terug  begin  verderprepost
[p. 149]

Noordsche oorsprong van den draak des Belforts te Gent.

Verhandeling voorgedragen in de koninklijke Deensche Maatschappij van Wetenschappen op den 2den December 1859, door Frederik Schiern, en uit het Deensch vertaald door J.F.J. Heremans.

De bemerkingen, welke ik de eer zal hebben aan de Maatschappij mede te deelen, bestaan eigentlijk in eene samenvoeging van eenige Belgische en eenige Noordsche historische overleveringen. Het is hiermede zoo gesteld, dat, terwijl de hier bedoelde Belgische historische overleveringen, door de Noordsche geleerden tot heden toe werden over het hoofd gezien, omgekeerd degene onder onze Noordsche overleveringen, die hier zullen worden aangeroerd, tot op dezen dag aan de geschiedvorschers in België geheel onbekend zijn gebleven.

Ik zal met de Belgische overleveringen beginnen, en eerst voor eenige oogenblikken de aandacht inroepen op de stad Gent in Vlaanderen.

[p. 150]

Gent, dat, sedert het leggen der ijzeren spoorbaan, eene dubbele verbinding heeft met de zee, over Oostende en Terneuzen, en in 't jaar 1858 zijne haven bezocht zag door 336 schepen, - waaronder 14 Deensche - behoort door zijnen handel en zijne nijverheid onder de belangrijkste steden van België: de laatste volkstelling geeft een aantal op van 110,000 inwoners. Gaat men echter in den tijd te rug, zoo vertoont zich Gent nog veel grooter. Toen de Deensche koning, over wien de Maatschappij in hare laatste bijeenkomst eene voorlezing heeft gehoord, in de Nederlanden gedurende zijne ballingschap leefde, waar zijn zwager keizer Karel V te Gent werd geboren, en zijne huisvrouw koningin Izabella werd begraven, stond Gent zoo hoog dat Karel V met eene bekende woordspeling kon zeggen tegen zijnen tegenstander, koning Frans I van Frankrijk: Je mettrai tout votre Paris dans mon Gant.’ Treedt men achteruit tot de middeleeuwen, zoo vertoonen zich de burgers, of gelijk zij werden genoemd ‘de heeren van Gent’ nog magtiger. In het begin der vijftiende eeuw telde de weversgilde alleen 40,000 leden; in het jaar 1400, zoo beweert men, kon Gent 80,000 strijdbare mannen in het veld brengen, en als een blijvend getuigenis der vroegere magt van de stad heeft zij nog heden haren reusachtigen vrijheidstoren, het zoogenoemde Belfort.

Met den naam Belfort beteekende men in de Middeleeuwen in de Belgische en Noord-Fransche steden den toren, waarin men de stormklok, campana banalis, de banclocke, la ban-cloche hing, welke de burgers der gemeenten naar hunne dikwijls zoo stormachtige vergaderingen kwam roepen. De oprigting van een Belfort werd het teeken, dat de gemeente hare politische zelfstandigheid had verkregen, terwijl men omgekeerd, bij voorbeeld in eene verordening van koning Filips VI, toen deze in 1331 de vrijheid van Louwen vernietigde, de volgende woorden kan lezen: ‘que les cloches, qui furent de la commune jadis de Laon, soient appli-

[p. 151]

quées à notre profit, et défendons que la dite tour ne soit appelée beffroi.’ Voorheen waren deze vrijheidstorens nog al talrijk; maar de gewoonte van ze in hout te bouwen en het ongeduld om ze te voltrekken, waren oorzaak van hun vroeg verval. De Gentenaars stichteden een waarachtig gedenkteeken, hetwelk in harmonij was met de belangrijkheid en den rijkdom der stad. De gemeente, welke in den jare 1178 door graaf Filips van den Elzas werd gegrondvest, legde reeds in 1183 den grond voor een reusachtig gedenkteeken, dat lange hare magt gestaafd, en er de herinnering onverzwakt tot de nakomelingschap zoû hebben van overgebragt. Weldra volgden de bloedige twisten tusschen de graven van Vlaanderen en de gemeente, die tot gevolg hadden, dat de werken op verschillende tijdstippen werden onderbroken, om echter later weêr voortgezet te worden. Eerst in den jare 1324 kon men in den toren de beroemde door Jan van Rosebeke in 1315 gegotene klok Roeland hangen, die tot opschrift droeg:

 
Roelandt, Roelandt, als ick kleppe, dan ist brandt,
 
Als ick luyde, dan ist storm in Vlaenderlandt(1),

en in 1380 was men eindelijk ook vaardig met het bouwen van het dak. Men bezit nog het in 1183 op perkament geteekende oorspronkelijke plan voor de bouwing des Belforts, en in dit plan met de smalle, lange vensters in den oudsten spitsbogenstijl erkent men de heele gedaante van den toren met zijne door de eeuwen zwart gemaakte muren, tot aan de kornis, waar de kampanilje of klokkentoren, begint.

[p. 152]

Op de spits van dit Belfort ziet men een drakenbeeld. Volgends eenen brief mij op 8sten November 1859 door den gekenden belgischen historieschrijver Baron Jules de St. Genois, professor-bibliothekaris der Gentsche Hoogeschool geschreven, kan de afmeting van den Draak op de volgende wijze worden opgegeven: van den gapenden muil des hoofds tot aan het einde des staarts heeft hij eene lengte van vijf tot zes ellen, en tusschen de vleugels eene breedte van anderhalve elle. Hij is gemaakt van vergulde koperen platen, die op eene soort van ijzeren geraamte zijn genageld. De rug tusschen de vleugels is open: men benuttigt hem, om er met feesten pektoortsen te laten in branden, of vlaggen te laten afwaaijen op eene bedwelmende hoogte van omtrent 400 voet.

Het is tevens vele en weinige jaren geleden, dat de Reuzendraak zich op zijne tegenwoordige plaats bevindt. In 't jaar 1839 werd het noodzakelijk bevonden, het opperste deel des torens te vernieuwen, en te dier gelegenheid werd de Draak neêrgelaten. Het toezicht over de werken werd toevertrouwd aan den bouwmeester L. Roelandt, den zelfden die de werken van het nieuwe Geregtshof te Gent, den nieuwen Schouwburg en de nieuwe Ste Annakerk op het Arteveldeplein, heeft bestuurd. In het jaar 1856 was hij gereed met zijn werk. Gents Belfort heeft nu eene ijzeren spits bekomen, die in gothischen stijl is gegoten, en daar men in het genoemde jaar het jubelfeest van koning Leopolds vijf-en-twintigjarige regering vierde, verstaat men van zelfs, dat de oude Draak niet langer kon worden gemist. Nog eens lapte men de zoo dikwijls reeds opgeflikte overblijfsels des Draken te samen, en op nieuw verguld, werd hij, onder het jubelen der bevolking weder opgeheschen, nadat men hem van te voren ten profijte des armen van nabij had laten bezichtigen. Het archief der stad Gent leert, dat de Draak op de zelfde wijze werd afgenomen en weder opgeheschen in de jaren 1543

[p. 153]

en 1445: in het laatst genoemde jaar betaalde de stad aen Claes van der Meersch twaalf pond om den Draak te vergulden, aan Jan Borchman tien pond van den draeckene te vermaeckene, en aan Jan de Bysere en Claes Butsaert twee-en-dertig pond om hem neder te laten en weder op te zetten(1). In de vorige eeuw komen wij eindelijk tot het tijdstip dat de Draak de eerste maal boven op Gents Belfort plaats nam. Twee jaren nadat men met het bouwen des daks gedaan had, vierde Gent zijne groote zege over zijnen medestander Brugge, welke stad door de Gentenaren werd ingenomen en geplunderd op den 4den Mei 1382(2). Wanneer Vlaanderens groote Ruwaart, Filips van Artevelde, daarna zijnen zegepralenden intogt in het jubelende Gent deed, heesch men voor de eerste maal op den top des vrijheidstorens het zegeteeken, dat later door het volk als Gents palladium werd beschouwd. ‘Auratus draco’ zoo luidt het bij Sanderus, ‘capta a Balduino Constantinopoli Brugas delatus, illinc pro spolio Gandavum venit(3).’

Men beweert, dat de Draak te Brugge is gekomen ten gevolge der vierde kruisvaart. Het is genoegzaam bekend, hoe er bij het leger der Kruisvaarders, die zich te Venetië hadden vergaderd, om, naar den oproep van paus Innocentius III, eenen nieuwen kamp voor het Heilige Land te beproeven, een bode aankwam van wege den landvlugtigen Griekschen vorst Alexis Angelus, die om hunne ondersteuning bad tegen den overweldiger, welke zijnen keizerlijken vader, Izaak II Angelus, van den troon had gestooten; hoe de Kruisvaarders in der daad hunnen

[p. 154]

togt naar het Oosten met de belegering van Konstantinopel aanvingen, waar men den afgezetten, blinden keizer herstelde, welke zijnen met de Kruisvaarders te rug gekeerden zoon tot medekeizer aannam; hoe echter beide deze keizers, wanneer de Kruisvaarders bezig waren met Pera te belegeren, door eenen nieuwen overweldiger werden afgezet, welke, terwijl de oude keizer van verdriet over dezen nieuwen ommekeer stierf, den jongen heimelijk in de gevangenis deed onthalzen; hoe de vernieuwde breuk met de Grieken eene nieuwe belegering van Konstantinopel ten gevolge had, en hoe de Kruisvaarders eindelijk den 12den April 1204 Konstantinopel bestormden, en eenen uit hun midden, - graaf Boudewijn IX van Vlaanderen en Henegouw, - op den troon van Konstantijn den Groote plaatsten.

De keizerlijke stad werd alstoen geplunderd. Een van de over-overwinnaars, de brave maarschalk van Champagne, Geffroy Ville-Hardouin, zegt, in de voortreffelijke, zoo eenvoudige als boeijende kronijk, waarin hij de inneming der keizersstad heeft beschreven, dat sedert de schepping der waereld nimmer in eene stad een zoo groote buit werd gemaakt(1). Met hem stemt diegene onder de belegerden, welke ons de hoofdbron voor de geschiedenis van Konstantinopels val is geworden, overeen. De Grieksche patriciër Niketas Choniates heeft ons in zijne geschiedenis al de verbittering bewaard, waarmede hij de van schoonheidsgevoel ontbloote barbaren(2) heeft gezien, wier ruwheid en hebzucht zoo veel kunstwerken der oudheid nederrukten, ten einde de verbrokkelde stukken onverschillig op met vier

[p. 155]

paarden bespannene wagens te laden, en ze weg te voeren om ze te smelten. Ofschoon Niketas doet opmerken, dat het zijn inzicht niet is, ons alles(1) wat dit aangaat te melden, noemt hij op, en beschrijft hij een aanzienlijk getal van oude standbeelden, die op het forum van Konstantijn en het Hippodroom nog stonden, maar met deze omstandigheid werden vernietigd. Het naakte, erbarmelijke geraamte van de pyramide, welke Konstantijn Porphyrogennetos op het Hippodroom liet oprigten, en van welke de steenen stutten, door de Kruisvaarders van de bronzen reliefs beroofd, waarmede de keizer ze had bedekt, nog bestaan, levert een sprekend kommentaar op de klagten van Niketas; en zelfs de Noordlander is niet ongeschikt om zijne smerten te begrijpen, wanneer hij het atmeida overtredende, en de thands nog overblijvende gedenkteekenen der oudheid beschouwende, zich den indruk voorstelt, dien in de twaalfde eeuw deze menigte van klassische standbeelden van het Hippodroom moesten te weeg brengen, welke aan de geesten van 't Noorden de heidensche sagas over de Asen, de Volsunga en Gjukunga(2) herinnerden. Niketas beweert verder, dat de Kruisvaarders niet eens de heiligdommen verschoonden. Zoo vertelt hij, hoe zij zelfs de keizerlijke familiegraven in de Apostelkerk openden, om er te rooven wat zij er van gouden sieraden, paerelkroonen en kostbare gesteenten in de keizersgraven konden vinden; toen zij, na verloop van zoo vele jaren het lichaam van keizer Justiniaan heel en gaaf aantroffen, hielden zij wel een enkel oogenblik stil; maar zij zetteden weldra hunne plundering voort. In zonderheid verwijlt Niketas bij de ontheiliging der Ste. Sofiakerk. De Kruisvaarders rukten den uit goud gewerkten voorhang der kerk neder,

[p. 156]

waarvan de waarde op twee duizend minae werd geschat; van den prachtigen predikstoel namen zij al het zilver, waarmede hij was versierd; zij beroofden de beelden der Heiligen van hunne kleinoden van edele metalen, en vernielden de kostbare, voor hare kunstige samenstelling algemeen bewonderde outertafel. Muildieren en paarden werden binnen de heerlijke kerk gevoerd, om de geroofde schatten weg te slepen, en wanneer zij op den gladden vloer nedervielen, werden zij met zwaardsteken gedwongen, om weder op te staan, zoodat zij ook met hun bloed den heiligen tempel bezoedelden.

Een deel der geroofde schatten werd naar het Westen gebragt. Andreas Dandulo, die van 't jaar 1343 tot aan zijnen dood, in 1354, doge van Venetië was, geeft in zijne kronijk de relikwiën op, die alstoen van Konstantinopel naar Venetië(1) werden overgebragt, en de historiograaf der republiek, Marino Sanuti, die in den overgang der vijftiende tot de zestiende eeuw leefde, voegt er in zijne levensbeschrijving der Dogen van Venetië bij, dat met de relikwiën insgelijks naer Venetië kwam het vergulde vierspan, dat boven den ingang van St. Marcoskerk(2) staat, en na den val der republiek, in 1797, door de Franschen naar Parijs werd gevoerd, maar daarna bij den tweeden intogt in Parijs in 't jaar 1815 weder op zijne tegenwoordige plaats te rug keerde. Ofschoon men eerst later, in de XVIe eeuw, bij den Venetiaan Paulus Ramnusius klaar vindt aangeduid, dat dit vierspan van het Hippodroom(3) werd weggenomen, geldt het echter reeds

[p. 157]

sedert den tijd dat Petrus Gyllius zijne bemerkingen over de topographie(1) van Konstantinopel opteekende, in de archaeologische waereld als eene waarheid, dat dit vierspan is een en het zelfde als het vergulde vierspan, waarvan door Niketas en drie andere Byzantijnsche schrijvers vroeger wordt verhaald, dat het stond boven op de afpaling van 't Hippodroom(2), en dat volgends de drie laatst genoemden onder Theodosius den Jongere van Chios naar Konstantinopel werd overgebragt, en door Niketas nader wordt beschreven(3). Heyne is, gelijk het schijnt, de eenige welke in eene verhandeling over de overblijfsels der oude kunst te Konstantinopel, die hij in zijnen tijd in de Maatschappij der Wetenschappen te Göttingen voorlas, eenigen twijfel heeft geopperd, of het vierspan boven den ingang van St. Marcoskerk niet in eenig opzicht moet worden gezegd af te wijken van de orde in de beschrijving van Niketas(4)

De andere Kruisvaarders bleven geens zins bij de Venetianen(5)

[p. 158]

ten achter, zoo dat zij meer dan deze de boven opgegevene karakteristiek van Niketas verdienden, dat zij van schoonheidsgevoel ontbloote barbaren waren. Zoo zond namentlijk de nieuwe keizer Boudewijn van Vlaanderen, - welke in eenen brief aan Innocentius III schreef, dat men van alle dingen, die door de menschen als schatten worden beschouwd, eenen zoo onwaardeerbaren overvloed had bekomen, dat heel de Latijnsche waereld te samen zulk eene menigte niet scheen te bezitten, - niet alleen aan Innocentius, maar ook aan den koning van Frankrijk, Filips II August, aan de Tempeliers, en aan de andere magtigen van het Westen eene groote menigte van verschillige, zoo wel waereldsche als heilige kostbaarheden, waaronder aan den paus een standbeeld van goud en zilver(1). En even als men verordeningen heeft door Boudewijn uitgevaardigd voor die met hem uit Vlaanderen(2) waren gekomen, zoo vergat hij in zijn nieuw rijk zijne vroegere landgenooten niet. Zoo wel van hem als van andere Belgische Kruisvaarders ontvingen de kloosters en kerken in Valencijn, Namen en Luik, en in vele andere oude Belgische steden de reeks van relikwiën van Konstantinopel, welke in D'Outremans Constantinopolis Belgica worden opgenoemd, en met deze kwam ook de vergulde Draak van Konstantinopel naar Brugge, waar de graaf van Vlaanderen in St. Donaaskerk in 1200, op Asschewoensdag het kruis had genomen, en van welke stad zoo menig dapper man hem had vergezeld,

[p. 159]

en die nu juist begon een noordelijk Venetië, een middelpunt van den waereldhandel benoorden de Alpen te worden.

De Draak kon alzoo later in Vlaanderen als een bewijs gelden, hoe groot eene zegepraal de Vlamingen vroeger hadden behaald, of - om hier eenige woorden aan te halen uit eenen brief naar het vaderland van den jare 1206 van Boudewijns broeder en opvolger als keizer van Konstantinopel, graaf Hendrik van Vlaanderen: - ‘quantum honorem qauntamque gloriam terra Flandriae et Hainoniae totaque progenies nostra in aeternum in captione Constantinopolitani imperii sit adepta(1).’ In een onderzoek, om te weten, van welke van Konstantinopels kerken de naar België overgebragte relikwiën afstammen, en namentlijk in hoe verre kan worden gezegd, wat Dorotheus de Grieksche Metropoliet van Monembasia over de kunstwerken in St. Marcoskerk van Venetië meldt, dat zij in het algemeen van de plundering der Ste. Sofiakerk(2) voortkomen, hoef ik mij niet in te laten. Daarentegen moet hier uitdrukkelijk worden vooruitgezet, dat volgends eene oude Vlaamsche overlevering, de vergulde Draak, die den Vlamingen ten deele viel, juist boven op de Ste. Sofiakerk stond, waarvan Boudewijn hem liet afnemen, om er diegene onder zijne landgenooten mede te beloonen, welke hem het best in de verovering van Konstantinopel hadden ondersteund(3).

Dat de Reuzendraak een bijzonder belang voor velen onder de overwinnaars kon hebben, mag niet verwonderen. Trouwens

[p. 160]

de Kruisvaarders toonden zich bij de inneming van Konstantinopel nog tot dien graad door Germaansche denkbeelden beheerscht, dat zij, bij voorbeeld, nadat zij Boudewijn van Vlaanderen tot keizer hadden gekozen, vooraleer hem in Ste. Sofiakerk te kroonen, hem daardoor aanstelden, dat zij, naar oud Germaansche zeden, hem op eenen schild plaatsten, waarop hij voor de jubelende toeschouwers in de lucht werd geheven door den markgraaf Bonifacius van Montferrat, den doge Hendrik Dandulo, graaf Lodewijk van Blois en graaf Hugo van Saint-Pol. En het is bekend, welke groote rol juist de Draak in al de gedenkstukken der Germaansche waereld speelde; de Christene beteekenis van den Draak, welke volgends de openbaring van Johannes de verpersoonlijking van het kwade grondbeginsel was, kon, trots den invloed der Kerk, in de middeleeuwen geens zins de vroegere heidensche opvatting verdringen, volgends welke de scherpzichtige Draak of Lintworm, welke in de sagas der oudheid op kostbare schatten broeit, een symbool der waakzaamheid was. Het zoû daarentegen veel zonderlinger behoeven te schijnen, dat de Byzantijnen, wanneer zij zich hebben bezig gehouden met een drakenbeeld voor een van hunne kerkelijke gedenkteekenen te vervaardigen, er zoodanig eenen vorm zouden hebben aan gegeven: trouwens de Draak van het Belfort schijnt juist niet zeer overeen te komen met de gewone voorstellingen der Byzantijnsche kunst. Wel is waar, heeft zich vroeger de heer De St Genois met betrekking tot den vorm des Draken op de volgende wijze uitgedrukt: ‘Sa forme est orientale; on peut s'en assurer, en voyant l'espèce de cornes dont sa tête est armée. On sait qu'en Orient le port de cornes est un signe de majesté; aussi la plupart des dieux de ces contrées sont représentés avec des cornes plus ou moins allongées(1). Een zijner land-

[p. 161]

genooten schijnt echter meer geloof te verdienen, wanneer hij de meening vooruit zet, dat ‘cette grossière ébauche ne répond guère à l'état des arts dans le Bas-Empire(1).’ Een Hoogduitsch schrijver, die zich onlangs met het vraagpunt van den oorsprong des Gentschen Draken heeft bezig gehouden, heeft geloofd zijn gevoelen met de volgende woorden te moeten uitdrukken: ‘De oorsprong des fabelachtigen monsters is nog steeds in het duister gehuld. Slechts daarover zijn het de geleerden eens, dat het uit het Oosten stamt. Graaf Boudewijn IX van Vlaanderen moet het, na de verovering van Konstantinopel, in 1204, van de Ste. Sofiakerk hebben laten afnemen, enz.(2).’

Tot zoo verre de Belgische overleveringen. Wij wenden ons thands tot de Noordsche geschiedenissen.

Het was in het najaar van 1107, dat de zeventienjarige koning Sigurd Magnussen de kust van Norwegen verliet, om eenen kruistogt naar 't Heilige Land te ondernemen. Zijne vloot, waarvan de bemanning op 10,000 krijgslieden wordt berekend, telde 60 groote schepen. Toenmaals noemde men het langschip algemeen draak (dreki), naar dit mystische dier, dat overal in de oudste sagas en vertellingen van den Noordschen voortijd voorkomt, en hetwelk het gedicht Beowulf schildert, als ‘de naakte, nijdige draak, die des nachts vliegt, met vuur omvangen(3).’ Jacob Grimm bemerkt: ‘de slang kruipt of wentelt zich op den bodem; staan haar echter vleugels ten dienste, zoo heet zij draak(4).’ Dit mystische dier werd in de Noordsche vaarwaters zoo dikwijls op de stevens der krijgsschepen voorgesteld, dat de Draak voor

[p. 162]

deze de algemeene naam werd, op de zelfde wijze als in de Middellandsche Zee de galeijen - of later de galeassen - oorspronkelijk aldus werden genoemd naar het beeld eener kat, welke deze schepen vooraan voerden(1), en Bucentauren - hetwelk in het begin niet enkel de naam van dit beroemde Venetiaansche schip was, maar van eene heele soort van bijzondere galeijen, - naar het op den voorsteven geplaatste beeld van eenen Centaur. De gelijktijdige schrijver Willem van Malmesbury, die tijdens de overwintering van Sigurd den Jeruzalemvaarder gelegenheid had om kennis te nemen, hoe het op de Noordsche vloot toeging, zegt uitdrukkelijk, dat de koning zelf een schip met vergulde drakenbeelden voerde: ‘navem aureis rostratam draconibus(2).’ De zelfde manier van uitdrukken vindt men in de heiligenhistorie van den aartsbisschop van Kantelberg, St. Elphegus, waar verhaald wordt, hoe het lichaam des martelaars op de Theems door Knud den Groote werd ontvangen; het schip, dat de koning zelf stuurde op den stroom, wordt aangeduid als ‘regia navis, aureis rostrata draconibus(3).’ In geval men dit meervoud niet zoodanig wil verstaan, dat vooraan een drakenhoofd was geplaatst, terwijl het schip van achter eenen drakenstaart had(4), moet men aannemen, dat zich, zoo wel aan den voor- als aan den achtersteven, een drakenbeeld bevond. Er bestaan geene bewijsstukken over de grootte dezer Draken, zelfs niet of men moet aannemen dat zij hebben gestaan achter aan de gallioensbeelden, die op de

[p. 163]

oorlogsschepen onzer oude vloot in de vorige eeuwen eene lengte van omtrent tien ellen hadden; het blijkt echter klaar genoeg uit de beschryving, dat de op eenen verren afstand zichtbare drakenhoofden zeer aanzienlijk moeten zijn geweest.

Na in Engeland overwinterd te hebben, en in de jaren 1108 en 1109 tegen de Mooren op de kusten van 't Pyreneïsche Schier-Eiland te hebben gestreden, en verder de Neder-Italjaansche Noormannen te hebben bezocht, van welke hertog Rogier van Apulie met de koningin-weduwe van Denemark, de vroegere huisvrouw van Knud den Heilige, Adela van Vlaanderen, was gehuwd, landde Sigurd in den zomer van 1110 te Joppe. De koning van Jeruzalem Boudewijn kwam naar de kust om hem te omhelzen, en te samen trokken zij te rug naar de Heilige Stad. Nadat hy had geknield en gebeden op het graf des Heeren te Jeruzalem, en gelijkvormig de gewoonten der pelgrims zich in den Jordaan gebaad, ondersteunde Sigurd de Jeruzalemvaarder te gelijk met den zoon van koning Knud den Heilige, graaf Karel den Deen van Vlaanderen, die toen ook over zee naar Palestina was gekomen, den hernomen strijd van koning Boudewijn tegen de ongeloovigen. Eerst toen het hardnekkige Sidon zich had overgegeven, (den 19den December 1110,) verlieten de zonen van 't Noorden Palestina. Koning Sigurd zeilde naar Konstantinopel, waar hij prachtig door keizer Alexius Comnenus werd onthaald, die hem huisvestte in het zelfde paleis - Blachernae met het schoone uitzicht over stad en haven - waar de koning van Denemark, Erik de Goede, weinige jaren te voren op zijne reize naar Jeruzalem had gewoond. Wanneer koning Sigurd eindelijk Konstantinopel verliet, traden de meeste zijner mannen in dienst bij Alexius Comnenus, aan welken de koning nu ook al zijne schepen begaf; hij zelf steeg te paard, en reed naar huis naar 't Noorden over Bulgarië, Hongarijë en Duitschland. Nadat hij de grens van Scandinavië, dat wil zeggen, den

[p. 164]

Eiderstroom, overgetrokken was, hield Sigurd zich nog eenigen tijd in Hedeby in Zuid-Jutland op bij den Deenschen koning Niels, die met zijne stiefmoeder, de weduwe van Magnus Barfod, Margareta Fredkolla, was gehuwd, en aan wien hij thands zoo veel van die verre heerlijkheden kon vertellen, tusschen welke Erik de Goede zijne laatste dagen had overgebragt. Koning Niels volgde zelf Sigurd tot Noord-Jutland, en gaf hem het schip, waarmede hij, na eene afwezigheid van drie jaren en half, naar zijn rijk terugkeerde. Allen waren het hierin eens, dat geene beroemdere reize dan de zijne ooit uit Norwegen werd gedaan.

Het verhaal, volgends hetwelk Sigurd de Jeruzalemvaarder in den jare 1111 zijne schepen aan keizer Alexius Comnenus overliet, vindt zijne weêrgade in de Orkneyinga-saga, volgends welke Ragnvald Jarl en zijne medegezellen later, wanneer zij in 1155 Konstantinopel begaven, insgelijks daar hunne schepen achterlieten(1). Dit echter is eigenaardig in het verhaal nopends Sigurd den Jeruzalemvaarder, dat hij bij zijne afreize uit Konstantinopel ten aandenken den vergulden Draak, welke zijn eigen krijgsschip had versierd, als een trofee(2) boven op de Ste. Sofiakerk plaatste. IJslandsche verhalen melden wel, dat de vergulde drakenhoofden, die op 's konings schip stonden, op de St. Pieterskerk(3) werden geplaatst; maar de St. Pieterskerk is slechts een deel van de Ste. Sofiakerk, namentlijk dat deel van de kerk, dat uitzicht heeft op het paleis Bukoleon, en door de Byzan-

[p. 165]

tijnen ook wordt gezegd binnen de groote kerk te staan(1). De gelijktijdige Willem van Malmesbury zegt ons uitdrukkelijk, dat Sigurd de Jeruzalemvaarder zijne vergulde draken plaatste fastigio sanctae Sophiae, juist gelijk het later bij Sanderus voor den te Gent opgeheschen Draak ‘in fastigio turris eminet auratus Draco’ heet.

De anonyme, onder keizer Alexius Comnenus regering levende, later door Georgius Codinus benuttigde, en door Banduri uitgegeven Grieksche monik, die over Konstantinopels oudheden heeft geschreven, houdt zich lang op met te schilderen, hoe er Ste. Sofiakerk alstoen uitzag, zonder er echter eenen enkelen wenk over koning Sigurds Draken bij te voegen. Doch dit stilzwijgen in de onderstelling dat zijn schrift niet werd voleindigd vóór de aankomst van den Noordschen koning te Konstantinopel, heeft niet meer te beduiden dan dat het oponthoud van Erik den Goede of dat van Sigurd den Jeruzalemvaarder niet werd waardig gevonden met een eenig woord te worden vermeld door de eigene dochter van keizer Alexius, Anna Comnena, in hare beroemde beschrijving van haars vaders geschiedenis. In tegendeel weten wij met zekerheid uit onze eigene bronnen, dat de figuren op de stevens der schepen van den voortijd zoodanig waren ingerigt, dat zij naar believen konden worden afgenomen of opgezet. In de samenspraak, welke tot inleiding dient aan het verhaal over den slag met Svolde, luidt het: ‘bang is nu Olaf Truggveson, daar hij niet durft zeilen met opgezette drakenhoofden op zijne snekke(2).’ Over koning Olaf den Heilige leest men: ‘Koning Olaf heeft een schip dat Karlhaufd heet, in welks voorsteven een koningshoofd is gebeeldhouwd, en hij heeft het zelf

[p. 166]

gebeeldhouwd. Dit hoofd werd daarna lang in Norwegen gebruikt op de schepen door koningen bestuurd(1).’ En dit was de oorsprong der heidensche wetten op IJsland: ‘dat men geene schepen met hoofden (höfdhudh skip) op zee zoû hebben; maar dat men, wanneer men ze had, het hoofd zoû afnemen vooraleer men land zag, en met geene gapende hoofden of openen muil naar land zoû zeilen, opdat de landgoden niet zouden verschrikken(2).’ Wat intusschen bijzonder in het voordeel van ons gevoelen spreekt is het afdoende getuigenis, dat, gelijk het uitdrukkelijk luidt, deze vergulde Draken van koning Sigurd in volgenden tijd nog te Konstantinopel te zien waren(3). Wij kunnen echter niet met zekerheid opgeven, dat zij nog op hunne plaats stonden, toen Konstantinopel in 't jaar 1204 werd ingenomen, voor zoo verre het namentlijk blijkt uit de wijze, waarop het Hippodroom in de Saga van Sigurd den Jeruzalemvaarder wordt beschreven, dat de bron van het verhaal haren oorsprong moet hebben gehad, vóór dat het Hippodroom door de Kruisvaarders werd verwoest. Van den anderen kant schijnt het toch niet aanneembaar, dat de van Myklegaard te rug gekeerde Vaeringer of Kruisvaarders, die de zegsmannen van Snorre werden, veel ouder dan dit tijdstip zouden geweest zijn. Beklagelijk is onder heel dit opzicht het stilzwijgen, door den anonymen schrijver in acht genomen, die den Deenschen kruistogt naar het Heilige Land in de jaren 1191 en 1192 heeft beschreven. Hij verhaalt, hoe eenigen van hen den terugweg namen over Konstantinopel, hoe zij er wel werden onthaald door den later afgezetten en blindgemaakten, en door de kruisvaarders weêr herstelden keizer Isaak II Angelus, die hen ook gaarne in zijnen dienst had gehou-

[p. 167]

den, en daar zij toch verkozen de terugreize over land aan te gaan, die Sigurd den Jeruzalemvaarder had gevolgd, hen tot de grenzen door eenige van zijne noordsche Vaeringer liet begeleiden, die hun hier den afscheidskus gaven. Het blijkt uit de eigene woorden des verhaals, dat de schrijver veel wist over Konstantinopel(1): hij bepaalt zich echter tot de relikwiën van Konstantinopel, en hij gaat intusschen al de waereldsche merkwaardigheden voorbij, omdat, gelijk hij zegt, ‘humana curiositas plus vanitate quam religione delectatur.’

Hiermede heb ik de samenvoeging voleindigd van de Noordsche historische overleveringen, volgends welke koning Sigurd de Jeruzalemvaarder zijne vergulde Draken op de Ste. Sofiakerk plaatste, met de Belgische geschiedenissen, volgends welke het insgelijks boven op de Ste. Sofiakerk was, dat de vergulde Draak stond, die nu den top van 't Belfort te Gent bekroont.

Ik ga niet verder dan deze samenvoeging. Men begrijpt, dat eene diepere navorsching hier nog meer gewigt zoû kunnen aanhechten; maar het is ook mogelijk dat die diepere navorsching dit gewigt zoû kunnen verminderen. Het is zeker, dat terwijl men weet, dat koning Olaf de Heilige zelf het koningshoofd op zijn schip uitsneed, er geene bewijsstukken ontbreken, volgends welke het blijkt, dat men in het Noorden ook metalen figuren op de schepen heeft gebruikt. Een klassische plaats vindt men des aangaande in de lofrede op koningin Emma, die de groote Deensche vloot beschrijft, welke koning Svend Tveskjaeg op zijnen laatsten togt naar Engeland volgde, en die meldt, hoe men tusschen de schepen onderscheidde bij middel van de verschillige koperen stevens, die vergulde draken of andere soortgelijke beelden voor-

[p. 168]

stelden(1). Een overeenstemmend getuigenis geeft Robert Wace, wanneer hij van het schip zegt, waarmede Willem de Veroveraar van Normandie naar Engeland zeilde:

 
Sor li chief de la nef devant
 
(Le marinier apelent brant)
 
Ont de cuivre fet un enfant
 
Saëte et arc tendu portant(2).

In het oog vallend is het ook, hoe de Gentsche Draak aan de drakenhoofden gelijkt, welke men vindt op de voorstellingen van oude Noordsche(3) of Noormansche schepen, zoo als wij ze bijzonder uit de tapijten van Bayeux kennen(4).

(1)Deze groote klok, welke in den opstand tegen keizer Karel V eene zoo belangrijke rolle speelde, is de zelfde niet, welke thands nog in den toren hangt. De oude Roeland is in 't jaar 1659 geborsten. Messager des Sciences historiques de Belgique. 1846, blz. 425.
(1)Messager des sciences historiques de Belgique, 1839, blz. 247.
(2)Recueil des chroniques de Flandre, publié sous la direction de la commission royale d'histoire par J.J. De Smet. Bruxelles, 1837-41, in-4o, I, 241, 340, 621.
(3)Antonii Sanderi Presbyteri Gandavum sive Gandavensium rerum libri sex. Bruxellis, 1627. in-4o, blz. 116. Flandria illustrata. Coloniae Agrippinae (Amstelodami) 1641, in-fol. I, 97.
(1)Puis que li mons fu estorez, ne fut tant gaaigné en une ville. Ville-hardouin, Chroniques, dans les Recherches et Matériaux pour servir à une histoire de la domination française aux XIIIe, XIVe et XVe siècles, dans les provinces démembrées de l'empire grec. Par J.A.C. Buchon, Paris, 1840, II, blz. 97.
(2)Όι τοῦ καλοῦ ἀνέραστοι οὗτόι βάρβαροι. Nicetae Choniatae, Historia. Ex recensione Immanuelis Bekkeri. Bonnae, 1835, blz. 859.
(1)Ούδε γάρ συγγράψασθαι τά πάντα προύθετο Nicetae Choniatae Historia, 866.
(2)Ero thar skrifot margskonar forntídhindi AEsir, Volsungar oc Gjúkungar, er that steypt af kopar oc málmi medh svá miklom hagleik, at that thickir allt kvikt vera. Saga af Sigurdhi Jorsalafara, Eysteini oc Ólafi. Cap. 12, Heimskríngla.
(1)Andreae Danduli Venetorum ducis Chronicon Venetum ap. Muratori, Scriptores Rerum Italicarum, VII, 331.
(2)Marino Sanuti, Vite de duchi di Venezia ap. Muratori, Scriptores Rerum Italicarum XXII, 534. De Duitschers hebben vroeger de meening vooruitgezet over den oorsprong der paarden, dat zij ‘von Frid. Barbarossa, umb des Eydes willen, auf der Kirchen einen Stul zu machen, gegeben sein worden.’ Tagebuch Christian des Jüngern, Fürst zu Anhalt. Herausgegeben von G. Krause. Leipz., 1858. blz. 158.
(3)De bello Constantinopolitano et imperatoribus Comnenis per Gallos et Venetos restitutis Historia Pauli Ramnusii. Editio altera. Venetiis, 1634, in-fol. blz. 129.
(1)Exstabant in Hippodromo quum alii permulti equi lapidei et aerei, tum quattuor inaurati, mira arte elaborati, quales hodie exstant super vestibulum aedis Marcianae Veneticae. Petri Gyllii de typographia Constant. lib. II. c. 13 Imperium Orientale. Opera et studio Anselmi Bandurii. Parisiis, 1711 in-fol I. 377.
(2)Nicetae Choniatae Historia, blz. 156. Anonymus de Antiquitatibus Constantinopolitanis, bij Banduri, I, 41. Incerti auctoris breves enarrationes chronographicae bij Banduri, I, 115. Georgii Codini excerpta de antiquitatibus Constantinopolitanis. Ex recensione Immanuelis Bekkeri. Bonnae. 1843, blz. 53.
(3)Ἄνωθεν δ' ιπποι χαλκήλατοι πεπήγασι πίσυρες χρυσῷ ᾐλειμμένοι, τούς άυχένας ύπόγυροι, ἀντιβλέποντες ἀλλήλοις καί δρόμον καμπτῆρος πνέοντες. Nicetae Choniatae Historia, blz. 156.
(4)Nisi quod Nicetas capite reclini ferocientes et in cursum ruentes faciet. Chr. Gottl. Heyne, Priscae artis opera, quae Constantinopoli exstitisse memorantur. Commentationes Societatis regiae, scientiarum Gottingensis. Vol. XI. Gottingae, 1793. blz. 36. Vgl. Michaud, Histoire des Croisades. Paris 1817. III, 345.
(5)Over de door Duitsche Kruisvaarders van Konstantinopel medegebragte kleinoden, luidt het in Pistorii Script. rer. Germ., ed. Struwe, t. I, 1097: - Anno Domini MCCIV civitas Constantinopolitana capta est et spoliata a Christianis plurimis divitiis et rebus ac multis sanctorum reliquiis, ut apparet in Venetia et Halberstat. Vgl. Wilken, Gesch. der Kreuzzüge, V, 307-310.
(1)Balduini studium enituit in largitione tum sacrae, tum prophanae suppellectilis, quam ad Europae varios principes transmisit. Quo cunctis testatum faceret, quam alte esset evectus quamque opulenta illa foret regio, qua jam potiri quidem agressus esset, sed agressus tantum: et cui perdomandae suppetias a Christiana nobilitate imploraverat. Petri d'Outremanni Constantinopolis Belgica, sive de rebus gestis a Balduino et Henrico Impp. Constantinopolitanis libri quinque. Tornaci, 1643, in-4o, 265.
(2)Warnkönig, Flandrische, Staats- und Rechtsgeschichte. Tübingen 1835-42, I, 162.
(1)Keizer Hendriks brief uit Konstantinopel, in Recueil des historiens des Gaules et de la France, XVIII, 527.
(2)Kαί καθόλου, εἵτι ἔχει ό ἄγιος Μάρκος, εἷναι ὅλα τῆς αγίας Σοφίας. Βίβλιον ἱστορικόν, παρά τοῦερωτάτου Μετροπολίτου Μονεμβασίας Κυρίου Δωροθέου. Ἑνετίησιν. 1574, in-4o, blz. 398.
(3)Schayes, Histoire de l'architecture en Belgique. Bruxelles, 1847. IV, 14. Steyaert, Volledige beschryving van Gent. Gent, 1857, blz. 117. Ferrier, Guide pittoresque en Belgique. Bruxelles, 1839, blz. 140.
(1)Messager des sciences historiques de Belgique. 1840, Gand, blz. 78.
(1)Wauters. Les délices de la Belgigue. Bruxelles, 1844, blz. 156.
(2)Morgenblatt für gebildete Leser. Drei und fünfzigster Jahrgang. Stuttgart und München. 1859. Nr 40, bl. 958.
(3)Nacod nidh-draca nihtes fleoged, f'yre befangen. The Anglo-Saxon poems of Beowulf, the scôp or gleemans tale. By Benjamin Thorpe. Oxford. 1845, blz. 153.
(4)Grimm, Deutsche Mythologie. Zweite ausgabe. Göttingen. 1844, II, 652.
(1)Het was in overeenstemming met dien oorsprong, dat de naam der galeijen - van het Grieksch γαλέη, eene kat, - in het westelijk deel der Middellandsche Zee zoo dikwijls met gatti werd uitgedrukt. Archéologie navale. Paris, 1840, I, 412.
(2)Wilhelmi monachi Malmesburiensis de gestis regum Anglorum libri V. Henrici Savilii Rerum Anglicarum Scriptores post Bedam, Londini, 1596, blz. 91.
(3)Vita et translatio S. Elphegi. Langebek, Scriptores Rerum Danicarum, II, 456.
(4)Var dreka-höfot a frammi, enn aptr krôkr, heet het in de Saga van Haraldi hardhrádha, cap. 61, Heimskríngla.
(1)Orkneyínga saga, sive Historia Orcadensium. Ed. Jonas Jonaeus. Hafniae, 1780, in-4o, blz. 318.
(2)Pro trophaeo. Wilhelm. Malmesb. ap. Savile, p. 167. Vgl. Suhm. Historie af Danmark, V, 189. Keyser, Bidrag til kong Sigurd Jorsalafarers Historie, in Samlinger til det norske Folk Sprog og Historie, I, 409. Munch, Det norske Folk Historie, II, 591.
(3)Saga af Sigurdhi Jórsalafara. Eysteini ok Ólafi. Cap. 12, Heimskríngla. Saga Sigurdhar konúngr Jórsalafara ok broedhra hans, Eysteins ok Ólafs. cap. 15. Fornmannasögur. VII. 98.
(1)Κατέδη ἐν τῷ ναῷ τοῦ ἁγίου Πέτρου, τῷ ὀντί ἔνδον τῆς μεγάλης ἐκκλησίας. Ducange, Constantinopolis Christiana. I, IV. blz. 79.
(2)Een klein schip. Saga van Ólafi Tryggvasyni, Cap. 119, Heimskríngla.
(1)Saga van Òlafi hinom helga cap. 54, Heimskringla.
(2)Landnámabók. Vidhbaertir II, in Islendínga, Sögur. I, 334.
(3)Ero thar sidhan til synis. Saga af Sigurdhi Jórsalafara. Eysteini oc Òlafi. Cap. 12, Heimskríngla.
(1)Hujus itaque opinatissimae civitatis scrupulosa et superstitiosa prodigia scriptis prosequi duxi superfluum. - Copia siquidem suppetit plura referendi. Anonymus de profectione Danorum in terram sanctam. Cap. 25, 26. Langebek, Scriptores Rerum Danicarum. V. 361, 362.
(1)Turritas adscendunt puppes, aeratis rostris duces singulos videntibus discriminantes. Hinc enim erat cernere leones auro fusiles in puppibus, hinc autem volucres in summis malis venientes, austros suis signantes versibus, aut dracones varios minantes incendia de naribus. Encomium Emmae Reginae, l. I, Langebek, Scriptores Rerum Danicarum, I, 476.
(2)Robert Wace. Le Roman de Rou. Publié pour la première fois par Frédéric Pluquet. Rouen, 1827, II, 146.
(3)Göransson, Bautil, det är: alle Svea ok Götha rikens runstenar. Stockholm, 1750, in-fol. blz. 313. Ook op de Scandinaafsche Hällristningar zijn de gewone stevenversiersels der schepen dierenhoofden met uitgestoken tongen en vleugels, over hetwelk gehandeld wordt bij Holmberg. Skandinaviens Hällristningar, Stockholm, 1848, in-4o, blz. 68.
(4)The tapistry of Bayeux. London, 1819-23, in-fol. pl. VIII en IX. Les anciennes tapisseries historiées. Paris, 1838, in-fol. pl. XI en XIII.
prepostterug  begin  verder