Men zal gaerne met Legrand d'Aussy(1) instemmen, dat het verhael van Griselde een dergenen is, die het meest tot den roem van Boccaccio hebben bygedragen. Deze aendoenlyke geschiedenis immers schittert in zynen Decamerone, te midden van een aental dartele of onbetamelyke vertellingen, op eene treffende wyze uit. Ook vond geen voortbrengsel der middeleeuwen zoo veel byval als dit; geen ook misschien bleef zoo lang voortleven; want van den tijd van Boccaccio, die te Florentië in 1304 geboren werd en ten jare 1374 stierf, tot op onze dagen toe, wordt het met gretigheid gelezen. Vroeg, reeds vóór het verspreiden der drukkunst, werd het in onderscheidene talen van Europa overgebracht.
Men beweert, dat de geschiedenis van Griselde op een feit berust, dat wezenlijk voorviel, en men leest in een oud fransch handschrift: le Parement des Dames, hetwelk vroeger het eigendom van den heer Foucault was, dat zy ten jare 1025 leefde. Petrarca, die het verhael in het latijn vertaelde, droeg zijn werk aen Boccaccio, als aen iemand aen wien het eigenlijk toebehoorde, op, en, wat de waerheid van het voorval aengaet, zegde hy: Quisquis ex me quaeret, an haec vera sint, hoc est, an historiam an fabulam, respondebo illud Crispi: penes auctorem scilicet Joannem sit. Hy beroept zich dus op Giovanni Boccaccio zelven, die
zijn vriend en leerling was(1). Petrarca hiet zijn stuk: De obedientia, ac fide uxoria.
Door deze vertaling in 't latijn van Petrarca, zal men de algemeene verspreiding van het verhael kunnen verklaren, dat dan ook door zynen aerd zeer geschikt was om tot volksboek te dienen.
Zeer vroeg moet de Griselde in onze tael overgebracht zijn geweest, vermits er reeds eene uitgave van verscheen te Deventer by Jacob van Breda, die omtrent de jaren 1490-1500 drukte. Dit boekjen, waervan slechts twee exemplaren(2) tot ons schynen gekomen te zijn, begint aldus:
¶. Hier bghint(3) die historie vander goeder vrou
wen genoemt Griseldis. die welcke cort is noch
tan is sy seer suuerlijc ende soet om horen: ende
roert van pacientien wat een mēsche al verdie-
nen mach ende verweruen die hem in sijnen te
ghen spoet pacientelic en̄ v'duldelic v'dragē kan
Et was een poete dye ghenaemt
was Francyscus petrarcha. Dese
scrijft dat die ierste marcgraue vā(4)
Aluzen hiet Gautier en̄ dese Merc
graue was versocht van sinen ly
den ende ondersaten dat hy trouwen soude een
wijf, enz.
Dr D.J. van der Meersch heeft van dezen ouden druk, ten jare 1849, eene keurige heruitgave voor de Maetschappy der Vlaemsche Bibliophilen bezorgd.
Ongetwyfeld werd de Griselde tydens de zestiende eeuw meermalen ter pers gelegd. De heer du Puy de Montbrun maekt melding van eenen druk te Antwerpen, in 1554, in-4o verschenen. Deze zal echter wel de eenige van dien tijd niet zijn; want al is 't dat ik er geene andere kan aenwyzen, zoo mag men toch gerust veronderstellen, dat ze bestaen hebben; maer men weet hoe moeijelijk het valt in onze dagen nog exemplaren van die oude volksboeken aen te treffen.
De geschiedenis van Griselde te weinig uitgebreid zijnde om afzonderlijk te worden gedrukt, vond men het geraedzaem er nog twee andere verhalen van den zelfden aerd: Helena de verduldige en Florentina de getrouwe by te voegen, en de drie stukken verschenen te samen onder den titel: De Vrouwen-peirle, ofte dryvoudige historie van Helena de verduldige, Griseldis de zagtmoedige, en Florentina de getrouwe, Alle dry aenzienelyk in vele Deugden; maer meest in Lydzaemheyd die zy in tegenspoed, overlast en beproevinge getoont hebben. Genomen uyt de oude Historien, en nieuwelings tot voordeel der Jongheyd overzien, by-een vergaderd en zeer verbeterd(1).
Tot heden toe heeft dat volksboek den naem van Vrouwen-peirle behouden.
Blijkbaer zijn de latere uitgaven der Griselde nadrukken van dien van Jacob van Breda; maer op talryke plaetsen zijn verouderde uitdrukkingen en basterdwoorden door nieuwere en zuiverdere vervangen.
De Vrouwen-peirle, zoo als ze hedendaegsch verschijnt, draegt onderaen den naem van Max. van Eynatten, kanonik en scholaster tot Antwerpen. Deze gekende boekkeurder heeft op een paer plaetsen iets bygevoegd, en in tegendeel op vier of vijf andere, eenige regels weggelaten. Zyne besnoeijing, die zich onder geen oogpunt laet
verklaren, getuigt in het geheel niet van 's mans schranderheid.
In geene andere tael dan in de onze, meen ik, bestaet eene berijmde bearbeiding van de Griselde, daerom deel ik die, welke in den bundel van Antonius Ghyselers voorkomt, en waervan ik hiervoren reeds met een enkel woord gewag heb gemaekt(1), des te gereedelyker mede. Legrand d'Aussy sprekende van de fransche Griselde, zegt: Il paroît que ce conte ou fabliau si connu n'a point été mis en vers par nos anciens poètes. Il en existe plusieurs versions en vieille prose françoise, se rapprochant plus ou moins de la narration de Boccace. Tydens de middeleeuwen ging dit verhael in het hoogduitsch niet over, ten minste het wordt door von der Hagen niet aengewezen(2).
Maer reeds vroeg hadden de Franschen de geschiedenis van Griselde ten tooneele gevoerd; want volgends Martinelli, den uitgever van den Decamerone, die zich beroept op Deel II van den Théâtre français te Amsterdam, in 1736, gedrukt, vertoonden fransche tooneellisten ten jare 1395, le Mistère de Griseldis, marquise de Saluces. Legrand d'Aussy bevestigt dit ten volle. Hy haelt eenige regels uit dit spel aen naer een handschrift ter Koninglyke bibliotheek te Parijs berustende, en zegt, dat men het daerin wezenlijk tot gemeld jaer doet opklimmen. Wat er ook van den ouderdom dezes stuks zy, het werd te Parijs in de eerste helft der zestiende eeuw by Jehan Bonfons gedrukt onder den titel: Le mystere de Griselidis marquis de saluses par personnaiges(3).
Behalve deze dramatische behandeling bestaet er nog eene andere, en wel in latijnsche verzen. Dr van der Meersch, in zyne geleerde inleiding geplaetst vóór de heruitgave van den druk
van Jacob van Breda, voor de Vlaemsche Bibliophilen, trok hierop de aendacht. Dit latijnsch tooneelstuk, hetwelk te Antwerpen, in 1519, van de pers kwam, heeft men te danken aen eenen Gentenaer, Eligius Eucharius of Houckaert, die nog door andere werken, zooals de vertaling van Anna Bijns Refereinen, bekend is. In hoe verre deze dichter het fransch tooneelstuk of het verhael in proze gevolgd hebbe, kan ik niet zeggen. In allen gevalle bestaet er tusschen dit laetste en het Mysterie een groot onderscheid: hierin treden immers talryke personagiën op, die in het andere niet voorkomen.
Nu is de vraeg, naer welken ouden tekst heeft Ghyselers zijn opstel vervaerdigd? Dat blijft onzeker; want het schijnt my niet, dat de druk van Jacob van Breda, die nochtans in 's dichters leeftijd - hy schreef immers 1505-1518(1) -, verscheen, hem tot grondlage gediend hebbe. De inleiding en het slot van Ghyselers komen aldaer zoo niet voor. Verder heeft hy het geheel ingekort, den naem van Gaultiers zuster, de gravin van Buenen, niet eens genoemd, enz.
Ik zal hier nog byvoegen, dat de hoofdpersonagie in 't italjaensch: Griselda, en niet zooals in 't fransch Griseldis heet; in den druk van Jacob van Breda is het: Griseldis en Griselde; in het volksboek altijd: Griseldis; Ghyselers noemt haer Grysilla of Gryssilla, en in de verbogene naemvallen: Grysillen. Van haren vader zegt het italjaensch: Che ave nome Giannucolo; in het fransch luidt het: Janicole; in onzen ouden druk: Jan de Nycole en Jan Nycole, en in ons volksboek insgelijks: Jan de Nicole; by Ghyselers: Jan Nycolaes. De italjaensche naem des graven Gualteri wordt in het
fransch Gaultier, en blijft alzoo in den druk van Jacob van Breda, terwijl het volksboek: Gautier heeft. Ik zal hier byvoegen, dat men by Coornhert, die eene vertaling gaf van geheel den Decamerone: Griselda of Griselde, Gaultier en Jehannot leest.
De schrijfwyze van Jan Nycolaes door Ghyselers gebruikt, schijnt genoegzaem te bewyzen, dat hy de uitgave van Jacob van Breda niet geraedpleegd heeft.
Ik sprak daer zoo even van Coornhert als vertaler van Boccaccio: opmerking verdient, dat by hem de geschiedenis van Griselde het eerste vijftigtal zyner Lustighe Historien(1) besluit, terwijl ze in den Decamerone van den oorspronkelyken schryver de novella decima van de giornata decima uitmaekt.
Uit al het aengehaelde zal ten overvloede blyken, hoe zeer de geschiedenis van Griselde hier te lande bekend was, en ten slotte zal ik hier by voegen, dat men te Gent en elders, nog dikwijls de
spreekwyzen hoort gebruiken: zy ziet er uit gelijk eene Griselde, het is eene bedrukte Griselde, enz. Dit geldt hier juist geene vrouw, die zachtmoedig van aerd, maer wel eene die droefgeestig is of er bedrukt uitziet.
In het handschrift van Ghyselers wordt geen onderscheid gemaekt tusschen de y en de ij; en wanneer de stipjens voorkomen, dan is het meestal verkeerdelijk.