Tot de onuitgegevene overblijfsels van onze middeleeuwsche letterkunde behoort het nog al uitgebreide dichtstuk, hetwelk Gielijs van Molhem en zijn voortzetter uit het fransch van den Reclus de Moliens, in onze tael overbrachten(1).
In het eenige handschrift, waerin dit gedicht voorkomt, staet er telkens byna aen elk blad, het woord Rinclus bovenaen geschreven: daerdoor is het dan ook in onze letterkunde onder dien naem bekend. In het oud-fransch beteekent renclus, zoo veel als in het hedendaegsch reclus, dat is een kluizenaer.
De naem des franschen dichters, die onder den naem van Le reclus de Moliens schuilt, is tot hiertoe een raedsel, en zyne werken bestaen niet dan in handschrift, onder andere, op de keizerlyke bibliotheek te Parijs(2). By veel der oudere schryvers over de fransche tael- en letterkunde, zoo als Pasquier, Fauchet, Du Verdier, De la Croix du Maine, enz., wordt er niet eens van hem gewag gemaekt. By andere echter vindt men eenige
inlichtingen. Volgends Daire was hy geboortig van Abbeville in Picardie(1). Stellig is het, dat Moliens vroeger eene heerlykheid was, verdeeld in Moliens-au-val en Moliens-au-bois. Men leest dat deze, in de vijftiende eeuw, in het bezit was van Jan V, heer van Crequy, ridder van het Gulden Vlies en eerste kamerling van Philips-den-Goede(2). Er was ook nog in Frankrijk in de diocesis van Angers, eene mans-abdy van de orde van den H. Augustinus, le Molinais genaemd, en door Hendrik II, koning van Engeland gesticht(3). Maer men zal zich waerschijnlyk by het eerste moeten houden.
Van den Reclus de Moliens bestaen er twee of drie werken: Le roman de Charité, Le Miserere, en ook, schijnt het, eene poëtische bearbeiding van het Onze Vader. Alle, zooals ik reeds zegde, zijn tot hiertoe onuitgegeven; daerdoor is het nog niet mogelyk onzen nederlandschen tekst met den oorspronkelyken te vergelyken.
De fransche geleerden zijn het omtrent eens over den leeftijd van den Reclus de Moliens. Volgends Ducange, aengehaeld door Roquefort(4), leefde deze kluizenaer ten tyde van Hendrik II, koning van Engeland, die van 1154 tot 1189 den troon bekleedde. De geleerde Ménage(5) denkt, dat de Roman de Charité onder Philippe-Auguste (1180-1223), werd geschreven. Het zelfde kan op het ander werk, le Miserere, worden toegepast. Ginguené, die hem le Reclus de Moliens ou de Mollens noemt, en over zyne werken eenige belangryke bladzyden schreef, zegt dat deze dichter waerschijnlyk vóór het jaer 1180 bloeide(6).
Talryke fransche schryvers, zoo als Borel(1), Duchesne(2), Menage(3), Du Cange(4), Carpentier(5), Barbazan(6) enz., die enkele verzen uit het een of ander der gedichten van den Reclus aenhalen, hadden niet eens opgemerkt, dat die dichter de eerste by de franschen schijnt geweest te zijn, die de gekruiste verzen invoerde. In der daed zijn Miserere en zijn Roman de Charité zijn in strofen van twaelf achtvoetige verzen, waerby twee verschillende rymen gebruikt worden. Roquefort(7) was de eerste, die zulks deed opmerken, en hy haelt als voorbeeld de 199ste strofe uit den Miserere aen:
De heer Paulin Paris, by het beschryven van een der handschriften der keizerlyke bibliotheek te Parijs, waerin le Miserere voorkomt, en aldaer le livre del Renclus de Moiliens heet, zegt dat het gedicht uit ongeveer 300 twaelfregelige strofen bestaet; maer Ginguenébrengt het getal der strofen van le Miserere slechts op 275, en dat van le Roman de Charité op 215. Beide geleerden zijn het eens
om te bekennen, dat die dichtstukken uit de pen gevloeid zijn van eenen zeer ervaren verzenmaker, wiens godvruchtige gevoelens zich doorgaends onder de trekken van de scherpste hekeling of de strengste zedeleer vertoonen. Le Miserere begint als volgt:
Paulin Paris voegt er by, dat in gezegde bibliotheek talryke kopyen van dit gedicht bestaen, waervan onderscheidene tot de twaelfde eeuw opklimmen.
Hier en daer vindt men nog, het zy geheele strofen, het zy enkele verzen van den Miserere of van den Roman de Charité aengehaeld. By voorbeeld by Ginguené leest men de 19de strofe van den franschen tekst, die in den onzen onder nummer 20 voorkomt.
Ook de 32ste, die in onzen tekst de 33ste is:
Eindelyk nog de 112ste strofe, welke met onze 110ste overeenkomt, waerin de oorsprong van de quade tonghen, dat is, den laster, op eene niet ondichterlyke wyze verteld wordt:
Ook komt by Roquefort(1) de 82ste fransche strofe, by ons de 79tse, voor. Zy luidt als volgt:
Ik ruimde hier geerne eene plaets in voor deze fragmenten van den franschen Renclus, omdat men deze alzoo met onzen dietschen tekst kan vergelyken.
Doch keeren wy tot onzen Rinclus te rug. Het handschrift, waerin hy voorkomt, was vroeger het eigendom van den engelschen boekverzamelaer R. Heber, en is sedert ruim vijf-en-twintig jaren het myne. Het is een kleine, maer tamelyk dikke, op perkament, in de eerste helft der veertiende eeuw geschrevene kwarto, waerin de verzen achtereen volgen zoo als proza, maer nochtans met een rood streepjen door de eerste letter van elk vers, om aldus de aendacht er op te vestigen, en aen te duiden, dat er telkens een ander begint(1). Willems heeft het fac-simile van een blad uit dit handschrift medegedeeld(2), en later zal ik, by de uitgave van het vierde boek van den Wapene Martijn, die daerin insgelyks bevat is, een nauwkeurig verslag van geheel den inhoud mededeelen.
Ons gedicht beslaet in den Codex 18 bladen of 36 bladzyden. Aen het einde echter van het stuk ontbreken er een of meer. By het beschouwen van het handschrift zou men denken, dat er slechts één blad faelt; maer alzoo de fransche tekst uit twee honderd en vijf-en-zeventig of drie honderd strofen bestaet, en er
by ons slechts honderd en een-en-twintig overblyven, moeten er onderscheidene bladen verdwenen zijn: in de veronderstelling, wel te verstaen, dat het werk van den franschen dichter in zijn geheel in onze tael overging.
Ik heb boven gezegd, dat men het fransch gedicht als tusschen de jaren 1154 en 1223, of zelfs, volgends Guingené, als vóór het jaer 1180 opgesteld zijnde, mag beschouwen. Wanneer werd het in onze tael berijmd? Met zekerheid is hieromtrent niets te bepalen; doch het is te veronderstellen, dat dit niet zeer lang na de verschyning van het oorspronkelyke gebeurde.
Heinrec, de voortzetter van den Rinclus, schijnt echter nog al eenen geruimen tijd na Gielis van Molhem geleefd te hebben, vermits hy niet bepaeldelyk kon zeggen, om welke reden zijn voorganger het stuk onvoltooid had gelaten (Str. 97, v. 1155-1160). Ook verdient het vers: ‘Met altemale haren reinarden,’ hetwelk in het vervolg door dezen Hendrik voorkomt (Str. 114, v. 1363), eenige opmerking, daer het aen onzen Reinaert doet denken(1), die misschien reeds bestond, toen het tweede gedeelte van den Rinclus werd geschreven; maer dit verzet zich geens zins tegen de oudheid van geheel ons dichtstuk. Want niemand by ons heeft tot hiertoe den Reinaert beschouwd als na de jaren 1200-1220 geschreven zijnde(2), terwijl professor Jonckbloet, een der laetsten, die over ons beroemd epos, op eene kritische wyze handelden, zich aen het gevoelen van Willems en Snellaert houdende, zegt: ‘Het komt ons nog altijd voor, dat de vlaamsche Reinaert tot de laatste jaren der twaalfde eeuw mag en moet gebracht worden(3).’
De Rinclus klimt dus tot de twaelfde, of minstens stellig tot de
eerste jaren der dertiende eeuw op, en dit dichtstuk dagteekent diensvolgends van een veel vroeger tijdvak dan dat, waerin Maerlant bloeide(1). Het is nogmaels een bewijs, dat men maer in 't geheel niet zal aennemen hetgeen mijn geleerde collega, professor David, onlangs heeft geschreven: ‘Het is slechts in de eerste helft der dertiende eeuw dat er, uit het mengelmoes van velerlei dialecten, eene gemeene Nederduitsche of Belgische tael tot stand kwam, met vaste vormen, met syntaxische hebbelykheid, vatbaer derhalve tot nauwkeurige uitdrukking, in het schrift, van gedachten en gevoelens(2).’ Volgends my was de tael reeds in de twaelfde eeuw gevormd, en het is immers genoegzaem bewezen, dat er byna eene geheele letterkunde vóór Maerlant bestond.
Onze Rinclus is, even als de fransche, in kunstig gekruiste verzen, alzoo in elke strofe van twaelf regels slechts twee rymen voorkomen, waervan het eene telkens voor de verzen 1, 2, 4, 5, 9, en 12, en het andere voor de verzen 3, 6, 7, 8, 10 en 11 gebruikt wordt. Dit gedicht zal dus ook wel by ons een der oudste van dit slach zijn. Maerlant, weet men, schreef insgelyks in verzen van den zelfden aerd; maer in zynen Wapene Martijn heeft elke strofe dertien regels.
Het gedicht van den kluizenaer van Moliens werd in onze tael overgebracht door Gielijs van Molhem, die slechts de zes-en-negentig eerste strofen afmaekte, en dus het stuk onvoltooid liet. Zekere Heinrec vertaelde het vervolg, en van zynen arbeid kwamen vijf-en-twintig strofen tot ons. Of hy geheel het werk voltooid heeft, blijft onzeker.
Wie waren Gielis van Molhem en Hendrik? Willems schreef: ‘Molhem ligt op een klein uer afstands van Assche, naer den kant van Merchem, en maekt thans met Bollebeek ééne gemeente uit,
van omtrent 550 zielen. Men mag gelooven dat Gielis aldaer geboren is, vermids men in zynen tyd veelal gewoon was zich naer zyn geboorteplaets te noemen(1).’ Sedert heeft men niets meerder ontdekt. Molhem lag niet verre verwyderd van de abdy Afflighem, welke reeds vóór het jaer 1100 bestond. Hierdoor komt men tot de gissing, dat Gielis en Hendrik twee moniken uit dat gesticht waren. Doch hiermede is men niet verre gevorderd; want ik heb reeds vóór twintig jaren, toen ik over Willem van Afflighem handelde(2), gelegenheid gehad te zeggen, dat men over de schryvers, welke in die vermaerde abdy tydens de middeleeuwen leefden, weinige inlichtingen kan verhopen. Reeds ten tyde van Sanderus was de bibliotheek van Afflighem, die, toen Guicciardini (1566) schreef, voor de rijkste aen handschriften van geheel Nederland doorging, in eenen jammerlyken toestand. De bibliothekaris Odo Cambier, in eenen brief aen Sanderus gericht, beklaegt zich bitter over het verstrooijen der boeken gedurende de beroerten der zestiende eeuw. ‘Het meeste van hetgene wy vroeger bezaten,’ zegt Cambier, ‘ja zelfs de werken der mannen, die in dit gesticht gebloeid hebben, als Simon, Willem, Hendrik, Gerard, zijn thands voor ons verloren(3)’ Er wordt hier een Hendrik genoemd; maer van eenen Gielis zegt men niet het minste woord. De namen der beide dichters zijn dus slechts door den Rinclus bekend.
Mone deelde in den Anzeiger(4), de zes eerste strofen van Gielis van Molhem en de eerste van Hendrik mede. Willems, in zijn Museum(5), nam nog eens de drie eerste strofen op, en
hy wederlegt te recht Mone, die voor het woord Molhem, in het handschrift by verkorting Molhē geschreven, aen het aenzienlyk dorp Mol, in de brabantsche kempen gelegen, wilde doen denken. De hoogduitsche geleerde heeft niet geweten, dat er by ons een Molhem bestond. Dr Snellaert heeft ook de eerste strofe in zyne bekroonde verhandeling als proeve gegeven(1).
De Rinclus verschijnt dus hier voor de eerste mael, zoo als hy tot ons is gekomen, in honderd en een-en-twintig strofen, waervan de laetste zelfs niet geheel is overgebleven. Aen twee strofen, namelyk aen de 10de en de 59ste, ontbreekt één vers, terwijl de 13de uit zestien regels bestaende, vier regels te veel telt.
Naer myne gewoonte geef ik den tekst van het handschrift zoo getrouw mogelyk te rug, zonder daeraen de minste veranderingen of kritische herstellingen te doen. Wanneer men dit gedicht vergelijkt met de talryke stukken, welke ik uit den grooten Hultemschen codex gedrukt heb, zal men dadelyk gewaer worden dat de spelling en taelvormen van den Rinclus doorgaends ouder zijn.
Opmerking verdient het, dat in dit handschrift meestal, niet altijd, geen stip of schreefjen op de i staet, terwijl de letter y overal eenen punt draegt, by voorbeeld in paradẏse, greẏn, eẏgen, noẏt, enz. Daerdoor is in het schrift het onderscheid tusschen deze letter y en de ij zeer duidelyk. Bilderdijk deed vroeger de aenmerking dat ‘'t Angelsakisch geen stip op de i heeft aangenomen; zy onderscheidt zich ook genoeg in dat schrift, en behoefde dus geen byschrift (of 't ware) van dit is een i; maar de y wordt daarin met een stip geteekend, en deze beduidt, dat hy als een i uitgesproken moet worden, en het schijnt dat dit aangenomen werd toen de klank van de letterfiguur in
't gebruik ongelijk was. Het was van belang dit aanteteekenen, op dat youth, by voorbeeld, niet vouth of wouth zou gelezen worden, maar jouth(1).’
De verkortingsteekenen in dit handschrift gebruikt, alhoewel talryker dan in het Hultemsche, laten zich gemakkelyk oplossen.