In het vorig deel van dit Museum(1) heb ik eene berijmde Chronijk der hertogen van Brabant medegedeeld; thands geef ik er eene van de graven van Vlaenderen. Beide zijn nagenoeg van den zelfden omvang. De eerste houdt op met de dood van hertog Philips van Sint-Pol, in 1430 voorgevallen, de andere loopt juist eene geheele eeuw verder, tot op het huwelijk van keizer Karel met Isabella van Portugael, ten jare 1530 aengegaen. Deze laetste druk ik naer een gelijktydig handschrift, aen my toebehoorende en acht bladen in-4o uitmakende.
Die Chronijk van Vlaenderen was bestemd om gedrukt te worden. Zulks blijkt immers uit de volgende regelen:
En wat verder:
Doch in niet een onzer boeken over de geschiedenis van Vlaenderen, ten minste die my bekend zijn, komen deze verzen voor. Marcus van Vaernewijcks Vlaemsche Audvremdigheyt, die ook onder den naem van Nieu Tractaet ende curte Beschrijvinghe van dat edel Graefscap van Vlaenderen(1) verscheen, bestaet in 't algemeen uit gedichten van den zelfden aerd als onze berijmde chronijk, maer van Vaernewijck leefde een dertigtal jaren later; er kan derhalve aen hem niet gedacht worden.
Het stuk, dat ik hier mededeel, bevat eerst eene inleiding of kort overzicht van een gedeelte der geschiedenis van Vlaenderen en vervolgends eenige verzen, meestal ten getalle van zes, op elken graef. Deze regels waren waerschijnlijk bestemd om onder hunne afbeeldsels geplaetst te worden.
Wat de Descriptio Flandrie, die vooraf gaet, betreft, van deze is het begin ontleend aen den Catalogus insignium oppidorum Germaniae inferioris van Barlandus, welke, doch met eenige wyzigingen, achter zijn werkjen over de hertogen van Braband te vinden is(2).
De drie latijnsche en de twee dietsche verzen, die onmiddelijk vóór de Chronijk staen, en die zoo beleedigend zijn voor de Vlamingen, komen niet van Barlandus, zooals men licht zal denken.
Die korte berijmde Chronyken, zooals deze, hebben in 't algemeen, of voor de geschiedenis of voor de tael geene groote waerde; maer zy zijn toch eenigs zins belangrijk, omdat het in dien vorm was, dat onze voorouders zich de gebeurtenissen van vroegere dagen in het geheugen printten. Meer dan een
hunner zal dergelyke stukken, het zy geheel, het zy gedeeltelijk van buiten geleerd hebben. Zy verdienen ook onze aendacht omdat men daeruit ziet, hoe men het verledene beoordeelde, of, om beter te zeggen, wat men als het merkwaerdigste van de regering van elken vorst beschouwde.
Flandria est provincia Galliae Belgice iuxta litus Oceani constituta, habens Germaniam ab oriente, insulam Britannicam a septentrione, ab occidente mare Gallicum, a meridie Bourgondiam. Regio fertilis atque amena et pluribus locis suaviter aprica, nec expers nemorum aut collium; habet et lacus perspicuos, flumina fontesque salubres; gentem non inhospitalem, vestitu et lingua a Brabantis indiscretam.
De civitate Gandavensi.
Gandavum est eius terre civitas fluminibus nobilis, amena, ampla, spaciosa, nusquam conclusa, nusquam suffocata; innumere culteque domus, facunda virorum ingenia, antiqui mores, tum duplici muro amplificata loci species; suos etiam habet, ut Lovanium, meditationi ac studiis aptos recessus; habet et ludos litterarios aliquot multe celebritatis; magnifica templa, celum perquam benignum, gentem frugalem magis dixerim quam parcam. Est Gandavum et pluribus divorum corporibus et nobilibus monasteriis exornatum.
De civitate Brugensi.
Publicarum privatarumque edium in hoc opido splendor et magnificentia omnem orationem, omnem dicendi facultatem supergreditur. Ut paucis omnia dicam, totus hic locus pascendis oculis, reficiendis animis dicatus est. Pulchra sunt opida Gandavum, Antwerpia, Lovanium et Mechlinia, sed nihil ad Brugas.
Preter Gandavum et Brugas, longe clarissimas urbes, alia quedam sunt in Flandria opida clari nominis, scilicet: Alostum, Aldenardum, Insule, Ipere, Teneramunda, Slusa, quod postremum est maritimum.
Flandria, quamvis situ terre sit parvula, multis tamen bonis singularibus est referta. Est enim terra pascuis uberrima et armentis ac
pecudibus plena, nobilissimis portubus maris et opidis inclita, amnibus famosis, scilicet Scalda, undique irrigua et perfusa. Gens eius elegans corpore et robusta, multiplex in sobule (lees: sobole), et substantia et omnium mercium divitiis locuples; venusta facie generaliter et decora affectu, pia, affatu blanda, gestu matura, habitu honesta; erga domesticos pacifica, erga extraneos valde fida; arte et ingenio in opere lanifico preclara, ejus industria magna parti orbis in lanificio subvenitur, nam preciosam lanam, quam sibi Anglia communicat, in pannos nobiles subtili artificio transmutans, per mare et terram multis regionibus administrat. Est autem terra plana et frugifera in multis locis, multas habens arbores, non tamen multas sylvas; gaudet quibusdam locis palustribus in quibus effodiuntur glebe, que sylvarum supplent defectum quo ad ignium incrementum, nam ex bis calidis et siccis solet ignis fieri magis efficax quam ex lignis, sed inutilior et vilior quo ad cinerem, gravior quo ad redolentiam et odorem.