Wanneer ik de twee belangrijke Dietsche fragmenten van het beroemde Nevelingenlied, ter opname in de vijfde aflevering mijner Dichterhalle, uit het Vaderlandsch Museum(1) afschreef, ontstond er bij mij twijfel nopends verschillende plaatsen, het zij die voorkomen in den naar het handschrift afgedrukten tekst zelven, het zij in de aanvullingen, door de heeren J.A. Alberdingk Thijm en prof. C.P. Serrure aan het begin veler afgesnesnedene verzen beproefd. Ik deelde mijnen twijfel aan den hooggeleerden uitgever van 't Vaderlandsch Museum mede, die mij met de meeste vriendelijkheid de twee kostelijke blaadjens, die heel onzen schat van 't Nevelingenlied uitmaken, ter hand stelde, opdat ik mijne bedenkingen, niet alleen aan de anders zoo nauwkeurig uitgevoerde facsimilees, die de twee fragmenten vergezellen, maar aan den tekst zelven zoû kunnen toetsen. Ik meen den vrienden onzer middeleeuwsche literatuur niet onaangenaam te wezen, indien ik hun hier den uitslag van mijn onderzoek mededeel.
In het eerste fragment, dat de Beerenvangst van Zegevrijt bevat, denk ik het volgende te mogen doen opmerken.
Verzen 23-26.
Liever zoû ik hier ende en conste niet geloepen zetten, om dit drievoudige hi, hetwelk dan eens in hi vloe na wel sere en hi vinkene metter hant op Zegevrijt ziet, en dan weder eens in hine conste niet geloepen op den beer betrekking heeft, te vermijden, hetgeen dan ook den zin klaarder maakt.
Reeds heeft de heer Alberdingk Thijm in zijne Dietsche Warande(1) uit het 26ste vers
het ane doen verdwijnen, en de m van menege in r veranderd. Dit vers zal dus hoeven gelezen worden:
De heer C.P. Serrure had zich hier welligt door den Hoogduitschen tekst laten misleiden, waarin men leest:
doch ân is hier ons Dietsche ane niet, maar het Nieuw-hoogduitsche ohne, dat bij Joost van den Vondel nog enkele malen onder de gedaante van oon voorkomt, zooals in zijn Hierusalem verwoest:
Het Hoogduitsch beteekent dus zonder alle woonden de held het haastig bond.
Vers 38.
Hier schuilt stellig eene schrijffout in het handschrift: de heer Alberdingk Thijm verandert in zijne Gedichten uit de verschillende tijdperken der Noord- en Zuid-Nederlandsche literatuur:
Ik laat kiezen tusschen dier en dic: beide schijnen mij even goed.
Vers 54.
Facsimile en handschrift hebben beide honde, en te regte. Het zelfstandig naamwoord hond is van de sterke verbuiging, welke in de middeleeuwen geene n in den nominatief meervoud had.
Vers 60.
Facsimile en handschrift hebben spise, zonder n.
In het tweede fragment, dat over Zegevrijts uitvaart handelt, stelt de heer C.P. Serrure voor in plaats van het weggesnedene eerste vers te lezen.
De Hoogduitsche tekst luidt:
Si clagede metten geeste zal hier wel moeten vervangen worden door si clageden metten gasten; namelijk de saamgevloeide burgers klaagden met Zegemond en zijne helden.
Verzen 5-8.
Ware het niet beter te lezen?
Zulks komt toch niet alleen meer overeen met den Hoogduitschen tekst, wat het eerste vers betreft, als:
maar de verandering van ende in doe verregtvaerdigt het plaatsen van het onderwerp men achter het werkwoord dade, in doe dademenne spalken, waarvoor ik anders, wanneer men ende gebruikt, geene reden weet te vinden.
Vers 15.
Dit enlike levert geenen goeden zin op. De heer C.A. Serrure zoon, wien ik op eene ruimte voor drie letters in het facsimile en in het handschrift opmerkzaam maakte, stelde voor ten like te lezen, en in der daad zulks zal iedereen voldoen.
Verzen 17-20.
De heer C.P. Serrure heeft haddi, met de i in cursijf, als ontbrake zij in het handschrift: zij staat echter duidelijk zoo wel op het facsimile als op het handschrift te lezen. Haddi is en tweede persoon meervoud, en maakt dus eene wijziging in het 19de vers noodzakelijk: du, dat het enkelvoud is, zal door het meervoud ghi moeten vervangen worden, om met haddi overeen te komen. In plaats van doerstene zal verder doerftene moeten gelezen worden: het facsimile en vooral het handschrift vertoonen ons hier eene f. Ten andere zoû ghi ne doerstene niet clagen (vous n'osiez pas le plaindre), geenen zin opleveren, terwijl doerfte of dorfte een onregelmatige onvolmaakt verleden tijd is van het werkwoord dorven of durven, (waarvan druft in nooddruft, nog overblijft), dat behoeven, noodig hebben, lat. egere, beteekent. Ghi ne doerftene niet clagen zegt dus zoo veel als: gij hoefdet hem niet te beklagen. De verwarring van de werkwoorden dorren (oser) en durven, dorven (avoir besoin) was in de middeleeuwen niet bekend. Dorren (oser) had in het imperfectum dorst, als blijkt uit Jan Boendale, B. II. c. 36, v. 1757, 1758:
Dorven, durven had dorfte in den onvolmaakt verleden tijd: de schrijver van der Leken Spiegel zegt B. I. c. 35 v. 41 - 44:
Die onregelmatige t in dorfte, dat eigentlijk dorfde zoû moeten wezen, omdat de f hier in plaats van de zachte v wordt gebruikt, en daarom thands eene zachte d na zich zoû eischen, is een overblijfsel uit de oude taal. Het Gothisch heeft thaurban, imperf. thaurfta.
Vers 30.
Dit vers bevat twee voornaemwoorden in den accusatief, als voorwerpen van het zelfde werkwoord versloegen: hem en ne op het einde van versloegene. Een van beide is overtollig, en moet verdwijnen. Men zal moeten lezen:
Die wending is zeer gewoon in de middeleeuwsche taal: zij komt zelfs voor in vers 50 van 't eerste fragment:
Vers 59.
Dies daeghe zal wel dies daeghes (met eene s aan 't zelfstandig naamwoord) hoeven te wezen, als zijnde een genitief van tijd.
J.F.J. Heremans.