[p. 66]
Hagiografie
De twee fragmenten die nu volgen zijn enigszins anders dan de overige teksten in deze bloemlezing. We hebben hier te maken met de beschrijving van een heiligenleven. De ervaringen die beschreven zijn, bereiken ons - anders dan bij voorbeeld bij Hadewijch - indirect. Zij komen tot ons, gezien door de ogen van de hagiograaf.
In een hagiografische tekst als het ‘Leven van Sinte Lutgart’, waar deze fragmenten uit gehaald zijn, spelen twee aspecten een belangrijke rol. Ten eerste is dat de ‘historische beschrijving’ die de hagiograaf wil geven en daarnaast de uitdrukking van zijn gelovige bewondering voor de heilige. Deze twee aspecten beïnvloeden elkaar voortdurend.
Dit stelt een nogal zware eis aan de lezer; het lijkt niet goed mogelijk deze aspecten te scheiden. Men moet niet zoeken naar een historische beschrijving die zou beantwoorden aan onze criteria voor historische juistheid. In de hagiografie staat de geschiedschrijving immers in de dienst van de gelovige bewondering en de vertolking daarvan.
Het eerste fragment beschrijft een visioen van sinte Lutgart. De ic is hier de hagiograaf, si is sinte Lutgart. In het tweede fragment laat de hagiograaf sinte Lutgart zelf aan een vriend verhalen hoe zo'n visioen zich aan haar voltrekt.
Lutgart, boek II, hoofdstuk 10, rr. 2561-2857.
- Aldaer die vrowe op enen dach
- Geknilt in harre beden lach
- Die hare wel te handen ginc, 3
|
3 waaraan zij zich volledig overgaf.
|
[p. 67]
-
- Wel grote joye si ontfinc
- Ilanc so meer int herte binnen, 2
- Die hare van der Godes minnen
- So rive quam daer in gevloten
- 5
- Dat hare algader wart onsloten
- Die Gods verholne eenechheide, 6
- So dat faillirde al sonder beide 7
- Van buten harre sinne cracht,
- Die nit ne conden hare macht
- 10
- Behouden noch vergronden nit
- Wat hare aldoe bekinnen lit
- Van binnen Got van paradise
- Want daer si lach in derre wise
- Wart si harselven al ontgeven;
- 15
- Oc wart tin stonden opgeheven
- Daerboven wert die gheest van hare 7ev 16
- In ere stat, die was so clare
- Ende oc so utermaten schone,
- Dat si daerboven in den trone
- 20
- Daer Got den sinen feeste makt
- Altoes, wel waende sijn gerakt.
- So was si oc, dat wanic wel;
- Want si ne sach daer niwent el 23
- Dan grote cirheit daer die stede
- 25
- Algader was vervroijet mede.
- Aldar Lutgart, die maget goet,
- Al dosterwijs verheven stoet
- Daer si die joye migel vant,
- Began si schowen altehant
- 30
- En vision dat ic u al,
- Opdat ic can, vertrekken sal. 31
|
2 Ilanc...meer: hoe langer hoe meer.
6 verholne eenechheide: heeft betrekking op het mysterie van de drieëenheid.
7 al...beide: onmiddellijk.
7ev So...van hare: beschrijving van het weggerukt worden in de schouwing.
16 Daerboven...wert: opwaarts.
23 niwent el: in 't geheel niets anders.
|
[p. 68]
-
- Si sach, aldaer si was gestaen
- Met groten wonder al bevaen,
- Gode, onsen eeweliken Vader,
- Din hogsten coninc, die algader
- 5
- Berekket dese werelt wijt.
- Din sach die magt gebenedijt
- Op enen troen schone ende clar
- Wel mechtechlike sitten daer,
- Verheven schone alse hem betam.
- 10
- Dat wonderlike wel bequam
- Lutgarden, die te haren vromen
- Daer was tire hoger steden comen.
- Oc sach si daer met groten scharen
- Die ingle comen ende varen,
- 15
- Die alle songen enen sanc
- Daer si met eerden sonder wanc
- Ende oc feesteerden blidelike
- Den coninc van den hemelrike.
- Oc sach si daer in enechore
- 20
- Die xxiiii seniore, 20
- Die alle teenen ringe saten
- Cirlic gecronet utermaten
- Ende alle songen: Sabaot, 23
- Almechtech Vader, sute Got,
- 25
- Gebenedijt so motti wesen.
- Oc sach si sitten daer mettesen
- Die iiii Gods evangeliste,
- Die daer oc nemmer en gechisten
- Van lovene allewege sere
- 30
- Den hogsten coninc, onsen Here.
- Daer sach si oc die patriaken,
- Din ouden Noë metter arken
- Ende alle dandre, die geseten
- Oc waren daer mettin propheten,
|
20 Die...seniore: de 24 oudsten (Apoc. 4, 10).
23 Sabaot: (Hebreeuws) dit staat voor de zinsnede Dominus Deus Sabaot (De Heer, de God der hemelse machten).
|
[p. 69]
-
- Die alle loveden wel schone
- Den coninc, die sat in den trone.
- Oc sach aldaer die maget reene
- Die Gods apostlen algemeene,
- 5
- Die saten alle teenen ringe
- Ende alle songen sonderlinge
- Met clarre stemmen oppenbare
- Dat Got, die coninc, werdech ware
- Die in den trone sat daerboven,
- 10
- Dat menne moste gerne loven.
- Oc sach aldaer die maget goet
- War sente Yan Baptiste stoet,
- Die Gode doepde in die Jordane,
- Daer ons alnoch geleget ane 14
- 15
- Die van Adame comen sijn,
- So vele, alse het wel es in schijn, 16
- Dat wijs en mogen nit ontberen. 17
- Daer sach si oc die marteleren
- Met roeden stolen wel gecleedt,
- 20
- Die sente Steven heft geleedt 20
- Vor Gode; ende alle songen dus:
- Sit benedictus Dominus. 22
- Oc sach si comen altesamen,
- Die songen lude aldaer si quamen,
- 25
- Die Godes confessore mar;
- Ende alse quamen die bat naer 26
- Din hogen coninc, die daer sat,
- So seide si: Fiat, fiat, 28
- Gelovet motti sijn, Got Here,
- 30
- Nu ende altoes ende emmermere.
- Oc quamen daer die magedine
|
14 waar wij nu nog de vruchten van plukken.
17 dat wij 't niet kunnen missen.
20 Steven: Stephanus, de eerste martelaar.
28 Fiat: het geschiede, waarlijk.
|
[p. 70]
-
- Cecilie ende Katerine,
- Die brachten leidende een conroit
- Van mageden schone ende groet,
- Meer dan ic u geseggen can.
- 5
- Din sach die maget hebben an
- Van witten stolen din abijt
- Tematen lanc, tematen wijt,
- Die hen wel stonden int gevoech; 7-8
- Ende elke en rijs gebloiet droech 9
- 10
- In hare hant; ende alle also
- Blide ende in hogen ende vro 11
- So quamen si met schoenre scharen
- Daer si wel willecomen waren,
- Want si daer songen enen leec
- 15
- Van minnen, die wel Gode leec, 15
- Die in din trone sat verheven.
- Oc sach die maget daer beneven
- Op enen troen van hogen prise
- Die moeder Gods van paradise,
- 20
- Die vrië maget, onser vrowen.
- Darna began die maget schowen
- Dat alle die daer waren doe,
- Ende oc die daer noch quamen toe,
- Feesteerden met gestaden sinne
- 25
- Die alre hogste coninginne.
- Doe dit algader was gedaen,
- So sach die fine magt opstaen
- Din sone Gods, Kerste, onsen troest,
- Daerbi wi alle sijn verloest,
- 30
- Die wilen waren hirtevoren
- Onthopet lange ende al verloren. 30-31
- Doe sos die Godes sone vri 32
|
9 rijs gebloiet: bloesemtak.
30-31 Die...Onthopet: die eertijds zonder hoop waren.
|
[p. 71]
-
- Was opgestaen, so ginc hi bi
- Den vader staen aldaer hi sat,
- Ende alle sine wonden nat
- Van bloede hi heft getoget hem
- 5
- Ende seide: Vader, siet, ic bem
- U sone, Kerst van Nazareene;
- Ic ben degene, die alleene
- Die werelt al mettesen wonden
- Verloessede eer van haren sonden.
- 10
- Ic ben die goede middelere,
- Die tuschen u ende din sondere
- Din alre irsten vrede nam
- Die sider wel te staden quam; 13
- Want voren din dat ic din vrede
- 15
- Din armen menschen hebben dede,
- Noit ander dis en hadde macht,
- Want allen menschen dat ontfacht. 17
- Dis biddic u, wel sute vader,
- Die vordeit uwen wille algader, 19
- 20
- Dat u ontfarme der sonderen
- So dat si mogen hen verweren
- Jegen din viant, die gereet
- Hen es te doene arch ende leet.
- Oc offere ic mi over hen
- 25
- U, vader, Here; want ic ben 24-25
- Har middelere, har advocaet,
- Har troest ende al har toeverlaet.
- Daeromme comic selve nu
- Alse advocaet te biddene u
- 30
- Dat u ontfarme, vader mijn,
- Der menschen, die in sonde sijn.
- Doe dese bede har inde nam,
- Gegaen met hastechheiden quam
- Aldaer Lutgart, die maget, stoet,
|
13 te...quam: geholpen heeft.
19 vordeit: ten uitvoer brengt.
24-25 over...U: voor hen aan U.
|
[p. 72]
-
- Jhesus, die Godes sone goet.
- Aldar so sprac hi dese wart
- Ende seide: Kare mijn, Lutgart,
- Hebdi gesin hoe ic algader
- 5
- Mi hebbe goffert minen vader
- Vor alle menschen die met sonden
- In erterike sijn gebonden?
- Hebdi vernomen hoe ic dede
- Vor die sonderen mine bede
- 10
- Aldaer ic vor den Vader stont?
- So willic u dan wesen cont, 11
- Lutgart, dat ic van u begere
- Dat gi oc weset middellere
- Tuschen die menschen ende mi.
- 15
- Dartoe so willic oc dat gi,
- So welken tijt dat gi bestaet
- Te biddene over die mesdaet 16-17
- Van din sonderen, altemale
- U offert mi, so dat gi wale
- 20
- Betoget dat gi hebt verstaen
- Dat ic hir hebbe nu gedaen,
- Daer mi toe dwanc die karitate;
- Want dit exempel ic u late
- Van minenthalven, schone brut,
- 25
- Te houdene uwen tijt al ut.
- Nu houdet dan getrowelike
- Also, Lutgart, dat het mi like,
- Voertane meer in uwen dagen;
- So seldi van der groeter plagen,
- 30
- Die al die werelt sal dorloepen,
- Wel saen die pine al avecoepen.
- Mar hoe gi selet dit begaden
- So dat het moge staen in staden 33
- Der werelt al, salic u wisen:
|
11 wesen cont: bekend maken.
16-17 So...biddene: steeds wanneer jij aan het bidden bent.
33 staen...staden: ten goede komen.
|
[p. 73]
-
- Gelikerwijs dat gi van spisen
- Nu hebt u seven jaer onthouden,
- Die gi mi hebbet wel vergouden
- So dat ics mi belove sere - 3-4
- 5
- Want gi dat dadet dor min eere
- Ende op den troest van mire minnen -
- So seldi moten noch beginnen
- Te vastene andere vii jaer.
- Mar dis u soude sijn te swar
- 10
- Te darvene alles dis men ett,
- Gelijc dat gi dis nit nontbett 11
- Die vii jar die leden sijn,
- So willic dat gi, kare mijn,
- Nutt een pulment met uwen broede
- 15
- Voertane meer, dat gi nit noede
- En motet doen; want ic u dis
- Geve orlof ende toe den kis
- Van welken dis gi wilt ontbiten. 18
- Nu vart u dan enwege quiten
- 20
- Van desen stukken, werde maget;
- Want mi u vasten so behaget,
- Dis sijt gewes, dat ic u al
- Dat hondertfout vergelden sal
- Hirboven in den hogen trone;
- 25
- Want ic u sal doen spannen crone
- Met allen desen magedinen,
- Alsic u sal van alre pinen
- Te joncst verlaten ende geven 28
- Hirboven deewelike leven.
- 30
- Antwerde gaf op dese wart
- Die wel gerakde magt Lutgart
- Ende seide: Kerst, almechtech Got,
- U bispel schone ende u gebot
- Hebbic onthouden harde wale;
|
3-4 waarin gij mij goed gediend hebt, zodat ik u zeer dankbaar ben.
11 dis...nontbett: niets at.
18 welke maaltijd gij wilt gebruiken.
28 Te...verlaten: op de jongste dag bevrijden.
|
[p. 74]
-
- Hoe gi uselven altemale
- Nu hebbet goffert uwen vader,
- Dat hebbic wel gesin algader;
- Dis benic wel terechte vro.
- 5
- Mar wildi dan dat ic also
- Miselven, Got, wel sute Here,
- So welken tijt voertane mere
- Dat ic u selven bidden sal,
- Vor elken mensche u offere al, 5ev
- 10
- So biddic u omodelike,
- Genadech Got van hemelrike,
- Dat gi also ontfanget mi
- Vor die sonderen, alse gi
- Van uwen Vader waert ontfaen,
- 15
- So dat in staden moge staen
- Din armen menschen dat ic ben
- Gereet te biddene over hen.
- Oc biddic u noch, Here goet,
- Dat gi verleenet mi den spoet 19
- 20
- Also te vastene elken dach
- Van vii jaren, alse het mach
- Allen sonderen best te vromen
- Ende oc te vordernessen comen.
- Do sprac dos weder toter vrowen
- 25
- Die Godes sone: In goeden trowen
- Willic u des gehingen gerne;
- Gi biddet dis ic nit ne werne,
- Want ic u alles goedes an. 28
- Lutgart, nu vart enwege dan
- 30
- Ende alles, dat u es geseget
- Hirboven, ginder tale pleget 31
- Gestadelic al sonder wanc;
- Dis seldi harde groten danc
|
5ev Mar...al: Maar als gij, God..., wilt dat ik mijzelf geheel aan u offer ten behoeve van alle mensen door voortdurend te bidden.
31 ginder tale: daar beneden.
|
[p. 75]
-
- Van mi bejagen ende loen.
- Do was gesproken dit sermoen,
- So quam die gheest her weder lise
- Van boven utin paradise
- 5
- In dat porprijs van din lichame.
- Doe vant die magt van groten name
- Harselven noch in kniegebede
- Daer liggende op die selve stede
- Aldaer si op den selven dach
- 10
- Tevoren harre beden plach.
- Doe stont si op al sonder beide
- Blide ende in hogen, ende seide:
- Gedanket motti sijn van din,
- Genadech Got, dat ic gesin
- 15
- U hebbe aldaer ic was gevurt.
- Al heft onlangen tijt gedurt
- Mijn spaciëren ginder boven,
- Nochtan so magics mi beloven
- Met rechte wel; so do ic oec,
- 20
- Want dat ic uwes it gebroec
- Darboven daer ic was gerakt,
- Dat heft mijn herte vro gemakt;
- Oc hebbic wale onthouden al
- Ende emmermeer onthouden sal
- 25
- Dat gi mi wiset ende leeret
- Doe gi te miwert u bekeeret
- Ende oc bevaelt met uwen monde
- Dat ic dat vasten onderstonde
- Noch anderwerf van vii jaren;
- 30
- Dit salic, Here, al sonder sparen
- Met blider herten onderstaen.
Lutgart, boek III, hoofdstuk 10, rr. 1847-1941.
- Op enen tijt so sat die vrowe
- Bi eenen vrint, die hare op trowe 2
|
2 op trowe: met een beroep op haar trouw.
|
[p. 76]
-
- Ene edele questie heft gevraget,
- Die hem solveerde so die maget
- Dat sijs bejagde eere ende prijs.
- Die vrint hi vragde in welker wijs
- 5
- Ende hoegedaen si plage sien 5
- Dat overschone Gods anschin,
- Alse hise visenteeren quame.
- Antwerde gaf van suten name
- Die maget weder ende seide: 8-9
- 10
- Die melde Gods ontfarmechheide 10
- Verleen u dat gi mogt verstaen
- Dat gi mi vraget, want mi mijn waen
- Also gedregt dat mensche en es 12-13
- In dese werelt, die u des
- 15
- Terechten wel berechten soude.
- Want een die hem dis pinen woude,
- Al hadde hi alre tongen tale,
- Nochtan en soude hi u nit wale
- Solveeren dis gi mi begrutt. 19
- 20
- Mar Got hi geve u dat gi moett
- Geraken daer ghijt eewelike
- Moett schowen; want in erterike
- En mach noch mi, noch u geschin
- Dat wijt te vollen mogen sien.
- 25
- Mar so ic u met corter spraken
- Best can berecten van der saken
- Die gi mi vragt, dat salic don.
- Alsic hantere en orison 28
- Ende ic dan late int herte binnen
- 30
- Din gheest gewerden metter minnen,
- So comt bi wilen daer en schijn
- Gevlogen, die den ogen mijn
|
8-9 van...maget: de maagd met de zoete naam.
12-13 want...es: want ik ben van mening dat er geen mens is.
|
[p. 77]
-
- Es al te starc ende al te claer;
- Mar lange nit en lett hi daer,
- Want mensche in erterike nie
- En wart geboren, die der zie 4
- 5
- So wel gebroec dat hi in dogen 5
- Din claren schijn mochte al gedogen.
- Daeromme en lett hi, alsic wane,
- Daer lange nit, want hi tontfane
- In dogen sonder wederstoet 8-9
- 10
- Es allen menschen al te groet.
- Ende alse dese es leden dan,
- Dis ic dorgronden nit ne can
- Noch mijn noch meer, ende ic dan sla
- Mine ogen op, ende ic sie na
- 15
- Dat licht dat daer enwege vert
- Tin hogen paradise wert,
- So vindic daer na desen schine
- En ander licht, dat sonder pine
- Ende onverstaert mijn ogen sien.
- 20
- Mar alsic dan sijn schone anschijn
- Die mi daer visenteeren quam,
- Dat mi te schowene eer benan
- Dat irste licht, daer binnen soeke 22-23
- Ende ic denghenen, dis ic roeke,
- 25
- Daer schowen waene, en vindics nit.
- Dis doegic menech swar verdrit
- Ende ongedout groet utermaten.
- Want wilde hi hem beschowen laten
- Gelic dat ikken gerne sage
- 30
- So ware al leet, ende alle clage,
- Ende al verdrit van mi geverret.
- Mar neen hi nit, want hi ne merret
- Daer langer nit dan ic en doe
- Mine oge op ende weder toe;
|
5 gebroec: gebruikte - dogen: de ogen.
8-9 want...dogen: want dit licht in de ogen te verdragen.
22-23 Dat...licht: bepaling bij anschijn.
|
[p. 78]
-
- Mar dat nes gnoch nit mine ghere. 1
- Oc seggic u dat mi so clere
- Sine ogen dunken ende fijn,
- Dat hem ne mach dat sonneschijn
- 5
- Geliken nit na minen wane
- Meer dan der sonnen doet die mane,
- Of dan dat sterrelicht en doet
- Den dage, daert af wesen moet
- Verdonkert ende wederslegen. 9
- 10
- Nu moet ons beiden dan gewegen
- Tin schonen paradise wert
- Die selve Got, die dat verclert
- Al met hem selven ende geven
- Dat wine int eewelike leven 14
- 15
- Beschowen moten sonder inde.
- Want die u des in velen ghinde 16
- Berechten soude, en wart geboren
- In hondert jaren hir tevoren.
- Dis gi mi vragt, dis motti nu
- 20
- Hir met gepaijt houden u. 20
- Want nit te meer dan ic en can,
- Op welke tijt dat hi mi an 22
- Dat ic sijn werdelike anschin
- Also ter liden mach besin, 24
- 25
- Tevollen sijns versaedt gewesen,
- So nes in mi dat ic van desen 26
- Berechte u bat, dis gi mi vraget.
|
1 Maar dat stilt mijn begeerte niet.
9 wederslagen: verdreven.
16 in...ghinde: preciezer.
20 gepaijt houden: voldaan achten.
24 ter liden: in het voorbijgaan.
26 nes...mi: is het mij onmogelijk.
|
|
|