Deze dichter, van wien ik een bundeltjen in handschrift bezit, is tot hiertoe slechts door een enkel stukjen bekend, namelijk een Danslied, ten jare 1517 gedicht. Ik deelde het vroeger aen Dr Snellaert mede, die het in zyne bekroonde Verhandeling opnam(1). De gissingen echter van dien geleerde, ‘dat Ghyselers te Hasselt zou geboren zijn, en aen de hoogeschool van Leuven de geneeskunde zou gestudeerd hebben’ zijn, zoo als ik dadelijk zal aentoonen, t'eenen mael ongegrond.
Het handschrift is in groot octaef, op papier, en, twee of drie stukken uitgezonderd, ten jare 1517 geschreven. Het bevat vier-en-vijftig bladen of honderd-en-acht bladzyden. Daer het bovenste van geheel het boek door de muizen afgeknaegd is, ontbreekt aen de meeste stukken, behalve aen Griseldis en aen een paer liederen, een heele of halve regel. Vooraen is een Kalender in zwarte en roode letters, welke loopt tot 8 recto. Op de keerzyde van het laetste
blad staen eenige familie-aenteekeningen, die ik hier verder mededeel. Dan volgen de familiares orationes van Erasmus. Deze zijn in 't latijn, maer meestal is er eene dietsche vertaling by. Te midden van deze leest men de volgende aenteekening door eene latere hand geschreven: Anno XVc ende XLIIII den IIIIden dach Januarij is die Keyserlijcke Majesteyt Carolus V, comen binnen der stadt van St.-Truyden met groter triumphe ende met veel volcx van orloghe, ende es voertaen des anderen dachs getoegen nae die stadt van Luydick, met groter eeren(1). Eindelijk beginnen de gedichten. Eerst: Ditz vanden Greve ende van Grisillen, waervan tot hiertoe nog geene behandeling op rijm bekend was, en dat ik in dit deel van het Museum zal uitgeven. Vervolgends vier-en-twintig geestelyke en wereldlyke gedichten en liederen, en daertusschen een paer gebeden in proze. Twee der liederen zijn in 't latijn, en, zoo als ook een der vlaemsche, met muzieknoten voorzien. By onderscheidene der stukken staet het jaer aengeduid, waerin ze vervaerdigd werden. Het vroegste is van 1505 en het laetste van 1518.
De voorletter van elk stuk is zeer aerdig in rooden, zwarten of gelen inkt geteekend of geschilderd, en stelt meestal menschelyke aengezichten en andere versieringen, zoo als draken, bloemen enz. voor. In eene dezer letters staet het wapen van het geslacht van der Marck afgebeeld, en het zelfde komt nog eens elders voor. Dit laet zich verklaren doordien Erard van der Marck van 1505 tot 1538, den bisschoppelyken stoel van Luik, waeraen Landen voor het geestelijk onderhoorig was, bekleedde.
De afschryver, die men tevens voor den dichter mag houden, teekent tweemael zynen naem. Eens: Anthonius Ghyselerus, en
nog eens: Bnthpnkxs Ghksflfrs, dat is in een mystisch schrift tydens de middeleeuwen zeer gebruikelijk, en waerby men de klinkletters telkens vervangt door den medeklinker, die daerop in het A.B.C. onmiddellijk volgt. Dus stelt men hier in Anthonius de b voor de a, de p voor de o, de k voor de i en de x voor de u(1).
Verder schreef de dichter nog op twee plaetsen zyne voorletters: A.G.
Ghyselers leert ons zelf in het lied Nr II, hetwelk hier achter volgt, dat hy te Landen geboren was. In 1507 was hy in dienst by de ruitery onder het huis van Oostenrijk, en toen op den 29sten September van gemeld jaer, Karel, hertog van Gelderland, Thienen overweldigde, werd hy aldaer krijgsgevangen genomen, en verloor zijn geld. Hy vaert in dit lied hevig uit tegen den heer van Chièvres, die alsdan de zaken van 's Lands bestuer, voor den jongen Karel van Oostenrijk, later Karel V, in handen had. Hy beschuldigt hem de stad Thienen in de macht der vyanden te hebben laten vallen.
Vermoedelijk bleef Ghyselers nog lange jaren in dienst; en terwijl hy van tijd tot tijd een lied in de moedertael uit zyne pen liet vloeijen, legde hy zich tevens toe op de studie der latijnsche tael. Vandaer dat de familiares orationes van Erasmus in den zelfden bundel als de gedichten voorkomen.
Vele byzonderheden over 's mans leven kan ik niet opgeven. Bovenaen het hierachter, onder Nr IV voorkomende stuk leest men, dat hy het ten jare 1513 te Keulen, op Aschdag, alsdan den acht-en-twintigsten February van het zelfde jaer, vervaerdigde.
By een liefdelied heeft hy aengeteekend: Nota: Anna Ant-
werpie. Hy schreef het ter eere van eene antwerpsche schoone, Anna genaemd, die zijn hart had ingenomen. Hy trad echter met haer niet in het huwelijk, om, zoo als het uit een daerop volgende Refereynken blijkt, hy geenen bruidschat kon bekomen:
In den Kalender, die, zoo als het grootste gedeelte van den bundel in het jaer 1517 geschreven is, vindt men de volgende aenteekeningen: tusschen 21 en 22 February: Cortersum; op 22 April: Jueck; op 13 Mei: [Maest]riecht; op 24 July: Scruhoven; tusschen 9 en 10 Augustus: Bruestem; tusschen 13 en 14 September: Cuttecoven, en op 8 October: ....hem. Was Ghyselers alsdan nog in dienst? en zijn dat misschien de plaetsen, waer hy opvolgendlijk verbleven heeft?
Ik heb boven reeds gewag gemaekt van eenige familie-aenteekeningen, welke in het handschrift op bladzyde 8 verso voorkomen. Deze zijn op verschillende tijdstippen en door twee handen geschreven. In de oudste zal men misschien het geschrift van Ghyselers, alhoewel zeer verouderd, mogen herkennen.
Die aenteekeningen luiden als volgt:
[Anno Domini] millesimo quingentesimo vicesimo nono, mense Octobris [die n]ona, hora Completorii obiit frater meus Ghijsbertus; meus Renerus Thijs et Hermannus Crayten obierunt altera die, videlicet decima Octobris, etiam hora Completorii; et Mathias Ruytinx matricularius ecclesie de Ulbeeck etiam eadem die, et Maria Moens etiam eadem die, et Joes Diericks duodecima Octobris; sed Libertus et Joannes Loyx obierunt octava octobris de subitaneo morbo dicto der Engelschen sweet.
Anno Domini millesimo quingentesimo tricesimo secundo, mensis Decembris die decima sexta, mane, hora octava ante meridiem, dum sonnuit campana, obiit honestus, doctus et expertus, egregius magister Johannes Maechs, cyrurgus in oppido Hasselensi, meus dilectissimus socer, seu pater uxoris mee. Cujus anima requiescat in pace.
[Wilhem ende Jacob Cannarts, gebroeders, deylen hen goederen 1541, 13 Octobris; Wilhem valt het leengoet ende Jacob het ander goet.
Michiel Hoens traut die dochter van Wilhem Cannart](1).
Decima Decembris, in fine anni quadragesimi, baptisata est paterna fratris mea, filia Jacobi Rotarii in Houte, et alter petruus Arnoldus Bechere, et paterne sunt: Catharina vander Heyden, Maria de Spauwen et Margareta de Mobertinghe.
Vicesima sexta Decembris, in fine anni quadragesimi, baptisatus est petruus meus Stephanus, filius Barbare Castermans, et petruus adhuc sunt: dominus Cornelius Walbertus Degens et Tomas Duylen, et paterne ejus sunt: Katharina Vlaren, Katharina de Loeffelt et...(2) de Trajecto.
Anno 43o mense Novembri, die vicesima septima, mane, hora quarta obiit filia mea Barbara. Cujus anima requiescat in pace.
[....Wiericx, als man en momber van Jan van Heeze, relivert het goet genaemt Lieffelke, nae Stevents ao 1599].
Of deze aenteekeningen op de bloedverwanten van Ghyselers toepasselijk zijn, blijft onzeker.
In allen gevalle is daeruit niels te trekken, dat ons nader met onzen dichter bekend kan maken.
Thands een woord over de liederen, die hier volgen. De twee eerste hebben betrekking op den oorlog tusschen het Huis van Oostenrijk en Karel van Egmont, hertog van Gelderland. In het eerste wordt de droeve toestand bezongen, waerin Karel van Egmont zich bevond, wanneer Philips de Schoone hem het meeste deel zyner steden door de wapenen had ontmachtigd. Er wordt bepaeldelijk gezinspeeld op het overgaen van Arnhem, welke stad, na eenen wederstand van slechts veertien dagen, zich op den 6den July 1505 aen de Burgondiërs overgaf. Verder wordt er gewag gemaekt van het innemen van Elburg, Harderwijk en vooral van het slot Hattem by verraed overvallen, en waer Reinier, heer van
Arssen en Jan van Gelre, bastaerdbroeder van den hertog, krijgsgevangen werden genomen(1).
Het tweede lied, waervan ik boven reeds gewag maekte, bezingt het innemen van Thienen door Karel van Egmont, in 1507. Na de vroegtydige en schielyke dood van Philips den Schoone, het vorig jaer in Spanje voorgevallen, had de hertog van Gelderland deze gelegenheid te baet gesteld, om in het bezit zyner verlorene steden te rug te komen, en hy waegde het zelfs op zyne beurt eenen tocht, tot in Brabant toe, te doen. Over Turnhout en Halen, trok hy naer Thienen, welke stad op den 29sten September 1507, na eenigen tegenweer stormender hand veroverd werd. Gedurende ruim acht dagen bleef Thienen in de macht der Gelderschen, die er eenen aenzienlyken buit vonden en medenamen(2). Volgends Ghyselers zoû des tijds 's Lands bestuer geene genoegzame maetregelen genomen hebben, om de Gelderschen af te weeren en het innemen van Thienen te beletten.
Het derde stuk: van den Levereters, is een hekeldicht tegen de beambten, tydens de minderjarigheid van Karel V. Men weet, dat de schimpnaem levereter, dikwijls in vroegere eeuwen, vooral in onrustige tyden gegeven werd aen de ambtenaers en voornamelijk aen diegene, welke met het inzamelen van 's Lands geldmiddelen gelast waren.
Eindelijk het vierde is een zoo genaemd Glossenlied op den Credo, waerin de koning van Frankrijk, Lodewijk XII, zelf sprekende ingevoerd wordt, en al zyne feiten opsomt en zyne onrechtvaerdigheden of misdaden belijdt.
De spelling en de tael van Ghyselers verraden eenigs zins de landstreek onzes vaderlands, waer hy geboren werd, en
zweemen zoo wat naer het hooger duitsch. Vooral is dit opmerkelijk in het liedjen, waermede hy zynen bundel besluit, en dat hy wel, toen hy te Keulen verbleef zoû kunnen vervaerdigd hebben.
Dits gedicht anno Duysent vyffhondert ende twelve. Scriptum xxiiia Februarij.
Sed cop'(1) est xxviiia Februarii in civitate Colonie, ipso die cynerum, per actorem prescriptum.
Telos. i. finis hujus.