De beroemde Grotius ontsnapte den 22sten Maert 1621, door den moedigen list zyner vrouw, Maria van Reigersbergen, uit het slot Loevestein, alwaer hy tot levensdurige gevangenis veroordeeld was. Op vrye voeten zijnde ging hy, onder het kleed van eenen gemeenen werkman of van eenen metselaer, met den maetstok in de hand, op den gewoonen postwagen zitten, en reed naer Antwerpen. Hy hield zich drie weken binnen die stad op, maer vertrok van daer naer Frankrijk, en was reeds den 13den April te Parijs.
Uit den brief, dien ik hier mededeel, blijkt, dat Grotius, gedurende zijn kort oponthoud in ons vaderland, in betrekking gekomen was met talryke onzer geleerden. Fransies Sweerts of Sweertius, aen wien de brief gericht is, werd te Antwerpen geboren in 1567, en stierf aldaer in 1629. Hy schreef een aental werken, waervan de Athenae Belgicae, de Monumenta sepulcralia ducatus Brabantiae, de Epitaphia joco-seria, en zelfs ook de Selectae Christiani Orbis deliciae, nog heden met vrucht geraed-pleegd of aengehaeld worden.
Rubens en Gevartius, aen welke Grotius zyne groete doet aenbieden, waren insgelyks twee Antwerpenaren. Want, alhoewel onze groote kunstschilder, by toeval te Keulen geboren werd, zal toch niemand hem aen Antwerpen betwisten. Gevartius, die aldaer het ambt van stadssekretaris waernam, was geboren in 1593 en stierf in 1666. Hy was bekend als een zeer ervaren philoloog en criticus; zyne latijnsche verzen en opschriften werden hooggeschat.
Erycius Puteanus, die, zoo als uit den brief blijkt, de werken van Grotius in achting hield, en aen wiens gunstig oordeel deze prijs hechtte, was een, in zynen tijd hoogstberoemd professor der Leuvensche Hoogeschool. Men heeft nochtans zyne verdiensten, volgends my, zeer overdreven. Van zyne talryke latijnsche schriften immers zijn er byna geene die heden nog kunnen gelezen worden. Hy beproefde ook zyne krachten als nederlandsch dichter, en zyne verzameling puntdichten onder de titels: Sedigh Leven, Daghelycks Broodt en Toe-maete op 't Sedigh Leven, Daghelijcks Broodt, te Leuven in 1639 en 1641 van de pers gekomen, is niet zonder waerde. Doch die boekjens verschenen met den verbloemden naem van Honorius Vanden Born, alsof de geleerde professor zich schaemde als schryver van een werk in zyne moedertael bekend te staen!
Indien men De Burigny(1), eenen der levensbeschryvers van Grotius, mag gelooven, dan zou Erycius Puteanus, toen hy vernam dat deze uit zyne gevangenis ontsnapt en te Antwerpen aengekomen was, hem aldaer eenen brief toegestuerd hebben, waerin hy hem zyne deelneming in de vreugde, welke het loskomen van den doorluchtigen gevangene algemeen verwekt had, te kennen gaf, en hem ter zelfder tijd zijn huis te Leuven, en verder al wat men van eenen vriend kan verwachten, aen-
bood(1). Maer Grotius had liever, zoo als ik reeds boven zegde, zich naer Parijs te begeven, alwaer hy met veel achting aen 't Hof ontvangen, en met een jaergeld begiftigd werd(2).
Reeds in 1611 zag eene verzameling zyner gedichten, onder den naem van Silva, te Parijs het licht. Dat boekjen schijnt alhier bedoeld te worden.
Zie hier den brief:
V.C. Francisco Sweertio
H. Grotius.
Amicam nostri apud vos extare memoriam, Sweerti doctissime, laetus intelligo. Eximie vero me delectat quod exquisitae eruditionis viro E. Puteano nostra non improbantur. Non ita quidem mihi blandior ut, quae in solatium magis casus quam experimentum ingenii scripsi, tanti elogio digner. Sed ipse ille excessus ab affectu est quo non possum non unice gaudere. Silvae exemplaria quia desiderari scribis, unum ad te mitto. Absumta ferme sunt omnia liberalitate donantium aut poscentium aviditate. Novi mi nihil est nisi quod Rex ad Montem Albanum(3) fulminat. Pacem optantibus et ego me ascribo. Vale, doctissime Sweerti, et Rubenium, Gevartium aliosque amicos saluta. III Sept. CIƆIƆCXXI. Lutetiae.
Het origineel behoort my toe.
De voortreffelyke werken van Gerard van Loon, vooral zyne Beschryving der Nederlandsche Historipenningen zijn, zoo wel in Zuid- als Noord-Nederland, in alle bibliotheken voor handen. Maer weinig is het tot hiertoe, ten minste hier te lande, bekend, dat die beroemde penningkundige zyne studiën in de wijsbegeerte te Leuven heeft voltooid. De verdienstelyke heer A.D. Schinkel heeft eenen belangryken brief van Van Loon, de dato 30sten November 1752, en aen den leuvenschen professor Buggenhout geschreven, laten drukken(1), waeruit blijkt dat Van Loon, aen de bibliotheek der Universiteit te Leuven ‘ter gedachtenisse dat hy nu vyftig jaer geleeden zyne studie in de Philosophie aldaar vortrokken had, zyne groote uitgegeeve werken, midsgaders eenen zilveren vergulden drinkbeker,’ had gezonden.
Het zal dus niemand verwonderen, dat Van Loon, niet alleen met de verzamelaers van historiepenningen, zoo als uit zijn groot werk genoegzaem blijkt, maer ook met de beminnaers of beoefenaers der vaderlandsche geschiedenis in Zuid-Nederland, in briefwisseling bleef.
Een man, die by zyne tijdgenooten als een voornaem geleerde doorging, maer die heden, doordien hy nooit iets in het licht heeft gegeven, slechts als verzamelaer van eene uitgebreide en byzonder aen handschriften rijke bibliotheek, bekend is, was de antwerpsche schepen Jan-Baptiste Verdussen. Aen hem
zijn de twee hier volgende brieven van Van Loon gericht. Verdussen hehoorde tot een geslacht, hetwelk sedert 1590 tot 1830 toe, eene onafgebrokene reeks van drukkers heeft opgeleverd, die gedurende byna twee eeuwen en half eene menigte boeken, waeronder veel in de spaensche tael, ter pers hebben gelegd.
Toen in 1769 te Brussel de Société littéraire tot stand kwam, welke drie jaer later, dat is in 1772, tot Keizerlyke Akademie werd ingericht, telde men Verdussen onder hare eerste leden. Maer, noch in de verhandelingen, noch in de verslagen van die geleerde maetschappy komt er iets van hem voor. Het zy, dat hy, of door het uitoefenen van het ambt van schepen geenen tijd over had om zich op de letteren toe te leggen, of wel dat hy, zoo als met talryke van onze geleerden het geval is geweest, de pen niet genoegzaem meester was, om de vruchten zyner opsporingen te samen te brengen en in het licht te geven.
Eene enkele mael wordt er in de zittingen van de Brusselsche Akademie, en wel in die van den 20sten en 21sten Mei 1776, melding van Verdussen gemaekt. Dit was reeds na 's mans dood. Op het voorstel van den voorzitter werd er besloten aen den prins van Starhemberg te schryven, om hem te verzoeken de belangrijkste handschriften over de vaderlandsche geschiedenis door Verdussen nagelaten, voor 's Lands bibliotheek te doen aenkoopen. De leden De Nelis, Gerard en Des Roches werden met het onderzoek van den catalogus, en de laetste met het bywoonen der openbare verkooping gelast(1).
De twee volgende brieven zullen dus niet geheel zonder belang zijn voor de letterkundige geschiedenis van de vorige eeuw.
1.
Mijn Heer,
Hier nevens bekomt Uw Eed., volgens mijne gedaane beloften, mijn laatst uytgegeeve werkje, ten bewijs, dat het graafschap van Holland, volgens het gevoelen van den befaamden Heer Hugo de Groot geene bestandig gebleevene Republicq, maar een leen, tot het begin der zeventiende eeuwe, van het Duytsche Rijk, en dat ook des zelfs Graaven tot alle die diensten zijn verpligt geweest, tot welken alle de overige Vorstlijke Leenmannen verpligt geweest zijn. Eerer zoude het Uw E. zijn toegezonden geweest, bij aldien de vaart tusschen Holland en Antwerpen eerer was geopend geweest.
Bij dit deel heb ik ook een afschrift gevoegd van de twee laatste hoofdstukken van mijnen Dinterus, des zal mij een zonderlijk vermaak worden toegebragt, bij aldien Uw E. de goedheyd hadt, van mij te willen onderrichten, wat uwe Dinterus Ms. meerer bevat, om dat meerere, volgens uwe aan mij zoo gunstig gedaane aanbieding, te laaten afschrijven.
Dewijl de beleefdheyd gehad heeft van mij, uwe boeken beschouwende, onder ander ook zeker Ms. te laaten zien, bevattende de Resolutiën der zeventien Nederlandsche Staaten, zoo is mijn onderdaanig verzoek om van die goedheyd te zijn, van eens te willen melden met welken dag en jaar de gemelde Resolutiën haaren aanvang neemen.
Indien Uw E. hier te land ergens in ten nutte kan zijn, zoo zal ik het mij steeds tot eene zonderlinge eer rekenen in uwe ontfangene bevelen te moogen werkstelling maaken, als zijnde met de uyterste bereydwilligheyd en hoogachting,
Mijn Heer,
Uwe wilvaardige dienaar,
Gerard van Loon.
Leyden,
in de Mazemanssteeg,
den 1sten December 1748.
Verdussen heeft aen het hoofd van dezen brief geschreven:
Ontfanghen 22 December 1748.
Beantwoordt 29 February 1749.
En achter aen:
Origineele minuten van de acten, resolutiën, brieven etc., gehauden by de Heeren Staeten van Brabandt, van den jaere 1576 de maendt 1sten September tot den jare 1579.
2.
Mijn Heer,
Uwe brief van den 29sten passato is my geworden, uyt welken ik met verwondering gezien heb dat de mijne van den 1sten December 1748 ergens zoude hebbe blyven liggen: dewijl ik, door den schipper van Delft hebbende laaten verneemen wanneer de Beurtman van daar naar Antwerpen vertrok, den zelven, zulks verstaan hebbende, met dien schipper heb medegegeeven om hem aan den Beurtman te overhandigen.
De verzogte herkomst der Staaten van Brabant zal in het IIIe Hoofdstuk van mijn thans gedrukt wordend werk beschreven zijn, als in het welke ik van de herkomst der Staaten van Holland handel. Welk werk nog op het laatst van dit jaar nog waarschijnlijk staat uyt te koomen, zijnde het V Deel der Aloude Regeeringwijze van Holland, in welke oneyndige zaaken, de oude geschiedenissen van Braband betreffende, gevonden worden.
Uw E. betuygt van toe te leggen op het vergaderen der stukken deezer landen tot 1600 toe. Maar zijn dat stukken de Histori van Brabant alleen of wel van geheel Nederland betreffende? Dit weetende zal ik orde geeven, dat dezelve door eenen Goetval gekocht worden, welke zulks voor mij doedt, en nog onlangs verscheydene zaaken voor uwen Burgemeester Knijf gekocht heeft. Maar, waar het niet beter dat Uw E. eerst eene lijst van die stukken gaf, welke Uw E. bereyds heeft, opdat men niet tweemaal de zelfde koopt. Over omtrent een jaar is hier een verzameling van 30 deelen in-4o, uyt zoodanige stukjens bestaande, verkocht.
Hier mede afbreekende, noem mij te zijn,
Mijn Heer,
Uwe bereydw. Dienaar,
Gerard van Loon.
Leyden
den 11sten Maart 1749.
P.S. Daar zijn te Brussel nog III deelen Ms. in-fol. raakende uw tijdbestek, opgesteld door eenen persoon van den eersten rang in Vlaandre, bevattende meest zaaken door hem zelf verricht of onder zijn oog gepasseerd.
Ook zijn hier eenige bladen Ms. behelsende een verhaal van hetgene te Mechelen is voorgevallen, als wanneer er de Gereformeerden meester waaren.
Buitenwaerts staet het volgende adres:
Aan den Heer,
Den Heer Johan-Bapt. Verdussen,
in de Kammestraat,
te Antwerpen.
Verdussen heeft op de derde bladzyde van dezen brief de volgende aenteekening geschreven:
Tres Status Brabantiae anno 1427 Antverpiae congregati. [e] Mathaeo Chron. Brab. f. 180.