terug  begin  verder
[p. 225]

Rinclus, door Gielijs van Molhem en Hendrik.

Tot de onuitgegevene overblijfsels van onze middeleeuwsche letterkunde behoort het nog al uitgebreide dichtstuk, hetwelk Gielijs van Molhem en zijn voortzetter uit het fransch van den Reclus de Moliens, in onze tael overbrachten(1).

In het eenige handschrift, waerin dit gedicht voorkomt, staet er telkens byna aen elk blad, het woord Rinclus bovenaen geschreven: daerdoor is het dan ook in onze letterkunde onder dien naem bekend. In het oud-fransch beteekent renclus, zoo veel als in het hedendaegsch reclus, dat is een kluizenaer.

De naem des franschen dichters, die onder den naem van Le reclus de Moliens schuilt, is tot hiertoe een raedsel, en zyne werken bestaen niet dan in handschrift, onder andere, op de keizerlyke bibliotheek te Parijs(2). By veel der oudere schryvers over de fransche tael- en letterkunde, zoo als Pasquier, Fauchet, Du Verdier, De la Croix du Maine, enz., wordt er niet eens van hem gewag gemaekt. By andere echter vindt men eenige

[p. 226]

inlichtingen. Volgends Daire was hy geboortig van Abbeville in Picardie(1). Stellig is het, dat Moliens vroeger eene heerlykheid was, verdeeld in Moliens-au-val en Moliens-au-bois. Men leest dat deze, in de vijftiende eeuw, in het bezit was van Jan V, heer van Crequy, ridder van het Gulden Vlies en eerste kamerling van Philips-den-Goede(2). Er was ook nog in Frankrijk in de diocesis van Angers, eene mans-abdy van de orde van den H. Augustinus, le Molinais genaemd, en door Hendrik II, koning van Engeland gesticht(3). Maer men zal zich waerschijnlyk by het eerste moeten houden.

Van den Reclus de Moliens bestaen er twee of drie werken: Le roman de Charité, Le Miserere, en ook, schijnt het, eene poëtische bearbeiding van het Onze Vader. Alle, zooals ik reeds zegde, zijn tot hiertoe onuitgegeven; daerdoor is het nog niet mogelyk onzen nederlandschen tekst met den oorspronkelyken te vergelyken.

De fransche geleerden zijn het omtrent eens over den leeftijd van den Reclus de Moliens. Volgends Ducange, aengehaeld door Roquefort(4), leefde deze kluizenaer ten tyde van Hendrik II, koning van Engeland, die van 1154 tot 1189 den troon bekleedde. De geleerde Ménage(5) denkt, dat de Roman de Charité onder Philippe-Auguste (1180-1223), werd geschreven. Het zelfde kan op het ander werk, le Miserere, worden toegepast. Ginguené, die hem le Reclus de Moliens ou de Mollens noemt, en over zyne werken eenige belangryke bladzyden schreef, zegt dat deze dichter waerschijnlyk vóór het jaer 1180 bloeide(6).

[p. 227]

Talryke fransche schryvers, zoo als Borel(1), Duchesne(2), Menage(3), Du Cange(4), Carpentier(5), Barbazan(6) enz., die enkele verzen uit het een of ander der gedichten van den Reclus aenhalen, hadden niet eens opgemerkt, dat die dichter de eerste by de franschen schijnt geweest te zijn, die de gekruiste verzen invoerde. In der daed zijn Miserere en zijn Roman de Charité zijn in strofen van twaelf achtvoetige verzen, waerby twee verschillende rymen gebruikt worden. Roquefort(7) was de eerste, die zulks deed opmerken, en hy haelt als voorbeeld de 199ste strofe uit den Miserere aen:

 
Droite vie est de mariaige,
 
chascun doit servir sans outraige,
 
li uns l'autre quant à son per.
 
Noces sont aussi comme la caige,
 
où en enclot oisel sauvaige,
 
k'il ne puist jamais eschaper.
 
Ne se doit pas cil encourper,
 
qui vigne a de l'autrui graper.
 
Noces sont refui pour oraige,
 
et sont pour celui atraper,
 
qui veut autrui feme happer;
 
noces font as trop chaus ombraige.

De heer Paulin Paris, by het beschryven van een der handschriften der keizerlyke bibliotheek te Parijs, waerin le Miserere voorkomt, en aldaer le livre del Renclus de Moiliens heet, zegt dat het gedicht uit ongeveer 300 twaelfregelige strofen bestaet; maer Ginguenébrengt het getal der strofen van le Miserere slechts op 275, en dat van le Roman de Charité op 215. Beide geleerden zijn het eens

[p. 228]

om te bekennen, dat die dichtstukken uit de pen gevloeid zijn van eenen zeer ervaren verzenmaker, wiens godvruchtige gevoelens zich doorgaends onder de trekken van de scherpste hekeling of de strengste zedeleer vertoonen. Le Miserere begint als volgt:

 
Miserere mei Deus!
 
Trop me sui longuement téus,
 
que je déusse avoir bien dit;
 
assez ai temps et lieuz éus
 
des maus blasmer que j'ai véus.
 
Dex, par le prophète! maudit
 
qui respont et qui escondit
 
le froument au peuple maudit
 
dont il doit être repéus.
 
Pour ce qu'ainsi le truis escris,
 
del blé de mon grenier petit,
 
ai des meillors grains esleus.

Paulin Paris voegt er by, dat in gezegde bibliotheek talryke kopyen van dit gedicht bestaen, waervan onderscheidene tot de twaelfde eeuw opklimmen.

Hier en daer vindt men nog, het zy geheele strofen, het zy enkele verzen van den Miserere of van den Roman de Charité aengehaeld. By voorbeeld by Ginguené leest men de 19de strofe van den franschen tekst, die in den onzen onder nummer 20 voorkomt.

 
Hom, or entend, tu dois oïr,
 
qui tu es ne te dois jéir.
 
Qui es tu donc? sans plein de fiens
 
tu te veux chascun jour emplir,
 
et puis vuidier et puis remplir.
 
Quant tu es vuis mal te contiens,
 
et quand tu es trop pleins si giens
 
assez as fiens.......
 
Jà ne te saras tant polir;
 
tu enordis quanque tu tiens,
 
car n'attouche pas tant nette riens
 
à toi, que ne faches soillir.
[p. 229]

Ook de 32ste, die in onzen tekst de 33ste is:

 
Par cheux est li monde destruis
 
par qui il déust estre estruis
 
car chil, qui nous doivent conduire,
 
nous mènent par estrois pertuis,
 
et ils ont trouvé un grand huis
 
large u parent ils vont déduire
 
ou choses qui tant puist nuire.
 
Chil qui ruevent les déduis fuire,
 
sont chils qui quièrent les déduis.
 
Or ne sai-jou où me refuire;
 
chil qui doivent autrui estruire
 
che sont chils u tous les maus truis.

Eindelyk nog de 112ste strofe, welke met onze 110ste overeenkomt, waerin de oorsprong van de quade tonghen, dat is, den laster, op eene niet ondichterlyke wyze verteld wordt:

 
Envie, chele serve amère,
 
dist qu'ele volait estre mère
 
et mettre au monde de son fruit.
 
Par pechié plus laict qu'avoutère
 
ala couchier avec son père.
 
Par une mout horrible nuit,
 
menèrent horrible déduit,
 
n'en leva pas à ventre vaire;
 
de son père conchut un frère,
 
que on nomme mesdit maudit;
 
la mère l'a en ses meurs déduit
 
et il retint bien sa matère.

Ook komt by Roquefort(1) de 82ste fransche strofe, by ons de 79tse, voor. Zy luidt als volgt:

 
Orgilleus, pris es à ton las
 
quant de autrui nom as soulas,
 
et d'autrui biens-fais qui est la glore;
 
quant de ton bon père parlas,
[p. 230]
 
et de rien ressemblé ne l'as,
 
chest à ton oës honteuse estore,
 
li bien qu'il fist en son tempore.
 
Tu mauvaisetiez pas ne restore,
 
de son los ton nom violas
 
pourquoi te desnatures ores?
 
Oncques-mais ne me fui mémore
 
du bon ni dont tu avolas.

Ik ruimde hier geerne eene plaets in voor deze fragmenten van den franschen Renclus, omdat men deze alzoo met onzen dietschen tekst kan vergelyken.

Doch keeren wy tot onzen Rinclus te rug. Het handschrift, waerin hy voorkomt, was vroeger het eigendom van den engelschen boekverzamelaer R. Heber, en is sedert ruim vijf-en-twintig jaren het myne. Het is een kleine, maer tamelyk dikke, op perkament, in de eerste helft der veertiende eeuw geschrevene kwarto, waerin de verzen achtereen volgen zoo als proza, maer nochtans met een rood streepjen door de eerste letter van elk vers, om aldus de aendacht er op te vestigen, en aen te duiden, dat er telkens een ander begint(1). Willems heeft het fac-simile van een blad uit dit handschrift medegedeeld(2), en later zal ik, by de uitgave van het vierde boek van den Wapene Martijn, die daerin insgelyks bevat is, een nauwkeurig verslag van geheel den inhoud mededeelen.

Ons gedicht beslaet in den Codex 18 bladen of 36 bladzyden. Aen het einde echter van het stuk ontbreken er een of meer. By het beschouwen van het handschrift zou men denken, dat er slechts één blad faelt; maer alzoo de fransche tekst uit twee honderd en vijf-en-zeventig of drie honderd strofen bestaet, en er

[p. 231]

by ons slechts honderd en een-en-twintig overblyven, moeten er onderscheidene bladen verdwenen zijn: in de veronderstelling, wel te verstaen, dat het werk van den franschen dichter in zijn geheel in onze tael overging.

Ik heb boven gezegd, dat men het fransch gedicht als tusschen de jaren 1154 en 1223, of zelfs, volgends Guingené, als vóór het jaer 1180 opgesteld zijnde, mag beschouwen. Wanneer werd het in onze tael berijmd? Met zekerheid is hieromtrent niets te bepalen; doch het is te veronderstellen, dat dit niet zeer lang na de verschyning van het oorspronkelyke gebeurde.

Heinrec, de voortzetter van den Rinclus, schijnt echter nog al eenen geruimen tijd na Gielis van Molhem geleefd te hebben, vermits hy niet bepaeldelyk kon zeggen, om welke reden zijn voorganger het stuk onvoltooid had gelaten (Str. 97, v. 1155-1160). Ook verdient het vers: ‘Met altemale haren reinarden,’ hetwelk in het vervolg door dezen Hendrik voorkomt (Str. 114, v. 1363), eenige opmerking, daer het aen onzen Reinaert doet denken(1), die misschien reeds bestond, toen het tweede gedeelte van den Rinclus werd geschreven; maer dit verzet zich geens zins tegen de oudheid van geheel ons dichtstuk. Want niemand by ons heeft tot hiertoe den Reinaert beschouwd als na de jaren 1200-1220 geschreven zijnde(2), terwijl professor Jonckbloet, een der laetsten, die over ons beroemd epos, op eene kritische wyze handelden, zich aen het gevoelen van Willems en Snellaert houdende, zegt: ‘Het komt ons nog altijd voor, dat de vlaamsche Reinaert tot de laatste jaren der twaalfde eeuw mag en moet gebracht worden(3).’

De Rinclus klimt dus tot de twaelfde, of minstens stellig tot de

[p. 232]

eerste jaren der dertiende eeuw op, en dit dichtstuk dagteekent diensvolgends van een veel vroeger tijdvak dan dat, waerin Maerlant bloeide(1). Het is nogmaels een bewijs, dat men maer in 't geheel niet zal aennemen hetgeen mijn geleerde collega, professor David, onlangs heeft geschreven: ‘Het is slechts in de eerste helft der dertiende eeuw dat er, uit het mengelmoes van velerlei dialecten, eene gemeene Nederduitsche of Belgische tael tot stand kwam, met vaste vormen, met syntaxische hebbelykheid, vatbaer derhalve tot nauwkeurige uitdrukking, in het schrift, van gedachten en gevoelens(2).’ Volgends my was de tael reeds in de twaelfde eeuw gevormd, en het is immers genoegzaem bewezen, dat er byna eene geheele letterkunde vóór Maerlant bestond.

Onze Rinclus is, even als de fransche, in kunstig gekruiste verzen, alzoo in elke strofe van twaelf regels slechts twee rymen voorkomen, waervan het eene telkens voor de verzen 1, 2, 4, 5, 9, en 12, en het andere voor de verzen 3, 6, 7, 8, 10 en 11 gebruikt wordt. Dit gedicht zal dus ook wel by ons een der oudste van dit slach zijn. Maerlant, weet men, schreef insgelyks in verzen van den zelfden aerd; maer in zynen Wapene Martijn heeft elke strofe dertien regels.

Het gedicht van den kluizenaer van Moliens werd in onze tael overgebracht door Gielijs van Molhem, die slechts de zes-en-negentig eerste strofen afmaekte, en dus het stuk onvoltooid liet. Zekere Heinrec vertaelde het vervolg, en van zynen arbeid kwamen vijf-en-twintig strofen tot ons. Of hy geheel het werk voltooid heeft, blijft onzeker.

Wie waren Gielis van Molhem en Hendrik? Willems schreef: ‘Molhem ligt op een klein uer afstands van Assche, naer den kant van Merchem, en maekt thans met Bollebeek ééne gemeente uit,

[p. 233]

van omtrent 550 zielen. Men mag gelooven dat Gielis aldaer geboren is, vermids men in zynen tyd veelal gewoon was zich naer zyn geboorteplaets te noemen(1).’ Sedert heeft men niets meerder ontdekt. Molhem lag niet verre verwyderd van de abdy Afflighem, welke reeds vóór het jaer 1100 bestond. Hierdoor komt men tot de gissing, dat Gielis en Hendrik twee moniken uit dat gesticht waren. Doch hiermede is men niet verre gevorderd; want ik heb reeds vóór twintig jaren, toen ik over Willem van Afflighem handelde(2), gelegenheid gehad te zeggen, dat men over de schryvers, welke in die vermaerde abdy tydens de middeleeuwen leefden, weinige inlichtingen kan verhopen. Reeds ten tyde van Sanderus was de bibliotheek van Afflighem, die, toen Guicciardini (1566) schreef, voor de rijkste aen handschriften van geheel Nederland doorging, in eenen jammerlyken toestand. De bibliothekaris Odo Cambier, in eenen brief aen Sanderus gericht, beklaegt zich bitter over het verstrooijen der boeken gedurende de beroerten der zestiende eeuw. ‘Het meeste van hetgene wy vroeger bezaten,’ zegt Cambier, ‘ja zelfs de werken der mannen, die in dit gesticht gebloeid hebben, als Simon, Willem, Hendrik, Gerard, zijn thands voor ons verloren(3)’ Er wordt hier een Hendrik genoemd; maer van eenen Gielis zegt men niet het minste woord. De namen der beide dichters zijn dus slechts door den Rinclus bekend.

Mone deelde in den Anzeiger(4), de zes eerste strofen van Gielis van Molhem en de eerste van Hendrik mede. Willems, in zijn Museum(5), nam nog eens de drie eerste strofen op, en

[p. 234]

hy wederlegt te recht Mone, die voor het woord Molhem, in het handschrift by verkorting Molhē geschreven, aen het aenzienlyk dorp Mol, in de brabantsche kempen gelegen, wilde doen denken. De hoogduitsche geleerde heeft niet geweten, dat er by ons een Molhem bestond. Dr Snellaert heeft ook de eerste strofe in zyne bekroonde verhandeling als proeve gegeven(1).

De Rinclus verschijnt dus hier voor de eerste mael, zoo als hy tot ons is gekomen, in honderd en een-en-twintig strofen, waervan de laetste zelfs niet geheel is overgebleven. Aen twee strofen, namelyk aen de 10de en de 59ste, ontbreekt één vers, terwijl de 13de uit zestien regels bestaende, vier regels te veel telt.

Naer myne gewoonte geef ik den tekst van het handschrift zoo getrouw mogelyk te rug, zonder daeraen de minste veranderingen of kritische herstellingen te doen. Wanneer men dit gedicht vergelijkt met de talryke stukken, welke ik uit den grooten Hultemschen codex gedrukt heb, zal men dadelyk gewaer worden dat de spelling en taelvormen van den Rinclus doorgaends ouder zijn.

Opmerking verdient het, dat in dit handschrift meestal, niet altijd, geen stip of schreefjen op de i staet, terwijl de letter y overal eenen punt draegt, by voorbeeld in paradẏse, greẏn, eẏgen, noẏt, enz. Daerdoor is in het schrift het onderscheid tusschen deze letter y en de ij zeer duidelyk. Bilderdijk deed vroeger de aenmerking dat ‘'t Angelsakisch geen stip op de i heeft aangenomen; zy onderscheidt zich ook genoeg in dat schrift, en behoefde dus geen byschrift (of 't ware) van dit is een i; maar de y wordt daarin met een stip geteekend, en deze beduidt, dat hy als een i uitgesproken moet worden, en het schijnt dat dit aangenomen werd toen de klank van de letterfiguur in

[p. 235]

't gebruik ongelijk was. Het was van belang dit aanteteekenen, op dat youth, by voorbeeld, niet vouth of wouth zou gelezen worden, maar jouth(1).’

De verkortingsteekenen in dit handschrift gebruikt, alhoewel talryker dan in het Hultemsche, laten zich gemakkelyk oplossen.

Rinclus.
 
1.
 
Deus! edel God vanden paradyse,
 
gheeft gracie van Molhem Gielise,Vers 2
 
dat hi uten walsche vertiere3
 
in dietsche, woerde die staen in prise4
5.
ende salech sijn oec, want hise
 
vant in dboec, dat de clusenere6
 
van Molinens maecte; hets sijn gere.7
 
Ute hem dichtic te bat, want here8
 
bi namen wi voegen in ene wise:
10.
Molhem, Molinens, hiers geene were;10
 
niet dat den goeden man gedere,11
 
dat selc dwaes steet in sine assise.
 
 
 
2.
 
Want Gielijs wert des wel geware,13
 
dat hijs herde onwerdech ware,14
15.
noemde hi hem inden getale15
 
des goets mans, die sijn lange iare
 
heilechlec, in pinen sware,
 
heeft geleidt; dats sonder hale.18
[p. 236]
 
Mer gerne soude hi, conste hi wale,Vers 19.
20.
translateren in dietsche tale20
 
sijn boec, want hets ene ware
 
hem, diere na werct, vor tfiants strale.22
 
dBeghin des weres settic te male23
 
in Gods gewout, dat hijt beware.
 
 
 
3.
25.
Ghenadech God! hebt mijns genade,
 
want langen tijt hebdi mi stade
 
verleent te doene, dat u bequame;27
 
dats dat ic soude blameren tquade;28
 
want die prophete, uut uwen rade,
30.
verdoemt den vrecken, om de blame,30
 
dat hi tgraen slut, na ontame,
 
vore hem, die bidt in uwen name;32
 
want dit steet in den heilegen blade:
 
‘tGreyn te reiken uut minen lichame
35.
op dat menre nutscap af name;’
 
ontpluct voert, al eest te spade.
 
 
 
4.
 
In eenre ander stat machmen lesen,
 
God sprect uten prophete van desen38
 
onreine vrecke, pannetieren:39
40.
‘Cleine volc bidt broet, het moet wesen,
 
dune wilt hen shongers niet genesen;’41
 
soe wee hem, diet dus doet verdieren;42
 
hine wilt tontginnene niet meer finieren43
 
sijn broedekijn in tweën, in vieren,
45.
ter armer behoef, dat sijt mochten kesen.
 
Oec sie ic volc, van vele manieren,
 
woudt op mijn broedekijn vele mengieren,
 
het worde meer van mi gepresen.
[p. 237]
 
5.
 
Lostelec es broet ingesonden,
50.
mer die sieke weret van mondeVers 50
 
ende nemt liever den appel suren:
 
ghelijc eest, dies benic orconde,
 
dat de sot en haet dinc meer te gronde,
 
dan castiën; men maechs niet rueren,
55.
want hi es so arch van naturen,
 
dat goet raet wert in hem seerre te sueren56
 
dan broet in den sieken monde.
 
Wie sonden volcht van uren turen,
 
es ongecust van waerden puren,59
60.
soe overoncuusch es de sonde.
 
 
 
6.
 
Ia, selc es so verkeert in schine,
 
dat hem gheeft al te groten pine
 
doecht te hoerne, want hine caens verbeiden
 
ende soect noetsaken elre tsine.
65.
Hi peist: dune sels hier niet bliven
 
daer men sprect van salecheiden;66
 
men caent so soetelec niet geleiden,
 
hine vliet alst scaep den wolf inder weiden,
 
soe ruertenne de sonde met venine.
70.
Mer die hen voegen ter sotheiden,70
 
derwert siet menne gereiden,71
 
want dan alre ierst es hi an tsine.
 
 
 
7.
 
Een anxt eest sieken weder keren
 
sine spise; daer moet bi verseeren74
75.
siecheit ende daers de doot tontsiene.
 
Doot es hi, die niet en wille leeren
 
Gods woert, mer doecht in arch verkeren77
[p. 238]
 
ende wisen raet niene acht tantsiene,
 
no wat hem na es te gesciene:Vers 79
80.
hi maect sine dinc voer Gode onsiene
 
ende roeft hem selven van alre eren.81
 
Wie hem niet en voecht na doecht te pliene,82
 
mer in lanc so meer te vliene,83
 
werdt met gewout viant ons Heren.84
 
 
 
8.
85.
Lichter ware mi de hant te slane
 
toten hemele, dan te weder stane
 
elc gebrec, in caent verbieden;
 
niene latic daer bi voert te gane,
 
al ne waers bate meer tontfane
90.
dan van .m. verkeerden lieden
 
hen .ii., die van sonden scieden
 
ochte een, ic naemt ter groter mieden.92
 
Daer bi pleechtmen ten brande te gane,
 
mochtemen tferlies iet weder nieden;
95.
scudden en mach geen cleet gewieden,
 
mer te min onreyns hancter ane.96
 
 
 
9.
 
Magic dit werc ten inde bringen,97
 
het mach vromen te menegen dingen;
 
ende quaet gedaen waert dat ic swege,
100.
want wils de lieve God gehingen,
 
iemans weldaet salre bi lingen,
 
te beter saels sijn allewege,
 
die goede, die quade, slaetmen sege
 
goet tsine ocht gaen beter wege,
105.
die goede poente in hen dringen:105
 
ende swegic dan ende der quaetheit nege,
 
recht waert dat mi God betege
 
der liede gebrec, die quaet begingen.
[p. 239]
 
10.
 
[O]m drie dinge, mensche, ic die vrage:Vers 109.
110.
wanen quaemstu van iersten dage?
 
waer bestu? ende waer selstu henen?
 
Sech voert, want ics di niet en verdrage,
 
drie ander dinc, die ic gewage:
 
wie du wars sal sijn gerenen,114
115.
die mine woerde dijn sinne snenen;
 
die wijsheit volcht, quelt dese plage.
 
Hine can hem suchtens niet ontwenen,117
 
als hi sijn broesche lijf siet lenen
 
op so iammerliken lage.
 
 
 
11.
120.
[H]oe mochten si gesijn in rasten,
 
die wel verstonden ende compasten
 
dbedieden mijnre corter waerde.
 
Selc hoert wel goet dinc, van .ii. basten
 
dies niet en acht, noch en wilter hem met lasten124
125.
meer dan hijt prijst. Fi! behagelarde,
 
hoert mi, wat holpt dat ic u sparde,
 
die sin mijns dichtens es selc van arde
 
hi sal u toten merge tasten.
 
Scuwet den prekel van dies viants garde,
130.
dats overmoet, sijts op u warde,
 
ocht u ne helpt vullegaen no vasten.
 
 
 
12.
 
[M]ensche, hore wanen du comen sijs:
 
tgebod dat Adaem brac, hadde hijs
 
ontbaert, ende dat hem God geboet,134
135.
ende den appel opt doode rijs
 
niene hadde aneveerdt, int paradijs,
[p. 240]
 
God haddene, na de weelde groet,
 
met hem gemaect ingels genoet;Vers 138
 
neen hi, dat brachte ons ter doot.
140.
o Wach hi! die was sins so wijs,
 
waer bi el diende hi, sonder noet,
 
dat hem God dat goet vore sloet142
 
ende ons, want noch gevoelen wijs.
 
 
 
13.
 
[V]an so subtilen man waest wonder,
145.
dat hi ter noet sijns sins werdt sonder
 
ende ons allen eygen maecte,
 
dien God gevrijt hadde sonder.
 
[H]ine wrachte niet bider wijsheit,148
 
die den bant der onderhorecheit
150.
brac, sonder noet, om cleine dinc.
 
Wach di, armer gierecheit!
 
God screef, in der voersienecheit,
 
die doot an des appels ommerinc,
 
want de doot was des appels geminc?
155.
mer God orloefde hem dat hi ginc155
 
ghebruken, met groter geweldecheit,156
 
al ander vrocht, waer si daer hinc.
 
Dit en halp Adame al niet
 
ten naesten siere salecheit159
 
 
 
14.
160.
[M]ensche, proef den last dien du draechs:
 
dune cans geslapen, nachts na daechs,161
 
met rasten, dore die sonde Adaems;
 
wach mesdaet! dier du noeyt en plaechs,
 
no est di; dune aets, no oec en saechs
165.
die vrocht, daer du in pinen om quaems,
 
viant, die tserpent vernaems;
 
knaechs hier in so vele dijns alaems
[p. 241]
 
datture noch menegen bi versaechs,
 
want du na elcs archste raems,
170.
ende in lanc so meer vorwert craems;Vers 170.
 
dat moet God versien, want du valsch iaechs.
 
 
 
15.
 
[t]Hoet es gestoert tot in die lede,
 
ja, overmids Sathanas gecnede,
 
dat ons quetst buten ende binnen,
175.
'tfleesch geeft den geeste onvrede
 
mids tvenijn, dat die viant dede
 
in teech, dats dat hem liet verwinnen
 
Adaem an teech, machmen tfleesch bekinnen,
 
dat reinicheit niet en wille minnen,179
180.
mer sonden soeken telker stonde,180
 
ende leckerlec dat can ontginnen,
 
hier laten dit, dat daer beginnen;
 
het keret danent quam, dat es sijn sede.
 
 
 
16.
 
[M]ensche, du sprancs den spronc van qualen,
185.
ja, uter paradyscher salen
 
hier neder, in den armen weenne.186
 
Uter bliscap, die niet en mach smalen,
 
moestu int dal van weenne dalen,
 
daer dijn gebrec en es niet cleenne;189
190.
dorst, honger, coude heefstu gemeenne;
 
dar bi es, nacht ende dach, dijn meenne191
 
hoe du dijn lijfttocht moechs verhalen,192
 
ende peist daer na toten leene;
 
ende, wenstu lijftocht maer allene,
195.
wie sal der sielen cost betalen?
 
 
 
17.
 
Icken hebbe, mensche, niet gemest
 
wanen du quaems ende wie du best;
[p. 242]
 
mer war du sels, en wetic niet.Vers 198.
 
Du sies twee wege, als oest ende west,
200.
ongelijc, deen quaetst, dander best;
 
deen geeft bliscap, dander verdriet,
 
sich vore di, du best bespiet.
 
God dinen eygenen wille di liet,
 
hi settet al an di te lest;
205.
ten goeden wege hi di riet;
 
wie noyt met wille danen sciet,
 
vant in die helle sinen nest.
 
 
 
18.
 
Die worstelt ende boven geet
 
prijstmen, noch meer die op steet
210.
onder den sterken ende boven blijft.
 
Du sproncs van boven in dit leet,
 
sprinct weder op, hets di gereet,
 
op dat goet wille an di beclijft,
 
verhale dine scade, eer die verstijft
215.
dijn vlocht, ochtu blijft verkeytijft.
 
Lase! hoe dit dijn herte ontfeet,
 
eest dat dijn spronc niet op en clijft;
 
du sprancs hier na, alsoemen ons scrijft,
 
soe diepe, dat mens gront en weet.
 
 
 
19.
220.
Mensche, verstant ende hore na mi;
 
wie du wars, dat seggic di.221
 
Mi es leet dat ics gewagen moet,
 
want daers so vele scanden bi.
 
Hoeverdege, proef dit dan, o wi!224
225.
dijn behagel lijf, dijn vleesch, dijn bloet
 
nam sijn begen uut armer vloet.226
 
Sprakic vorder, en ware niet goet,
 
an di wilic dat tgronden si,
 
du proefs den sen, bestu vroet.
[p. 243]
230.
Settestu dit wel in dinen moet,
 
so bleefstu meneger sonden vri.
 
 
 
20.
 
Mensche, wie bestu, dat ane hore:
 
bestu niet een sac vol van gore,
 
die dagelijcs sleic wilt sijn gemeten,
235.
nu ydel, dan weder vol? nu core.
 
Dune heefs niet in maten behore,
 
du deens heefstu te vele geten,
 
ende crieps heefstu te cleine ontbeten.
 
Dijnre maten es di al vergeten,
240.
want oncuuscheit art di an van ore,
 
en es dinc so reine, wiltuut weten,
 
dat di genaect of heefs beseten,
 
en werdt ontreynt; anesich dit dore.
 
 
 
21.
 
Wattu salt, mensche, na dit leven
245.
sijn, willic di te kinnen geven:
 
spise der wormen onder derde;Vers 246.
 
dijn vleesch, dat cierlijc es verheven,
 
daer menege weelde an es bedreven,248
 
sal sijn gekeert in groter onwerde,249
250.
als die doot comt met haren swerde,250
 
die siele sceedt uut slijfs gewerde,251
 
dan geetd an tsuchten ende an dbeven252
 
tfleesch, dat sijns willen noede ontberde;253
 
heeftstu gedaen so wat begerde,254
255.
du moetster iammerlijc om sneven.
 
 
 
22.
 
Heefstu mi, mensche, wel verstaen?
 
du kins dat di hebben gedaen
[p. 244]
 
Adaem ende Yeve groet verlies;Vers 258
 
sintu in noede best bevaen,
260.
pijndi hoe du moges wederstaen:
 
God heeft di hermaect bi dies
 
den sterken bant, na onsen kies,
 
die uut gehorsamheiden wies,263
 
daer Adaem iegen was gegaen.
265.
Nu ne maecti nemmeer so ries,
 
dattu gehorsamheit verlies,
 
want si can alle smetten dwaen.
 
 
 
23.
 
Dat wi Gods hulde niet en behouden,
 
comt al bi onser traecheit scouden.
270.
Sijn dienst es licht; ia, make wi moete
 
dat wi onse werc daer in vouden.
 
Hi weecht ons daer wi wesen souden
 
ende sent bliscap ons te gemoete;
 
sijn reyne gebode sijn so soete,
275.
si geven alles doegens boete.
 
Op dit mogen wi ons verhouden:
 
valle wi, mids sonden groete,
 
God set ons weder op onse voete
 
ongequetst, ende hem vergouden.279
 
 
 
24.
280.
Die met doegene es verladen,
 
wilt hi keren ter Gods genaden,
 
God sent hem troest, die wel can sachten
 
ende tempereren sijn verdriet met staden,
 
so dat bijt lichter dreecht. Dus daden
285.
die martelaren, die hare gedachten
 
nietne keerden, te wat noede sise brachten,
 
dondadege, diere moert ane wrachten.
 
Al mochtmen hare live scaden,
 
tgeloeve bleef in vrayer wachten;
[p. 245]
290.
sine wouden op die doot niet achten,
 
mer in Gods dienste hare wesen gaden.Vers 291
 
 
 
25.
 
Die Gode hebben van herten wert,292
 
in hen en mach niet sijn verwert293
 
tfier, dat uut caritate ruert,294
295.
noet, honger, coude, dorst dan deert295
 
hen, want God te sine begert296
 
gheselle, daer hem therte puert;297
 
sent ons swaerheit in tsalege vuert,
 
soe eest beter, hoe soet besuert,
300.
dat men der weldecheit ontbert,300
 
dan salecheit es geavontuert
 
ende doegen mint, daer God bi duert,
 
dan weldech varen hender wert.303
 
 
 
26.
 
o Wach! ende wat hadde hi gewonnen
305.
dies tgoet al ware onder der sonnen,
 
ende dan die siele niet behielde.
 
Die goede Laureis was des versonnen:
 
hi lach, met vieregen bloede beronnen,
 
op den roestere, in ongewilde,
310.
alse dier der martieliën niene scilde;310
 
den tyran vraechde hi, ochte hi wilde
 
eten sijns vleeschs, het ware begonnen
 
dorbraden, want het van den beenen vilde;
 
dies was hi hier te toegene milde
315.
dies hem God soude sijn rike geonnen.315
 
 
 
27.
 
Wat scrijft men vanden goeden man
 
Vincente, die Daciane verwan,
[p. 246]
 
daer hi vore hem leet swaren torment.Vers 318
 
Hi lach op den roester van
320.
ysere, daer hem dhloet af ran320
 
ende tsmout, recht als van hersten;
 
het was in vierech al ontrent,322
 
hem en ruerde hi noyt en twent;323
 
mer sinen scepper hi te loven began.324
325.
Hi temperde wel dat instrument,
 
dat hi voer Gode heeft oeyt sent
 
ghespeelt ende spelen sal voert an.327
 
 
 
28.
 
Si, die weec sijn ende alte trage,
 
merken hoe die Gods vriende, hare daghe,329
330.
ontfunct waren in caritaten.
 
Die sente Andriese, sente Stevene sage,
 
welke tormente ende welke plage
 
si doechden, mochten hen gerne gematen.333
 
Drie daghe hinc deen ant cruce verhaten
335.
ende predecte elken te baten;
 
dander bat God, sonder clage,
 
dat hi hen die sonden wilde verlaten,337
 
diene steinden of arch besaten;
 
sine wisten watter ane gelage.
 
 
 
29.
340.
Meesters warent van goeder scolen:
 
hare woert, hare daet, hoe sijt bequolen,341
 
verlichten die Heilige Kerke.
 
Alse wise tonge slaet in dolen,
 
doet hare woerde met logenen solen,344
345.
elc volc begertse inden werke;345
 
dat brinct menege siele in swerke.346
 
Woerde sonder daet, uut leecken, uut clerke,347
 
dienen gelijc den scoen sonder solen,
 
want si staen buten hantgemerke.349
[p. 247]
350.
Met enen vlogele mach qualike stercke
 
vlocht vogel doen; dits onverholen.
 
 
 
30.
 
Wat vrochte mach dragen lant verspaect?
 
die sondecht ende sermone maect
 
van dat een ander sonde iaecht;
355.
wat achtmen sijns, want hi es naect
 
van doechden, daer sijn ere in laect;
 
hi sal eer doen dat Gode behaecht,
 
eer hi den sondere meer versaect,Vers 358
 
sijn goede werke ane hem bedaecht;
360.
so wert sijn woert na recht gesmaect.360
 
Met redenen hi versmaedheit draecht
 
die meester, die sijn woert laecht,362
 
es hi van daden ongeraect.
 
 
 
31.
 
Qualec prisic des meesters dingen,
365.
die hem wilt met welden mingen365
 
ende hetet enen anderen dragen rouwe;
 
hi scuwet den wech van siere leringen
 
ende wijst den swaren pat, den ingen
 
ons te gane, dits geen trouwe.
370.
Hi peist eer gin ic, daer ic cnouwe
 
iet leckers, ocht anesage ene vrouwe,
 
die ic te valle mochte bringen,
 
dan te doene dat men scouwe.
 
Elc dus volcht des viants bouwe,
375.
die hem nog swaren sanc sal singen.375
 
 
 
32.
 
Wat wondere eest, al geloeft men twent,
 
ochte lettel goet, die predect sent;
[p. 248]
 
die vasten hiet ende selve es sat
 
van spisen, die hi lecker kent:
380.
van claren wine, die saechte rent
 
dor sine kele. Voert hiet hi dat
 
te makene hert onse bedde statVers 382
 
ende de sine es saechte; dus vliet hi wat
 
hi raedt ons, waent hi maken blent,
385.
vent hijt dus goet hier, ginder bat;
 
hine proeve tiersten tswerte gewat,386
 
so staet sijn seil te wensche in went.
 
 
 
33.
 
Die werelt wert bi haren scouden388
 
bederft, die ons berechten souden;
390.
si leggen ons poente wel te voren,
 
die si selve lettel houden,
 
want hare gescrifte glose vouden
 
na hare gevoech, niet na behoren.
 
Die onse bliscap niet en willecoren,
395.
leidense selve bi den oren,
 
dat sietmen wel. Fi! derre wi souden,396
 
die sculdech sijn, dat si ondaet scoren,
 
dat sijn die, die alle doecht versmoren;
 
dits alte nauwe God vergouden.
 
 
 
34.
400.
Dit en seggic niet bi selken saken,
 
dat ic mi mach onsculdech maken,
 
om dat ic lachtere iemens gebreke.
 
Wie dat wel seget, men volge der spraken,
 
al sagemen oec in sonden blaken,
405.
want men minct wel lose treken
 
in doecht. Hoert wat ic daer toe sal spreken:
 
God, die wert es dat hem elc weke,407
 
sal dat te scedene wel geraken,
[p. 249]
 
want sijn ordeel strijct rechten streke;
410.
ende den mensche, hi nemmermeer besweke,Vers 410
 
minde hi Gode ende wilde arch messaken.
 
 
 
35.
 
Hi, die recht elken willecoert,
 
die doecht arch loent, na dat behoert,
 
ende negeenen mensche onrecht en doet,
415.
want hi in tfolc meester behoert,