De Roman van Lancelot was waerschijnlijk het uitgebreidste dichtstuk van onze middeleeuwsche letterkunde. Alhoewel dit reusachtig gewrocht in zijn geheel niet meer bestaet, kan hetgeen overgebleven is, en waervan Professor Jonckbloet eene keurige uitgave heeft bezorgd naer het eenig bekende handschrift op de koninglyke Bibliotheek, te 's Gravenhage, berustende(1), op ruim dertig duizend verzen berekend worden. Doch de Lancelot is, zooals die geleerde reeds aengetoond heeft, niet één roman, maer wel eene aeneenschakeling van onderscheidene verhalen, welke oorsprongelijk van elkander onafhangelijk waren.
In den Roman van Lancelot, die het grootste gedeelte van den Arthurkring omvat, worden de tochten en avonturen verhaeld van Arthur, Lancelot, Perceval, Walewein, Mordret, Keye, Ecgravein, Gariët en meer andere ridders, die tot de ronde tafel behoorden, en verder de geschiedenis van het Heilige Graal en eindelijk de dood van Arthur bezongen.
Het haegsche handschrift echter is verre van alles wat den Lancelot uitmaekte, te bevatten: behalve andere leemten, ontbreekt daeraen geheel het eerste boek. Tot dat verlorene gedeelte behoort het verhael van den Ridder van de Kar, waervan het my gelukt is een nog al aenzienlijk fragment, byna vierhonderd verzen bevattende, te bekomen. Ik deel het hiermede.
In den Roman van de Kar is Lancelot wederom de held van het verhael; maer hy draegt hierin den naem van Ridder met de Kar, en dat om het volgende geval:
Lancelot, na lang wijd en zijd rond gedwaeld en op avontuer gereden te hebben om met dezen of genen ridder eene lans te breken, ontmoet eindelijk Meleagant, met wien hy dadelijk handgemeen wordt; doch deze, de trouwelooste kamper, die ooit geboren werd, doodt het ros van Lancelot, zoodat hy genoodzaekt werd te voet voort te zwerven. Weldra echter ontwaert hy, een weinig ter zyde van den weg, eenen voerman met eene kar: hy gaet er met haest naer toe, haelt met moeite de kar in, en ziet op het paerd eenen kleinen dikken dwerg zitten, die het met zweepslagen voortstuwt. Lancelot vraegt hem of hy niet ergends eene jongvrouw ontmoet heeft? - ‘Ha! zei de dwerg, gy spreekt van de Koningin?’ - ‘Wel ja, antwoordde de ander!’ - ‘Zoudt gy dan zeer geerne van haer iets willen vernemen?’ - ‘Stellig.!’ - ‘Wel nu, ik zal ze u vóór morgen ochtend doen zien, indien gy doet wat ik u zeg’ - Lancelot zeî, dat hy er toe bereid was - ‘Klim dan, “sprak de dwerg,” op deze kar, ik zal uw verlangen voldoen, en u voeren ter plaets, waer gy haer zult kunnen beschouwen.’
In dien tijd werd eene kar voor zoodanig iets onedels gehouden, dat slechts diegene, welke alle eer verloren hadden, er op vervoerd werden. Wanneer men iemand wilde schandvlekken en tot spot van een ieder laten dienen, dan zettede men hem op eene kar om hem alzoo de stad door te ryden. Lancelot, die dit wist, zeî,
dat hy liever achteraen zoû komen, dan er op te zitten. - ‘De dwerg antwoordde, dat hy hem tot geenen leider zoû verstrekken, indien hy er niet op kwam. - ‘Belooft gy, dat gy my, indien ik er opklim, tot by myne jongvrouw zult geleiden?’ - ‘Ik beloof u’ zeî de dwerg, ‘dat gy ze vóór morgen ochtend zult zien.’ - Lancelot sprong op de kar.
Op dat onedele voertuig zittend ontmoette onze held talryke lieden, en kwam zelfs op deze wyze in een ridderlijk slot aen. Van daer gaf men hem den schimpnaem van Ridder met de Kar, dien hy sedert heeft blyven behouden.
Mijn fragment valt een weinig na het verhael van dit avontuer in, en het bevat, onder andere, de wijdloopige beschryving van de aenkomst en 't verblijf van Lancelot in een klooster, alwaer hy den deksteen oplicht van het graf van Galaäd, koning van Gales en zoon van Joseph van Arimatië: iets hetgeen tot hiertoe niemand had durven wagen. Hy verneemt ook aldaer, dat zyne moeder nog leeft en dat hy, Lancelot, niet bestemd is om die avonture van den heilegen Grale te inden. Na dat hy het klooster, alwaer men hem herkende, verlaten heeft, trekt hy op nieuwe avonturen uit.
De Lancelot is, zooals men weet, eene vrye vertaling uit het fransch, alwaer het gedeelte, waervan ik hier een fragment uitgeef, li Contes de la Charrette heet. Het is het werk van Chrestien de Troyes, die het aen Madame de Champeigne, opdroeg. Deze kan geene andere geweest zijn dan Maria, dochter van Hendrik den Edelmoedige, graef van Champanje, en die ten jare 1185 met onzen graef van Vlaenderen Boudewijn van Constantinopelen, in huwelijk trad. Zy stierf te Ptolemaïs in 1204. Haer vader was de begunstiger van Chrestien de Troyes, en deed hem den Perceval schryven, even als Maria hem de Charrette deed berymen.
Aen het overige van den Lancelot, werkte ook nog een tweede dichter Godefroi de Leigni genaemd.
In den Roman van de Kar komen, behalve oorsprongelyke verhalen, ook feiten voor, die in den eigenlyken Lancelot verscheiden malen, doch eenigs zins anders verhaeld worden of op welke gezinspeeld wordt.
Professor Jonckbloet heeft het haegsche handschrift zeer nauwkeurig beschreven. ‘De Codex, “zegt hy,” is in folio formaat op perkament: iedere bladzijde heeft drie kolommen, elke van ongeveer 60 regels. Het schrift is vrij duidelijk, zonder op schoonheid aanspraak te mogen maken: de hoofdletters der grootere afdeelingen zijn afwisselend rood en blaauw geschilderd, zonder veel vercierselen. De geheele aanleg schijnt de eerste helft der veertiende eeuw als den tijd der vervaardiging aan te geven... Zoo als het handschrift tot ons is gekomen is het door verschillende handen geschreven(1).’
Deze beschryving is nagenoeg op het fragment, dat in mijn bezit is, toepasselijk, en ik deed my wel eens de vraeg of het misschien vroeger een blad van den haegschen Codex uitmaekte.
Het is insgelijks in folio formaet, op drie kolommen, niet van ongeveer zestig, maer alle van zes-en-zestig regels. Het schrift is ook vry duidelijk, zonder op schoonheid aenspraek te kunnen maken. De hoofdletters zijn hier zwart gebleven; maer by den aenvang van de kleinere afdeelingen staet het gewone teeken: ¶, afwisselend rood en blauw geschilderd. Het schrift wijst naer het midden der veertiende eeuw. Doch professor Jonckbloet gaet voort en zegt: ‘Al de schrijvers van het haagsche handschrift, vooral de eerste, munten uit door verregaande slordigheid en onnauwkeurigheid, zoodat men dit handschrift als een voorbeeld mag aanhalen van de gewetenloosheid der afschrijvers.’ Dit laetste kan van mijn fragment zoo niet gezegd worden. Om deze reden vooral, en ook omdat het getal der verzen van elke kolom, die by my geregeld ten getale
van zes-en-zestig zijn, met dat van het haegsche handschrift niet overeenkomt, en men verder gerust mag veronderstellen, dat er vroeger meer dan een handschrift van den Lancelot moet bestaen hebben, laet ik myne eerste meening varen, en beschouw mijn blad als tot eenen Codex behoord hebbende, die geheel verloren, of om beter te zeggen, geheel versneden is geweest om door de boekbinders gebruikt te worden.
Ten slotte betuig ik hier mynen dank aen den heer Frederik Verachter, archivist der stad Antwerpen, aen wien ik dit fragment verschuldigd ben.
Zie hier de drie honderd en zes-en-negentig verzen, die op dat vel perkaments zijn bewaerd gebleven: