Brieven in prozaDe hier volgende teksten worden in handschrift C aangeduid als Epistole Haywigis, brieven van Hadewijch. Als geletterde vrouw heeft onze auteur zeker kennis gehad van de preceptieve traditie der briefschrijfkunst: de voorschriften die stonden geformuleerd in de handboeken van de Ars dictaminis. Het schrijven van een brief is dan het uitdrukken van een goed overwogen concept in de passende structurele vormen. Van Hadewijch mag verwacht worden dat zij bij het schrijven van brieven in de volkstaal aandacht gehad heeft voor het organisatorisch en functioneel karakter van de verschillende onderdelen van een brief: salutatio, captatio benevolentiae, narratio, petitio, conclusio. En dan is het mogelijk dat wij vooral uit de narratio- en de petitio-gedeelten nog de reactie van Hadewijch op haar omgeving kunnen naproeven, waardoor deze teksten voor ons documenten kunnen worden. In de narratio wordt informatie verstrekt ten behoeve van de lezer: biografisch-didactische mededelingen, aspecten van spiritualiteit, meningen over het milieu, enz. In de petitio wordt gesmeekt om iets te doen of te laten; daar wordt vermaand en goede raad gegeven. Zo kunnen wij ontdekken welke informatie de geadresseerde nodig had, welke haar tekorten en verwachtingen waren, kortom, wat er aan de hand was in de omgeving van Hadewijch en hoe onze auteur reageerde. Verder dient vermeld te worden dat volgens de toen geldende opvatting niet alle vijf genoemde onderdelen in een brief aanwezig moeten zijn, en dat ook de versvorm als een geschikte briefvorm werd opgevat. De lezer zal merken hoe sterk de Brieven 1 en 29 onderling verbonden zijn, dat de Brieven 1 en 2 in elkaar overlopen, en dat Brief 18 een verduidelijking is bij Brief 17. Deze teksten zijn geen leerstellige betogen, maar documenten over de bezorgdheid van een geestelijke leidster om haar godzoekende vriendin te leiden en te helpen. De belichting van dit sociale aspect van de dertiende-eeuwse mystiek mocht in dit boek niet ontbreken. Brief 1: Leven in de claerheit van GodIn deze brief beveelt Hadewijch de geadresseerde om zich te richten op de ervaring van claerheit: deelname aan de dialectische liefde in God. Belangrijk is: onszelf te beschouwen in God, zien wat God is, de Drieëenheid begrijpen. Ook het thema dat het ogenschijnlijk bedrieglijk liefdespel van God aanvaard moet worden leidt brief 2 al in. Deze brief bevat aspecten van de wezensmystiek van Hadewijch.
[1] God, die de clare minne, die onbekint was, verclaerde bi siere [2] doghet daer hi alle doghet bi verlichte in siere claerheit der [3] minnen, hi moet 3 u verliechten ende verclaren metter claerre [4] claerheit daer hi hem selven claer met 4 es ende al sinen vrienden [5] ende sinen naesten gheminden 4ev . [6] Die alre meeste claerheit 6 die men hebben mach 6 in ertrike, dat [7] es ghewaricheit in jeghenwordeghen werken van gherechtic- [8] heden ende van allen wesenen 8 waerheit te pleghene omme [9] claerheit der edelre minnen die god es. Ay, hoe groete claerheit [10] es dat, datmen gode ghewerden late met siere claerheit. Daer in [11] werct minne hem selven 11 ende allen creaturen elken na sijn recht [12] dat 12 hem sine goetheit gheorconden mach te ghevene met [13] gherechticheden in claerheyden. [14] Hier omme bidic u alsoe 14 vrient sinen lieven vrient ende mane [15] u alse suster haere liever suster ende hete u alse moeder haren |
3 moet: moge.
4 daer...met: waarmee hij voor zichzelf...
4ev ende...gheminden: blijkbaar rekent Hadewijch de geadresseerde tot de vrienden van God.
6 claerheit: vormt met Minne en gherechticheit een van de grondwoorden in het idioom van Hadewijch.
6 mach: kan.
8 van...wesenen: in alles.
11 hem selven: voor zichzelf.
12 dat: zoals.
14 alsoe: als een.
|
|
[1] lieven kinde ende ghebiede u van 1 uwen gheminden 1 alse brude- [2] gom 1-2 ghebiedet siere liever bruyt: dat ghi ontpluuct die oghen 2 [3] uwer herten claerlike ende besiet u in gode heilichleke. [4] Leert te besiene wat god es: hoe hi es waerheit 4 alre dinghen [5] jeghenwerdichilike, ende goetheit 5 alre rijcheit vloyeleke, ende [6] gheheelheit 6 alre doghet gheheeleke, omme de welke men singhet [7] .iij. sanctus inden hemel, omme dattie .iij. namen in haren [8] enighen wesene alle doechde versamenen van welken 8 ambachte [9] si sijn ute desen .iij. wesenen. [10] Siet hoe vaderlike u god ghehuet hevet ende wat hi u ghe- [11] gheven hevet ende wat hi u gheloeft hevet. Besiet hoe hoghe [12] minne es deen vor dander ende danckes hem 12 met minnen, wildi [13] dit besien hoe god dit es ende werken in hem in siere claerheit [14] ghebrukeleke in glorilecheiden ende toenleke in claerheiden alle [15] dinc te verlichtene ende te demsterne na haren wesen. Om dies [16] dit god es daer omme salmenne sijns selves laten ghebruken in [17] al sinen werken van siere claerheit, sicut in celo et in terra, [18] altoes met woerden ende met werken te segghene: Fiat voluntas [19] tua. [20] Ay lieve kint, soe sine gheweldeghe ghewout meer verclaert [21] wert in u, soe sijn heileghe wille bat in u ghesciet, ende soe 20-21 sijn [22] claere waerheit naere in u schijnt 22 , soe en spaert dan niet sueter [23] rasten te darvene omme die grote gheheelheit gods: verclaert u [24] wesen ende chiert u met doechden ende met gherechten werken, [25] widet uwe sinne met hogher begherten der gheheelheit gods, [26] ende ordineert u ziele ten groten ghebrukene der al ghewel- [27] degher minnen ons alte suets 27 gods. [28] Ay lieve kint, al seggic alte suete, dat es mi over 28 oncont, |
1 van: vanwege, namens.
1 gheminden: nl. God.
1-2 brudegom: verwijst naar de bruidsmystiek.
2 die oghen: zie Br. 18.
4 waerheit: de Zoon.
5 goetheit: de Geest.
6 gheheelheit: de Vader als bron en eindpunt.
8 van welken: welke ook.
12 danckes hem: dank er hem voor.
20-21 soe...soe: naarmate...des te.
22 naere...schijnt: beter in u schijnt.
27 alte suets: overzoete.
28 over: zeer.
|
|
[1] sonder inden wensch van miere herten dat 1 mi doghen suete [2] hevet ghweest om sine minne. Mer mi hevet hi wredere gheweest [3] dan mi nye 3 duvel was. Want si 3 en consten mi nie benemen hem [4] te minnene noch nieman dien hi mi beval te vorderne 4 . Mer hi [5] hevet mi selve benomen. Dat hi es 5 dat verteert hi selve in siere [6] sueter ghebrukenissen ende laet mi dus dolen buten dien [7] ghebrukene ende laet mi emmer sere verladen met minnen [8] onghebruken ende laet mi demster van ghebruken alre yoyen [9] die mi te guede souden werden. [10] Ay arme, dat selve dat hi mi boet 10 ende ghegheven hadde te [11] werder van ghebrukene van 10ev gherechter minnen, dat hevet hi [12] dus nu laten varen, alse ghi een deel wel wet 12 . Ay, wet God, ic [13] hieltene herde sere over here ende eyschede hem luttel vordere [14] dan hi selve woude 13-14 ; mer dat hi mi boet dat haddic gherne [15] ghenomen in ghebrukene, had hijs mi willen hulpen. Biden [16] eersten waest mi leet ghenoech 16 ende liet mi vele bieden eer [17] icker na vinc. Mer nu benic ghevoert alse een dien men yet [18] te spele biedet, ende alse hi daer na veet 18 soe sleetmenne 18 op de [19] hant ende seghet: Godsat 19ev hebbe die waers waende, ende houdet [20] dat op datmen hem boet. |
1 dat: antecedent is wens.
3 dan...nye: dan voor mij ooit een.
3 si: nl. de vreemden.
4 dien...vorderne: die hij mij beval te begunstigen. (Is de geadresseerde een van hen? Vekeman besluit uit de parallelle onzekerheid van de geadresseerde in Br. 1 en 2 tot eenheid van beide brieven.).
vorderne: hangt samen met benemen. 5 Dat...es: Wat hij is in mij.
10 boet: aanbood.
10ev te...van: als onderpand voor.
12 alse...wet: de geadresseerde kent H. dus goed.
13-14 eyschede...woude: eiste van hem weinig meer dan hij zelf wilde.
16 waest...ghenoech: was ik er niet zo erg op uit.
18 veet: grijpt.
18 sleetmenne: slaat men hem.
19ev Godsat: vloek (Gods haat). Vekeman besluit uit de beknoptheid van deze brief dat de geadresseerde over voorkennis beschikt moet hebben. Vgl. Br. 29.
|
Brief 2: Leven in dienstbaarheidDe aandacht voor werken en arbeit krijgt een zeer grote nadruk in deze brief. De geadresseerde mist het juiste inzicht: claerheit en gherechticheit moeten haar perspectieven zijn. Verder wordt beschreven hoe de contemplerende mens gebracht
wordt tot hulp aan de verdwaalden en tot niets anders willen verkrijgen dan Minne zelf.
[1] Nu merket alle die dinghen daer ghi in ghedoelt hebbet met [2] eenwille, met droefheiden sonder noet 2 . Mer dats waer, dat wetic [3] wel, dat hi dicke drovet dien sins ghebrect 3 ende hi dan niet en [4] weet weder hi naket soe 4ev verret, dat es wel recht. Mer die rechte [5] gheloveghe hi sal weten dattie goetheit sijns liefs meere es dan [6] sijn sneven. Men en sal 6 niet droeven omme doghen noch [7] langhen na rasten. Men sal alles omme al begheven ende alre [8] rasten vertien. Sijt blide altoes in hope om minne te vercrighene. [9] Want begherdi minne te gode volmaecteleke, so en suldi en [10] ghene sake van rasten weder begheren dan allene minne. [11] Sijt op uwe hoede ende in vreden van allen dinghen 11ev . Doet te [12] allen dinghen wel, mer en roeket om en gheen ghewin, noch [13] om salicheit noch om doemsele noch omme behoudenisse noch [14] om torment, mer alle dinc doet ende laet om der minnen eren [15] wille. Houdi u dus 15 , soe suldi saen vercoeveren. Ende scijnt [16] plomp voer de liede, daer es vele waerheiden in. Sijt bekeersam [17] ende ghereet alden ghenen die uwes behoeven ende elken [18] mensche doet sinen vrede daer ghijt gheleisten moghet sonder [19] uwe nederheit. Sijt blide metten bliden ende weent metten [20] weenenden 19ev ende verdraechleec den ghenen die uwes behoeven [21] ende ernstich ten sieken ende milde den behovenden ende enich [22] inden gheeste 21ev buten alle creaturen. Ende alse ghi te allen dinghen [23] doet dat beste dat ghi moghet, die menscheit moet dicke sneven: [24] soe verlaet u op die goetheit gods dat sine goetheit meerre es [25] dan u sneven. Ende werct altoes in toeverlate ghewarighe doghet |
2 sonder noet: overbodig.
3 dien...ghebrect: die het aan inzicht in zichzelf ontbreekt (Van Mierlo); die zijn geliefde mist (Van Bladel/Spaapen).
4ev weder...soe: of...of.
6 sal: moet.
11ev van...dinghen: in alle situaties.
15 Houdi...dus: Gedraag je je zo.
19ev Sijt...weenenden: zie Rom. 12, 15.
21ev enich...gheeste: helemaal in eenheid met God.
alse: zelfs wanneer. |
|
[1] ende sijt ernstich ende ghestadich altoes sonder sparen te [2] werkene 2 den raet ons heren ende sinen alreliefsten wille in al [3] dat ghine bekinnen moghet, met aerbeide, met nauwen onder- [4] soekene van peinsinghen u selven te kinnen in al 15ev 3ev . [5] Ende levet soe gode, dies biddic u, dat ghi niet en ghebrect [6] dien groten werken daer hi u toe gheroepen hevet: dat en [7] versuemt niet bi ghenen lichteleken werken, dat biddic u ende [8] rade, want ghi hebbet grote saken daer ghi ocsuun op nemen [9] moghet vore gode. Want hi hevet u gehuet van allen ocsune, [10] wildi u selven hueden, soe dat ghijt ghenadechleke goet doen [11] hebbet, wildijt bekinnen, ende te vollen hebdi luttel ghenoech [12] doeghens groet met te wassene alsoe ghi sculdich waert, soudi [13] gode recht doen, alsoe ghi bi wilen gherne daet 5-13 . [14] Al ghevoeldi oec bi wilen ellindicheit van herten alse ocht 14 [15] ghi van hem begheven waert, daer omme en mestroest u selven [16] niet. Want ic segghe u waerleke dat alle die ellende die men [17] doghet met goeden wille te gode, die is bequame in die ghehele [18] nature gods 17ev . Mer wisten wi hoe lieve gode daer toe es 18 , dat ware [19] ons ontidich, want soe en wart 19 ons ghene ellende; want die den [20] wille gods kinde datter hem lieve toe ware, hi soude wel gherne [21] bi sinen wille inden afgronde der hellen sijn ende 21 hi en mochte [22] nummermeer voert gaan noch wassen daer hi ghene pine |
2 werkene: volgen.
15ev een belangrijke passage over de wereldse eisen die door Hadewijch worden gesteld en een aanwijzing over haar milieu.
3ev met...al: aansporing tot inkering en zelfkennis.
5-13 Laat God dusdanig toe in je leven - ik vraag het je met aandrang - dat je niet tekort schiet in het volvoeren van de grote opdrachten waartoe Hij je geroepen heeft. Dat is mijn dringende goede raad: verzuim deze opdrachten niet terwille van onbelangrijke dingen; want grote dingen komen je toe: daarop moet je je inspanningen richten terwille van God. Want Hij heeft je (tot nu) alle grote inspanningen bespaard - had je daar maar aandacht voor -, en je bent met de kracht van Zijn genade tot het goede in staat gesteld - besefte je dat maar -, en je hebt je zelf waarlijk onvoldoende aan die inspanningen overgegeven, waarmee je de volwassenheid zoudt bereiken waartoe je verplicht bent om God recht te doen; af en toe heb je dat overigens wel gedaan, en van harte.
14 alse ocht: alsof.
17ev in...gods: in Gods ondoorgrondelijke natuur.
18 hoe...es: hoe graag God dit ziet.
19 wart: overkwam.
21 ende: maar.
|
|
[1] ghesmaken en mochte 1 . Die wiste dat gode behaghelike ware [2] te sinen werken, hem en soude rouwen wat hem ghesciede. [3] Ghi sijt noch jonc ende behoeft sere te wassen ende voeghet [4] vele bat, wildi den wech der minnen gaen, dat ghi aerbeit soeket [5] ende doer haer eere pijnt dan ghi haers soudet willen ghevoelen. [6] Mer ghi sult hare dienen alse een die emmer in haren werdeliken [7] dienst sijn wilt. Ende daer vore en suldi willen sparn ere noch [8] scande noch torment van ertrike noch vander hellen, al mochti [9] se daer bi vercrighen dat ghi hare werdelike dienet hier inne 9 [10] doer hare 10 werdelike te pinenne in ghetiden, in ordene te [11] houdene, in al uwen dienst, sonder raste te wilne ochte te [12] ontfane. Ende al quaemdi oec in rasten in enighe dinc die men [13] ware dan die selve god namelike die uwe wesen sal in ghe- [14] brukene, in welken 14 dat dat si 14 , daer in seldi gherne dolen tot dien [15] male dat u god met dien wesene 15 verlicht ende moghentheit [16] ghevet der minnen te pleghene ende te ghebrukene in haren [17] wesene daer si haer selven minne ende ghenoech met es. [18] Dient scone 18 ende en wilt el niet 18 ende en ontsiet el niet ende [19] laet de minne vrileken met hare selven ghewerden. Want minne [20] volloent al comtse dicke spade. Bi ghenen twivele noch bi [21] ghenen onspoede en suldi laten doecht te werkene, noch bi [22] onspoede en suldi niet sorghen dat ghi selve aen gode niet [23] vercoeveren en sult 22ev . Des en sult di niet twivelen noch oec [24] gheloeven noch menschen noch heileghen noch inghelen; ja [25] ende oec bi 25 littekenen, want ghi vroech gheroepen waert ende [26] oec ghevoelt uwe herte wel bi wilen dat ghi vercoren sijt ende [27] dat god uwe ziele in toeverlate 27 hevet begonnen te onderstane. [28] Ghevet u selven soe volmaecteleke daer toe 28 dat hi u volmake. |
1 mochte: kon.
9 hier inne: nl. in het werdelike dienen.
10 hare: om de minne.
14 in welken: dinc.
14 si: weze.
15 wesene: zijn eigen wezen.
18 scone: belangeloos.
18 el niet: anders niets.
22ev niet...sult: erop vertrouwen dat je in God voldoening zult vinden.
25 ende...bi: zelfs door.
27 in toeverlate: in vertrouwen.
28 daer toe: aan het onderstane van gode.
|
|
[1] Ende en begheert nummermeer dat u mensche ondersta inden [2] hemel noch inder erden, die soe moghende es 2 , sonder 2 alsoe ic u [3] segghen mach: ghi sijt van Gode onderstaen ende ghi sult [4] willen onderstaen sijn van hem met ghewoude ende niet langher [5] met twivelenden varen. [6] Sonder dat allene moet men altoes vresen datmen der minnen [7] te luttel es in dienste na 7 hare werdicheit. Dese vrese vult den [8] minsche met minnen. Dat hi soe na 8 ghevoelt ende verstormt [9] wert van ernsticheiden, soe 9 dunct hem dat hi der minnen [10] ghenoch hevet ghedaen ende dat hem minne te luttel hulpet [11] ende mint na sine werdicheit van sinen dienste. Dan alle die [12] wile es dese vrese ute 11ev , alse men minne aldus betijt met ontrouwen. [13] Al ander vresen dan dese suldi wech doen ende 13 nemt dese te u [14] in al hare comen ende in hare gaen. [15] Die pine die u van gode bevolen es die doghet gherne al dore [16] ende dore 15ev ; soe suldi den verholenen raet van hem horen, alsoe 16 [17] Job van hem seghet: Te mi es gheseghet een verborghen woert 17 . [18] Tweerhande onderstaen es van menschen datse die menschen 18 [19] onderstaen. Dat een es dat si de sonderen onderstaen in haren [20] val. Sulc minsche wart bi wilen soe ghewont bi caritaten, dat hi [21] hem gode ontsegghen moet in sijn ghebruken ende in sijn [22] verweentheit omme de sonderen die in sonden sijn, soe dat hi [23] liever hevet sijns liefs te dervene, hem en woerde dies sekerheit [24] ghedaen dat hen 23ev de sonderen niet en onthopen vander ghenaden [25] gods. Aldus doet karitate den mensche de minschen onderstaen. [26] Dat ander onderstaen es dat 26 selc minsche dien god soe ghesont [27] kent in doghene ende in caritaten ghewesent 27 , datten god niet en |
2 die...es: hoe machtig ook.
2 sonder: maar.
7 na: volgens.
8 soe na: zo hevig.
9 soe: dan.
11ev Dan...ute: Deze gezonde vrees verdwijnt altijd.
13 ende: maar.
15ev doghet: verdraag.
dore ende dore: duidt het ultieme aan. 16 alsoe: zoals.
17 Te...woert: zie Job 4, 12.
18 datse...menschen: die andere mensen.
23ev hem en: als hem niet.
hen: reflexief bij onthopen. 26 dat: is verbonden met datten in r. 27.
27 ghewesent: gegrondvest.
|
|
[1] spaert alse hine 1 soe moghende vint van 1 volre redenen in hem [2] selven, dat 2 hi hem niet en verligghe noch hem selven met hem [3] selven niet en ontsinct in sine suetheit, soe hine 3 wilt eer alles [4] darven dat hi van gode hebben soude ochte 4 god onthoude de [5] sondaren. Soe sijn dan sulke sondaren die fiere natueren hebben [6] van hoghen wesene 5ev ende die hem selven bedorven hebben ende [7] soe ghequetst, dat si en gheen vercoeveren en hebben selve 7 [8] jeghen gode. Doch es hen god soe hout dat hi den ghenen dien [9] hi moghende vonden 9 hevet beveelet den ghenen verdoelden [10] dat hine van sinen halven 10 ondersta ende leide te sinen weghe [11] daer men volmaecteleke mint. [12] Dusghedaen onderstaen en hebdi niet te doene 12 ; want ghi [13] begonst vroech ende en hebbet gods niet gheloechent met uwen [14] wesene, soe hine 14 sal us selve wel gheleiden te sinen wesene op [15] dat ghijs 14ev u te hem verlaet. Mer ic segghe u waer af 15 ghi onderstaen [16] moghet werden: volghet den eyschene van uwen herten [17] enechlike levende in gode. Daer in en levet nieman vreemder. [18] Dien ghi daer in vindet ochte gheloeft ochte ghevoelt scone [19] wonende ende 19 na daer in gheleidet es ende gheweldechlike daer [20] in wandelende es ende wesende es sonder faelgieren, dese es [21] daer boven u. Dien moechdi volghen ende onderdaen sijn sonder [22] uwe nederheit 21ev . [23] Wildi al dat uwe 23 vercrighen, soe suldi u selven in toeverlate [24] gode al 24 op gheven te 24 werdene dat hi es. Ende om der minnen |
1 alse hine: wanneer God hem.
1 van: als gevolg van.
2 dat: opdat.
3 soe hine: maar dat hij.
4 ochte: zolang.
5ev die...wesene: wier diepste wezen bestemd is voor het hoogste.
7 selve: uit zichzelf.
9 moghende vonden: (daartoe) in staat bevonden.
10 hine...halven: Hij hen in Zijn naam.
12 te doene: nodig.
14 soe hine: lees: en Hij.
14ev op...ghijs: als ge maar.
15 waer af: waardoor.
19 ende: en die.
21ev sonder...nederheit: in weerwil van uw valse bescheidenheid.
23 al...uwe: al wat u toekomt.
24 gode al: aan God helemaal.
24 te: om te.
|
|
[1] eren wille 24ev soe suldi u selven na ghenoech 1 vertien puer ghehorsam [2] te wesene in al dien datter 2 meester volmaectheit behoert in [3] doene in latene; daer toe soe moeti oetmoedich ende onverhaven [4] bliven van al uwen werken die ghi gheleisten moghet ende soe [5] vroet met onstegher volmaecter caritaten alle dinghen van [6] ertrike ende van hemelrike te voedene ghelijc datter rechter [7] caritaten behoert in ordenen 7ev . [8] Hier in moechdi volmaect werden ende dat uwe vercrighen, [9] wildi 9 . |
24ev om...wille: omwille van.
1 na ghenoech: helemaal.
2 datter: dat tot de.
7ev in ordenen: volgens de orde der dingen.
9 wildi: als je zou willen.
|
Brief 6: De navolging van ChristusHet contemplatieve genieten waarin de ziel zich stort in Gods wezen, moet onder de kritiek staan van het aardse leven van Jezus.
[1] Nu 1 willic u waernen eens dincs daer vele scaden ane leghet. Dat [2] seggic u dat dit nu es ene die siecste siecheit die onder al tfolc es [3] van alden 3 siecheiden die daer onder sijn, dier nochtan vele sijn [4] over al. Want elc minsche wilt nu trouwe weder eyschen ende [5] sinen vrient proeven ende emmermeer over trouwe claghen. [6] Dit sijn nu die ambachte daer si in leven, die hoghe Minne [7] draghen souden 7 in onsen groten god. [8] Wat hevet dies yeman te doene die wel wilt ende die sijn leven [9] hoghen wilt in den groten hoghen god, wie hem 9 trouwe ocht [10] ontrouwe doet, dies te danckene ochte ontdanckene, doet hi [11] hem arch ocht goet. Ghebrect hem dat hi hem ghene 11 trouwe [12] noch recht en doet, hi heves selve meest scade; ende dat eest [13] tswaerste daer ane dat hi selve darvet diere suetheit der trouwen. |
1 Nu: deze keer.
3 alden: al de.
7 souden: zouden moeten.
9 wie hem: wanneer iemand hem.
11 Ghebrect...ghene: schiet hij daardoor tekort dat hij God geen.
|
|
[1] Doet men u oec trouwe ocht doghet ende vele dies ghi [2] behoeft wie soet es 2 , daer over en seldi niet letten te danckene [3] noch te dienenne, mer men salre gode te herteliker om dienen ende Minnen dat yeman trouwe pleghet ende late gode ghe- [5] werden metten danckene ende metten ondanckene. Want hi es [6] in hem selven gherecht ende es ghestaet recht te nemenne ende [7] te ghevenne: want hi es in de hoecheit sijns ghebrukens ende wi [8] sijn in de diepheit ons gebreekens. Nameleke ghi ende ic, die [9] noch niet worden en sijn dat wi sijn ende noch niet vercreghen [10] en hebben dat wi hebben ende dien noch soe verre sijn dat onse [11] es 10ev , wi behoeven sonder sparen al omme al te darvene ende [12] enichlike ende ghenendichlike te leerne dat volmaecte leven der [13] Minnen die ons beiden beruert hevet te haren werke. [14] Ay lieve kint, te voren boven al biddic u dat ghi u huet van [15] onghestedicheiden, want ghene dinc en mochte u noch en mach [16] u alsoe saen van onsen here sceden alse onghestadicheit. [17] Soe eenwillich en sijt oec niet in u selven bi enegher onbe- [18] haechnissen, dat ghi u immermeer yet laet twivelen dat yet men 18 [19] uwe si dan de grote god gheheel in wesene van Minner, soe dat [20] ghi bi twivele ocht bi eenwille enighe doghet laet te doene; [21] want wildi u ter Minnen verlaten, soe suldi saen volwassen; ende [22] houdi u in twifele, soe werdi traghe ende onwillich ende soe [23] wert u onbequame al dat ghi doen sout. Ghene dinc en sorghet [24] noch en gheloeft van dien dat u behoert te dien dat ghi meynt, [25] dat u yet ontstarcken mach ghine verwinnet wel ochte ont- [26] linghen ghine verhalet wel 23-26 ; alsoe vlitich ende alsoe doergaende 26 [27] seldi sijn altoes met nuwer cracht. [28] Oec sijt elken mensche, noetdorftich van Minnen 28 , die gherne [29] vercoverde ende daer omme ellende ende menich vernoy |
2 wie...es: wat het ook moge zijn.
10ev dien...es: nog zo ver van onze voltooiing zijn.
18 men: minder.
23-26 Ghene...wel: In al die dingen waarvan je meent dat ze voor jou belangrijk zijn, breek je daarover het hoofd niet; geloof niet dat enig ding je zo kan verzwakken dat je het niet te boven komt, noch dat iets je zo kan ontsnappen dat je het niet meer kunt achterhalen.
26 doergaende: standvastig.
28 noetdorftich...minnen: die naar de Minne hunkert.
|
|
[1] doeghet, dien sijt alsoe gheonstich daer ghijt gheleisten moghet [2] in alre hulpen alsoe dat ghi u selven ute stortet vore hem, uwe [3] herte in ontfermegher onsten, uwe redene in troeste, uwe lede [4] in dienste ende in aerbeide; ende ten sundaren hebt ontfermen [5] met groten beden te gode. Mer daer vore te lesene 5 ocht ernsteleke [6] van gode te willenne dat hise daer ute doe, dies en onderwint u [7] niet, want ghi mochter uwen tijt mede quisten ende anders en [8] voerderet niet vele. [9] Den minnenden moechdi met minnen ghelden ende hulpen [10] ghesterken dat hare god ghemint werde, ende dat es voederlijc [11] ende el niet 11 . Ende alsoe 11 den nederen die sonderen sijn ende [12] vreemde van gode, daer en voerdert ghene pine ane noch ghene [13] bede te gode dan Minne die men gode ghevet. Ende soe die [14] minne staerker es, soe 13ev si meer sonderen verledicht ute haren [15] sonden ende de minnende sekerre maket. [16] Gherecht leven na der Minnen wille, dat es also enich te sine [17] inden wille van gherechter Minnen, hare 17 ghenoech te sine, dat [18] menre el niet vore en kiese noch en wensche, al hadmen den [19] wensch dan datmen hare ghetamen boven al begheren soude, [20] wie soe daer bi 20 verdoemt worde ochte gebenedijt. Ende el [21] niewerint omme en soudemen der rasten ende der liefheit willen [22] derven, dan omme dat een weten moet dat hi der Minnen niet [23] ghenoech ghewassen en es. [24] Ende dat salmen altoes weten dat ten levene der menscheit [25] behoert scone dienst ende ellendich wesen, alsoe Jhesus Christus [26] dede doen hi minsche levede. Men en vindet niet ghescreven dat [27] Christus ye in al sinen levene yet vervinc ane 27 sinen vader noch [28] ane sine moghende nature in ghebruken van rasten, noch hine [29] coste hem selven nye dan vanden beghinne van sinen levene tot [30] den inde altoes met nuwen arbeyde. Dit seide hi selve te selken [31] minsche 30ev die noch levet ende dien hi beval alsoe na hem te levene |
5 vore...lesene: aanvullen: gebeden.
11 ende el niet: en de rest niet.
11 alsoe: zo ook.
13ev soe...soe: hoe...des te.
17 hare: om haar.
20 wie...bi: of men daar nu...of.
27 vervinc ane: voordeel zocht bij.
30ev te...minsche: blijkens het eerste visioen Hadewijch zelf.
|
|
[1] ende dien hi selve sede dat dat ware gherechticheit van Minnen. [2] Daer Minne es, daer sijn altoes grote werke ende sware pine. [3] Nochtan es haer alle pine suete. Qui amat non laborat, dat es: [4] die mint hine arbeidet niet. [5] Doen 5 Christus mensche levede, aen alle sine werke was tijt 5 . [6] Ende alse de ure quam, so wrachte hi: in woerden, in werken, [7] in predickenne, in leerne, in berespene, in troestene, in miraculen, [8] in penitentien, in aerbeide, in scanden, in versmaetheiden, in [9] anxte in noeden ter passien ende ter doot 8ev : in allen verbeide hi [10] verduldechlike sijns tijts. Ende alse de ure quam dat hem [11] behoerde te werkene soe volbrachte hi sijn werc ghenendechleke [12] ende moghendeleke ende quijte metter hogher trouwen dienste [13] de scout menscheliker naturen jeghen de vaderlike gotlike [14] waerheit. Daer ondermoeten hen 14 die ontfermherticheit ende die [15] waerheit, ende die gherechticheit ende die vrede ondercusten hen 14ev . [16] Metter menscheit gods suldi hier leven in aerbeide ende in [17] ellenden ende metten moghenden eweleken god suldi Minnen [18] ende jubileren van binnen met enen sueten toeverlate. Ende [19] haere beider 19 waerheit es een enich ghebruken 19ev . Ende alsoe alse [20] die menscheit hier plach dies willen der majesteit, also seldi hier [21] met Minnen haerre beider willen in een pleghen. Oetmoedelike [22] dient onder hare enighe moghentheit ende staet altoes vore hen 22 [23] alse de ghene die te al haren wille steet. Ende laetse met u werken [24] watsi 24 willen. [25] Dus en onderwindet u el niet, mer dient der menscheit met [26] ghereeden handen van trouwen 26 ende met starcken wille van [27] allen doechden. Die godheit die en suldi niet allene minnen met [28] devocien, mer met ontelleker begherten, altoes staende met [29] nuwen vlite vore dat eyselike anschijn van wondere, daer de |
5 Doen: Toen.
5 aen...tijt: deed hij alles volgens de door God vastgestelde tijd.
8ev in anxte...doot: zelfs lijdens- en doodsangst.
14 hen: elkaar.
14ev Daer...ondercusten hen: zie Ps. 84, 11.
19 haere beider: van de mensheid en godheid in Christus.
19ev enich ghebruken: genieten in één wezen.
plach: uitvoerde. 22 hen: Jezus' godheid en mensheid.
24 watsi: hoe ze.
26 handen...trouwen: trouw dienende handen.
|
|
[1] Minne haer selven al in openbaert ende alle werken daer in [2] verswelghet; ende ute dien heileghen anschine leset al u vonnisse [3] ende al u pleghen van uwen levene 3 , ende laet bliven alle die [4] swaerheit dier ghi pleghet, ende al die nederheide die in u sijn [5] die beghevet, ende hebbet liever van hem altoes ellendechleke [6] te doelne dan met alre raste beneden hem te gherakene. Hier ane 6 [7] es al u volcomenheit belanc, vreemde ghenuechte te scuwene die [8] yet men es dan god selver ende vreemde pine te scuwene die [9] niet puerleec en es omme heme. [10] Ay, te allen dinghen hebbet grote ontfermherticheit; dies es [11] mi grote noet. Ende keert u met gherechten wille ter overster [12] waerheit. Gherecht wille dat es 12 datmen el en ghene sake noch [13] ghenoechte en wille inden hemel noch inder eerden noch in [14] ziele noch in lichame dan die sake allene daer ons god in ghemint [15] hevet ende ghemeint. [16] Ende dat si u boven al sonder vraghen van yemanne 16 , wat [17] soet si; mer altoes te stane na sijn behaghen sonder sparen ende [18] sonder ontsien van yemanne diet merken soude ochte in spotte [19] ocht in begripe ocht in torne ocht in ernste. [20] Noch om goet schinen noch om quaet schinen en laet die [21] waerheit van goeden werken niet. Want dien lachter machmen [22] gherne doghen die van goeden werken comt daer men den wille [23] gods in weet; ende dien prijs machmen gherne doghen die van [24] doechden wast ende daer onse werdeghe God bi gheert wert. [25] Want dat vernoy ons suets gods, dat hi leet doe hi mensche [26] levede, dat es wel wert datmen dore hem al vernoy ende alre- [27] hande lachter gherne verdraghe, ja, ende alrehande vernoy [28] beghere. Ende sine eweleke nature siere sueter Minnen es wel [29] werdich dat elc mensche die doechde werke met volcomenen [30] wille, daer god, sijn lief, gheeert in es. [31] Hier omme en spaert scande noch ere, want het es der [32] ghieregher Minnen al ghenoechleec datmen 32 ghedoghen ocht [33] ghewerken mach. Want si es dat bernende vier dat al verslindet |
3 al...levene: alles wat je in het leven moet doen.
6 Hier ane: aan wat volgt.
12 dat es: bestaat hierin.
16 sonder...yemanne: zonder aan iemand, behalve God, iets te vragen.
32 al...datmen: alles...dat men.
|
|
[1] ende dat nummermeer ure cesseren en sal binnen al dien [2] eweleken toecomenden tiden. [3] Ende want 3 ghi noch jonc sijt ende ongheproeft van allen [4] dinghen, soe moeti sere pinen na wassen alse van niete 4 , alse een [5] die niet en hevet ende dien niet werden en mach, hine 5 pijnt uten [6] gronde. Ende altoes suldi diepe vallen inden afgront der [7] omoedicheit van allen dien 7 dat ghi gheleisten moghet. Dat [8] wilt God van u, dat ghi alle uren wandelt in oetmoedecheden [9] van uwen seden met allen menschen daer ghi mede wandelt. [10] Ende verheft u boven alle nedere dinghen die yet men sijn dan [11] god selve, wildi werden dat u god wilt: dat es uwe vrede inde [12] gheheelheit uwer naturen. [13] Woudi volghen uwen wesene daer u God in ghemaect hevet, [14] soe en soudi van edelheiden ghene pine ontsien. Ende soe en [15] soudi van coenre fierheit u niet 15 laten ontbliven, ghine 15 soudet [16] ane verden dat alre beste moghendleke 16 , ja die grote gheheelheit [17] gods, alse uwe eyghen goet. Ende soe moesti oec mildeleke na [18] uwe rijcheit gheven ende alle arme rike maken; want gherechter [19] caritaten en ghebrac nie sine quam emmer over 19 die met fierheiden [20] van gheheelen wille begonsten, ende sine gaf dat si gheven [21] woude, ende sine verwan dat si verwinnen woude, ende sine [22] onthielt dat si onthouden woude. [23] Ay nu biddic u, lieve kint, dat ghi altoes werct sonder [24] murmereren ende nuchterne met uwen wille 24 metter gheselscap [25] alre volcomenre doechde in alre doechde cleyne ende groet. [26] Ende en wilt van 26 gode noch en eyscht gheen dinc noch van [27] uwer behoeften noch van uwer vrienden noch ghenoechte van [28] heme in ghenre manieren van rasten noch van troeste, dan alse [29] hi selve wilt. Come ende ga na sinen heileghen wille ende doe 29 |
3 want: omdat.
4 alse...niete: als uit het niets.
5 hine: als hij niet.
7 allen dien: alles wat.
15 niet: niets.
15 ghine: maar gij.
16 moghendleke: energiek.
19 sine...over: hierin dat zij hen overmande.
24 nuchterne...wille: met uw nuchtere wil.
26 van: t.o.v.
29 come...ga...doe...: imperatief.
|
|
[1] met u ende met dien daer ghijt af begheert in siere minnen te [2] leerne al sinen wille na tghetamen siere werdicheit. [3] Sinen wille moeti te uwer beider behoef begheren; seldi voer [4] hen bidden, ghine selt niet bidden omme yet dat si kiesen na [5] hare gheraetsele. Want het dolen nu de menechste in schine van [6] heilegher begherten ende 6 nemen wel haren paraclijc van enen [7] wel nederen troeste, mochte hi hen werden; dats te ontfermene 7 . [8] Daer omme seldi den wille gods in allen rechte kiesen ende [9] minnen van 9 u selven ende van uwen vrienden ende van gode [10] daer ghi alre ghernst yet af naemt dat u ghenoechde daer ghi [11] uwen tijt met 11 levet in troeste van rasten. [12] Daer in mint nu elc hem selven, in troeste ende in rasten ende [13] in rijcheiden ende in moghentheiden met gode te levene ende in [14] siere ghebrukeleker glorileecheit te sine. Wi willen alle wel god [15] met gode wesen, mer, wet god, luttel es onser die mensche met [16] siere minscheit wille leven ende sijn cruce met hem willen [17] draghen ende met hem ane den cruce willen staen ende die [18] scout der menscheit volghelden. Dit moghen wi wel aen ons [19] selven te recht kinnen, dat wi soe onverdrachleec ende soe [20] ondoechleec sijn in allen sinnen. Ende een cleyne vernoy dat [21] ons staphans te beene gheet 21 , ochte versmaetheit ochte loghene [22] die men ons overseghet ochte waermen ons onser ere rovet ocht [23] onser rasten ochte ons willen: dat gherijnt ons allen soe saen [24] wel na ende weten 24 soe wel wat wi willen ende wat wi niet en [25] willen ende hebben te so vele ende te soe menighen dinghen [26] wille ende omwille, nu eens nu anders 26 , nu lief nu leet, nu hier [27] nu daer, nu af nu ane, ende sijn te elken 27 soe ghereet ons selves [28] te pleghene daer ons yet rasten ane gheleghet. [29] Hier omme bliven wi onverlicht in onsen sinne ende in al [30] onse wesene onghestadich ende in onser redenen ende in onsen |
6 ende: die echter.
7 dats...ontfermene: dat is jammer.
9 van: t.o.v.
11 met: mee.
21 te...gheet: overkomt.
24 weten: onderwerp is wi.
26 nu...anders: nu eens willen we zus, dan weer zo.
27 te elken: in elke situatie.
|
|
[1] verstane onghewarich. Dus dolen wi arme ende onsalich ende [2] ellendich ende bistierich in vreemden landen ende in swaren [3] weghen, dies 3 wi alle cleyne noet hadden en dadent die valsche 3 [4] die ons ane vechten in allen sinnen, daer wi daer bi tonen [5] openbaer dat wi met Christo niet en leven alse hi leefde noch [6] niet al en begheven alsoe Christus dede, noch van allen begheven [7] en sijn alsoe Christus was. Dat moghen wi kinnen 7 in menighen [8] sinne 7ev . Want wi poghen om onse ghemac waers ons yet werden [9] mach 8ev ende staen na ere waer wi moghen ende vorderen gherne [10] onsen wille ende wi kinnen ende Minnen ons selven in onse [11] ghenoeghen ende nemen gherne onse ghevoech van buten ende [12] van binnen; wat ons dies 12 ghesciet dat es algader onse delijt ende [13] willen 13 dan weten dat wi sijn yet ende met dien selven worden [14] wi al niet 14 . Ende aldus verderven wi ons selven in allen sinnen [15] ende en leven niet met Christo ende en draghen dat cruce niet [16] metten sone gods, mer wi draghent met Symonne die daertoe [17] ghemiet was dat hi dat cruce ons heren droech. [18] Alsoe eest met onser pinen ende met onsen doghene. Want [19] wi eyschen gode van onsen goeden werken ende willen 19 in desen [20] levene jeghen wordich ghevoelen, ende dat 20 ons dunct dat wijs [21] wel verdient hebben ende dat recht si dat hi om ons yet wederdoe [22] dat wi van hem willen; ende wi houdent vore groet dat wi [23] dore hem doen ochte doghen ende en gheroen nummermeer, [24] wi en hebben daer af miede ende wi en weten ende ghevoelen [25] datter gode lieve toe si ende nemens daer altehant jeghen- [26] wordeghen loen in ghenoechten ende in rasten van hem. Oec [27] nemen wiere een ander miede af in ons selves ghenoeghen alse [28] wiere ons selven in behaghen. Ende ten derden male als ons [29] ghenoeghet dat wi den anderen behaghen ende wiere af nemen |
3 dies: hoewel.
3 valsche: waandenkbeelden.
7 kinnen: leren kennen.
7ev in...sinne: in menig opzicht.
8ev werden mach: mogelijk is.
12 dies: dientengevolge.
13 willen: onderwerp is wi.
14 al niet: helemaal niets.
19 willen: aanvullen: Hem.
20 ende dat: en wel omdat.
|
|
[1] prijs ende lof ende ere. Dit es al met Symonne dat cruce ghe- [2] draghen, die dat cruce droech enen corten tijt, mer hine sterffer [3] niet ane. Aldus eest met dusghedanen lieden die dus 3 leven; [4] al waert 4 haer leven voren der lieden oghen verheven ende hare [5] werke verclaert ende gheopenbaert, soe datsi bi tiden schinen in [6] ghewareghen ende in heileghen levene ende wel ende scone [7] gheordineert ende beset met sedeleken doechden, daer es gode [8] nochtan luttel behagheleec ane, want sine volstaen noch sine [9] volgaen. Mer int selve 9 dat si schinen soe faelgieren si saen, ende [10] een cleyne dinc dat si ontmoeten toent al haren 10 gront. Si werden [11] saen verheven int suete ende wederslaghen int suere, want 11 si [12] inder waerheit niet ghefundeert en sijn soe es hare gront [13] onghewarich ende onvast. Wat menre opsticht 13 , si bliven [14] onghestadich ende onghewarich in haren werken ende in haren [15] wesene, noch sine volstaen noch sine volgaen, noch sine sterven [16] niet met Christo. Want al werken si doechde, haer meyninghen [17] en sijn niet puer noch ghewarich, want daer minghet soe vele [18] onghewaricheiden met die de doechde soe valschen datsi ghene [19] cracht en hebben den mensche te berechtene 19 noch te verlichtene [20] noch te onthoudene in ghestadegher vaster waerheit, daer hi [21] sine ewicheit 21 bi besitten soude. Want men es schuldich doghet [22] te werkene niet om heerscap noch om bliscap noch om rijcheit [23] noch om hoecheit noch om gheen ghenieten inden hemel noch [24] inder erde, mer allene omme dat wel ghetamen der hoechster [25] werdicheit gods, die menscheleke nature daer toe sciep ende [26] maecte te siere eren ende te sinen love ende te onser bliscap in [27] eweliker glorien. [28] Dit es de wech die de gods sone vore ghinc ende dien hi ons [29] ane hem selve bekinnen dede ende verstaen doen hi mensche [30] leefde: want hi in allen tide doen hi in ertrike was van sinen |
3 dus: zo.
4 waert: zou worden.
9 int selve: juist in dat.
10 haren: van die mensen.
11 want: omdat.
13 menre opsticht: men er op bouwt.
19 te berechtene: gerechtig te maken.
21 ewicheit: uiteindelijke grond.
|
|
[1] beghinne toten inde wrachte ende volbrachte onderschedenleke [2] den wille sijns vaders in allen dinghen ende in allen tide met al [3] dien dat hi was ende met al dien dienste dien hi gheleisten [4] mochte in woerden, in werken, in lief in leet, in hoghen in [5] nederen, in miraculen, in versmaetheiden, in pinen, in arbeide, [6] in anxte in node der bittere doet. Met alre 6 herten, met alre zielen, [7] met alre cracht stont hi in elken ende in allen sinnen 7 even [8] ghereet te voldoene dat ons ontbleven was, ende was ons op [9] draghende ende op treckende met godleker cracht ende met [10] menscheliken rechte te onser eerster werdicheit ende te onser [11] vriheit, daer wi in ghemaect waren ende ghemint ende nu [12] gheroepen ende vercoren in siere predestinacien, daer hi ons [13] van ewen in versien hevet. [14] Dat teken van gracien es heilich leven. Dat teken vander [15] predestinacien es die inneghe ghewareghe opdraghende harte- [16] lecheit met levenden toeverlate in ontelleker begherten ter [17] eren ende ter tamelecheit diere werdeleker ombegripeleker [18] godleker werdecheit. [19] Dat cruce dat wi metten levenden gods sone draghen selen, [20] dat es die soete ellende die men om gherechte minne draghet, [21] daer wi met begherenden toeverlate in ontbeiden selen dies [22] hoghetijts, daer Minne haer selven openbaren sal ende ver- [23] claren hare edele cracht ende hare rike ghewout inder erden [24] ende inden hemel. Daer met toent si haer selven den minnenden [25] soe temel, dat sine 25 ute hem selven doet gaen ende roeft hem herte [26] ende sen ende doeten sterven ende leven in pleghene der [27] gherechter minnen. [28] Mer eer Minne dus overbrake waert ende eer si den mensche [29] soe sere ute hem selven nemt ende soe na met hare selven [30] gherijnt dat hi een gheest ende een wesen si met hare in hare, [31] soe sal hare de minsche bieden scoenen dienst ende ellendich [32] leven: sconen dienst in allen doechdeleken werken ende [33] ellendich leven in alre ghehorsamheit ende alsoe staende met [34] nuwen vlite met ghereden handen te allen werken daer de |
6 alre: heel zijn.
7 in elken...sinnen: voor iedereen en helemaal.
25 sine: zij hem.
|
|
[1] doghet met gheoefent wert ende met ghereden wille te allen [2] doechden daer minne gheeert in wort, ende om anders niet dan [3] dat minne besitte hare eyghene stad 3 inden mensche ende in [4] allen creaturen na hare betamen. [5] Dit is met Kerste 5 ane den cruce ghestaen ende ghestorven [6] ende op verstaen met hem. Hier toe moet hi ons helpen altoes; [7] dies biddic hem dore die hoechste doghet. |
3 stad: plaats.
5 Kerste: Christus.
|
Brief 17: Leven naar de drie Personen en rusten in de EenheidZolang men Minne nog zoekt, moet men de deugden beoefenen volgens de drie Personen; als men genietend verenigd is met Minne, dan is men enig en geworden wat God is. De grond van de ziel wordt beschermd door de stilte, maar men moet niet teveel in rust vervallen.
[11] Dese dinghen waren mi van gode verboden, die ic u in desen [12] worden verbiede. Daer omme beghericse u voert te verbiedene, [13] om dat si volmaecteleec ter volcomenheit van Minnen behoren [14] ende omme datse inder godheit volcomeleke ende gheheeleke |
1ev dit gedicht is een samenvatting van de thematiek van de gehele brief; de verzen 2, 4, 6 duiden de Eenheid aan, de verzen 1, 3, 5 de Personen.
2 niet el: niet iets anders.
3 ghebrect: blijf niet in gebreke.
4 ghenen: nl. dinghen - sonderlinghen: in verdeeldheid.
6 niet: niets.
8 there: lees: het hart.
|
|
[1] behoren. Die wesene 1 die ic daer noeme, die sijn volcomeleke [2] hare 2 nature: want gheonstech ende snel, dat es de nature vanden [3] heileghen gheest, daer met es hi proper persoen; ende niet [4] sonderlinghe te onderwindene, dat es die nature vanden vader 4 , [5] daer met es hi enich vader. Dit ute gheven ende dit op houden [6] dit es pure godheit ende gheheele nature van Minnen. [7] Ende ghebrect te ghenen dinghen [8] Ende en werct gheen sonderlinghe. [9] Dat eerst woert es 9 die cracht des vader, daer hi al mogende [10] god met es. Dat ander waert es sijn gherechte willen, daer sine [11] gherechticheit hare onbekinde moghende werke met werct, die [12] diep ende doncker sijn ende onbekint ende verborghen 11ev al den [13] ghenen die beneden deser gheenechtheit vander godheit sijn, [14] aldus alse ic segghe, ende die nochtan den personen properleke [15] dienen ende overscone. Alsoe na die eerste waerde, die ic seide: [16] te alre doghet onstich ende snel te sine ende in ghenen dinghen [17] te ghebrekene ende te alre noet ontfermeleke onste te hebbene. [18] Dit schijnt nochtan dat volmaecste leven datmen hebben mach [19] op ertrike. Ende dit hoerdi altoes dat ict altoes gheraden hebbe [20] boven al ende oec levede ict boven al ende diende daer inne ende [21] wrachte overscone tote dien daghe dat 21 mi verboden wart. [22] Die drie andere waert die ic segghe, die enicheit ende Minne [23] volcomen maken ende na gherechticheit haer selves pleghen in [24] enen persone 23ev al ene Minne ende el niet. Ay deus, wat vreseleker [25] wesene es dat, dat selc haten ende selke caritate in een verslent 25 . [26] Te 26 alre noet hebbet onste ende ontfermen. Dat was de sone in [27] properen persone; dat was hi scone ende wrachte scone. En |
1 wesene: manieren van bestaan.
2 hare: van de godheid.
4 vader: het woord duidt hier de goddelijke eenheid aan, elders soms de Persoon van de Vader.
9 es: betekent.
11ev die...verborghen: omdat ze gebeuren volgens de Eenheid van de drie Personen, het meest verborgene in God.
21 dat: dat het.
23ev in...persone: in Eenheid.
25 dat...verslent: in de Eenheid bestaat er geen tegenstelling tussen haten en caritate.
26 Te: t.a.v.
|
|
[1] nemt niet in u bescermen. Daer met verslantene 1 sijn vader; dat [2] wrede grote werc 1ev es emmer sine. Ende dat es de alre scoenste [3] enicheit vander Minnen der godheit, soe dat si 3 daer es alsoe [4] gherecht van gherechticheiden van Minnen, dat si op nemt dien [5] ernst 5 ende die menscheit 5 ende die cracht 5 daermen nieman bi [6] ghebreken en woude. Ende si nemt op die caritate ende die [7] ontfermherticheit die men hadde op 7 die vander hillen ende op [8] die van purgatorien ende op die ombekinde van gode ende op [9] die bekinde 9 die dolen buten sinen liefsten wille ende op die [10] minnende die wee hebben boven al dit, want si dies darven dat [11] si Minnen. Al dit nempt gherechticheit in hare selven. [12] Nochtan gaf elc persoen besondere 12 tsine ute, alsoe ic gheseghet [13] hebbe. Mer die gherechte eneghe nature, daer Minne haer [14] selven met Minne ende volcomene ghebrukenesse es, sine onder- [15] wint hare noch doechde, noch onste der doechde, noch werke [16] sonderlinghe, die soe scone sijn 16 , noch van soe scoenre auctori- [17] teit, noch sine bescermet bi ontfermicheiden ghere noet, die si [18] so moghende es 17ev rike te makene 13ev 18 . Want in dat ghebruken van [19] Minnen en was nie noch en mach ander werc sijn dan dat [20] enighe ghebruken, daer die eneghe moghende godheit Minne [21] met es. [22] Dat verbot dat ic u gheseghet hebbe dat mi verboden was, [23] dat was ongherechticheit 23 van Minnen te hebbene op ertrike [24] ende niet te spaerne dat buten Minnen es ende soe na der Minnen [25] te pleghene, dat alle dat dat buten Minnen es si ghehaet ende |
1 verslantene: verslond hem.
1ev dat...werc: het terugkeren in de Eenheid.
3 si: de enicheit.
5 ernst: nl. de Vader.
5 menscheit: nl. de Zoon.
5 cracht: nl. de Geest.
7 op: t.a.v.
9 bekinde: die God kennen of die door God erkend worden.
12 besondere: afzonderlijk.
16 die...sijn: hoe...ook.
17ev die...es: hoe...ook.
13ev Mer...makene: in de Eenheid van Gods natuur overstijgt de gerechtigheid de werken van barmhartigheid.
18 rike...maken: de noet, dus: te verhelpen.
23 ongherechticheit: nl. buiten de enicheit leven.
|
|
[1] daer over 1 ghewroken, soe dat menre andere onst toe en hebbe [2] noch doghet, noch sonderlinghen werc vore en doe hen 2 met te [3] verdraghene noch ontfermicheit hen met te bescermene, mer [4] slach overslach 4 in ghebrukenessen van Minnen. Mer in dat [5] faelieren ende in dat sincken van ghebrukene, dan werctmen [6] wel alle drie de verbodene werke bi scoude ende bi rechte: alse [7] men Minne soeket ende hare dient, dan moetmen alle dinc doen [8] om hare ere. Want alle die wile es men mensche ende behovende [9] ende dan moetmen te allen dinghen scone werken ende onnen [10] ende dienen ende ontfermen, want hem 10 ghebrect alles ende [11] behoevet. Mer in ghebrukene van Minnen es men god worden [12] moghende ende gherecht. Ende dan es wille ende werc ende [13] moghentheit 12ev even gherecht. Dat sijn die drie persone in enen [14] god. [15] Dit wert mi verboden, dies was 15 te ascentien .iiij. jaer, van [16] gode den vader selve in dien tide dat sijn sone comen was ten [17] outare. Bi diere comst werdic van hem ghecust ende te dien [18] tekene werdic ghetoent 18 ende quam met hem .i. vor sinen vader. [19] Daer nam hi hem over 19 mi ende mi over hem. Ende in die [20] enicheit daer ic doen in ghenomen was ende verclaert, daer [21] verstondic dit wesen 20ev ende bekinde claerlikere dan men met [22] sprekene ocht met redenen ocht met siene enighe sake die soe 22 [23] bekinleec es in ertrike bekinnen mach. [24] Doch schijnt dit wonder. Mer al segghe ic dat dit wonder [25] schijnt, ic weet wel dat u niet en wondert, want hemelsche [26] redene 26 en mach ertrike niet verstaen; want van 26 allen dien dat in [27] ertrike es, mach men redene ende dietsch ghenoech venden, |
1 daer over: bovendien.
2 hen: de mensen die buiten de minne staan.
4 slach overslach: steeds weer.
10 hem: de mens die dit alles doet, dus: ons.
15 dies was: en wel.
18 ghetoent: nl. aan de Vader.
19 over: in, met.
20ev verclaert: helder inzicht verkreeg.
dit wesen: nl. de enicheit in gode. 22 die soe: welke ook.
26 redene: taal, woorden.
26 van: voor.
|
|
[1] mer hier toe en weet ic gheen dietsch noch ghene redene 1 . [2] Nochtan dat ic alle redene can van sinne 2 alsoe mensche connen [3] mach, al dat ic u gheseghet hebbe, dat en es alse gheen dietsch [4] daer toe: want daer en hoert gheen 4 toe dat ic weet. [5] Al verbiede ic u some die werke ende ghebiede de andere, ghi [6] sult noch vele moeten dienen. Mer sonderlincheit van dien dat [7] ic u hebbe gheseghet verbiede ic u voert, alse mi verboden sijn 7 [8] inden wille gods. Mer ghi moet noch arbeiden inde werken 8 van [9] Minnen, alse ic langhe dede ende sine vriende daden ende noch [10] doen ende ic een deel enen tijt 10 hebbe ghedaen ende noch allen [11] tijt doe: niet te onderwindene dan Minne, el niet te werkene [12] dan Minne, el niet te bescermene dan Minne, el niet in staden te [13] stane dan Minne. [14] Hoe ghi elc doen selt ende laten, dat moet u god wisen, onse [15] lief. |
1 redene: menselijke woorden.
2 redene...sinne: onder woorden brengen kan.
4 gheen: aanvullen: diets.
7 sijn: inconsequent meervoud.
8 werken: tegenover ghebrukenisse.
10 enen...tijt: vaak.
|
Brief 18: De natuur van de zielHet begin van de brief bestaat uit een allegorie, die zoals de rest van de brief het actieve en het ingekeerde van God en de ziel behandelt. De ziel heeft contact met God; het vermogen om contact te hebben is caritate en werkt via Minne en redene, die elkaar aanvullen. De ziel is voortdurend bezig met het liefde-schouwend opgaan in de geheelheid van God.
[1] Ay suete lieve kint, sijt vroet in gode. Want vroetheide es u [2] groet noet ende elken mensche die godleec 2 werden wilt: want [3] vroetheit leidet herde diepe in gode. Mer het es nu een tijt, dat [4] wel nu nieman sine noet bekennen en wilt noch en can in [5] scoude van dienste 4ev ende van Minnen. |
2 godleec: godvormig.
4ev in...dienste: in de verschuldigde dienst.
|
|
[1] Ay, du heves vele te doene, saltu gode ende den mensche 1 [2] leven ende vol wassen na dat betamen diere werdicheit daer [3] du in ghemint best van gode ende ghemeint. Set u vroedeleke [4] ende ghweldechleke in al dat dine es alse een onverveerde ende [5] in al u seden na uwe vrie edelheit. [6] Die ghene die rike es boven alle rike ende gheweldich, hi [7] ghevet hem allen 7 ghenoech bi siere moghentheit ende bi sieren [8] onsten, niet bi sijnre pinen noch bi sinen toedraghene noch bi [9] sinen ghichten metter hant, mer dat 9 sine rike moghentheit ende [10] sine gheweldeghe boden, dat sijn sine volcomene doechde 10 , die [11] hem dienen ende sijn rike berechten ende gheven hen allen dies [12] si behoeven na ere ende na betamen des gheens die daer here [13] af es. Ende si gheven elc 13 na dat hi gheboren es ende van am- [14] bachten: ontfermicheit ghevet allen ledeghen lieden die puer [15] arm sijn, in allen manieren daerse in begrepen sijn van ondoech- [16] den 15ev daersi ereloes ende goedeloes bi bleven sijn. Caritate [17] bewaert dat ghemeyne vanden rike ende ghevet elken dat hi [18] behoevet. Wijsheit achemeert alle die edele ridderen die met [19] groten wighe ende met staerken storme arbeiten in berrender [20] begherten metter edelre Minnen. Volmaectheit ghevet den [21] ghenoten haer lantscap, rike ghelijc den gheweldeghen heerscap [22] der gheweldegher zielen daer ic af spreke, die met gheweldeghen [23] volcomen wille ende met volcomenen werken hare edele [24] ghewoente hevet met alle den wille der Minnen. [25] Dese .iiij. doechden sal de gherechticheit gheven ende domen [26] ende benedien. Hier bi pleghet de keyser selve vri ende in [27] vreeden te sine, om dat hi ghebiedet den ambachteren die [28] gherechten te houdene ende beset 28 die coninghen ende die [29] hertoghen ende de graven ende de vorste ghenoten 29 metten [30] hoghen lene siere rijcheit ende metten werdeghen gherechte der |
1 gode...mensche: als...
7 hem allen: allen.
9 dat: nl. het ghenoech doen, versta: dat gheven sine...
10 volcomene doechde: volmaaktheden, nl. ontfermicheit, caritate, wijsheit, volmaectheit.
13 elc: iedereen.
15ev van ondoechden: in allerhande ondeugden.
28 ende beset: voeg ertussen: hij.
29 vorste ghenoten: de hoogste raadslieden.
|
|
[1] minnen, die de crone es der riker zielen, die helpen mach elken [2] na sijn behoeven ende hare des selves nochtan niet en onderwint [3] dan metter Minnen haers liefs. Dit eest dat ic meinde doen ic u [4] lest die .iij. doechden screef: alles te ontfermene ende niet in u [5] bescermen te nemene, ende die andere 5 die ic u seide. [6] Dus ernsteleke houdet uwe edele volcomenheit van uwen [7] werdegher volcomenre zielen ende merket hare sinne 7 . Aldus [8] gheheel 8 houdet u van allen onderwendene van goeden ende van [9] quaden, van hoghen ende van nederen, ende laet al ghewerden [10] ende sijt vri om u lief te oefene ende om ghenoech te doene dien [11] die ghi mint inder minnen. Dit es uwe gherechte scout, die ghi [12] gode schuldech sijt van uwen gherechten wesene ende hen dien [13] die du met hem best: dus enichlike gode te Minnen ende els [14] niet te onderwindene dan der enigher Minnen, die ons te hare [15] vercoren hevet. [16] Nu verstaet die innicheit van uwer zielen, wat dat es: ziele. [17] Ziele es een wesen dat sienleec 17 es gode ende god hem weder [18] sienleec. Siele es oec een wesen dat gode ghenoech wilt sijn ende [19] gherecht heerscap houdet van wesene 19 daerse 19 niet te vallen en es [20] bi vreemder dinc die mindere es dan der zielen werdicheit. [21] Daert aldus es, daer es de ziele ene grondeloesheit daer god hem [22] selven ghenoech met es ende sine ghenoechte van hem selven [23] altoes te vollen in hare hevet ende si weder altoes in heme. Siele [24] es een wech vanden dore vaerne 24 gods in sine vriheit van sinen [25] diepsten. Ende god es een wech vanden dore vaerne der zielen [26] in hare vriheit, dat es in sinen gront die niet gheraect en can [27] werden, sine gherakene met hare diepheit ende god en si hare [28] gheheel, hine waer hare niet ghenoech. [29] Dat zien dat natuurleec 29 inde ziele ghescapen es, dat es caritate. [30] Dat sien hevet .ij. oghen, dat es Minne ende redene. De redene [31] en can gode niet ghesien 31 sonder in dat hi niet en es; Minne en |
5 andere: zie het gedicht uit Br. 17.
7 sinne: vermogens, nl. redene en minne.
8 gheheel: onverdeeld.
17 sienleec: kan schouwen.
19 gherecht...wesene: die een waardige staat houdt, volgens haar wezen.
19 daerse: wanneer ze.
24 dore vaerne: doorvaart.
29 natuurleec: in de natuur.
31 ghesien: kennen.
|
|
[1] rust niet dan in dat hi es. Redene hevet hare vrie 1 pade, daer si bi [2] begaet; Minne ghevoelt ghebreken. Nochtan ghebreken vordert- [3] se meer dan redene. Reden vordert in die dinc die 3 god es bi dier [4] dinc die god niet en es 4 ; Minne settet achter die dinc die god niet [5] en es ende verblidet hare daer si ghebrect in die dinc die god [6] es. Redene hevet meer suetlicheiden van salicheiden dan redene. [7] Doch hulpen dese twee hen 7 herde sere onderlinghe: want [8] redene leert Minne ende Minne verlicht redene. Alse redene dan [9] valt in 9 begherten van Minnen ende hare 9 Minne dwinghen laet [10] ende benden ten steke der 10 redenen, soe vermoghense een over [11] groet werc: dat en mach nieman leren sonder met ghevoelne 11 . [12] Want de wijsheit en minghet hare daer toe niet, te dien wonder- [13] leken nyede ende te dien grondelosen 13 te ondersoekenne die alle [14] wesen verborghen es, sonder ghebrukene van Minnen. In dese [15] bliscap en mach niet werden gheminghet de vremde noch [16] nieman vremder 16 dan allene die ziele die moederleke ghevoestert [17] es inde bliscap derre verweentheit der groter Minnen ende te [18] wreven metter 17ev disciplinen der vaderliker ontfermherticheit ende [19] hanghet onschedeleke aen gode ende leset van sinen anschine [20] haer vonnisse ende blivet daer bi in vreden. [21] Mer alse dese hoghe ziele weder keert ten mensche ende te [22] menscheleken dinghen, soe bringhet si een anschijn also blide [23] ende also wonderleke soete vander olien der caritaten datse in [24] allen dinghen die si wilt op de menschen wont 24 met goeder- [25] tierenheiden. Ende van ghewaricheiden ende van gherechtichei- [26] den der vonnissen die si ontfaen hevet in dat anschijn gods, soe [27] scijntse jeghen de onedele menschen ververleec ende onghe- [28] hoert. Ende alse de onedele menschen dan sien dat alle der |
1 vrie: veilig.
3 in...die: in wat.
4 god...es: negatieve Godskennis.
7 hen: elkaar.
9 valt in: overgeeft aan.
9 hare: zich (bij Minne).
10 ten...der: door de beperktheid van.
11 ghevoelne: ervaring.
13 grondelosen: aanvullen nyede.
16 nieman vremder: niemand die buiten de Minne is.
17ev te...metter: getekend door de.
24 wont: wendt.
|
|
[1] zielen dinghe beset sijn 1 na die waerheit ende gheordent in allen [2] weghen, hoe eyeselijc ende vreeselijc si hen es. Si moeten hare 2 [3] wiken bi Minnen. Ende die te dusghedanen wesene sijn ver- [4] coren inder Minnen enecheit ende noch daer toe niet volwassen [5] en sijn, si hebben de ghewelt in hare moghentheit vander [6] ewicheit, mer si es hen onbekint ende oec anderen. [7] Aldus secrete verlicht de redene. Dit sien der zielen verlicht [8] de ziele in alre waerheit vanden wille gods: want die sine [9] vonnisse leset uten anschine gods, hi werct in alre redenen na [10] die waerheit dier seden der Minnen. Der Minnen seden dat es [11] ghehorsam te sine: dat is contrarie menichs vreems seden 11 . Ende [12] hi moet werken buten elcs werke 12 na de waerheit der ghewel- [13] degher Minnen, die hare ghebod houdet na waerheit. Hine es [14] nieman onderdaen dan der minnen allene, diene met Minnen [15] bevaen hevet. Wie yet el ghesproken woude hebben, hi sprect [16] nader Minnen wille. Ende hi dient ende werct der Minnen [17] wercke na haren wille nach ende dach in alre vriheit, sonder [18] beiden, sonder vaer ende sonder sparen, na die vonnissen die hi [19] ghelesen hevet vander Minnen anschine, die verholen bliven [20] allen dien die bi vreemden wesene ende bi vreemden dinghen [21] der Minnen werken begheven, om datse onghelovet sijn onder [22] de vreemde, die liever hebben ende beter 22 recht dunct haren [23] wille ghewracht dan der Minnen; want si niet comen en sijn [24] in dat grote anschijn der gheweldegher minnen daermen vri bi [25] leven moet in alrehande pine. [26] Ende dese vriheit suldi bekinnen ende diere omme 26 dienen [27] seldi bekinnen. Die liede maken menigherhande raet bi hen [28] selven, daerse der Minnen werken bi versmaden in ghelikenissen [29] van groter vriheit, ende dat doense oec om grote vroetheit. [30] Ende selke 30 ghebieden ghebode daer jeghen om der Minnen [31] ghebode te latene. Mer de edele die sijn regule houden wilt, na |
1 beset sijn: vervuld zijn.
2 hare: voor haar.
11 menichs...seden: de zeden van menige vreemde.
12 buten...werke: niet als elk ander, maar...
22 ende beter: en die het beter.
26 diere omme: degenen die er om.
30 selke: sommigen.
|
|
[1] dat hem verlichte redene leert, hine ontsiet der vreemder [2] ghebode niet noch hare rade, wat tormenten hem soere 2 af [3] quame van niemaren, van scanden, van claghen, van worden, [4] van beghevenheiden, van gheselscape 4 , van herbergheloesheiden, [5] van naectheiden, van allen ghebreke dies die mensche 5 behoren [6] soude in allen manieren. Dat en ontsiet hi niet om quaet te [7] hetene, noch om goet te hetene, hine 7 wilt sijn altoes ghereet na [8] ghehorsamheit van Minnen in al dat si wilt ende pleghenre in [9] allen dinghen na waerheit ende dore alle tormenteleke werke in [10] de blijscap sijns herten met al der Minnen ghewelt. [11] Aldus suldi met ghehelen leven gode soe staerkeleke anestaren [12] metten soeten oghen der enigher affectien die altoes liefs pleghet 12 [13] na hare ghenoeghen; dat es, du salt soe herteleke, ja vele meer [14] dan herteleke dinen lieven god ane sien, soe dat dine gheenichde [15] oghen dijnre begherten blive ane hanghende in dat anschijn [16] dijns liefs metten dore gaenden 16 naghelen der berrender gherijn- [17] nessen die niet en cesseren. Dan alre eerst 17 moechdi rusten met [18] sente Janne die op Jhesus borst sliep, ende alsoe doen noch die [19] ghene die in vrihede der Minnen dienen: si rusten op die soete [20] wise borst ende sien ende horen die heimelike worde die [21] onvertelleec ende onghehoert sijn den volke overmids die soete [22] runinghe des heilichs gheests. [23] Du salt altoes staerkeleke sien op dijn lief dattu begheers: [24] want die 24 anestaert dat hi begheert, hi wort ontstekelike ontfunct, [25] soe dat sijn herte in hem beghint te faelgerenne omme de soete [26] bordene der Minnen. Ende hi wert in ghetrect overmids [27] ghestadicheit dies goeds levens der contemplacien daermen gode [28] met altoes ane staert, soe dat Minne altoes haer selven hem soe [29] suete smaken doet, dat hi al dies verghet dat in ertrike es ende |
2 wat...soere: welke ook.
4 gheselscape: isolement.
|