Het is niet in onze dagen, dat men voor het eerst verzamelingen van graf- en gedenkschriften aen het licht brengt. Reeds by den aenvang der zeventiende eeuw, toen de geleerden moede waren geworden zich met de Oudheid bezig te houden, en ook het voornaemste, dat dit tijdvak opleverde, bekend en uitgegeven was geworden, vestigden zy hunne aendacht op datgene, hetwelk in hun vaderland, of elders in Europa van latere tyden voor handen was. Zy begonnen te begrypen, dat dergelyke gedenkschriften ook belang hebben, en ons nader raken dan die der Grieken of Romeinen, en uit dien hoofde verdienden te boek gesteld te worden, om ze aen het nageslacht te laten overgaen.
By ons was de Antwerpenaer Francies Sweertius, de eerste, die verzamelingen van dezen aerd uitgaf. In 1608 verschenen te Keulen, by Bernardus Gualterus, de Selectae Christiani Orbis deliciae ex Urbibus, Templis, Bibliothecis, et aliunde, en ten jare 1624 kwam by den zelfden drukker eene tweede veel vermeerderde uitgave van de pers. Intusschen had Sweertius, in 1613, te Antwerpen, by Bellerus, onder den naem van Monu-
menta sepulcralia et Inscriptiones publicae privataeque ducatus Brabantiae, eenen, voor dat gedeelte van ons vaderland, zeer belangryken bundel, in het licht gezonden; en daerop volgden nog zyne Epitaphia ioco-seria, latina, gallica, italica, lvsitanica, belgica, welke in 1623, insgelijks te Keulen werden gedrukt.
Terwijl deze geleerde aldus by ons het voorbeeld gaf, kwamen in andere landen onderscheidene verzamelingen van graf- en gedenkschriften uit. Ik heb voor my liggen: Vrbis Basil. Epitaphia et Inscriptiones omnivm Templorvm, Curiae, Academ. etc. aliar. aedivm pvblic. Lat. et German. Dit boek, hetwelk Johannes Grossius, pastoor van Ste-Lenaerts kerk, te Basel, tot verzamelaer had, kwam in 1624 van de pers(1). In het zelfde jaer zagen ook het licht: Epitaphia Avgvstana Vindelica ab. annis. fere. sexcentis vsq. ad. nostram. aetatem conqvisita labore et impensis Danielis Praschii Salisbvrg-halensis(2), een bundel, die nog vry uitgebreider is dan de eerste. Hy bestaet immers uit drie afdeelingen, waervan de laetste, aen het einde met eenen afzonderlyken titel, die Fŭrnembsten vnnd Schŏnesten Teutschen Grafschrifften, die in groot getal zijn, inhoudt.
Beide werken, zoo wel dat van Grossius als dat van Prasch, bevatten eenige gedenk en grafschriften, die voor ons vaderland, onder het een of ander opzicht, belang hebben. Daer die twee boeken hier te lande zoo goed als onbekend zijn, dacht ik hier eene plaets te mogen inruimen, voor al wat daerin op Nederland betrekking heeft, en in hier te lande uitgegevene boeken niet voorkomt.
Zie hier wat er te Augsburg gevonden werd:
In den ommegang der hoofdkerk - In ambitu summi Templi, - las men het volgende:
Wie deze Jan Rutilius geweeest is, kan ik niet zeggen. Noch by Foppens, Paquot, en onze andere gewone biographen, noch by Jöcher, die onderscheidene Rutiliussen opnoemt, heb ik iets over hem aengetroffen.
Uit het grafschrift blijkt, dat hy de eerste bestuerder, of een der voornaemste leeraers is geweest van de Maria-school, te Augsburg, en dat hy op den 1sten September 1587 stierf.
In de kerk der Preêkheeren aldaer bestonden de drie volgende opschriften, die reeds door Sweertius(2), doch niet in alles getrouw, werden uitgegeven:
Op dit gedenkschrift volgt nog een vierde, in den zelfden smaek, ter eere van Ferdinand, keizer Karels broeder, en insgelijks door den preêkheer Jan Faber opgesteld. Daer echter Ferdinand niet onder onze vorsten gerekend wordt, heb ik het weggelaten.
Prasch stelt aen het einde der latijnsche grafschriften van Augsburg, eenige andere, die volgends hem aldaer vervaerdigd waren, maer elders werden geplaetst.
Dit was te Aisteten, een Beijersch dorp, in den Opper-Donaukreits, te lezen:
De verzameling bevat ook een gedenkschrift door dezen Jan Jacob Fleckhamer, met zyne zusters en broeders, aen hunne ouders toegewijd(2).
Te Augsburg zag men, naer het schijnt, nog het volgende:
De volgende zerk, in den kruisbeuk der O.-L.-V. Kerk, in gemelde stad Augsburg, liggende, levert een der belangrijkste opschriften van alle, die ik aen het boek ontleen. Het luidt aldus:
Hie ligt begraben der Ehrnvöst und Kunstreich Martin Boets von Brussel in Brabant, desz Wolgebornen Herren Jacob Fuggers Musicus, dem Gott genad. Obijt 1583. den 1 Decemb.(2).
Zie daer nog eenen onzer landgenooten, die onder de vermaerde toonkunstenaers der zestiende eeuw mag gerekend worden. De vermogende Fugger zoû geenen man van middelmatig talent in zynen dienst genomen hebben. Boets bleef aen den heer F.J. Fétis, die zoo veel opzoekingen gedaen heeft over de mannen, die de toonkunst beoefenden, onbekend(1).
Hiertoe bepaelt zich al het voor ons belangryke, dat ik in het boek van Prasch heb aengetroffen.
Onder de graf- en gedenkschriften van Basel, door Jan Grossius uitgegeven, vind ik:
In den middenbeuk van de kerk van Sinte-Lenaert:
Anno M.D.LXIV. 26 April. starb die Edel Fraw Francina von Bomberg bey Antorff, Herren Balthasar Ravalasci von Meyland, Burgers zu Basel, Ghegemahel(2).
In de kerk van Sint-Marten, in den middenbeuk:
Alhoewel niets bewijst, dat deze Hochsteter een Nederlander geweest zy, heb ik toch dit grafschrift opgenomen, omdat leden van dit geslacht te Antwerpen, in de zestiende eeuw, gevestigd waren, en aldaer tot heden toe eene straet hunnen naem behouden heeft.
In het klooster der Karthuizers, op den koor:
In den grooten pand van het zelfde klooster:
Nog in den zelfden pand:
Op het kerkhof van Klingethal, by Basel:
Cecinit et posuit Matthias à Viersen Jun. Leovard. Fris. Basil. 23 Maji M.DC.XIV(1).
Ik deelde vroeger dit grafschrift aen Mr J. Dirks mede, die het in de Vrye Fries(1) opnam, en er eenige belangryke aenteekeningen over de geslachten Monsma en van Viersen byvoegde.
Grossius geeft ook als te Basel bestaende, een gedenkschrift ter nagedachtenis van Vesalius, dat men ook by Sweertius aentreft(2); en het volgende ter eere van Erasmus, hetwelk in het huis van den vermaerden boekdrukker Froben, of Frobenius, te lezen stond(3):
Een weinig lager was de god Terminus afgebeeld, en naest hem las men deze twee woorden:
Op de kroon, die het hoofd van den god omsingelt:
Deze eerbetuiging van Froben aen Erasmus vindt men, meen ik, nog elders opgenomen.
Daer de stad Basel geene genoegzame graf- en gedenkschriften opleverde om het boekjen te vullen, heeft Grossius er talryke by gevoegd, die hy van elders heeft genomen. Ons vaderland
wordt daerby niet vergeten; maer hy putte meestal uit de Monumenta sepulcralia van Sweertius, zoo dat er by hem niet veel nieuws voor ons te vinden is.
Na de opschriften, welke de graftomben van Karel den Stoute en Maria van Burgondie, te Brugge, versieren, medegedeeld te hebben, laet hy er onderscheidene volgen, welke te Antwerpen voorhanden waren, zooals van Walterus de Berchem, Gemma Frisius, Petrus van Wesenbeeck, Plantijn, Ortelius, Ludovico Guicciardini; ook eenige van Leuven, zooals van Petrus Nannius, Justus Lipsius, enz.; dat van Goropius Becanus, te Maestricht, enz.
Ik weet niet waeruit hy het volgende van Martinus Dorpius, getrokken heeft:
Het luidt:
Deze Dorpius was, zooals men weet, de vriend van Erasmus, Hy heeft talryke schriften in het licht gezonden. Een gedenkschrift te zyner eere, door zynen geleerden vriend opgesteld, bevond zich vroeger in het Karthuizers klooster, te Leuven(2).
Te Marburg bestond het volgende:
Anno Domini m. d. lxiv Kal. Febr. piè in Christo obiit Clarissimus Vir. D. Andreas Hyperius Theologiae Doctor et Professor in hac schola celeberrimus, aetat. 63(3).
Meestal laet men by het grafschrift van onzen Vesalius, die op zyne terugreize van Jerusalem, in eene arme hut, op het eiland Zante, stierf, de twee regels weg, die daer achter by moeten gevoegd zijn. Zie hier hoe men het in het boekjen van Grossius leest:
Andreae Vesalii Bruxellensis tumulus, qui obiit Idib. Octob. Anno ciɔ iɔ lxiv. aetatis vero suae L. cùm rediisset Hierosolymis.
Ik weet niet waeruit Grossius dit ontleend heeft:
De vervaerdiger van dit grafschrift, de gentsche kanonik de Rijcke, of Rycquius, die de kleinzoon was van Stadius, heeft nog een ander, als ook een lijkdicht op dezes afsterven, opgenomen in zyn bundeltjen: Parcae, id est Epitaphiorum à se conscriptorum libri tres, te Gent, in 1624, uitgekomen. Grossius, die in het zelfde jaer zyne verzameling liet drukken, kon dit boekjen van de Rijcke nog niet gebruiken.
Het grafschrift van Dodoens, zie ik over het hoofd; het komt by Foppens en elders voor.
De twee volgende zullen minder bekend zijn.
Beatae animae, et depositis hîc eandem ad spem corpusculi exuviis Catharinae Burckardae, D. Francisci Burckardi Vinariensis filiae, anno aet. 37. conjugii 12. hoc ipso, ubi nata erat, loco, defunctae: conjug. castiss. et opt. supra complures abortus duorum filiorum et totidem filiarum matri: Matthaeus Wesenbecius maritus, et super-
stites liberi, Victorinus, Catharina, et Anastasius dolentes m. p.
Er staet niet by, waer dit grafschrift te zien was.
Matthaeus Wesenbeeck had er ook een voor zich zelven opgesteld:
Dit gedenkschrift was, volgends Grossius, te Antwerpen te lezen. Ten minste heeft hy er het woord Antv. tusschen gevoegd. Er staet by hem: et hujus Eccles. (Antv.) ministro. In welke kerk deze zerk lag, heb ik niet gevonden, en het valt te betwyfelen, of die wel in gemelde stad bestond.
In de Graf- en Gedenkschriften der provincie Antwerpen(1), komt in de Sint-Jacobs kerk aldaer, een fragment van eenen geheel anderen grafzerk van Gaspar Rovelasca en Elisabeth van Kestelt
voor, alhoewel het opschrift van den volgenden in de Monumenta van Sweertius, zoo wel als by Grossius, gedrukt staet.
Deze twee ter eere van den Gentenaer Karel Utenhove, zullen, meen ik, niet elders te vinden zijn.
Zie hier wat hy voor zich zelven had vervaerdigd:
Behalve dit gedenkschrift lag te Keulen, alwaer hy op den 31sten Augustus 1600(1), in den ouderdom van vier-en-zestig jaer en vier maenden stierf, nog deze zerk.

Vtenhoff gar aLt zV CöLLn stIrbt
Den Letsten AVgst: eIn GVt erVVIrbt,
VVeLChs nICht VerDIrbt.
Deo reLIgIosè VIXIt annos seXagInta qVatVor, Menses qVatVor.
Karel Utenhove, uit een oud adellijk geslacht geboren, begon zyne studiën te Gent en voltooide ze te Parijs, alwaer hy zich eenen geruimen tijd ophield. Later ging hy naer Engeland en zette zich eindelijk te Keulen neder. Hy was geen ongelukkig beoefenaer der Latijnsche en Grieksche talen, en bezat bovendien nog het Hebreeuwsch, het Fransch, het Engelsch, en het Hoog en Nederduitsch.