Op de stedelyke bibliotheek te Gent berusten elf bladen in-folio, op papier, in de eerste jaren der zestiende eeuw geschreven, waerop ons eenige Refereinen bewaerd zijn gebleven. Deze bladen, thands te samen gebonden, behoorden vroeger tot een, waerschijnlyk nog al uitgebreid handschrift, en waerin, onder anderen, ook eene lijst der schepenen van Gent van 1301 af, te vinden was(1).
Van die acht dichtstukken dragen vier den naem des dichters onderaen geschreven. Deze zijn: Gillis de Rammeleere, Roovere, Dingelsche(2) en Potterkin, die ongetwyfeld alle in de laeste helft der vijftiende eeuw, of in het begin der volgende bloeiden.
Het zevende der stukken in het handschrift bevatte vroeger stellig meer dan twee strofen, terwijl aen het achtste het begin schijnt te ontbreken; hiertusschen zal een blad zijn uitgevallen.
De eerste dezer vier dichters, Gillis de Rammeleere, is sedert lang bekend. Mijn vriend, de heer Blommaert, heeft in zyne belangryke Geschiedenis der kamers van Rhetorika van Gent(3),
de derde, zesde en zevende strofen van het Testament, dat ik hier in zijn geheel opneem, als proeve van zynen dichttrant, medegedeeld. Die geleerde zegt echter verkeerdelijk, dat Rammeleere dit stuk ongetwyfeld vervaerdigde als hy tot lid van de gilde der Fontein werd aengenomen. Het opschrift: Testament, zou alreeds bewyzen, dat het niet onder de eerstelingen van den dichter mag gerekend worden, zoo hy niet zelf daerin verklaerde, dat hy, toen hy het schreef den ouderdom van ruim twee-en-zeventig jaer bereikt had.
Gillis de Rammeleere was in 1516 en 1517 deken van de Rederijkkamer de Fontein te Gent. Behalve dit Testament is er niet anders van hem voor handen.
Antonis de Roovere van Brugge, is, zoo als men weet, een onzer verdienstelijkste dichters uit de vijftiende eeuw. Hy stierf ten jare 1482(1).
Ik bezit twee dichtbundels van hem:
1o Rethoricale werckē vā Anthonis de Roouere Bruggelinck, Vlaemsch Doctoor ende gheestich Poete.
Carnation.
Den VoYs hoort eer an. XVI. In MeYe bederf, DIes doen CLaer de CVnstICHSTe DIChtere sterf. Anno 1482.
Gheprint Thantwerpē op die lombaerde Veste, indē witten Hasewint, bi mi Jan vā Ghelen ghesworen Boeckprinter der Co. Ma. Anno M. D. LXII.
Met gratie en̄ Priuilegie van sesse jaeren.
In kl. 8o.
2o Van Peys ende Oorloge, Een Dialogus oft tsamensprekinghe,
verhalende de schade ende tquaet des Oorloochs ende des Paeys gherustheyt ende welvaert.
Beschreuen door Anthonis de Roouere.
Gheprint Thantwerpen, op de Lombaerde veste, inden witten Hasewint, by my Ian van Ghelen. Anno M. CCCCC, LXXVIII.
Met Preuilegie.
In kl. 8o met eene houtsnede op den titel. Elke bladzyde is bovenaen versierd met een klein houtsneden plaetjen, waervan talryke het jaertal 1530 dragen, zoodat ze reeds alsdan gediend hebben. Het Privilegie is gedagteekend uit Brussel, den 18den December 1556. Dit alles bewijst, dat er nog vroegere uitgaven van de Rooveres werken moeten bestaen.
Noch in het een, noch in het ander der twee boekjens komt het gedicht, dat ik hier uitgeef, voor. Het behoort ook niet tot zyne beste.
Opmerking verdient, dat de Roovere de geschiedenis van Floris en Blanchefloer nog aenhaelt.
Onder het vijfde dezer stukken staet de naem: Dinghelsche. Reeds is een Jan Dingelsche in onze letterkunde bekend, van wien ik het gedicht Vander Taverne in dit Museum opnam(1). Doch deze leefde stellig in de veertiende eeuw, zoodat hy honderd jaer vroeger schreef dan de dichter, wiens stuk hier achter volgt. De eerste behoort nog tot de goede oude school van het bloeijendste tijdvak onzer middeleeuwsche letterkunde, terwijl de andere al de vormen der Rhetorykers had aengenomen.
Het zesde dezer stukken is geteekend Potterkin. Van dezen dichter heb ik nergends melding gevonden. Zijn ware naem, die hier by verkleining gebruikt wordt, was ongewyfeld de Potter.
Zoo als al de andere stukken in dit Museum opgenomen, zijn deze Refereinen letterlijk naer de bladen, welke op de Bibliotheek berusten, uitgegeven. Dat deze door eene aller-onachtzaemste of alleronkundigste hand zijn afgeschreven, zal dadelijk in de oog loopen. Het is waer, de handschriften van dien tijd, toen reeds de drukkunst overal verspreid was, zijn in
het algemeen met veel min zorg dan die van vroegere eeuwen bewerkt.
De afschryver was noch met de tael, noch met de spelling bekend. Al de stukken dragen daervan talryke sporen. By voorbeeld, alhoewel, zoo in Vlaenderen als in het grootste gedeelte van Brabant, de h in de uitspraek niet gehoord wordt, wisten toch de meeste en beste onzer schryvers in welke woorden zy als aenvangletter moet gebruikt worden. In deze Refereinen wordt daeromtrent leelijk gezondigd. Zoo leest men: alf voor half, eet voor heet, enz., en integendeel: hu en huwen voor u en uwen, huere voor uere (ure), haude voor aude (oude), hiet voor iet, heewijgher voor eewijgher (eewiger), heist voor eist (is't). Wel is waer, in andere handschriften van dien tijd, zoo als dat, waeruit ik hier achter Vanden zeven vraghen van Jherusalem Zeghelijn mededeel, vindt men dezelfde verwarring. Het onderscheid tusschen de y en de ij, hetwelk vroeger zoo zorgvuldig in acht werd genomen, is ook geheel verwaerloosd. Zoo staet er: mij, blijven, bij, enz., en eijst, refereijn, quijtscelden, enz. Soms ook wordt de ij voor de i gebruikt, zoo als in rijnghen, mijnne, mijnnaer, dijnck, zijt, en dergelyken. Dit laetste komt echter eenigs zins met de gentsche uitspraek over een, zoo wel als zaude voor zoude, aude voor oude, enz. Doorgaends toont de schryver, dat hy niets, of van de geslachten, of van de verbuigingen wist. Op enkele plaetsen zijn de woorden door hem geschreven, geheel onverstaenbaer, omdat hy zelf waerschijnlijk er den zin niet van bevatte. Wat de verminking der eigennamen, zoo als Harsilles voor Achilles, Carthoge voor Carthago betreft, dat is, zoo als men weet, het geval met de meeste handschriften uit de middeleeuwen.
Deze Refereinen, ofschoon zy door den afschryver deerlijk geleden hebben, strekken niet te min ten bewyze, hoe zeer de dichtkunst destijds gevallen was, en welken schadelyken invloed het
Burgondische tijdvak op onze tael- en letterkunde had uitgeoefend, zoo door het opdringen van talryke bastaerdwoorden, als door het invoeren der Rhetorikale en gekunstelde vormen, waerdoor deze gewrochten zoo zeer afsteken tegen die van vroegere eeuwen. Zoo is het ook met het stuk van de Roovere, waerin die dorre opeenstapeling van eigennamen, alsdan voor schoonheden doorgingen. Men heeft reeds van hem gezeid, dat, wanneer hij geleerdheid wil uitkramen, om aldus het hoogste der kunst van den rederykerstrant te bereiken, hy alsdan een erbarmelijk rymelaer is, terwijl wanneer hij uit eigen gevoel en eigene inspraek te werk gaet, men hem gerust onder onze verdienstelijkste en geestrijkste dichters mag tellen(1). Onder het stuk van de Roovere staet: Upperprijs. Het heeft dus den eersten prijs weggedragen in eenen wedstrijd; in welken zoû ik niet kunnen zeggen. De andere Refereinen, vooral dat van de Rammeleere, zullen in allen gevalle niet voor die gelegenheid vervaerdigd zijn geweest.
In het vierde dezer stukken, dat wel het beste zijn zal, komen de volgende dichterlyke regelen voor:
die bewyzen, zoo als de hoogleeraer Kist reeds heeft aengetoond(2), dat de Doodendans, Danse Macabre, die later door de voorstellingen van Holbein, zoo beroemd is geworden, reeds vroeger ook in Nederland algemeen bekend was.