijn rol overgeven sal, sculdich sijn ende moeten comen aen den hooftman van de andere Cameren, ende sal hem segghen onder eedt die materiën ende spel dat sy spelen willen. Ende oft d'ander Camer oeck aldan spelen woude, ende sy 't selve spel meynde te spelen, soe sal, die eerste presentatie doet, voerspelen. Ende d'ander hoetman sal synen facteur segghen onder eedt, dat hy een ander spel ordeneer te spelen ende dit sullen die hoetmannen ende factoers ende elck van hen doen ende houden onder eedt, sonder heure gesellen oft yemande anders te kennen te geven in eeneghe manieren. Aldus verclaert by den Heere ende Stadt, xv Septembris XVc tertio.
Capella.

Wy zegden hooger, dat het genootschap der Lelie tot opluistering van den jaerlykschen omgang van Onze-Lieve-Vrouwe werd ingericht. Ten dien einde ontvingen de Leliebroeders jaerlyks aenzienlyke hulpsommen, welke hun, zoo door de stad als van wege het broederschap van Onze-Lieve-Vrouwe in de Ste Sulpitius-kerk, werden toegestaen(2). Dat zy hunne taek grootelyks ter

[p. 100]

herte namen kunnen wy hieruit genoegzaem opmaken, aengezien zy nu en dan pryzen uitloofden voor wie iets zou gedaen hebben

[p. 101]

hetgeen het meest tot versiering of opluistering van den omgang zou hebben toegebracht(1).

Hoogst waerschijnlyk had er in onze stad ten jare 1490 een haegjuweel plaets, waerop de naburige kamers van Rhetorica werden uitgedaegd; want blykends de stadsrekeningen van Leuven werden de leden van het genootschap de Petercelie-wortel in het gemelde jaer by hunne terugkomst van Diest, van wege het magistraet met vier stoopen Rijnwijns beschonken(2).

Zooals wy in de stadsrekeningen van Diest lezen, vertoonden de Leliebroeders er ten jare 1499 een spel aengaende de Passie Ons Heeren. Zy ontvingen ter dezer gelegenheid eene hulpsom tot bestryding hunner kosten(3).

In 1532 hing de rederijkkamer het Maria-kransken van Brussel

[p. 102]

een landjuweel op, waernaer veertien rederykers genootschappen kwamen dingen; onder deze treffen wy insgelyks de Leliebroeders van Diest aen. De kamer der Pioen van Mechelen behaelde den opperprijs. Het genootschap van Diest bekwam den tweeden en dat van Bergen-op-Zoom den derden(1).

De zege door de Mechelaers te Brussel behaeld, gaf aen deze insgelyks recht om op hunne beurt een landjuweel uit te schryven, waerop zy de overige kamers voor den zomer van het jaer 1535 uitdaegden.

De gezellen der Lelie van Diest begaven zich mede naer dien wedstrijd, alwaer zy de overwinning behaelden. Het volgende jaer vertoonden zy het bekroonde stuk aen hunne diestsche medeburgers op eenen daertoe opzettelyk opgeslagen schouwburg, waervan de stad de bekostiging hielp dragen(2).

Zooals wy hooger gezien hebben, mocht de prijswinnende kamer op hare beurt den wedstrijd openen; zulks ook was het geval hier te Diest. De kamer der Leliebroeders, in 1540, na alvorens de toelating van den graef van Nassau, te hebben bekomen(3), noodigde de overige genootschappen des lands uit tot eenen wedstrijd of landjuweel, hetgeen in hunne stad het volgende jaer zou plaets hebben, en waertoe zich tien vreemde gezelschappen lieten inschryven. Zie hier de namen van die Kamers:

1o
De Roos, van Leuven.
2o
Het Maria-kransken, van Brussel.
3o
De Violieren, van Antwerpen.
[p. 103]
4o
De Olijftak, } van Antwerpen.
5o
De Goudbloem, } van Antwerpen.
6o
Den Vurigen Doorn, van den Bosch.
7o
De Pioen, } van Mechelen.
8o
De Lisbloem, } van Mechelen.
9o
De Leliekens uit den Dale, van Zout-Leeuw.
10o
De Goudbloem, van Vilvorde.

Op den eersten dag van Oogstmaend 1541 kwamen de afgevaerdigden dier kamers, vergezeld van hunne hoofdmannen, dekens, prinsen, om gezamentlyk te beraedslagen nopends het aenstaende landjuweel, alsmede hunne uitspraek te doen betrekkelyk het verzoekschrift door de Leliebroeders van Diest ingediend, ten einde op het gemelde feest dagelyks maer één der bovengenoemde genootschappen gespeeld of zijn stuk ten tooneele zou hebben gevoerd. Het inzicht der Leliebroeders was ongetwyfeld van hierdoor het feest eenigs zins te verlengen en het daer-door meer luister by te zetten. Drie dier genootschappen verzetteden zich er tegen als strydende met het aloude gebruik; doch de overige kamers stemden er in toe. De magistraet deed hier van een opstel maken door den stads-sekretaris Verwuest, en den akt in het Resolutieboek van dit jaer aenteekenen. Wy laten dit stuk om deszelfs belangrijkheid hier letterlyk volgen:

‘Anno duysent vijf hondert ende eenendeveertich, op den yeersten dach Augusti, nadien hooftman, prince, dekenen ende andere gemeen gesellen der Kamere van der Rethoricken, geheeten die Lelie, binnen der stadt van Diest, begheert ende versocht hadden aen myne heeren hooftmannen, princen, dekenen ende andere gedeputeerden der Cameren van de Rethoricken geheeten de Rose, tot Loevenen; het Mariëncransken, van Brussele; die Vyolier, Goutbloeme ende Olijftack van Antwerpen; den Vyerighen Doren van den Bossch; die Pyoen ende Lesbloem van Mechelen; het Lelieken van den Dale van Leeuwe, ende die Gouden Bloeme van Vilvoerde, dat die selve hon gunnen, consenteren ende accorderen souden willen, dat aller daghen mer een Kamer
[p. 104]
spelen en soude, ende dat mits dien die Camere seer cleyn in getal aldaer als doen waren; ende oyck in egheen feeste van den lantjuweele alsoe luttel Cameren van getaele sijn gecompareert als nu, ende oyck mits dien dat die feeste souden moghen in eere gehouden worden, sonder prejudicie tselve in consequentie te trekken, alleen voer dese reyse mits redene voer geallegeert, gehoert by mijn voersrc. Heeren, hoeftmannen, princen, dekenen ende andere gedeputeerde der Cameren van der Rhetoricke van der Rosen van Loeven, die Violier, Goudbloeme ende Olijftak van Antwerpen, den Virigen Doeren van den Bossch, het Lelicken vuyt den Dale van Leeuw ende die Goudebloem van Vilvoerden, nadien sy op't voersc. verseuck in't langhe gecommuniceert hadden ende met malcanderen deverse redenen, middelen, ende motiven by heurluyde hinc inde gehoirt ende gealligeert hebben ten versoucke ende begherte van der voorsc. cameren van der Rhetoricken van der Leliën om die selve te complaceren voer dese reyse, sonder nochthans prejudice tselve te trecken in eeneghe consequentie oft gewoente, geconsenteert ende veraccordeert, consenteren ende veraccorderen mits desen vuyt sonderlinghe gratiën, dat alle daghe mer een Camere spelen en sal oft een esbattement gespeelt en sal worden.
De voirse mijnheeren hooftmannen, princen, dekenen ende andere gedeputeerde der Cameren van den Rhetoricken geheeten het Maria-Cransken van Bruessele, die Pyoen ende Lisbloem van Mechelen, overmits sekere redenen, middelen ende motiven by honluyden ende van honnen wegen daer toe gealligeert, hebben gesusteneert ende gepersisteert, dat tselve versoeck by der voirscr. Cameren van der Rhetoricken geheeten de Lylie, is impertineent ende nyet en behoirt geconsenteert te wordene, mits dien t'selve is teghen die oude usancie ende gewoente van der Rhetoricken ende t'selve nooyt gesien of geaccordeert en is geweest; ende overmits redenen in meyninge sijn t'selve egheensins te consenteren ofte oyck in consenteren.
Insgelicx is gesloten ende veraccordeert in't gemeyn, dat in de sevenste ende laeste feest van der Rhetorieken die Cameren van binnen der stadt, die den prijs alsus binnen der stadt van Diest sullen winnen, voeraf ter naesten feesten spelen sullen, sonder int gemeyn te loeten ende indien diverse Cameren sijn in der stadt die den prijs winnen, sullen onder malkanderen moegen loeten wy van hon voerspelen sullen.
Insgelicx es gesloten ende veraccordeert int gemeyn by de voersc. Cameren van den Rhetoricken, dat ter naesten feesten die Camere, die den prijs alsus sal winnen ende int sevenste spel wederomme ophan-
[p. 105]
ghene, sal moghen spelen naer den prijs en die andere Cameren van de selve stadt insgelicx.
Insgelicx accepteren die Cameren int ghemeyn die seste clausule van desen thegenwoerdigen Charte, om ter naesten feesten hon daer naer te regulieren.
Actum anno, mense et die quibus supra, presentibus: Joncker Anthonys van Houthem, heer van Huldenberghe ende drossaert, Mr Adriaen Van Moerbeeke schoutet, Andries Liebrechts ende Matheus Clercx, borgemeesteren, Hubrecht Vanderstraten, Joris Boeckhout, Hendrick Godevarts, Merten Palmboom, Claes Wynants ende Hendrick Scoirbroot, scepenen der stadt van Diest.
My daerby sijnde
Jn. Verwuest.

De Diestenaren, die meer dan eens ooggetuigen waren geweest wat buitengewoone pracht en toestel er in andere plaetsen, in diergelyke omstandigheden, werden aen den dag gelegd, wilden in dit geval ook geens zins ten achter blyven, maer voor zoo veel het immers in hunne macht was het feest luister byzetten.

Volgends de nog voorhanden zijnde archieven stond de magistraet den Leliebroederen op 21 February 1541 uit dien hoofde het volgende toe.

1o Twee honderd zeventig karolus guldens.

2o Den eerewijn, die den vreemden genootschappen by hunne aenkomst zou aengeboden worden.

3o De vrylating van accijs voor een brouwsel halfstuivers-bier.

4o De vrylating van stadsrechten voor al het overig dat er zou verbruikt worden.

5o Eindelyk nam zy ten haren laste op stadskosten het schouwburg of tooneel, waerop de genootschappen hunne stukken zouden gespeeld hebben, te doen oprechten en afbreken(1).

[p. 106]

De gezellen der Lelie hadden hunne kosten berekend als volgt:

1o Tachtig onsen zilvers tot het vervaerdigen der pryzen.

2o De maeltijd, welke de genootschappen zou aengeboden worden, geschat op 100 karolusgulden.

3o Voor loon der speelluiden 30 karolus gulden.

4o Zes karolus gulden voor den bode, die de uitnoodigingskaert rond droeg, enz.

De geheele bekostiging was geschat op 336 karolus guldens, zijnde eene vry aenzienelyke som voor den tijdt(1).

In de maend Augusty van het voornoemde jaer 1541 had de rederykersfeest van Diest plaets. Zy duerde, als wy gezien hebben, tien volle dagen, waeraen gansch onze bevolking deel nam, en die men in spelen en vreugdebedryven overbracht. Zulks getuigt ten zeerste den voorspoedigen toestand onzer stad op dit tijdstip, wanneer handel en nyverheid in hunnen grootsten bloei waren.

De Violieren of de St.-Lukasgilde, gelyk men deze noemde, en die meestal uit schilders, beeldhouwers en andere kunstenaren bestond, behaelden er den opperprijs, dien zy den 22sten van Oogstmaend in de Scheldestad binnenbrachten(2). Op hunne beurt be-

[p. 107]

kwamen de Violieren insgelyks de toelating tot het ophangen van een landjuweel, hetgeen ter oorzaek der tijdsomstandigheden slechts twintig jaren na dien plaets greep(1).

Tot dit landjuweel, het voornaemste, dat er ooit te zien geweest was, begaven zich ook onze twee diestsche rederykers-genootschappen, de Lelie en de Christus-oogen. Op den 24sten Mei van het jaer 1561 gingen beide gezelschappen op het stadhuis tot de loting over, wie van hen met de kleine steden tot den prijs van het schoonste inkomen zou gedongen hebben, iets wat de leden der Christus-oogen ten deel viel(2). Krachtens besluit van burgemeester, schepenen en overige raedslieden, gedagteekend van den 23sten July des voornoemden jaers, werd aen elk van beide genootschappen, van stadswege eene hulpsom verleend van 60 guldens; doch die som zou tot 80 guldens worden gebracht voor de kamer, die naer het schoonste inkomen zou mededingen(3). De Spelen van sinne, te Antwerpen in 1562 gedrukt, geven mede eene beschryving van den intocht onzer gezellen in de stad Antwerpen op den 3den van Oogstmaend van het vorige jaer. De gene der Lelie bestonden uit ‘XXV mannen te peerde, met taneyte casacken, groene hoeyen, die sluyers ende wambaisen root, plumagien ende cransen gheel ende wit, coussen zwert met witte leerskens, VIII waghens overdect met taneyt laken, enz.

[p. 108]

De opperprijs voor de vraeg door de Violieren voorgesteld, Wat den mensch aldermeest tot conste verwect? werd behaeld door de rederijkkamer de Roos van Leuven. Onze Leliebroeders ontvingen den vierden prijs voor het beste esbatement. Dit stuk, met de overigen, welke onze kamer ten tooneele voerden, komen voor in de voorgemelde Spelen van sinne, in welke men ook eene houtsnede aentreft, het blazoen der kamer verbeeldende(1).

Tydens de nederlandsche beroerten, welke ongeveer eene halve eeuw voortduerden, en onze stad in eenen deerniswaerdigen toestand dompelden, vinden wy van de werkzaemheden onzer beide genootschappen weinig gewag meer gemaekt. 'T was slechts in 1602, en zulks ter gelegenheid van de inhuldiging van Philips-Willem Van Oranje als heer van Diest(2), dat de gezellen dier kamers eenige stukken vertoonden. Degene door de Leliebroeders

[p. 109]

uitgevoerd waren opgesteld door hunnen facteur Lodewijk Vanden Berghe, met welken zy eenige jaren nadien eene overeenkomst troffen. Wy laten dit voor de geschiedenis der Rederijkkamers zoo belangrijk stuk, hier in zijn geheel volgen.

‘Anno XVIc. XIIIJ, den XIIIJ Decembris soo syn vergadert geweest, op de Lelie-camer ons Hooftman, Prince, Dekens ende het
[p. 110]
geselscap, hebben op en nieu liefflyck ende vriendelyck in accoort getreden met Mr Lodewijck Vanden Berghe, onsen facteur, om te aenveerden het factoors ambt ofte officie, alsoo het eene oude costuyme ende manier is dat alle geëede Rethorycke eenen facteur hebben; in welke officie Mr Lodewijck als facteur de componisten ofte liefhebbers der voersc. Leliecamer sal gehouden wesen, hunne reffereynen, ageringhen of eenige andere dichten te oversien, wysen, leeren de beste form ofte styl enz. des versocht sijnde.
Item, den voersc. facteur sal hem laten vinden op de camere wanneer het geselscap ontboden wordt, om in den naem der voersc. camere te prononceren, voorhouden te kennen geven alle saken, clachten, vonessen, wtspraken enz. te doen, hoedanich die souden moghen wesen in den name van Hooftman, Prince, Dekens, Ouders ende geselscap de verdraege vonnissen ende clachten keuren te boek stellen.
Item, alle spele van zinne, cluchten, presenten ofte andere ageringen, tsy die gespeelt soude worden op strate, stathuys oft elders, de spelen een maent oft ses weken of eer, naer gelegenheyt te besorghen, ende wt die comme te langhen 't gene dienstelyck ende bekwaem soude wesen; tot welcken eynde hy acces sal hebben om in die comme te gaen, de sleutels van Dekens ende Valewatie-meesters, ende de stucken van spelen oversien hebbende, wederom in te brenghen getrouwelyc volgens den eed.
Item, de spelen te roleren; de rollen gerolleert sijnde, de bequaemste personnagiën, met advijs van dekenen, te geven om wel te leeren ende haer lieden dien last te bevelen.
Item, volgens de loffelycke ende heerlycke manier jaerlycx een spel van sinne, cluchte oft present oft andere ageringhe sal den facteur in de comme brenghen ende die daer mede vereeren.
Ende voorts alle saecken de eer ende welstant der Lelie bestaende naer sijn goet vermoghen te soecken Tot alle welcken eynde het voors. geselscap onsen facteur jont, jaerlycx twelf Rinsguldens, alsoo oock volgens d'oude costuym, alle maeltyen, colfdagen wanneer hy compareert, sijn vry gelach. Aldus is dit vrindlyc op hem begeert ende heeft geaccort eenen termijn van dry jaren, waer af St.-Jan Anno XVI c. XV, den eersten valdach sal wesen.
Den voorsc. M. Lodewijck van den Berghe, onsen facteur, heeft belooft de spelen voor Belgica, ende het present met de prologe gespeelt op het ontfangen deser stadt Diest door onsen edelen prince
[p. 111]
van Orangie, alles door den selven facteur gecomponeert, in de comme te bregen ende die daer mede te vereeren.
Geteekend Lodewijck van den Berche.

Met den voersc. conditie ben ik onderscreve te vrede,
Hendrick Leurents, pr.

Tydens het bestuer der aertshertogen Albert en Isabella verhief zich ons land voor eenigen tijd uit zynen kwynenden toestand; nyverheid en handel begonnen wederom te bloeijen, en er ging een nieuwe dageraed op voor letteren en fraeije kunsten. Ook de rederykers-gezelschappen begonnen hier en daer te herleven, en openden op nieuw kampstryden; zoo zien wy dat ten jare 1615 het genootschap der Lelie van Diest eene uitnoodiging ontving van wege het gezelschap der Catharinisten te 's Hertogenbosch, tot het bywoonen van eenen prijskamp. Of onze kamerbroeders er zich al of niet naer toe begaven, is ons onbekend(1).

[p. 112]

Uit een resolutie van Weth en raet der stadt Diest blijkt, dat ten jare 1660 onze beide kamers nog jaerlyks hunne stukken ter gelegenheid der Diestsche kermis vóór het stadhuis ten tooneel voerden. Echter den yver voor dergelyke spelen begon van dan af reeds overal meer en meer te verflauwen, zoodat de genootschappen der Rederykers op vele plaetsen byna van zelf te niet gingen. Te Diest bleven zy even wel nog bestaen tot aen de Fransche omwenteling, wanneer zy met de overige burgerlyke en godsdienstige instellingen werden afgeschaft.

Ten jare 1784 werd van keizers wege door de toenmalige gouverneurs onzes lands, Maria Christina en Albert van Saksen-Tesschen, aen onze kamerbroeders een bevel toegestuerd, hen verplichtende van aen deze binnen een bepaelden tijd den oorsprong en het oogwit hunner instelling, hunner statuten enz. te kennen te

[p. 113]

geven. Het verslag, ofschoon het eenige onnauwkeurigheden bevat, is evenwel hoogst belangrijk voor de geschiedenis onzer kamer, waerom wy het dan ook in zijn geheel opnemen:

‘Om te voldoen aen d'order van hunne Konincklyke Hoogheden, van den 30 Septembris lestleden, gesonden aen de heeren van het magistraet der stadt Diest, hebben de ondergeteekende, Hooftman, Prince en Dekens van de Rethorycke-camer de Lelie, binnen Diest, d'eer van die te beantwoorden, in den naem van al de gesellen der voorsc. Retorycke-camer de Lelie.
1. Eerst, dat het hun onmogelyck is te bewyzen het origin der erectie van dese Camer, vermits d'archiven in het ongereet geraekt syn, ter oorsaecke van de gedurige oorlogen en andere rampen, ten tyde der voorgaende eeuwen. Maer om te thoonen d'oudheyd van dese camer, comt alhier, dat de confreers ten jare 1441 (sic) hebben spelwys verthoont het tafelspel van Murmuratie, alsook het spel van Belgis-lust en meer andere soo voor, als in die tyden, te veel om hier te voegen.
Item, bevindt men in het begin van hunne actuele Caerte, dat dese Rethorycke-camer de Lelie een request heeft gepresenteerd aen de heeren weth ende raet der stadt Diest, de dato derden January 1553, (sic) hoe dat de voersc. Lelie-camer d'oudste en d'alder eerste Rethorycke-camer is geërigeert ende geïnstitueerd ter eere van Onse-Lieve-Vrouw, ende om de processie van Onse-Lieve-Vrouw-Assumptionis jaerlyck, in de selve stadt Diest te eeren en te vercieren.
Ende dat het gemeyn geselscap voorsc., by het voorsc. request bidden, dat Uw. eerweerde Heeren believen en willen de statuten te confirmeren, die het selve geselscap der Lelie verleent syn geweest, over vele jaren ende daeghen onsen genaedigen Heere, hertoghe van Guylycke, als toen ter tyde ende met der stadt burgemeesters, schepenen en gemeynen raedt der selven stadt Diest, ende met sommige meer andere statuten te verleenen, om dese Rethorycke-camer te baete te coemen en onderhouden; welk ons genadighen heere, heer van Naussauwen en van Diest, verleent heeft tot Breda aen Vreugdendale onse medebroeders der Rethorycke, waervan alhier gevoeght is eenen artikel.
‘In den eersten is gegonnen uyt consent van onsen genadigen heer, Hertoghe van Guylycke, heer van Diest, met den stadtregeerders consent, op de stadt van Diest, om desen Rethorycke mede t'onderhouden, 's jaers een half pont, makende XI grypen diesters, ende met
[p. 114]
vier amen bier van 8 groten laten te volghen, sonder accys op den principalen feestdagh.
Op de tweede order dient:
2. Dat ieder confreer moet aengenomen worden by eenparigh consent van de geheele confrerie; ende tot dien eynde moet men hun den dagh van vooren laten convoceren. Ende den nieuwen gecosen confreer moet betalen voor de reghten, achtien guldens ende jaerlyckx syn deel in de geresene costen, alsoock moet hy alle feestdaghen van Onse-Lieve-Vrouw met de geheele confrerie misse hoeren in de kercke St.-Sulpitii, binnen Diest; welcke misse de Camer laet celebreren alsoock op alle legaet-daghen eensgelyks, misse hooren in de voirseyde kercke(1).
[p. 115]
3. Dese Rethorycke-camer heeft eenen Hooftman, denwelcken wordt gecosen door de geheele confrerie voor syn leven geduerende. Item, eenen Prince, den welcken alle twee jaren wordt vernieuwt, by keus uyt de confrerie. Item, twee dekens, waervan alle jare den oudste is afgaende ende door de confrerie eenen anderen wordt gecoesen. Item, eenen heer Proost oock voor syn leven. Item, heeft de confrerie eenen secretaris ende eenen rentmeester, en wordt gecoesen uyt de confrerie, voor hun leven.
Item, in cas van twist of desorder, door eenen ofte meer confreers veroorsaekt, op de Camer soe hebben den Hooftman, Prinse, de twee Dekens ende den ouderdom het judicatuer daerover, om naer eys van saecken, den selven ofte degene in faute synde, in dusdanige boete en amende te stellen als sy noodigh oordeelen en worden somwylen door het heel corpus verwezen.
4. Den Rentmeester moet alle jaren syne rekeninghe doen corts naer hunnen feestdagh, aen den Hooftman, Prinse, twee dienende Dekens en den ouderdom; moetende alle quittanciën doer eenen van de twee Dekens onderteekent worden, by ordonnantie op den Rentmeester, welke rekeninghe wordt opgesteldt door den secretaris.
T'oirconde deser hebben wy dese onderteekent, Diest, 18 Novembris 1784.
A.C. Spoelbergh, Hooftman,
Joannes Anthonius Dreyens, Prs.
Joannes Cornelius Van Nerom, als anderen Deken,
Henricus Stalmans, als anderen Deken.

Den 30en Novembris 1784 is het origineel van dese copey overgegeven aen den heer secretaris Quishoudt.’
Quisthoudt.

Nauwelyks hadden de zegevierende legers der Franschen zich van ons land meester gemaekt of het genootschap der Lelie onderging het lot der overige instellingen. Volgends een bevel der toen bestaende Municipaliteit van Diest aen de Leliebroeders toegezonden op den 13en Germinal 4de jaer der Republiek, werden deze gedwongen binnen de zeven naestvolgende dagen, een verslag te doen van alle hunne goederen en bezittingen, alsmede van alle schulden ten laste des genootschaps bestaende.

[p. 116]

Het voorgemelde stuk met de kopy van het antwoord der Leliebroeders berust in de archieven der kamer(1).

[p. 117]

Vergeten wy niet hier aen te stippen dat de leden des genootschaps hunne byeenkomsten hielden in een gebouw op de groote markt gelegen, waervan zy reeds ten jare 1519 in bezit waren, en hetgeen thands nog onder de benoeming van de Leliekamer bekend staet.

De Christus-Oogen.

Deze kamer werd ingesteld ten jare 1502(1) blykends haer charter van oprechting gedagteekend van den 22en der maend December. Aen het begin van dit merkweerdig stuk, waervan er eene kopy van den jare 1766, in het Resolutieboek des genootschaps voorkomt, leest men de volgende aenteekening:

‘In den jare Ons Heeren duysent vijf hondert en twee, zoo is ons gegeven en verleent van de eerweerdige Heeren deser stadt Diest, in de parochie van Onse-Lieve-Vrouwe, dese Rethorycke te houden
[p. 118]
ter eere van het H. Cruys, hetwelck wy houden voor onsen patroon. En voor onsen divisen houden wy bloemekens, geheeten Christus-oogen(1), om te dragen op onse mouwen(2), ter eeren Gods en des H. Cruys. Aengesien den Heeren der stadt Diest dit belieft heeft en hun ook belieft heeft ons te geven dese naervolgende chaerte of privilegiën, soe wilt ons geselscap tot haren dienst altijdt berijd sijn, soo verre als het moghelyck is.’

De gezellen der Christus-oogen vierden hunne byzondere feest op den dag van H. Kruis-vinding, wanneer zy eene plechtige mis aen het altaer van het H. Kruis in O.-L.-Vrouwe-kerk lieten zingen, wat insgelyks gebeurde op den feestdag van H. Kruis-verheffing.

Onze kamerbroeders woonden, even als diegene van het genootschap de Lelie, de jaerlyksche processie van O.-L.-V.-Hemelvaert by. In 1503 ontvingen zy van stadswege, om dezen omgang te hebben opgeluisterd, een schaep of hamel, die voor prijs op dien dag werd aengeboden(1). Wy laten hier eenige artikels volgen uit het beroepen charter getrokken, zijnde in staet om eenigs zins de gebruiken en bezigheden der kamer leeren te kennen.

[p. 119]
Art. 26. Als hem een van onse gesellen tot den houwelycken staet stelt, soo sal dien geselle geven syne medebroeders eene schotel spyse en nog tien stuyvers gelde, dan moeten hem die gesellen een esbattement spelen al soo verre als hy het veertien dage te vore Prince, Dekens of Valuatie-meesters te kennen geeft.
Art. 27. Als eenen bruydegom, die gesellen doet bieden met den knape, om met hem ten trouw te gaen, soo wie dan tot dier ure niet met hem en gaet, als hem bevolen is met onsen knape, met synen tabaert met divisen, die sal verbueren eenen halven stuyver.
Art. 28. Item, moet die Camer den bruydegom geven een geldekanne vol Rijnschen wijn; ende soo wie niet medegaet als mense draegt, die sal verbueren een oord stuks, ende dat sullen die gesellen, die de kanne sullen gedragen hebben, verdrinken.
Art. 29. Oft saecken waer dat die gesellen een spel van sinne, esbatement of tafelspel wilden spelen, soo wie dat men dan eene rolle sal senden met den knaepe, uyt bevel van den Facteur en Deken, die sal alsulcke rolle moeten spelen, op verbeurte van ses stuyvers; van welcke ses stuyvers die Camer dry stuyvers hebben sal, ende die ander dry stuyvers sal hebben diese dan aenveerdt. Ende oft saecke ware die gesellen elders buyten trokken ter feeste ende sy daer spelen wilden, soo wie men daer een rolle senden sal, sal se moeten spelen op verbeurte van ses stuyvers, als voor, ende nog staen ter correctie van de Kamer. Ende of iemand syn rolle verloren hadde ende niet en vinde ende daerby niet verbeurt en ware, dien moeste het schrijfgelt betalen; maer wanneer die kamer daerby verloor ofte sijn rolle niet secreet en hielt, die sal staen ter correctie van de Camer.
Art. 30. Als men een spel van sinne oft esbatement oft tafelspel sal gespeelt hebben, soo sullen die gesellen moeten hun rollen den valuatie-meester overgeven, op verbeurte van een halven stuyver.
Art. 31. Als die gesellen proberen een esbatement ofte Camer-spel, soo sullen sy moeghen drincken eene kanne biers op 't den cost der Camer; ende est een spel van sinne, soo sullen sy er moghen twee drincken.
Art. 32. Wanneer die gesellen een spel onder handen hebben, soo sal altijdt de eerste personnagie van dien spele der gesellen eene uere beteekenen om de prouve. Ende soo wie doer sijn fout daer niet en is, die sal verbeuren eenen halven stuyver. Ende dat gelt sullen de gesellen verdrincken, ten sy dat hy groote nootsaecke hadde.
Art. 33. Als die gesellen figuren toonen, sonderlinghe stomme personnagiën, die dat niet doen en wilt, als 't geordonneert is met
[p. 120]
Facteur en Dekens, die sal verbeuren twee stuyvers, oft hy mach eenen anderen in de plaets van hem stellen in den eedt van de Camer sijnde als soo verre als hy daer bequaem toe es.

In 1518, in het begin der maend September, werd te Leuven een landjuweel opgehangen, aen hetwelk de leden der Lelie en der Christus-oogen insgelyks deel namen. Volgends het Chronicon Diestense behaelden deze laetste er den opperprijs(1). Drie jaren nadien, te weten in 1521, richtten zy te Diest uit dien hoofde een soortgelyk feest in, waer verschillende genootschappen naer toe kwamen. De Stadsrekeningen deelen ons nopends dit feest eenige byzonderheden mede, welke wy hier benuttigen. Zoo als wy zien waren de aen den wedstrijd deel nemende Kamers ten getalle van acht. Het waren de volgende:

1.
De Roos, } van Leuven.
2.
De Pensé-bloem, } van Leuven.
3.
De Lelie, } van Leuven.
4.
De Peterselie-wortel, } van Leuven.
5.
De Kersouw, } van Leuven.
6.
De Violieren, } van Antwerpen.
7.
De Olijftak, } van Antwerpen.
8.
Het genootschap van Brussel. van Antwerpen.

Het feest had plaets in de maend July. By hunne inkomst werd aen elk dezer genootschappen, als een welkomteug, naer het oude gebruik, 18 kwarten wijns aengeboden.

De leuvensche rederykers waren vergezeld van den rentmeester hunner stad, die eene gelyke hoeveelheid wijns ontving.

Jasper van Halmale, hoofdman der kamer de Olijftak, en

[p. 121]

Philips Boeckelere, hoofdman der Violieren, beide schepenen van Antwerpen, ontvingen ieder 12 kwarten ten geschenke. Er werd insgelyks zoo veel aengeboden aen meester Roland, hoofdman van het genootschap van 's Hertogenbosch(1).

Volgends het beroepen Chronicon Diestense, behaelden de Brusselaers alhier den opperprijs(2).

De leden der Christus-oogen verschenen insgelyks op het vermaerd Landjuweel van Antwerpen, ten jare 1561 gehouden. Hunne intrede was zeer prachtig, waertoe de Stad mildelyk had by gedragen. Zy wordt ons door de Spelen van sinne beschreven als volgt, zijnde het genootschap:

XXXVIII te peerde elck met eene toirtsse inde handt, in rouwaen-
[p. 122]
sche of goutgheele rocken, hoeyen ende coussen root, wambaysen blauwe, plumagiën ende leerskens wit, groene sluyers, XX wagens overdect niet rouwaensch laken, met guldebroeders ende vierpannen, eenen speelwaghen toegherust nader antiquer maniere met personagiën, enz.

De leden onzer kamer bekwamen den vijfden prijs van 't beste esbatement.

Het genootschap der Christus-oogen dong insgelyks mede naer den opperprijs van het beste referein op de vraeg: Wat de Landen can houden in rust, door de brusselsche kamer de Corenbloem, in 1562 voorgesteld. De refereinen der verschillende Rhetorica-kamers te dezer gelegenheid voorgelezen of gezongen, werden in eenen bundel verzameld en ter pers bezorgd; onder deze komt ook dat van onze kamer voor(1).

De rust, die het twaelfjarig bestand onder Albertus en Isabella aen ons land had terug gegeven, deed de rederykers, als hooger gezegd is, wederom nieuwen moed scheppen, tot zoo verre dat de mechelsche kamer de Pioen, het dorst wagen, met toelating van het Staetsbestuer het Landjuweel op te hangen. Tot dit feest, hetgeen in 1620, in de maend Mei, plaets greep, begaven zich, behalve eenige byzondere dichters, 24 verschillende kamers, waeronder ook de Christus-oogen van Diest. De voorgestelde vraeg was: der Philosophen leer, schriften en belyden. De refereinen en liederen werden byeen verzameld en in 't licht gegeven by den drukker Hendrik Jaye in 1621. Drie refereinen en een lied behooren tot de diestsche kamer. Men ziet er insgelyks drie blazoenen betrekkelyk dit genootschap(2).

[p. 123]

De wedstrijd van Mechelen was de laetste die eenigs zins aenzienlyk was. Sints dien vinden wy onze beide kamers nergens meer uitgedaegd. Zy bleven echter bestaen tot het einde der vorige eeuw, en luisterden in buitengewoone omstandigheden door hunne tegenwoordigheid de openbare feesten op. Zy werden afgeschaft in 1796(1); doch langen tijd vóór dien waren zy, van het byzonder

[p. 124]

doel ver afgeweken, hetgeen voornamelyk in het opluisteren der godsdienstige plechtigheden door het vertoonen van Mysteriespelen bestond.

 

F.J. Raymaekers, Pr.

 

[p. 123]

(1) De leden der Christus-oogen hielden hunne byeenkomsten in een gebouw gestaen op het einde der Lange-straet, welke thands nog dien naem draegt. Zoo als wy zien, werden zy er van in bezit gesteld op den laesten Juny 1518. De Scepen-akt te dier gelegenheid afgeleverd luidt als volgt:

 

‘Wy Jan Reynarts, Hendrik Vanden Assche, Denys van Honsem, Siart Luyten, Pauwel Clerx, Jan Vander Veken ende Jan Goivarts, scepenen van Diest, thuygen alsoo voer heer Aert Meester, Thomas ende Rudsaerd Stayemans, gebroederen, den schoutaerd van Diest opgedragen hebben thuys metten gronde ende alle syne toebehoorten, staende op die abbalie, tusschen erve Hendriks Missens ende Machiel Bontelen van byde syden, tot behoef den geselscappe van Rhetorycke genaemt de Christus-ooghe, ende dienstelyck daer inne gelooft hebben costeloos ende scadeloos te houden van alle voersom, tot op den dach van heden op seven schellingen seven ouden groet t'oncoste ende eenen halven engelschen s'jaers erfcijns, ende op den Heeren chijs, soo wordt Willem Zweris als priester van den voerscreve geselschappe daer inne gegoyed ende geërft naer kennyse den schoutaerd voerscreve ende naer recht ende gewoonte der stat Diest voerscreven. In orconden hieraf hebben wy desen brief met onsen seghel beseghelt in het jaer Ons Heere dusent vijf hondert ende achtien op den laetsten dach in Junio.

 

Kaert van het rederykers-genootschap de Lelie te Diest.

 

Den Eerweerdighen ende wysen, onsen lieven ende seer geminden heer en heeren, Schouth, Borgemeesteren, Scepenen ende gemeynen Raidt der stad van Diest.

Etc. Thoont ende gheeft te kennen, (etc. als voor).

Desen aengesien (etc. als voor.)

2o Item, in den eersten is gegonnen vuyt consent van onsen genadeghen Heere Hertoghe (etc. als voor).

3o Item, noch begheert dit geselscap eenen Hooftman met twee Dekens, waerin dat dit ghemeyn geselscap consenteert ende overgheeft oft eenighe van de voorsc. geselscap sculdich ware van costen of van broecken by den selven gedaen, altijd met den knape van der Liliën sal moghen pandt halen ten huyse der gesellen voerscr. Ende of den voersc. knape pande geweygert wordde of qualyck gesproken werd, daer aen sal de voersc. gepande verbeuren 3 stuyvers, ende dan sal men hem vuytpanden metter boeten ende metter stadtbode ende noch te gecorrigeert te worden by den hooftman, prince, dekens ende gemeyne geselscap.
Sigeri.

[p. 124]

4. Item, noch begeren de gemeyn gesellen als dat dit geselschap niet meerder en sal moghen sijn dan van xxx persoonen, mer gebruders sovelen als hen believen sal.
Sigeri.

5. Item, begeren de gesellen omdat de Rhetorycke der Liliën te bat onder houden mocht worden, dat men vuyt hunnen gheselscap van den XXX persoonen voersc. geen afteeckinghe doen en sal tot enighen anderen gulde of camere, ten ware alsoe dat deselve gesellen begeerden oft yemand van hen besonder des eedts verdrach te hebben, beheltelyck de heeren der stadt hon aft en toedoen.
Sigeri.

6. Item, noch es geordineert by den selven geselscap, dat soe wie men van nu voerdaen in der Liliën totten gebrueder sal ontfangen, hy sy dan priester, clerck, geestelyck oft werelyck persoen, dat die sal gehouden sijn in de speciael costen te gelden gelyck de voersc. xxx gesellen van der Leliën; dats te weten in den cost opten sondach nae Assumptionem Mariae ende op den Versworen Maendach, int generael wuytrysen ende int tracteren van eenighe Rhetorycke, die te state genoedt sijnde te Diest komen sullen ende van der gemeynen gesellen sullen ontfangen worden. Ende noch in een colve soe die gestelt sal worden ende metter camerhuren, ende anders en sullen sy nerghens in gehouden syn.

7. Item, noch is verdragen dat men alle Sondaghen colven sal, welcke colven men altijt houden sal des Sondaechs te twee uren te noen. Ende elck colve sal wesen 4 stuvers, ende so wie dese colve gecondicht worde van den cnape ende hy se dan niet en geeft na dat se hem gecondicht is, die sal verbeuren een dobbel colve, te weten 8 stuvers.
Sigeri.

8. Item, so en sal nyemant enighe gesellen geestelyck of weerlyck in der colven moghen brengen, het en waert met orlof van den prinsche oft dekenen of ten minste met den orlof van den....... Ende wie hier teghen dade sal verbeuren twee stuvers.
Sigeri.

9. Item, so en sal nyemande in der colven ofte in geender tijt opter camer malcanderen brengen moghen heel bieren ofte halve oft oic dan een vriendelyck droncxken ende dien hueslyck verwachten, opt die verbeurte van eenen oirt stuvers.

10. Item, noch es geordinneert by Hooftman, Prinsche ende Deken ende met den gemeynen gesellen als dat men alle twee jaren sal maken eenen tabbaert van eender verwen ende van eender gelycker devisen op der slinker mouwen of te minsten eenen capruyn; welcken tabbart metter divisen elck geselle al volmaect aen sal moeten hebben, oft den capruyn opt hooft dragen op onsen feestdach, te weten Onzer-Liever-Vrouwen Assumptionem, of ten minste des Sondachs daer naer, op die verbuerte van 6 stuvers.

11. Item, noch es geordineert dat elck geselle op alle Onser-Lieve-Vrouwe daghen comen sal op die camer voer 8 uren des s'morgens met syne tabbart metter divisiën ofte capruyn opt hooft hebbende, ende sullen dan samen eerlyck te kercken

[p. 125]

gaen ende hoeren daer een misse ter eere van Onzer-Liever-Vrouwe, die de camer sal doen celebreren. Ende wie hierinne gebreckkelyck wordt vonden, sal verbueren 1 st. den selven dach te betalen ofte het sal dobbeleren.
Sigeri.

12. Item, so en sal nyemant aengenomen worden in dit geselscap voersc. ten sy by Hooftman, Prinsche oft Deken ende oeck by den gemeynen gesellen op de verbeurte van 4 st.; maer nochtans sal hy moeten volgen drie colve daghen lanck nae der ouder ordinantiën, maer die hooftman, prinsche ende dekenen met den gemeynen gesellen, mogen wel gratie doen by haren wille.
Sigeri.

13. Item, als dan enich geselle aengenomen is sal die voersc. geselle tasten aen des Prinsche of Deken hant, dan geloven den geselscap goet ende getrouwe ende heylegebaer te wesen ende gelden ende betalen als een goet geselle sculdich es te doen. Dat gedaen sijnde, sal die voerscr. geselle terstont geven den deken voer sijn incomen .... stuvers ende den knape dat hem belieft, ende nochtans verwachten nae syne colve na sijn steed van den berde. Ende wie hier tegen dade, sal verbeuren een dobbel colve, te weten viii st.
Sigeri.

14. Item, oft geviel dat enich geselle sceyden woude vuyten geselscap ende nyet langer en beliefde daer in te blyven, die sal den voersc. geselscap voer sijn vuyt gaen geven v stuvers ende een colve ende allen costen op de camer gedaen, ten sy dat hy binnen eender maent sijn colve gegeven heeft. Ende wie hier af contrarie dade, sal men vuyt panden als voerscreven staet, behoudelyck dat hy in dit geselscap sal moeten blyven ende niet eer vuytsceyden dan op den principalen feestdag.
Sigeri.

15. Item, so en sal niemandt bidden voer enighe gesellen, hy en sal erst onder tasten ende vernemen int heymelyck te voeren eer hy voer dien bidden sal of dat getal vol is ende oft allen man daer toe consent geeft, om niemant te bescamen oft enighe ouwe gesellen te verliesen mits der nieuwen incomelinghen; op die verbeurte van twee stuvers.
Sigeri.

16. Item, dan sal die geselle met den genen die voer hem bid vuyt der camer gaen ende nyet weder incomen voer dat men hem roept, op die verbuerte van twee stuvers.
Sigeri.

17. Item, oft sake waer dat iemant van den geselscap vuyt der stadt van Diest reysde sonder orlof, ende boven drie maenden vuyt bleef, die sal men vuyt der tafelen doen, behoudelyck dat hy sijn vijf stuvers geven sal, ende oft hy oirloff genomen heeft sal den oirloff duren een jaer lanck ende niet langer, dies soe sal hy sijn costen betalen van dien jaer voersc. oft vuyt blyven om sijn vijf stuvers voersc.
Sigeri.

18. Item, ocht enighen twist ocht gescil geviel int voerscr. geselscap van eneghen roekeloesen woorden oft cleynen saecken, dat sullen die twisters terstont binnen den selven daghe den Prinsche of Dekenen over geven, om dat te beslichten by den gemeynen geselscape met correctiën nae hunnen goet duncken. Wie hier tegen dade sal verbueren drye stuvers.
Sigeri.

19. Item, als men een spel groet of cleyn gerolleert heeft, so sal men die rollen brengen in handen van den Deken ende in nyemans anders sonder consent van hen ende den dekenen ende met hunnen raet die daer toe voecht ende den rollen gheeft, die sal se moeten nemen op de verbuerte van vi st. tot behoef van den gemeynen gesellen. Dies is altijt noetsake vuyt gesceyden, maer getroest hy hem der boete, so mach hy se wel overgeven den voersc. deken ende niemants anders met eenen stuver tot desgeens behoeff, die se weder ontfangen sal, ende dat

[p. 126]

al so goets tijts dat dat spel daer by niet verachtert en blyve. Ende wie hier tegen dade, sal verbueren ses stuvers ende noch ter correctie staen van der cameren.
Sigeri.

20. Item, ocht eenich geselle enige onwerdecheyt dade den gameynen geselscape, 't sy met woerden oft wercken enigherhanden dingen hoe dat die gelegen moegen sijn, soe sal die Hoeftman, Prinsche ende Deken metten gemeynen geselscape dat corrigeren nae haren goetduncken ende met swaerder correctiën, so dat behooren sal.
Sigeri.

21. Item, als men enich spel groet oft cleyn proeven sal by ordinantiën van Prinssche ende Deken, so sal elck gesel, die daer in spelen sal, moeten comen ter plaetsen daer men proeven sal, op de verbuerte van 1 st. ende dat op een gestaecte ure, het sy op de camer of elders, mer oft hy wyt der stadt moest sijn oft alsulcken nootsaken bewysen conden dat hy daer nyet sijn en mochte, soe sal hy hier af geexcuseert sijn.
Sigeri.

22. Item, als men dan enich groot spel spelen sal, so sal elck gesel moeten comen hulpen die stellinghe maken ende daer en sal nyemant verdrach hebben ofte onscult moghen maken, dan alleen degene die in dat selve spel spelen sullen ende en mach enich van den selven gesellen daer nyet comen, soe sal hy daer eenen gelycken man in sijn stadt seynden ofte en doet hys niet, soo sal men eenen hueren op synen cost, ende nochtans verbueren twee stuvers.
Sigeri.

23. Item, oft die Prinssche oft Deken iemant heyt of bevelt, het sy van wat dat sy, daer moet elck gesel gehoorsaem in sijn ende nyet weygeren, op die verbuerte van twee stuvers.
Sigeri.

24. Item, oft sake waer dat iemant van den gesellen oft guldebrueders, het sy geestelyck oft werelyck, eneghe heymelycke dinghen reveleerden oft uuytbrochten, dewelcke getracteert oft geordineert sijn binnen den voersc. geselscap, het sy in der colven of op der camer, ende dat onder vreemde luyden vercalden ofte vermaenden, souden verbueren iv stuvers ende noch staen ter correctiën van Hooftman, Prinssche, Deken, met den gemeynen geselscape, nae gelegentheyt der saken.
Sigeri.

25. Item, waert dat enech geselle op der camere of onder, daer dat geselscap van der Leliën generalyck vergadert is, speelde met teerlingen, 't sy dobbelen, passen oft mommen, oft enich ander tuyscherye bedreve, sal verbueren x stuvers.
Sigeri.

26. Item, als enich van onsen medebruders aflivich wordt, soo sal men tot synen vuytvaert gaen, ende alsdan sal elck gesel moeten comen met synen tabbaert metter divisen oft met synen capruyn opt hooft ende offeren aldaer. Ende wie hier niet en quame, sal verbueren twee stuvers; ende daer voer sal elck geselle laten den gemeynen gesellen xii stuvers, voer sijn huysvrouw vi stuvers, voer sijn kynt ii st.
Sigeri.

27. Item, als den cnape van der Leliën geboden wordt ende bevolen van Prinssche, Dekenen ende synen raedt die geselle op de camer of ergens te comen, ende hen die wete niet en dede, soe sal hi verbueren die selve boete daer men t'hem op heyt te bevelen.
Sigeri.

28. Item, eenyegelyck geselle van der camer sal gehouden sijn met onsen Prinche in den Mey om te ryden, so dat van ouds gewoenelyck es te gesciedene. Wie hier tegen dade sal verbueren v stuvers.
Sigeri.

29. Item, voorts is te weten so dat alle dingen, so wat men daer beginnen sal oft

[p. 127]

voert brengen, dat sal al metter meeste menichte te werck gaen. Ende als dan daer wat gesloten is daer en sal men niet meer op appeleren, opt verbueren van een ℒ was ende te staen ter correctiën van Hooftman, Prinsche ende Deken.
Sigeri.

30. Item, om geen discoert etc. (als voer.)

31. Om sekere merckelycke redenen etc. (als voor.)

 

Latere verordeningen.

Anno vijfthien hondert en vyve den xviii dach January: is geordeneert by Prinche ende Dekenen ende den gemeynen geselscap, dat soo wanneer enighe jonge geselle gehouden, dat alsdan die jonge geselle sal moeten condighen den Dekenen oft Valuwatiemeesters xv daghen te voren, nae der oude costuem eer hy trouwen sal, om hem te spelen een esbatement, daer der cameren eer ende die syne ingelegen sal sijn. Ende believet alsdan den jonge geselle, die gehouwet, soo sal hy met den cnape doen noeden de gemeynen gesellen ende hy hem daer inne betrout, maer den gesellen die hy gegheven heeft met den jongen gesellen moet hy doen noeden met den cnape voersc. wilt hy gebruycken die costuymen van der camere, te weten die geltkanne vol Rensche wijn. Ende dese geltkanne sal elck geselle soo vele in gehouden sijn te gevene als hy gehaven heeft, maer elck jonge geselle in synen goeden wille, maer ten minste in de twee stuyvers, naer der ouder costuymen. Ende dit ghelt te gheven des anderdachs als die bruygom getrout es, om die geltkanne te dragene naer der ouder costuymen. Ende soo wie hier in gebreckelyck wordt vonden sal verbueren eenen stuver.

Ende alsdan sal de jonge geselle die gehouwt, in der cameren gehouden sijn in xii stuvers ende een schotel spysen, daer hy syne eere inne bewaren wilt. Ende eest dat die geselle voersc. met haren ghiften nyet toe en comen totten kannen voersc., soo sullen sy moeghen nemen die xii stuvers van den bruygom tot hender hulpen; maer die spysen moeghen die gesellen verteeren int ghemeene naer der ouder costuymen.

Item, t'is geordineert soe wanneer tgemeyn geselscap geroepen wert ter bruyloft van enighen bruygom van hennen meghebroeders, dat alsdan gebuerde dat eenen noenmaeltyde waere ende hen spyse van den bruygom gesonden wordt, die spyse sullene gemeyne geselle verteeren. Ende gebeurdet alsdan dat die gemeene gesellen toecomen sijn ten gelde totter geltkanne vol Rhinschwijns, daer sy inne gehouden sijn, soo sullen die gesellen moeghen verdrincken des selfs noenens vi st. van den xvi st., die den bruygom sculdich es.

Actum anno XVc XLVI, vi Juny: Item, es geordeneert hy Hooftman, Prince, Dekenen ende gemeyne geselscape dat van nu voertane de speelders met den boeckhoudere, ter eeren van der cameren op bruloften of eenighe andere feesten gespeelt hebbende, sullen moghen int geheele ende alleene verteeren voer den halven ruynick, die den bruygom geven moet, vi st.

Anno XVc en thiene, iiii Martii: is geordeneert by Hooftman, Prinsche ende Dekenen ende den ghemeynen geselscape, dat so wanneer dekenen ordineren of ordineren sullen eneghe personnage-spelen stom oft sprekende, te voet oft te perde, hoe dat sal mogen geschien ter eeren van der gemeener geselscape of cameren, dat elck geselle oft guldebroeder dat sculdich sijn te doene op die pene van een pont was ter eere van Onser-Lieven- Vrouwen, ende noch ter correctiën tot behoef van der cameren, vi st.

Item, is geordineert ende verdragen by Hooftman, Prinsche, Dekenen ende den gemeyne geselscape, dat men kiesen sal alle officieren van der voersc. cameren een maent voer den principalen feestdach ende sal wie hier vuyten gemeynen gesellen

[p. 128]

gheeligeert wert tot eenigher officieren, die en sal dat toekomende jaer niet vuyter voersc. eed gaen, mer voldienen alsoe een goet gesel sculdech es te doene.

Item, es geordeneert ende verdragen by Hooftman, Prinsche, Dekenen ende gemeynen geselscape so wie wuyte voersc. geselscape geëligeert wordt om Prince van der selver camere te syne, sal sculdich sijn als hem die silvere loovers(1), der voersc. cameren behoorede, gelevert worden, die te beteren vier ingelschen silvers, op die pene die daer af gebueren mochte. Ende wanneer die voersc. Prince van sijnder officiën gedestitueerd werdt, sal weder op der voersc. camer die selve loovers leveren in alder maniere alsoe hy se te voren ontfangen heeft, oyck met den vier ingelschen voerscreven.

Item, es geordeneert by Hooftman, Prinsche, Dekenen ende gemeynen geselscape, soe wanneer eneghe van der voersc. geselscape gehuwen, ende also vele nyet gegeven hebben ofte heffen ende hebben alst principael ghelt van der geltkanne met haerder toehooren gedragen mach, dat die selve brugom van desgeens, dat hy sal van der voersc. kannen te kort sijn, opleggen en betalen soo verre hy in desen der cameren eere begeert. - Actum anno XXVIII, den xxi Decembris.

Item, es geordeneert ende verdragen by Hooftman, Prinsche, Dekenen ende gemeynen geselscape voersc., dat soe wie voertane in den eedt der selven geselscape sullen ontfangen worden, sculdich sullen sijn goede ende suffisante borgen te stellen, inne of vuyter voersc. eedt wesende, voer alle costen, lasten, cueren ende bruecken, die op de voersc. camer soude moeghen gebueren. Actum in Augusto anno xxx.

Item, is geordineert by Hooftman, Prinche, Dekenen ende den gemeynen geselscape, dat men van nu voertane op alle Onser-Liever-Vrouwe dagen, na der missen, by den voersc. gesellen gehoirt den factoor oft ymand anders in synen name sal doen lesen onse charte, om als deselve gelesen sijnde elck geselle die gehoert hebbende, hem sal weten ende sculdich sal sijn daer nae te regulerene ende om synen eedt daer inne te bewaerene gelyck een goet geselle behoert ende sculdich is van doene. - Actum anno XVc XLVI, den sesten dach Junij.

Item, es geordineert by Hooftman, Prince, Dekenen ende gemeene gesellen om 'tgeselscap te bat in vrede en vrindscap te houdene, dat wanneer yemant van den geselle, soo wie dat ware, eenen opstekere, poinjaert, priem oft eenich geweert trokke in grammen moede oft van der tafele opname in fellen grammen moede, soe sal men denselven deliqueren vuyt den geselscape. - Actum anno LXII, in Meerte xxi daghen Luyx styl.

 

Formvlier gewoontlyk gebezigd in het afleggen van den eed door degenen die als lid in het genootschap werden aengenomen of tot eenig ambt of waerdigheid werden bevorderd.

 

Den Hooftman.
Dese officie, daer ick toe versocht ende ghebeden ben, sal ick regeren wettelyck ende wel, die chaerte onderhouden ende doen onderhouden, die boete corrigeren, nyet aensiende maechscap of vrindscap; ende allen dinghen hulpen te vervonnissen naer mijn beste verstant, conde en waerheyt. Ende ick belove de geselscap goet ende getrouwe ende heylbaer te wesen, aen die Conincklycke Majesteyt goet ende getrouwe te sijn, ende die roomsche catholycke ende apostelycke Kercke voer te staen. Soe hulpe my Godt ende Maria, die reyn suyver Lelie-bloeme!

 

[p. 129]

Den Prinche.
Dese office, daer ick toe genomen ben, sal ick regeren nettelyck ende wel, de boete te versuecken ende ten rechte te openbaren ende te corrigeren ende doen te corrigeren, niet aensiende maechscap oft vrintscap, ende de caerte te onderhouden ende doen te onderhouden.

 

Dekenen.
Dese officie, daer ick toe genomen ben, sal ick regeren wettelyck ende wel, de caerte onderhouden ende doen onderhouden, niet aensiende maechscap of vrintscap, ende alle dinghen hulpen vervonnissen naer mijn beste versteende, conde ende waerheyt.

 

Valuwatie-Meesters.
Dese officie, daer ick toe genomen ben, sal ick regeren wettelyck ende wel, de spelen ende valuwatie te regeren als mijn eygen goet, niet tot verminderinghe, maer tot vermeerderinghe; de spelen vuyt te leveren, anderen soo goeden te vercrygen, vercreghen doen te boeckeeren alleene tot der cameren behoef, niet tot mynen behoefenisse ofte yemant anders; de valuwatie geheelyck te regeren nae mijn beste verstaende, conde ende waerheyt ende ten cameren profijt.

 

Die ontfangen sal worden.
Dit geselscap, dat ick versocht hebbe ende omme gebeden hebbe, ende die caerte ick gesien oft gehoort hebbe, die meeste artikelen met den minsten, beloef ick t'onderhoudene gelyck ick sculdig ben t'onderhouden ende ick belove goet ende getrouwe ende heyligebaer te wesen ende te betalen, gelyck een goet geselle sculdich is te doen ende der Konincklyke Mat goede ende getrouwe te sijn ende die roomsche catholycke ende apostolycke Kercke voer te staen. Soe helpe my Godt ende Maria, die reyn suyver Lelie-bloeme!

 

Wy laten hier nevens de namen volgen van de leden der commissie benoemd, om uitspraek te doen welke der deelnemende genootschappen aen den wedstrijd in 1541 te Diest gegeven, den opperprijs enz. verdiend had, als mede den eed doer elck van hun te dezer gelegenheid afgelegd.

 

Den eed van den jugen in de voersc. feeste van der Rethoricke gedaen (1541).

 

Dit jugement van der prysen van deser teghenwoordigen feeste van der Rhetorycken, dat wy hier aenveerden, sullen wy regtveerdelyck determineren, sonder faveur of simulatie, na ons vuyterste beste ende nae de conste van de Rhetorycke ende secreet te houden die heymelyckheyt na der fayten der Rhetorycken ende die en sullen wy laten om maechscap, vrintscap noch viantscap, noch om goet dat men ons geven noch nemen moet, oft om eghenderhande saecken willen. Soe help ons Godt ende alle syn heyleghen!

Judices, die desen eedt in forma gedaen hebben, sijn geweest:

Heer Borthomeeus Walbode, priester.

Peeter Vrancken.

Wyllem Ylias, facteur der Lelië-camer.

Hendrick Van Belme.

Pauwels Vander Straten.

Zeger De Rusche.

(1)Niet altijd zijn onze Rederykers-gezelschappen in 't algemeen aen die goede beginsels getrouw gebleven, want later, en wel voornamentlyk tydens de XVIe eeuw, werden er onder deze gevonden die de nieuwe leerstelsels der ketters waren toegedaen, iets wat aen de inrichtingen van dien aerd zeer noodlottig was, door dien het hooger bestuer uit dien hoofde eene strenge censuer invoerde en plakkaerten liet uitgaen, waerdoor het verspreyden, singhen ofte spelen van eenige camerspelen, loven, liedekens, figuren ofte batementen werden verboden.
(2)De schuttersgilden daegden destijds insgelyks de naburige genootschappen op prijskampen uit, in welke feesten zy mede juweelen ophingen, die zy te winnen stelden. Zoo lezen wy in de stadsrekening nopens het schuttersfeest in 1510 te Diest gehouden, ‘gegeven noch Peeteren in den Engel heeft gecort dat hy int jaer voorleden geleent der gesellen van den kimpbusse van Loven, Brussel ende Lyere als sy te Diest quamen naer de juweelen schieten.’
Het aengehaelde doet genoegzaem den oorsprong van het woord landjuweel of haegjuweel kennen, welk eerste wy insgelyks in 't latijn door summum bravium vertaeld vinden.
(1)Het eerste stuk, hetgeen men weet dat in Frankrijk openbaerlyk werd ten tooneele gevoerd, was het Sinte-Catharina-spel hetwelk te Rysel in 1351 door eenige gezellen vertoond werd. Wanneer wy zeggen, dat de rederykers-spelen uit dit rijk herkomstig zijn, willen wy echter hierdoor niet houden staen, dat Frankrijk deze van elders niet hebbe ontvangen, want het gezegde stuk werd reeds eene eeuw vroeger in Engeland speelgewijs vertoond, zie Archives historiques et littéraires du nord de la France et du midi, de la Belgique, par A. Dinaux, D. XVIII, bl. 8.
(2)De diestsche lakens en stoffen vonden weleer eenen wyden aftrok in Frankrijk, byzonderlyk in Bretanje. Onze kooplieden verschenen op de beroemde jaermarkten van Laigny op de Marne, van Bar op de Aube, van Provins, van Troyes enz., zie Warnkoenig, Histoire de Flandre. Pièces justificatives.
(1)Poëtarum collegia duo, tota Brabantia celeberrima et frequenter in solemni omnium Brabanticarum urbium concursu palmam ardepta; ab his Diestenses, vulgo Faxenaers, id est, ludiones dicti. Gramaye, Diesta, pag. 63, editio 1610.
(2)Gegeven den kerckmeesters van sint Jans, te hulpen hunnen ommegange t'sint Jansmisse, 5 st. oude, valent 13 st. 9 den. brab.
(Rekeningen van 1458-59).
(3)Gegeven Janne Zuetmans van enen perde daer hy op reet ts' Jansmisse omme de processie te bestyerene, 9 den. brab.
(Rekeningen van 1455).
(1)Gegeven dien van St. Jans tsinte Jansmisse, te hulpen hunnen spelen, by bevele van scepenen, 27 st. 6 den. brab.
(Rekeningen van 1455).
(2)Gegeven den gesellen van der Putterstraetporte te hulpen hunnen spelen, by bevele van scepenen, 7 st. 6 d. brab.
(Rekeningen van 1455).
(3)Gegeven Heynen Koenen ende sinen medegesellen te hulpen hunnen spelen, te St. Jansmisse opten merckt by hon gespeelt, 7 st. 6 d. brab.
(Rekeningen van 1458-59).
(1)Naer een eventydig afschrift van het oorsponkelyk stuk.
(2)Gegeven op Ascenciedach aen cost voer degenen die d'Opvaert speelden, 9 st.
Gegeven ipso die Ascensionis tot spyze ende drank, voer apostelen ende anderen die totten spele behulplyck waren, 6 st.
Gegeven desgelycks Ipso die Pentecostes, 5 1/2 st.
Gegeven totter stellagiën te maken op den Ascensiedach ende Pinxedach, 14 st. 2 plecken.
(Rekeningen van Ste-Sulpitius, van 1516).
(3)Ter gelegenheid van het vrede-verdrag aengegaen tusschen paus Clemens VII, Karel V, keizer van Duitschland, Frans I, koning van Frankrijk en Hendrik VIII, koning van Engeland, en op 18 van Oogstmaend 1529 in onze stad openbaerlyk afgekondigd, werd er eene plechtige processie van dankbaerheid gehouden, waeraen de magistraet, de kloostergemeenten en andere burgerlyke en geestelyke inrichtingen deel namen, dragende het meestedeel der leden eene brandende toorts in de hand, waervan het getal tot ongeveer 250 beliep Ook werden er in dezen omgang verschillende mysteriën vertoond, en namiddag insgelyks, behalve andere vreugde-bedryven, esbatementen en andere tooneelstukken gespeeld.
(Stads archieven.)
(1)Anno decimo sexto depost, undecima Junii dicta Claudia fecit primum suum introïtum in Diest, ubi a magistratu et vulgo magna cum laetitia, honore et decore suscepta est spectaculis, facibus et ignibus innumeris in foro et plateis positis.
(Chronicon Diestense continuatum. M.S.)
(2)Hendrik van Nassau was zoon van Engelbert en Elisabeth, dochter van den graef van Hessen. Hy deed zyne intrede als Heer van Diest op sint Bartholomaeus dag 1504 met weinig toestel, uit hoofde men van deszelfs komst niet verwittigd was. Hy was een dapper held, die zynen vorst Maximiliaen, aertshertog van Oostenrijk, hoogst toegedaen was, en hielp hem de stad Arnhem op Karel van Egmont veroveren. Hy vergezelde hem insgelyks in zynen overtocht naer Spanje, vanwaer hy na dezes doods, die in 1506 voorviel, vele kostbaerheden, waeronder een gouden kruis met de beelden der twaelf apostelen en andere voorwerpen van groote waerde, die weleer aen de hertogen van Bourgondië toebehoorden, terug bracht. Onze heer huwde Franscisca de Romont, dochter van Pieter de Romont, afstammende van het edel huis van Savoyen, die zonder kinderen nagelaten te hebben overleed op den 17en September 1511. Het was ongetwyfeld ter gelegenheid van het huwelyk met deze laetste, dat er te Diest in 1510 groote vreugdebedryven plaets hadden, waeronder wy insgelyks pantomime-spelen opmerken. Trouwens wy lezen in de rekeningen van dit jaer ‘Gegeven Willem Geback voer de gebueren van de Soutstrate, van der figuren te toenen als ons genadige Heer te Diest quam.’ Hendrik van Nassau hertrouwde, gelyk hooger blijkt, in 1516 met Claudia van Chalon, die op den 11en Juny hare plechtige intrede in onze stad deed. Na de dood van den Roomschen keizer Maximiliaen werd onze heer naer Duitschland gezonden om de keurvorsten aen te zetten ten einde deze den jongen Karel, onzen hertog, zouden den voorkeur geven.
Onze hertog, die alstoen in Spanje was, keerde spoedig by het vernemen dier tyding van daer terug, begaf zich naer de rijksstad, waer hy de keurvorsten vergaderde, die hem als keizer uitriepen. In tusschentijd was Robrecht van der Marck, heer van Heusden, die zich vroeger met Karel van Egmont vervoegd had, om aen het hoofd der geldersche krijgsbenden Brabant aen te vallen, op nieuw Henegouwe met een leger binnen gerukt: onze Heer kreeg van wege zynen vorst het bevel hem te keer te gaen, die hem weldra met een heldhaftig leger aentastte en versloeg. In de afwezigheid van graef Hendrik werd Claudia in het hof van Diest, by hare terugkomst uit Bourgonje, waer zy by de prinses van Oranje een bezoek had afgelegd, door eene ziekte overvallen, ten gevolge van welke zy ontydig overleed, in de maend Juny 1521. Juist keerde de nieuw gekozene keizer door onze stad Diest naer Brussel terug, toen hy hare dood vernam. Deze begaf zich naer haer hof, wierp zich voor haer zielloos lichaem neêr, en bad gedurende eenigen tijd met groote vurigheid voor haer. Vervolgends nam hy haer eenig zoontjen, den jongen Renatus, die te Diest op den 5en February 1519 geboren werd, op zynen arm, en hetzelve omhelzende, riep hy al weenende uit, in de fransche tael: Hélas, mon pauvre orphelin! Het lichaem der gravin werd gebalsemd en naer Breda overgevoerd; doch haer hart werd in de St. Janskerk voor het hooge altaer begraven. Graef Hendrik werd eerste kamerheer van den keizer, en vertrok met dezen naer Spanje. Door diens tusschenkomst ging hy aldaer in 1522 het huwelyk aen met de markgravin Marina van Zenetta, uit den adellyken stam van Madosse gesproten. Het was slechts in 1532 op den 2en September dat onze heer uit Spanje, Italiën en Duitschland naer Diest terug kwam, nadat hy het ambt van opperkamerling hy de krooning des keizers te Bologna had bekleed.
Hendrik heer van Diest overleed te Breda, ten gevolge eener scherpe koorts op den 13en September 1538.
Graef Hendrik deed het oude slot onzer heeren afbreken in 1516, en eene nieuwe verblijfplaets oprechten waervan er nog eenige gebouwen in wezen zijn, welke thands nog den naem van de Borcht dragen. Zy doen zich onderscheiden door een alles zins hoogen toren en eenen trapgevel geheel in den trant van dien tijd, en zijn heden de eigendom van Mev. de weduwe Jacobs.
't Was in het gemeld gebouw dat de belangwekkende gebeurtenissen plaets grepen, die wy hier hooger hebben aengehaeld.
De verschillende byzonderheden, die wy hier aenteekenen, waren tot dus verre onbekend gebleven. Wy hebben die uit echte bronnen gehaeld, en in het belang der geschiedenis hier neêrgeschreven.
(1)De namen Sigeri en Capella zijn de handteekens der stadsecretarissen Zeger van der Galen en Jan van Capellen die elk der bovenstaende artikels afzonderlyk hebben goedgekeurd.
(2)Gegeven den gesellen van der Lylië van den jaere voorleden, als men Onse-Vrouw omdroech, 4 gryp. 6 st.
Gegeven den selven van desen jaren als men Onse-Vrouwe ommedroech, te hulpen hunne costen. 5 gryp. 5 st.
(Uutgeven van dat de Rentmeesters in den naem van der Stadt gescenct en gegeven hebben in den jaren 1481-82).
Gegeven den gesellen van der Rethoryken der Lelie, te hulpen hunne costen tOnser-Vrouw-mis, 11 gripen.
(Stadsrekeningen van 1499-1500).
Gegeven den gesellen van der Lelie tegen de processie Assumptionis van 4 amen groots bier. 32 st.
Gegeven van prysen, die de stadt heeft doen ophangen om de processie in August te chyerene, want de rentmeesters daer af noch geen bescheet hebben.
(Stadsrekeningen 1501-2).
Gegeven de gesellen van de Lyliecamer, ter hulp van de processie te chyerene, 11 gripen.
(Stadsrekeningen van 1502-3).
Rekeninghe Onser-L.-Vrouwe Bruerscap, in St.-Sulpitius tot Diest. D'uytgheven anno MCCCCLXXXI.
Item, den gesellen van der Leliën, om hen te hulpe te comen ende die verchyeringe der processie van Onse-L.-Vrouwe, in Sint-Sulpitius kercke, die sy te honwert hebben genomen; tot welcke verchyerenghe sy opgehanghen hebben seker prysen, die winnen soude dieghene, die de scoenste verchyerenghe uutbrachte, welcke pryse Onser-L.-Vrouwe bruerscap, in verlichtenesse der gesellen voerscr., betaelt heeft te weten, 30 st.
Item, gegeven den gesellen van der Lyliën, te hulpen honnen costen, die sy gedaen hebben doen Onse-L.-Vrouwe ommegedragen was, omdat de processie tamelyc soude verchiert worden, 5 guld.
(Broederschaps-rekeningen van 1482).
Item, noch den gesellen van der Lyliën betaelt om Onse-L.-V. processie daer mede te chyerene, 10 gripen.
(Broederschaps-rekeningen van 1483).
Item, noch den gesellen van der Lyliën, te holpen die processie, 10 gripen.
(Broederschaps-rekeningen van 1485).
Item, noch gegeven den gesellen van der Lylien uyt graciën, omdat sy so over-vloedigen cost ende last hadden om Ons-L.-V. processie te chyerene, 4 gripen.
(Ibid.).
Item, noch betaelt Jan Vos van der schure, daer die gesellen van der Lyliën hon gereetscap in settene, 6 gripen.
Item, noch gegeven ende betaelt den gesellen van der Lyliën om Onse-L.-Vrouwe processie daer mede te chyerene, 10 gripen.
(Broederschaps-rekeningen van 1486).
Item, noch gegeven den gesellen van der Lyliën, om die processie van O.-L.-Vrouwe daer mede te chyerene.
Item, noch gegeven ende betaelt Janne Vos van synen scure, daer der gesellen van der Leliën gereetscap inne steet.
(Broederschaps-rekeningen van 1487).
Item, noch gegeven en betaelt Janne Vos van synre scure, in welke de gereetscap van den gesellen van der Leliën inne steet, gevallen te Paesschen in den jare van 89, 6 gripen.
Item, den gesellen van der Leliën gegeven om Onser-L.-Vrouwe processie te chierene, 10 gripen.
(Broederschaps-rekeningen van 1488).
Item, noch gegeven ende betaelt den gesellen van der Leliën om Onser-L.-V. processie daer mede te chierene, 10 gripen.
Item, noch gegeven ende betaelt Janne Vos, van sijnre scure, daer die gesellen van der Leliën gereetscap van Onser-Vrouwen processie inne steet, gevallen te Paesschen lestleden, 6 gripen.
(Broederschaps-rekeningen van 1489).
Item, gegeven ende betaelt Johan van den Hove rentmeester van onsen kercke van der scure den broederschap toebehoorende staende op die Kerckstrate, verscenen te Palmen anno 92, 18 st.
Item, gegeven ende betaelt den gesellen van der Leliën, te holpen honnen spelen en Ons-L.-Vrouwe te eerene, 10 gripen.
(Broederschaps-rekeningen van 1490, 1491 en 1492).
Item, gegeven den gesellen van de Leliën, te helpen honnen lasten ende spele, 6 gripen, 4 st.
(Broederschaps-rekeningen van 1493)
Item, noch gegeven ende betaelt den gesellen van der Leliën, te helpen honnen spelen, 10 gripen.
(1)Gegeven den gesellen van der Lelie-camere, op 26 July, tegen de processie van Onse-L.-Vrouwe d'assijs van vier amen 8 groet biers en 15 st., te hulpen van 3 prysen op scoenste uytbrengen in de processie ende te hulpen hunne costen van de processie 11 gripen, t'samen 15 gripen 7 st.
(Stadsrekeningen van 1500-1501).
(2)Item, den gesellen van den Petercelpooten, doen sy van Dyest quamen, ten bevele als voer van de stad gescinct tot Jans in de sterre IIII stoepen rijnswijns, 1 guld. 18 plecken.
(Stads rekeningen van Leuven, van 1490, bl. 49).
(3)Gegeven den gesellen van den Lelie-cameren, per ced Segeri, te helpen van enen spele aengaende de Passie Ons Here.
(Stadsrekeningen van 1498-99).
(1)Belgisch Museum, D. I, bl. 142 en D. II, bl. 120.
(2)Gegeven ter ced. 16 Novembris bynnen dier rekeninghe den gesellen van de Lelie-camer, tot behoef van der stellagie te maken, daer op sy in den jare voerleden gespeld hebben tspelle daer mede sy den hooghen prijs tot Mechelen hebben gewonnen, 1 1/2 karolus gulden.
(Stadsrekeningen van 1535-36).
(3)Volgends een handschrift door den stadssecretaris Van Surpele in het begin der XVIII eeuw opgemaekt, waerin verschillende byzonderheden betrekkelyk de geschiedenis onzer stad voorkomen.
(1)11 February 1541 stylo Leod. geconsenteerd den Hoofdman, Prince, Dekens en gemeyne gesellen van der Lelie-camere voer dit jaer, om op te hanghen het landjuweel van den Rethorycken.
Yeerst twee hondert ende 70 Carolusguld.
De scenckwyne van den willecomme van die inne comen sullen.
'T maken ende breken van den tonele.
Aen een brouwsel halfstuvers bier te moghen brouwen sonder assijs.
Ende alle dien men t'allen dien verbrukene sal. Ende hier mede sal de stadt volstaen ende van alle andere voerdere gescinken, die de voerscr. camer ter saeken van dien soude moghen doen, quyt sijn, beheltelyk dat die voerscr. gesellen die eer van die voersc. stadt, gelyk dat behoert, sullen gewaeren.
(Memorieboeck B. incipiens anno 1530.)
(1)Vermaninghe der gesellen van die Lelie-camere... aen pryzen... 80 oncen zilvers.
Den maeltijd den heeren gesellen gegeven ..... 100 karolus gulden.
Voor die speelluyden ... 30 karolus gulden.
Item het uitschryven van den Bode, voer eene silvere tasse, etc. 6 guld.
Somma tolalis 336 karolus guldens.
Alsoo beraemd 11 February 1541 stylo Leodiensi.
(2)Gérard, Recherches historiques concernant les chambres de Réthoririque établies dans les Pays-Bas, M.S. (Z. de aenteekening bladz. 129.)
(1)J.-F. Willems, Belgisch Museum, D. I, bl. 160.
(2)Op den 24den dach Maij anno 1561 hebben de gesellen van der Cameren van der Liliën ende die Christus-ooghen alhier op der stadthuys geloet, soe wy van hun tot Antwerpen om het scoenste innecomen van den cleyne steden souden trecken. Soe est selve gevallen den gesellen van den Christus-ooghen alhier by cavelinghe en loetinghe om het schoenste innecomen te trecken.
(3)Opten xxiii dach July anno XVc LXI doer aenbrenghen van mijn heeren jonck: Aert van Steyvoert en Mr Peeter van Moerbeke, borgemeesteren, Joris Bouckhauts ende Peeter van den Broeck, scepenen, diewelcke vercleerden, dat in presentie van officier, burgemeesteren, scepenen ende raedt ware eendrachtelyck gesloten, dat men die van der Leliën ende Christus-ooghen sal elck besundere geven in trecken ter feesten tot Antwerpen sestich Rinsguld. ende die Camere die om het schoenste trecken soude, noch twintich Rinsguld. daertoe.
(1)Spelen van Sinne vol scoone moralisacien, wtleggingen ende bediedenissen op alle loeflijcke consten, waerinne men claerlijck ghelijck in eenen spieghel, Figuerlijck, Poetelijck ende Retorijkelijck mach aenschouwen hoe nootsackelijck ende dienstelijck die selue consten allen menschen zijn. Antwerpen by M. Willem Silvius, 1562, in-4o.
Twee gebonden exemplaren van dit belangrijk werk, hetwelk thands eene bibliografische zeldzaemheid is geworden, werden door den abt van Park, Karel van der Linden, in het gemelde jaer gekocht ten pryze van 25 stuivers 't stuk.
‘Noch t'Antwerpen betaelt voer de Rethorycke-spelen, die t'Antwerpen geprint en gespelt sijn anno 62, gebonden .............. 25 st.
Voer een boeck betaelt van den Rhethoryck-spelen t'Antwerpen gespelt anno 62 ...................... 25 st.
(Rekeningen der abtdy Park, 1562-63.)
(2)Philips Willem was zoon van Willem I, prins van Oranje, bygenaemd de Zwyger. Hy werd tydens de Nederlansche beroerten, krachtens een bevel van den hertog van Alva te Leuven, waer hy zich op de wetenschappen toelegde, opgelicht en naer Spanje vervoerd en bracht er 28 jaren door. Hy kwam van daer terug in 1596 in het gezelschap van Albert, den nieuwen landvoogd, door koning Philips herwaerts afgevaerdigd, met wien hy op den 11den February Brussel binnen kwam. Het was eerst op den 28sten Mei 1602 dat hy zich in onze stad, als heer van Diest, liet inhuldigen. Op den 23en November 1606 trouwde hy Eleonora van Bourbon, zuster van den prins van Condé. In 1608 op den 16den der maend October kwam hy insgelyks onze stad met een bezoek vereeren, en zulks naer allen schijn van waerheid, ter gelegenheid van zijn huwelyk. Hy overleed te Brussel op den 20sten February 1618, en werd volgends zijn verzoek in de Ste-Sulpitius-kerk op het hooge koor begraven, op den 1sten April van het zelfde jaer.
Er bevindt zich nog heden ten stadhuize van Diest een tafereel hetwelk het lijk van dezen heer van Diest, op een praelbed rustende en omringd van brandend waslicht voorstelt. Naest het lijk ziet men eenige moniken neêrgeknield, die voor hem hunne gebeden aen God opdragen. Onder dit stuk leest men een opschrift, dat voor de geschiedenis niet zonder belang is, waerom wy het hier woordelyk opnemen:
Aspice Viator
Hic jacet Philippus Guillielmus princeps Auraicae,
Comes Nassoviae et Burae, etc., eques aurei velleris,
heros bello, pace, religione inclitus.
Bredae olim natus ao M.DLIV ibidemque renatus Deo, pro fide spondente,
Philip: II hispan̄: rege Lovanii primis litteris excultus,
in Hispaniam ad religionis constantiam eruditus, rebellibus
Auraica sua pulsis clarus.
Omnibus ob virtutem acceptus, testamento condito in uxorem pius,
in familiares et pauperes christiane profusus,
summo bonorum omnium luctu mortuus heu! Bruxellae,
ubi nunquam ejus morietur memoria, ao M.D.CXVIII Kal. Mart.
Sepultus Diesthemii in ecclesia S. Sulpitii,
ubi anniversarium et missam quotidianam pro anima sua fundavit(1).
Onze heer had zich tydens zijn bestuer den inwooneren zyner heerlykheid hoogst toegenegen getoond, die hem als eenen vader aenzagen; onnoodig dus hier aen te stippen, dat zyne dood door de Diestenaren algemeen betreurd werd. Het was door dezes toedoen dat de Augustynen in 1614 een verblijf in onze stad kregen, die in hem eenen weldoener vonden; ook was hy van gedacht voor deze op eigen kosten eene ruime kerk en klooster te bouwen, iets wat door zyne dood onderbroken werd. Aen de kerk der Minderbroeders schonk hy eene venster in geschilderd glas, die den voorgevel hunner kerk versierde. Hy begiftigde insgelyks de kapel van Alle Heiligen met eene fraei beschilderde venster, waerop zyne beeldtenis almede die van zyne gemalin, beide op eene knielbank gezeten, voorkwamen. Dit venster was een kunst-gewrocht van den beroemden Leuvenschen glasschilder Jan de Caumont, aen wien de abtdy van Park weleer hare 41 vensters, het leven van den H. Norbertus verbeeldende, te danken had. De kapel van Scherpenheuvel (hetgene deel maekte van de heerlijkheid des heeren van Diest), werd mede door hem begiftigd met een schoon tafereel dat elf honderd guldens betaeld werd, en door eene bende ruiters in dienst der Staten, in 1604, met den autaer der kapel werd verbrand.
(1)De prijsvraeg, door de Catharinisten aen ons gezelschap toegestuerd, wordt nog in het archief van dit genootschap bewaerd. Gedeeltelyk berijmd en anderdeels in proza opgesteld, komt het ons genoegzaem belangrijk voor om in't licht te verschynen daer het grootelyks bydraegt om de gewoonten en zeden dier instellingen te leeren kennen.
Wilt trouw oorboren.
Wt 's Hertoghenbosch, desen 4 Martii 1615,
Van weghen der Catharinisten.
Eersamen, discreten, Prince verheven,
voorsinnighe onderluyden, daer beneven,
U loffsame medebroeders in't generael;
wt liefde sy u dees groetenis geschreven.
Wilt jonstich aencleven ‘ons simpel verhael;
ons vryheyt neemt in't goet, want d'oorsaeck principael,
die ons mouveerde te schryven, wilt weten,
aen u, jonstige vrienden, speciael,
sal ick verclaren, ten sijn geen secreten,
Rethorica, die eens was nederghesmeten
van Momo verbeten, is nu seer plaisant
op Minerves triumphwaghen geseten
en verheven by de Cathrinisten triumphant,
hier in Sylvia door den Mey groeyende geplant,
soo gy in de caert, die wy senden, sult lesen.
Ghy constige geesten, dus opent u verstant
en laet conste vlooyen, soo wordt gy gepresen.
Noch bidden wy u wilt toch gedachtig wesen,
al die useren die edele consten schoon
der Rethorycken verweckt mids desen;
dat sy arbeyen met const om te winnen d'loon
d'welck in de Caert voorsc. staet ten thoon,
voor elk persoon die alderbest solveert
ons vraghe sal pryse ontfangen vry sonder hoon;
dus ghy Minervisten wel neerstich studeert.
Dits ons bede dat ghy u presenteert,
wy sijn wederom t'uwen dienst, broeders vercoren,
als t'u belieft, die simpelheyt niet vermeert
van ons Catharinisten, die trouw oorboren.
Wy bidden u op alle vriendschap, goetgonstige vrienden, dat UL. soe wel doen wilt, ende verwecken alle liefhebbers, die gy weet dat const beminnen ende geven haer wt onse chaerte eene copey dat Rethorices loff mag vercondicht worden ende de onwetende verlichten, die alle heerlycheyt der Rethorycken versmaden; zoo doende sult ons groote vriendschap doen. Desgelycke wederom als UL. ons van doen hebt tot UE. dienst, dat wy vermoghen. Nu voor dese reys niet meer, dan weest al te samen van herten seer gegroet ende bysonder UL. Facteur ende Rhethoricenen, onse speciale vrinden.
Datum als voor.
Let den naem van den Prince kent u selven: sympel in consten.
Adres: desen bryef sal men gheven aen de eersame ende seer discrete voersinnighe broeders der Rethorycke te weten van de Lelybloem, residerende binnen Diest (Loont den bode).
(1)Volgends een van ouds bestaende gebruik liet het genootschap de Lelie, daegs na den grooten omgang, eene plechtige mis doen voor de afgestorvene van de Kamer, waerin al de leden tegenwoordig moesten zyn. Die mis gebeurde in het midden der kerk aen eenen autaer, waerop het beeld van Onze-Lieve-Vrouw, gedurende de achtdaegsche plechtigheid van het feest van Onze-Lieve-Vrouw-bezoeking, die men dan vierde, geplaetst was. Ten jare 1605 wilde de proost van Sint-Sulpitius dien dienst aen een ander autaer verrichten om zekere redenen, die men niet opgenoemd vindt. De Leliebroeders wendden zich dan tot den aertsbisschop van Mechelen, Mathias Hovius, aen wien zy een verzoekschrift indienden ter behouding van het oude herkomen; iets wat zyne Hoogwaerdigheid hun volgaerne toestond. Wy schryven dit stuk hierover, als in staet zijnde om ons te doen zien, hoe zeer onze voorouders aen hunne aloude gebruiken gehecht waren.
Illustrissimo et Revmo Domino suo, Domino Archiepiscopo Mechliniensi.
Exponunt humiliter cives Diestenses inscripti cathalogo Confraternitatis D. Virginis apud Stm Sulpitium et peculialiter Consodales floris Lilii, sub invocatione ejusdem Divae Virginis, quod licet ex laudabili, antiquâ et immemorabili consuetudine habeant devotionis ergo, decenter convenire alterâ dedicationis seu majoris Solemnitatis Diestensis, quae incidit post Petri et Pauli, ad orandum pro defunctis fratribus, audientes sacrum, quod ibidem in medio ecclesiae, ubi imago Divae Virginis, ipsorum patronae sacratissimae, per octavum honorifice sistitur, curant celebrari videlicet in portatili, nihilominus Dnus Praepositus Diestensis talem celebrationem (quia videtur repugnare consilio) libenter abrogaret et in aliud altare, contra dictam consuetudinem hactenus observatam, transferret, sicut ex nunc se facturum ipsis exponentibus resolutive denuntiavit, nisi praemunitis desuper impetrato seu impetrando consensu ordinarii. Quare ne proxima Dedicatione, aut alias in posterum, repentina novitas in plebe pareat scandalum et dictum sacrificium tollat, humillime supplicant exponentes quatenus continuationem talis celebrationis semel duntaxat in anno, communi ipsorum pietati Illustma et Reverendma gratia vestra indulgere et scripto consentire dignetur, quod faciendo etc.
Op den kant van dit stuk bevindt zich het volgende door de hand van den aertsbisschop geschreven:
Attentâ solemnitate hujus devotionis et ejusdem raritate, consentimus in id quod petitur. Actum Mechliniae 3 Augusti 1605.
Matthias, Archiepiscopus Mechliniensis.
(1)Diest, 13 Germinal 4e jaer der Republiek.
Borgers,
Uyterlyck binnen seven daegen naer ontfangen deser, moeten in schrift overgegeven worden ten stadhuyse alhier alle de eygendommen, soe roerende als onroerende, aen UE gewesen Confrerie toebehoorende, als ook de schulden, soo passive als active, die hetselve Confrerie can hebben; faute dier sullen genoodsaeckt syn tegen UE te doen werken de strengheyd van de wet zulks bevelende.
Heyl en Broederschap,
Get. Maligne, president.
H. Cleuckers, secretaris.
De Dekens der gewesen Confrerie de Lelie-camer, Diest.
Het antwoord der Leliebroeders was het volgende:
‘Om te voldoen aen de schriftelycke order van der Municipaliteyt der stadt Diest, ons toegesonden den xiii Germinael, hebben d'onderschreven, als lidtmaten van de confrerie der Lelie-camer, binnen deze stadt, met respect te behandigen aen de Municipaliteydt dezer stadt het volgende competerende de voorschr. Confrerie.
Eerst de renten:
1o Adriaen De Meyer tot Tielt jaers 31 Meert 3-10-0 capitael hondert guldens wisselgeldt.
2o Item, op den steenwegh van Diest op Loven, sub. No 314, jaers 27 July 24-10-0 capitael seven honderd guldens wisselgeld.
3o Item, eene rent tot last van Franciscus Marchau binnen Diest, jaers 1 February 7-0-0 capitael 200 guldens courant.
4o Item, eene rent tot last van Norbertus Michiels, tot Scherpenheuvel, jaers, 19 Novembris 5-0-0 Onquytbaer mits de Confrerie jaers moet laten celebreren eene mis op 19 Novembris, ende selve in corpore moeten hooren; en hiervoor hebben onderpant gesteld, als blyckt op de ghight voer de Municipaliteydt van beyde de Caggevinnen, den 23 January 1635.
5o Item, treckt de gesegde Confrerie jaers op dese stadt voer de harnascedule 5-1-0 en voer een wishout, jaers 5-10-0
6o Item, voer de huer van hun huys, gestaen op de groote merkt binnen dese stadt, tegen het huys den Keyser en het huys het Casteel van Emmaüs, jaers te Paeschen 80-0-0
Hier tegen den jaerlycschen uytgeef:
Eerst, aen den heer Proost deser Confrerie, jaers voer 19 legaet missen. 9-00-0
Item, aen den cnaep van St. Sulpitii-kerck voer het op ende het afstellen van het beeld van O.-L.-Vrouwe op den authaer, in het midden der gezegde kerk te Diest-kermis 1-4-0
Item, aen den bayaerder voer het spelen van den bayaerd ten tyde voersc. 's jaers 0-14-0
Ende den clockluyder sjaers 0-6-0
Item, aen den cnaep der gemelde Confrerie syne jaerlyksche gagie . 0-11-0
Item, aen den backer voor het legaetbroodt op den feestdag van St. Josephi, jaers 4 guld.
Item, op den feestdag van de Alderheyligste Dryvuldigheydt, jaers 6-0-0
Item, aen de speeluyden ten tyde van de sittinge der confreers op hunnen feestdach van de H. Cecilia, jaers 10-10-0
Waerin niet begrepen d'oncosten van het bier, nachtevuer- en light, alsoock niet de reparatiën van het huys der Lelie-kamer 42-14-0

(1)Volgends de bewering van Gramaye in zyn Diesta, uitgaef van 1610, bl. 63, bekwam onze Kamer reeds hare instelling ten jare 1302, iets wat door de meeste schryvers, die over onze rederykers genootschappen gehandeld hebben, zonder onderzoek werd overgenomen, en die er zelfs uit af wilden leiden, dat ons land de letterkundige instellingen van Toulouse in Frankrijk, les Jeux floraux geheeten, was vooruit gegaen.
Die bewering werd later, en zulks niet zonder reden, door sommigen in twyfel getrokken. Doctor Van der Meersch is de eerste, die er eene bemerking tegen maekte in zyne belangryke verhandeling, of Kronyk der Rederykkamers van Audenaerde, opgenomen in deel VI van het Belgisch Museum van J.F. Willems. Hy houdt staen, dat die bewering geen geloof verdient, en slechts uit de verkeerde opgaef van eenen of anderen rederyker kan ontstaen zijn. Het hierboven aengehaelde stuk heeft de gegrondheid van den twyfel diens geleerden gansch bevestigd.
(1)Over deze bloeme