Op bladzijde 422 van het derde deel van het Vaderlandsch Museum deelde ons Prof. C.P. Serrure mede, hoe het belangwekkende verhaal der wreede moord te Antwerpen in 1551 door zekeren Simon Turchi van Lucca op Jeronimo Deodati gepleegd, hetwelk J.F. Willems uit het Italjaansch vertaalde, en onze gevierde romanschrijver H. Conscience voor zijnen bekenden roman benuttigde, reeds vroeger, en wel in eene Nederlandsche vertaling der Novelle van Matteo Bandello, in 1646 te Rotterdam gedrukt, was verschenen. Ik bezit het eerste deel van eene reeks verhalen, die nog ouder zijn dan de vertaling der Novelle van Bandello, waarin, behalve het bedoelde verhaal, nog verschillende andere zoo dramatische als luimige novellen voorkomen, welke op Nederlandschen bodem zijn vooorgevallen. De titel van het boek luidt: ‘Den lusthof vande wonderlijcke gheschiedenissen ende avontueren des werelds. Inhoudende hondert ende thien uytghelesen Historien, waerin veel vreemde ende uytnemende gedenckweerdige stucken van geestelijcke ende wereltlijcke Persoonen verhandelt zijn:
Wt verscheyden ende gheloofweerdighe Boecken by een ghebracht, door I. Balde. Tot Rotterdam, by Isaack van Waesberghe, 1637.’
Het verhaal der moord op Simon Turchi gepleegd maakt de negen-en-veertigste historie uit, en draagt het opschrift: ‘Vande grouwelycke moort gheschiet binnen Antwerpen, door eenen Italiaen ende wat wraecke daer over ghedaen wiert.’ Wie was I. Balde, de schrijver van dien Lusthof? Ik heb zijnen naam nergens vermeld gevonden: uit de voor-reden des autheurs tot den goetwillighen leser leert men alleenlijk, dat zijn voornaam Joannes was, en dat zijne geschiedenissen niet alleen uit verschillende andere schrijvers door hem werden vertaald, maar eenige hem door geloofwaardige persoonen werden opgegeven, terwijl hij er andere met eigene oogen had gezien. Ook is het tooneel zijner historiën meer dan eens eene Nederlandsche stad, zoo als, behalve in het gemelde over Simon Turchi, onder andere in de XVde Historie: de behendicheydt der voeten van twee Avonturiers int loopen, waer mede den eenen 't Antwerpen een Priesters tessche kreegh, en den anderen te Leyden een paer leersen ende schoenen wan; in de XXste historie: Van eenen Straetschender, dewelcke meende door Laternoysche sprake de doodt te ontgaen, maer hy wert ten laetsten ghedronghen syn moeders tale (het Nederlandsch) te spreken, alsoo dat hy noch gheraeybraeckt wiert; in de XXXIIIste Historie: Van den Kock die door een kluchtighe antwoorde syns Heeren gramschap ontginck; in de XLIIIIste Historie: Van de subtylheydt ende loosen vondt die een eerbaer Dochter versierde, om te gheraecken uyt de handen van eenen grooten Heere; enz.
De kenspreuk van Joannes Balde was spes alit ingenium. Aan het hoofd van den Lusthof staat het volgende naamdicht:
Dit naamdicht is zeker niet beter, doch ook niet slechter dan de gewone voortbrengsels der Rederijkers van dien tijd. Wat den Lusthof zelven van Joannes Balde aangaat, vele der verhalen, kluchten en anekdoten, die er in vervat zijn, zouden door onze roman- en novellenschrijvers, welke maar al te dikwijls versletene onderwerpen behandelen, met vrucht kunnen worden geraadpleegd. Hoeveel partij er dikwijls uit dergelijke verzamelingen van oude historiën is te trekken, heeft ons Hendrik Conscience bewezen: zij zijn verder eene rijke bron voor de studie der zeden van vroegere eeuwen, die de romanschrijver, welke op de kleur des tijds prijs stelt, niet mag verwaarloozen:
J.F.J. Heremans.