[p. 112]
Rijmbrieven
De hier volgende teksten in verzen zijn brieven van Hadewijch, waarin zij beginnende godzoekenden op hun weg naar de mystieke eenwording met God aanspoort om zich open te stellen voor de ware dimensies van het minne-leven.
Aanduidingen als lieve herte, so groetic di (R. 12, 6), sendic u hertelike groete (R. 14, 3), wijzen duidelijk op een geadresseerde. In de narratio- en petitio-gedeelten benadrukt Hadewijch vooral de eis tot navolging van Jezus Christus, de volharding die nodig is om de minne in gerechtigheid te beleven, het gevaar van de dreiging der illusie bij al te menselijke opvattingen over de minne; want Gods wezen bepaalt de aard van de minne.
Deze teksten doen Hadewijch kennen als de geestelijke leidster, die zichzelf helemaal ondergeschikt maakt aan het ultieme karakter van haar boodschap.
De bondigheid van de taal vergt van de lezer een welhaast meditatieve houding om de diepste betekenis van de tekst te doorgronden.
Nota: De weliswaar traditionele, maar nietszeggende benaming van deze teksten, Mengeldichten, werd vervangen door de aanduiding Rijmbrieven.
Rijmbrief 3: Onthechting en zelfverloochening
Hadewijch geeft voorbeelden van volledige onthechting en zelfverloochening in Maria, Maria Magdalena en Job. Volledige overgave aan de minne en zo Gods gerechtigheid erkennen, is doel van alle minnenden.
[p. 113]
- God si hen allen god diene minnen, 1
- Ende hem allene Minnen werdich kinnen, 2
- Ende dies beghinnen met worden, met werken, 3
- Ende metter wet der heylegher kerken,
- 5
- Ende voert ane dolen in minnen raet:
- Na deemster onthopen hoghe toeverlaet. 6
- Ay, hoe onghehoert sijn minnen weghe
- Eer minne met minnen wint seghe.
- Die seghe in minnen wilt ghewinnen,
- 10
- Hi moet hem chieren in allen sinnen 10
- Ende na minnen ghetame sijns al vertien 11
- Ende met hare doemen ende benedien
- Hem selven ende dat hi haet ende mint,
- Dat hi minnen so sijn recht bekint
- 15
- Dat hi niet en wilt ende minne en hevet,
- Hem niet tontsegghenne sine ghevet. 9ev 14ev
- Want die mint hem es al vremde: raste 17
- Ende pine ende overlaste;
- Begherte dore graeftenne alse een wiel; 19
- 20
- So moet minne dat vervullen gheheel.
- Ay, hoe moet hi hem vertien al
- Die hem gheheel der minnen gheven sal,
- Ende hoe ghestede sijnse in elendegher pinen. 23
- Dat doen hare worde, hare werken scinen.
- 25
- Dat toende die moeder wel der minnen. 25
- An hare mocht ment ierst bekinnen.
|
2 en belijden dat hij alleen Minne waardig is.
6 toelichting bij: dolen...raet.
11 na...ghetame: zoals passend is voor de minne.
9ev die...ghevet: thema der gerechtigheid.
14ev Dat...ghevet: dat hij zijn doen en laten zodanig met minne verbindt, dat hij slechts wil wat minne wil, en zich niets ontzegt, tenzij minne dit vergt.
17 vremde: onverschillig.
23 ghestede: voortdurend.
|
[p. 114]
-
- Al was te voren om minne ghedaen, 1
- Bi hare mocht ment al verstaen.
- Sine ontsach wet noch van maghen, 3
- Ghewoente, miede, dreighen, prijs noch claghen.
- 5
- Si liet al omme hare eneghe lief. 5
- Ende waest dan recht datse minne verhief,
- Doen makese minne der minnen moeder?
- Waeromme verghet des iemant vroeder? 8
- Van hare te sprekenne es mi te groet, 9
- 10
- Want ic nie en dede dat minne gheboet;
- Ende si dede der minnen hoechsten raet
- Ende dore doelde hare toeverlaet, 12
- Tote dat si op clam int hoechste lant 13
- Daer si minne in ghebruken volvant.
- 15
- Dus doet mi nederheit van hare swighen
- Ende haerre hoecheyt nighen.
- Al droech hare boem vele vrochten 17
- Daer men oec af spreken mochte:
- Heren, vrouwen, ende joffrouwen,
- 20
- Die dore minne der hoechster trouwen
- Onderdanich waren toter doet
- In al dat hen die minne gheboet
- Van al den anderen latic bliven.
- Van ere willic een deel bescriven 24
- 25
- Daermen van gheestegher minnen
- Grote tekene ane mach kinnen
- Ende groet exempel mach nemen af,
|
1 Al ging het vóór die tijd al om de minne.
3 Sine ontsach: Zij liet zich niet weerhouden door - van maghen: verwantschapsplichten.
8 iemant vroeder: een verstandig iemand (rijmdwang).
9 Van...groet: Hadewijch voelt zich erg klein bij Maria vergeleken. Ze vernedert zich daarom.
12 en gaf zich volledig over aan de minne op wie ze vertrouwde.
13 hoechste lant: rijk van God.
17 vrochten: navolgers van Maria.
|
[p. 115]
-
- Hoe enich si hare der minnen gaf. 1
- Dat was Maria Magdalene,
- Die ene met minnen was ghemene. 3
- Ja, Origenes seghet van Marien: 4
- 5
- Die minnen van gheestegher Minnen mach lien,
- Die dore leiden Marien leven, 6
- Ende hen gheheel in minnen gheven;
- Ende diene moghen wisen in behaghenne 8
- Ende segghen: Dit seide hi mi, ic saghenne, 9
- 10
- Si selen leven herde elendich
- Ende op hare matherie behendich 11
- Die si ontmoeten in pine, in raste,
- In verlichtenne, in coste, in laste,
- Op dat si der minnen ghenoeghen moghen;
- 15
- Si souden hem eens ende alles beloven. 15
- Die in allen hem dus der minnen ghevet
- Dat minne te hem niet tsegghen en hevet,
- Dien toent hem god in enen vliene 18
- In sconen ghelate van goet ghesciene 19
- 20
- Ende sprect hem toe verhoelne woerde,
- Die hi bekint ende die nie en becorde
- Vremde herte, die hare vore minne iet spaert
- Ende alle uren in minnen niene staert.
- Want die fier ende ghewarich der minnen sijn,
- 25
- Si lesen hare vonnessen in minnen anscijn, 25
|
1 enich: geheel onthecht.
3 die een was in gemeenzaamheid met minne.
4 Origenes: invloedrijk Christelijk theoloog uit de derde eeuw na Chr. Hij onderscheidde in de bijbel een letterlijke, een zedelijke en een allegorische zin en werd zo de eerste vertegenwoordiger van de historisch-kritische bijbelwetenschap. Het is opvallend dat Hadewijch hem hier vermeldt omdat in deze mystiek, evenals later bij Ruusbroec, zelden bronnen vermeld worden.
8 Ende...wisen: die hem zullen mogen aanwijzen.
9 hi: God (Christus) - saghenne: zag hem.
11 hare matherie: alles wat de minne met zich meebrengt.
15 eens...alles: om het even wat.
18 in...vliene: vluchtig.
19 In mooie gunstblijken.
25 zij leren in het wezen van minne wat God met hen voorheeft.
|
[p. 116]
-
- Ende sijn altoes in minnen wakende.
- Hem es enich wonder nakende; 2
- Ja, wonder vore ons die minne niet en kinnen,
- Maer gherechtecheit vore hen die al gheven der minnen.
- 5
- Want dat scoenste leven dat ic weet,
- Al wetict mi wel onghereet, 6
- Dat waer datmen gode liet bewerden
- In nemen, in gheven, in storme, in verden,
- Waerdt in minnen, waerdt in haten:
- 10
- Dat soude al effene sijn te maten; 10
- Woude god comen, woudi gaen,
- Dat soudemen al in minnen verstaen
- Ende nemenne also hi selve es minne
- Ende en euffenen ghene affectie daerinne. 14
- 15
- Want god es best met gode tontfane,
- Ende te behoudenne ende naest te verstane.
- Die hem met hem selven te gode doet,
- Ic wane hem god ontbliven moet,
- Want nieman hem ghenoech ghedoen en can
- 20
- Die draghet die ymagie vanden erdschen man.
- Ghevoelen wij iet, wij werden gherenen
- Ende verliesen redenne ende willenre op lenen 22
- Ende wanen een sijn met dat wij minnen.
- Dus breken wij tspel eer wijt ghewinnen.
- 25
- Die ane dreghet den erdschen man
- Besie die scout der redennen an,
- Die sine reghele es ende die hem leert 27
- Die werke die men ter minnen keert,
- Ende hoe men minne mach behouden,
- 30
- Ende waer met minne hevet minnen vergouden. 30
- Als men dus gode hantiert met minnen
|
2 enich wonder: een merkwaardige eenwording.
6 al ben ik er niet aan toe.
10 dat hoort men gelijkmoedig te dragen.
14 maar geen welbehagen daarin scheppen.
22 willenre: willen er - lenen: leunen.
27 Die...es: die zijn gedragsnorm is.
30 hoe men aan de schuld van de minne voldoen kan met minne zelf.
|
[p. 117]
-
- Ende met minnen sijns gnoech mach kinnen 1
- Dats hem die mensche niet en onderwint, 2
- Alsenne god dus ene minne vint,
- So es sijn siele verswolghen in enen wille
- 5
- Des oversten gherochs inde diepste stille. 4-5
- Job seide, hi hadde tverhoelne ontfaen. 6
- Oec hevet selc sint so ghedaen. 7
- Te rechte eest hen verholen, die nemen
- Gerne vremde troeste ende dat ghetemen.
- 10
- Die gode hen selven willen ghemicken
- Ende ghenoechte soeken in allen sticken 11
- Ende laten hare regele ledich bliven
- Ende soeken sonder werc gherinen, 13
- Die en selen gode sien noch van hem verstaen
- 15
- Also minne ende Job hebben ghedaen
- Ende si doen die alles om gode vertien
- Ende met hem al doemen ende benedien,
- Ane wien dat gheet; gods werc es hen
- Boven alle ghenuechte in haren sen.
- 20
- Den minnenden dunct al onghedaen
- Wat hi doere minne mach bestaen. 20-21
- Ic moet der minnen onmate seden
- Verswighen 22ev bi mijnre nederheden
- Tote daticker bekinne mee.
- 25
- Dien minne ghevet onghenadich wee,
- Dat sal sijn dat alre naeste wesen. 26
- Maer salne minne meer ghenesen, 27
|
1 sijns gnoech: zoals Hij is.
2 zodat de mens op niets anders gericht staat.
4-5 Daar wordt de ziel één van wil met God, die zijn goddelijk woord in volstrekte stilte spreekt (verwoording van de extatische ervaring).
6 tverhoelne: het verborgen woord.
7 selc: sommigen - sint: sindsdien.
11 in...sticken: op allerlei manieren.
13 soeken: proberen - sonder werc: zonder inspanning.
20-21 Wie echt mint, meent dat hij de minne nooit genoeg kan doen.
22ev Ic...Verswighen: Ik moet zwijgen over de leefregel van de mateloosheid in minne.
26 dat zal de hoogste verwantschap zijn.
27 Maar wil iemand nog meer heil van minne ontvangen.
|
[p. 118]
-
- Legghe hare den breidel op den hals,
- Ende si hare onderdanich als, 2
- Ende doredole die weghe in minnen raet:
- Dat si sijn rijcste toeverlaet,
- 5
- Ende blive in hare eneghen moet. 5
- Ic segghe: Ay edele minne, nu doet
- In al uwen hoghen wille met mi;
- Eest doet, eest leven, u scout al si. 8
|
5 en blijven exclusief bij haar.
8 u...si: dat alles ben ik u schuldig.
|
Rijmbrief 9: Leven in dienstbaarheid
Hadewijch spoort de godzoekende aan tot navolging van Christus in diens algehele onthechting van aards goed. Leven in raste en vreugde vindt men alleen in het strijden en lijden om de liefde tot God.
- God si u troest ter rechter minnen
- Ende doe u hoghe minne bekinnen
- Ende die waerheit die ghi hem sculdich sijt
- Ende make in hem al uwen vlijt.
- 5
- Wildi beghinnen dat werc der minnen,
- So suldi ane dat werc beghinnen
- Dars die gods sone an began,
- Doen hi ons leven quam een man.
- Also hi leefde suldi leven
- 10
- Ende alle vroude om hem begheven.
- Also hi die sine begaf, sal elc die sine
- Begheven, die leven wilt in minnen fine.
- Ic bidde u dat ghi beghevet
- Uwes selfs ende der minnen levet
- 15
- In ellende ende in vernoye.
- Ic en wille niet dat u moye
- Dat u dore gode in minnen mescomt,
- Want alle pine dore minne vroemt
- Datmen om minne vele doghet,
[p. 119]
-
- Op dat mens ghene mate en toghet, 1
- Als die bi minnen scinen in werre
- Ende maken ocsuyn ende tonen hen erre:
- Dat es pine die niet en vroemt,
- 5
- Noch niemanne bate af en coemt.
- Want die onspoede bedroeven minne
- Ende letten sere in allen sinne.
- Maer des hebdi clene te doene.
- Ic woude ghi vroet wert ende coene
- 10
- Jeghen gode strijt te makene, 10
- Want het benemt die soete smake
- Die minne den ghelieven ghevet,
- Dat men ene ure niet met vreden en levet.
- Also enich ghevet uwe sinne 14
- 15
- Te gode purlijc in rechter minnen
- Dat ghi leeft in soe soeten moede
- Dat u sake en werde te goede
- Dan allene god ochte niet. 18
- Want die van gode smakes hevet iet,
- 20
- Wert hi gherenen van binnen
- In rechten ghevoele siere enegher minnen,
- Sone wert hem sake meer te goede;
- Noch hi hem selven noch heyleghe noch mensche
- En valt hem meer als tenen wensche. 23-24
- 25
- Hem sijn alle andere saken pine
- Sonder om minne in minnen dienste te sine, 26
- Alle uren sterven ende om minne doyen
- Ocht in ghevoelne van minnen joyen.
- Hier inne moet u god verhoghen
- 30
- Ende en late u ten anderen saken doghen. 30
|
1 mits men dat geenszins uiterlijk laat blijken.
18 dan alleen God, anders niets.
23-24 zijn eigen persoon, heiligen of andere mensen zijn bij hem niet meer in tel.
26 tenzij belangeloze minnedienst.
|
[p. 120]
-
- Al segghic dus deo gracias, 1
- Ic en wiste nie wie die ghene was
- Die minne gaf bliscap ende vrie weghe. 2-3
- Jeghen minne hebbic onseghe;
- 5
- Het es wel recht, ic swighe der claghe
- Dat ic van hare hebbe nachte bi dage; 6
- Ic hebbe te clenen cost ghegheven
- Om minne daer ic vri bi mochte leven.
- Maer al en hebbic ghene vissche,
- 10
- Ic en wille ghene vorsche
- Noch oec vlieder besien
- Vore wijn torssche:
- Al en hebbic ghene minne,
- Ic en wille niet el,
- 15
- Weder si mi si goet ochte fel. 9ev
|
1 deo gracias: dank aan God.
2-3 ik heb van de minne nooit...gekregen.
6 hebbe...dage: ook overdag de nacht ervaar.
9ev Maer...fel: Al heb ik geen vissen, kikkers zeggen me niets; vlierbessen kunnen mijn gemis aan druiventrossen niet goedmaken. Al heb ik de minne niet, haar alleen wil ik bezitten, ongeacht of zij mij goed- of kwaadgezind is.
|
Rijmbrief 10: Minnen met minne in minne
Men mag niet streven naar het kennen van de natuur van de minne. Men mag alleen maar minnen. Door de begeerte wil de mens steeds meer lijden omwille van de minne, die hart, wil en zinnen gebonden houdt. Wie mint moet doghen, maar zal ook de edelheit der minne leren kennen.
- So wie steet na sonderlinghen kinnen,
- Hem ghebrect een poent van gherechter minnen.
- Al selc kinnen eischt men dicke te vroech;
- Ende dat en es niet ghenoech.
- 5
- Want het scijnt een willicheit, 5
- Ende niet vanden gheeste een gheleit.
- Want waert ene leidinghe van gheeste,
|
5 Want dat is volstrekt eigenzinnig.
|
[p. 121]
-
- God soudt herde saen gheleesten.
- Ende dats te kinschelike ghemint 2
- Datmen vele sonderlingheyden wilt,
- Ende verkiest in delite te wesenne;
- 5
- Dats ghebreken van hoghen levenne.
- Men sal om ghevoelne noch om kinnen
- Dienen, dan slechts te minnen met minnen in Minnen. 7
- Datmen die helle niet en ontsaghe,
- Noch om des hemels hope en dade,
- 10
- Ende datmen omme helle ende om hemel
- Ware even blide ende even temel,
- Ende datmen minde sonder sate
- Ende begerde boven mate
- Ende boven redenne ende boven sin, 8-14
- 15
- Dat ware in minnen groet ghewin.
- Als men name, soudemen gheven;
- Ende dat minne eyscede soudemen leven.
- Als men der zielen kinnisse ghevet,
- So weetse datse in minnen levet;
- 20
- Ende alse ghevoelt alendichede, 20
- So machse kinnen der minne sede.
- Al datse dan mach gheleisten,
- Sal minne ghebieden haerre ende eyschen.
- Leeft si dan dus der minnen ghenoech,
- 25
- Dat es wel der minnen ghevouch.
- Men moetse uueffenen met herten, met sinnen,
- Ende volghen met trouwen ende met minnen.
- Nochtan datmen niet en weet van minnen,
- Verliestmen als men mach kinnen. 28-29
- 30
- Herte ende crachte ende al de sinne,
- Ende den wille heeft ghebonden de minne.
|
2 kinschelike: geestelijk onvolwassen.
8-14 onderwerp van r. 15.
28-29 Het is beter niet te weten hoe het met de minne staat, dan haar helemaal te kennen.
|
[p. 122]
-
- Ende den menschen moetmen so vele gheven
- Datmen gheplaecht wert in dit leven; 1-2
- Metten ellendeghen doghet men noet,
- Ende metten verslaghenen die doet,
- 5
- Metten katyven dooghet men smertelijcheit,
- Ende metten minnenden hertelijcheit.
- Die der minnen om minne te dienste wilt staen,
- Hi moet in meneghen onraste ontfaen. 8
- Die naheit vander minnen natueren
- 10
- Die beneemt der sielen hare ghedueren:
- So si meer comt, so si meer steelt;
- So si meer toent, so si meer heelt.
- Die der minnen met minnen sal ghestaen,
- Al levende moet hi die doet anegaen,
- 15
- Om dat hem in minnen iet mochte ontbliven 15
- Dat hi met arbeide mochte vercrighen.
- Die natuere die alle crachte verwent, 17
- Doet ende leven gheeft ende nemt;
- Si es soe crachtich in haren doene,
- 20
- Sine ontsiet niet, si es so coene;
- In hare es alle die macht van gode.
- Der minnen wesen es in hare ghebode;
- Daer minne met minnen in minne es
- Dat es een grondeloes abes;
- 25
- Daer moetense al in hare verdrincken
- Die hen in hare laten sincken;
- Ende die hare volghen in hare natueren
- Dien geeft si een onghedurich dueren.
- Die minne sprinct uut haers selfs natueren 29
- 30
- Ende doet die herten in minnen berueren;
- Die volghen der cracht der treckender minnen
|
1-2 Ende...leven: De mens in ons moet zoveel kwellingen ondergaan als er plagen zijn.
8 in meneghen: in allerlei opzichten.
15 Om dat: uit vrees dat.
17 De natuur van de minne, die alle menselijke kracht te boven gaat (Natuere wordt onderscheiden van wesen, blijkens r. 22.).
29 sprinct uut: treedt uit.
|
[p. 123]
-
- Selen die edelheit daer sise in heeft kinnen. 1
- Dat en mochte niemant anderen vertellen
- Noch ghescriven noch ghespellen,
- Die minne met minnen heeft ghemint,
- 5
- Wat hi al wonders in die hoecheit vint. 5
- Nochtan en moghen der minnen begherden 6
- Met al desen niet ghestilt werden.
- Si richt hare in al boven hare hebben: 8
- Minne en laet hare en gheen raste hebben.
- 10
- Al ware te gadere tdoghen al,
- Die ye was ende es ende wesen sal,
- En mochte also vele niet winnen
- Alse begherte van rechter minnen. 10ev
- Si grijpt te doghenne boven maten
- 15
- Ende te werkenne dat hare minne wilt laten; 15
- Si ontfeet een onlede ende een onghedueren;
- Die minne en laetse niet ghedueren;
- Si valt in onrasten van edeldere ontrouwen
- Die sterkere ende hoghere es dan van trouwen.
- 20
- Trouwe die men met redenen mach
- Saten, ende met sinne ghewerden mach, 21
- Si laet hare dicke ghenoeghen
- Dat ontrouwen niene mach voeghen. 23
- Trouwen moet dicke ontbliven
- 25
- Dat ontrouwe mach ghecrighen;
- Edele ontrouwe en mach niet resten 26
- Eer si vercrijcht dat alre beste;
- Al dat minne es wiltse vercrighen:
- Dies en mach hare niet ontbliven.
|
1 zullen de edelheid ervaren waarmee de minne hen vasthoudt.
6 der...begherden: het door minne veroorzaakte verlangen.
8 Begeerte wil steeds meer dan ze bezit.
10ev Al...minnen: Al zou iemand zich alle inspanningen getroosten, wie hij ook weze, nooit zou hij zóveel verwerven als het verlangen der oprechte minne vraagt.
21 ende...mach: en verstaanbaar kan verwoorden.
23 wat bij ontrouw niet kan passen.
|
[p. 124]
-
- Hier af ghevoelse meneghe suere,
- Dat minne mocht beteren in corter ure;
- Dit dreghet si alst quame van ontrouwen, 3
- Datse wel weet dat comt van trouwen; 4
- 5
- Van begherten van onghedueregher minnen
- En machse ghene raste ghewinnen,
- Ende van begherten der sterkere minnen
- Verliesse raste ende ghedueren van binnen.
- So si hogher in minnen versinct,
- 10
- So si na hare begherte onghereder vent; 10
- Want men in ellenden niet ghenoch vinden en mach 11
- Noch begherte vervult werden en mach;
- Want si comt ute so hogher natueren,
- Sine mach in ghene clene dinc ghedueren.
- 15
- Minne vliet ende begherte volghet naer,
- Ende vint emmer ongherede stat daer. 16
- Die hoecheit en machse niet vercrighen;
- Dat minne selve es moet hare ontbliven.
- Mochte die ziele die natuere bekinnen
- 20
- Daer si van gode in ghemint es met minne,
- So soudse sere in verlanghene doyen
- Ende al in ghenoechten vloyen.
- Dat ware te groten raste in trouwen. 23
- Die mint moet doghen vele rouwen:
- 25
- Die ter trouwen dienste wilt staen
- Ende trouwe van trouwen wilt ontfaen
- Ende in hogher trouwen wilt leven
- Ende in haren dienste nemen ende gheven
- Na haren recht, si vri, starc ende coene 29
- 30
- Altoes haren liefsten wille te doene;
|
10 hoe verder af schijnt te zijn wat begeerte verlangt.
11 men wil steeds meer ellende om de minne te bezitten.
16 nergens vindt zij rust.
|
[p. 125]
-
- Spaert hi daer vore ere ocht ghemac, 1
- So es hi die vrient die ter noet ghebrac. 2
|
1 Spaert...vore: verkiest hij eerder.
2 dan is hij als een vriend die in tijden van nood afwezig is.
|
Rijmbrief 12: Luister naar de stem der minne
Gehoorzaam aan de stem der minne. Laat vaderhuis en volk en alle aardse goed achter om haar dienstbaar te zijn. Daartoe zal Christus ons helpen, die de ware liefde heeft geopenbaard. Leef in waarheid en sijt fier ter minne ende coene.
- In gode, die es onse minne, 1
- Also verre alsic minne bekinne,
- So ware mi leet hine ware allene
- Dat wij minnen ende meynen. 3-4
- 5
- Met selker minnen als es hi,
- Lieve herte, so groetic di,
- Ende met dat ic ben, sonder vergheten. 7
- Ghi wet wel, al doe ict u weten,
- Dat minne wilt ueffennen daer men haer si 9
- 10
- Ende weten wat men haer es; dan leefse vri.
- Immer wiltse horen ende prueven
- Om verbliden ende om bedrueven;
- Daer en mach minne niet sijn sonder;
- Si es emmer tempererende in wonder; 14
- 15
- So sere verstormt es minnen natuere,
- Datse niet rusten en mach ene ure
- Sine pleghe haers liefs in sueter minnen 17
- Ochte in storme van sinnen.
- God heeft ons wonder ghedaen
|
3-4 zou het mij leed zijn, als wij iets anders dan Hem alleen zouden minnen.
7 sonder vergheten: uiteraard.
9 ueffenen...si: handelen zodat men haar toebehoort.
14 de minne mengt verbliden en bedrueven op wonderbaarlijke wijze.
|
[p. 126]
-
- Dat hi ons met minnen heeft bestaen.
- Nadien dat wiere toe sijn ghemaect
- Te wetenne hoe minne met minnen smaect,
- So keert u met gherechter doghet
- 5
- Ter soeter minnen al dat ghi moghet,
- Te pleghenne met allen goede seden,
- Met soeten sinne, met vollen vreden.
- Waect inden bant van rechter minnen
- Ende pijnt u te verstane die stimme
- 10
- Daer minne selve mede sprect.
- Siet dat ghi hare niet en ghebrect.
- Es minne u suete, es si u wreet,
- Sijt tharen wille altoes ghereet.
- Also plaghics ye, ende also ict versta 14
- 15
- Steet oec ic: Audi filia. 15
- Sidi dochter so gheloeft den vader;
- Sijt te sinen dienste ghereet algader.
- Voert ane suldi gods werc besien 18
- Ende alle noet werken in alle dien
- 20
- Die ws behoeven, al so hise wrachte, 20
- In wille, in werken, in ghedachte.
- Daer na heethi neyghen die oeren,
- Datmen der minnen stemme sal horen:
- Ghehorsam te sine van buten, van binnen,
- 25
- Ende niet te wetenne dan den wille der minnen.
- Als men dus der minnen ghehorsam si
- So salmen vergheten al daer bi:
- Svolcs van vremden ende van bekinden,
- Van gheachten ende van gheminden,
- 30
- Ende vergheten alre creaturen,
- Om te ghedinkenne die suetheit van Minnen natueren.
|
14 plaghics ye: placht ik altijd te doen.
15 ic: wij suggereren de lezing: in - Audi filia: Luister dochter. Zie Ps. 44, 11-12: Hoor, dochter. Zie en neig uw oor, vergeet uw volk en het huis van uw vader. Laat de koning uw schoonheid begeren (Deze tekst is het structurerend element in de rest van het gedicht).
20 ws: u - wrachte: deed.
|
[p. 127]
-
- Hi heet vergheten thuus haers vader, 1
- Omme dat hire ghebruken wilt algader, 2
- Ende dat al der gherre sijn vergheten 3
- Die den hemel hebben beseten,
- 5
- Inghelen, heyleghen, hier der menscen;
- Mochte men van hen hebben dwenschen,
- Dat menre bi hem al verghete 6-7
- Ende allene van enechheden der minnen wete.
- Als ghi omme hem dus wilt vervaren,
- 10
- Sal die coninc u scoenheit begharen. 10
- Want ghene scoenheyt in sine natuere
- En ghenoeghet dan sine natuere puere.
- Als men el niet en can ghedincken
- Dan hem dore cussen ende daer inne sinken, 14
- 15
- Dats godleec leven na gods ghenoeghe.
- Die hem dus enich der minnen al op droeghe,
- Die scoenheit beghert hi ende chierter hem mede
- Na sijn ghenoeghen, na minnen sede.
- Die ghene es godlec, segghen die liede.
- 20
- Maer dien selke godlijcheit nie en ghesciede, 20
- Sine scoenheit en beghert die coninc niet. 21
- Ontferme u dats so luttel ghesciet, 22
- Ende siet dat die coninc u beghere. 23
- Mi dunct dat icker mi af ververe, 24
- 25
- Dat hi onbeniedt ende onbekint
- Vanden sinen blijft ende onghemint,
- Dat hi niet met sijnre natueren en mach
|
6-7 mocht men naar hen nog verlangen, dan moet men dat om God opgeven.
14 dore: dit voorvoegsel drukt bij Hadewijch identificatie uit met het object van het betreffende werkwoord.
22 Trek het u aan dat dit zo zelden gebeurt.
24 Ikzelf vind het vreselijk.
|
[p. 128]
-
- Ghebruken dies dat hi in minnen versach. 1
- Ay, begheeft elcs al ende eyscht dat al 2
- Ende besiet wat wondere dat al dan werken sal:
- Dat eyselijcste wonder dat ye wert,
- 5
- Die dierste scoenheit die de coninc begert,
- Diere hi met sijnre gheheelre natueren 6
- Ghebruken wilt in een ghedueren,
- Ende dat scone met eenre scoenheit ontmoeten
- Ende groeten met eenre enegher groeten;
- 10
- Ende dat cussen met enen eneghen monde
- Ende te vergrondenne die eneghe gronde 11
- Ende met enen siene te doresiene al
- Dat es ende was ende wesen sal; 8ev
- Ende dat al met eenre wijsheit vroeden
- 15
- Ende met enen wille van eneghen moeden,
- Ende met enen rike al even rike,
- In eenre vormen, in enen ghelike,
- Ende in een ghevoelen, in eenre ghewelt van al.
- Die voldoet als hi noch weten sal. 19
- 20
- Ay, mi es onbekint wie dat es. 20
- Gode ende sinen gheminden ontfarme des.
- Van dienste van minnen wetic raet;
- Maer alst te diere ueffeninghen gaet
- Hoe men met minnen lieves pleghet,
- 25
- So es mijn weten saen gheseghet. 25
- So varic also pleghet die blinde,
- Ende make vanden beghinne mijn inde.
- Alse lief met lieve gheet minnen leven,
- Daer soudemen scone beghinne gheven; 29
|
1 dit genieten zoals hij in liefde had voorbeschikt.
2 Ach, geef al het afzonderlijke op en vraag de gehele eenheid met God.
11 Ende te: zodat de ziel ertoe gebracht wordt te.
8ev Ende...sal: vormen als eenre, eneghen, enen drukken de eenwording met God uit.
19 Dat schenkt voldoening, zoals iemand zou kunnen ervaren.
29 beghinne: nl. diensthouding.
|
[p. 129]
-
- Daer moet hijt inden dies niet en weet
- Ende dien ghevoelen van minnen es onghereet.
- Nu, al en beghert ons die coninc niet,
- Dat ons wee si ende verdriet,
- 5
- Wij selen gherne neyghen die oeren,
- Ende alse een sijnre kindere hoeren
- Ende sien ende merken ende verstaen
- Wat hi wilt ende dore ons heeft ghedaen, 8
- Ende selen vergheten vremder dinghe
- 10
- Ende alre joyen sonderlinghe
- Van vrienden van beneden van boven, 11
- Ende van allen doghenne der minnen loven, 12
- Ende selen hopen omme goet gheval
- Dat ons minne noch volgheven sal.
- 15
- Mochten wij doch om minne ghelaten
- Vremde troeste ende orsaten,
- Ende wij ons chierden in scone ghelaet,
- In hoghen wille, in hoghe daet,
- Minden wij met minnen al dat si mint
- 20
- Ende ware hare glorie ons bekint,
- So soudse hare selven doen daer binnen 20-21
- In een ghebruken, in een bekinnen.
- Dies hulpe ons Jhesus Christus
- Die selve van minnen allen lost 24
- 25
- Ende alle doghet hevet gheopenbaert
- Ende met sijnre claerheit verclaert, 26
- Hi moet ons minnen condich maken
- Ende verclaren al onse saken
- Ende onse herte ende onsen sin,
- 30
- Ende doen sijn eneghe minne daer in,
- Die ons doe weten hoe men hem sal
|
11 van...boven: aarde en hemel.
12 van...loven: ondanks alles de minne prijzen.
20-21 en zouden wij haar heerlijkheid echt belijden, dan zou zij onze houding voltooien.
26 claerheit verclaert: zie thema Br. 1.
|
[p. 130]
-
- In volmaecheyden leven al. 1
- Nu sijt met waerheiden al beset
- Ende haest u dat ghi ons niene let. 3
- Die tijt es cort, hier es vele te doene;
- 5
- Sijt fier ter minne ende coene.
|
1 leven: navolgend deelhebben aan.
|
Rijmbrief 13: Dat suetste van minnen sijn hare storme
Een beschrijving van de paradoxale ervaringen, die de minne met zich meebrengt.
- Dat suetste van minnen sijn hare storme,
- Haer diepste afgront es haer scoenste vorme,
- In haer verdolen dats na gheraken, 3
- Om haer verhongheren dats voeden ende smaken,
- 5
- Hare mestroest es seker wesen,
- Hare seerste wonden es al ghenesen,
- Om hare verdoyen dat es gheduren,
- Hare berghen es vinden alle uren,
- Om hare quelen dat es ghesonde,
- 10
- Hare helen openbaert hare conde, 10
- Hare onthouden sijn hare ghichten,
- Sonder redenne es hare scoenste dichten, 12
- Hare ghevangnesse es al verloest,
- Hare seerste slaen es hare suetste troest,
- 15
- Hare al beroven es groot vromen,
- Hare henen varen es naerre comen,
- Hare nederste stille es hare hoechste sanc,
- Hare groetste abolghe es hare liefste danc,
- Hare groetste dreighen es al trouwe,
- 20
- Hare droefheit es boete van allen rouwe,
- Hare rijcheit es hare al ghebreken.
- Noch machmen meer van minnen spreken:
|
3 na gheraken: nabij komen.
10 zich verbergend openbaart ze zich pas goed.
12 Sonder redenne: haar zwijgen.
|
[p. 131]
-
- Hare hoechste trouwe doet neder sinken,
- Hare hoechste wesen doet diep verdrincken,
- Hare grote rijcheit maect armoede,
- Haers vele vercreghen toent onspoede,
- 5
- Hare troesten maect die wonden groot,
- Hare hanteren brinct meneghe doet,
- Hare voeden es hongher, hare kinnen es dolen,
- Verleidinghe es wijse van harer scolen, 8
- Hare hanteren sijn storme wreet,
- 10
- Hare gheduren es in onghereet, 10
- Hare toenen es hare selven al helen,
- Hare ghichten sijn mere weder stelen, 12
- Hare gheloeften sijn al verleiden,
- Hare chierheiden sijn al oncleiden,
- 15
- Hare waerheit es al bedrieghen,
- Hare sekerheyt scijnt meneghen lieghen.
- Dies ic ende menich dat orconde 17
- Wel moghen draghen in alre stonde,
- Dien de minne dicken hevet ghetoent
- 20
- Saken daer wij sijn bi ghehoent,
- Ende waenden hebben dat hare bleef.
- Sint si mi ierst die treken dreef 22
- Ende ic ghemercte al hare seden,
- So hildicker mi al anders mede; 24
- 25
- Hare ghedreich, hare gheloven
- Daer met en werdic meer bedroghen.
- Ic wille hare wesen al datse si, 27
- Si groet, si fel, al eens eest mi.
|
8 es...scolen: is de methode van haar onderricht.
10 haar rust zit vol onrust.
12 haar geschenken zijn veeleer berovingen.
17 Dies: daarom - menich: menigeen.
22 ierst...dreef: voor het eerst parten speelde.
24 ging ik er heel anders mee te werk.
27 Ik wil voor haar zijn alles wat zij zelf is.
|
[p. 132]
Rijmbrief 14: Neder sal men in oetmoedicheit sincken
Traagheid in de minne is uit den boze. Ootmoed, zoals Maria ons die voorleefde, zal het kind (de minne) in onze schoot (de ziel) doen volgroeien.
- In den hoghen name der minnen,
- Die u hare wesen moet doen kinnen,
- Sendic u hare hertelike groete
- Ende bidde hare datse u al moete
- 5
- Hare wesen tonen toten gronde,
- Datmen nie ghegronden en conde.
- Ay, hoe diep es die afgront der minnen
- Die nieman en conde bekinnen.
- Al datmens kint es luttel goet
- 10
- Sint dats iet ontbliven moet. 9-10
- Dats ons ontblijft dat comt bi liden 11
- Dat wij so slappelijc vorwert tiden,
- Ende met armen troeste leven, 13
- Ende so luttel in storme van minnen gheven.
- 15
- Onse sinne ende onse crachte,
- Die lopen souden, staen in hachte, 16
- Die weghe ter hogher minne grade 17
- Sonder pays ende sonder ghenade.
- Die weghe die men loept ter minnen
- 20
- En moghen die ghene niet kinnen
- Die ghemate sijn an hare werken
- Ende hen met ghenuechten sterken,
- Ende leven in toren om scade, in bliscap om spoede,
- Bi vremden wesenne in hoverdeghen moede.
- 25
- Maer die volmaectelike woude kinnen
- Dat moghende wesen vander minnen,
- Hi soude met oetmoedegher herten
- Gheliken suetheide ende smerten 28
|
9-10 Al wat men ervan kent, baat weinig, zolang men er ook aspecten niet van kent.
11 bi liden: doordat wij gedogen.
16 staen...hachte: zijn geboeid.
17 weghe: object bij lopen souden.
28 gheliken: gelijk achten.
|
[p. 133]
-
- Ende ontfaen in eenre glorien,
- In enen wille, in eenre memorien,
- Suete ende suer, in een ghenoeghen,
- Ende alle pine sonder bedroeven.
- 5
- Want minne mach herde wel orsaten
- Dat sware dolen harre straten. 6
- So neder sal men in oetmoedicheit sinken,
- Ja, boven alre menschen ghedincken
- Die ter werelt gheboren sijn,
- 10
- Sal groetheit der minnen comen daer in.
- Wildi dus vallen ende in allen nighen,
- So suldi volmaecte minne ghecrighen.
- Want dat haelde gode neder in Marien,
- Ende mettien selven soude hi noch lien
- 15
- Die hem so neder in minne const hebben: 14-15
- Hine mocht hem sine hoecheit niet ontsegghen,
- Hi soudenne ontfaen en draghen tghetal
- Also een kint in zijnre moeder volwassen sal.
- Ghetrouwe vrese es dierste maent,
- 20
- Die al die werken hoet, ende spaent
- Ter heylegher wet ende ter waerheit gheboden. 21
- Si doet professie doen in gode.
- Ghi wet wel, die professie doet
- Dat hi een wesen gheloven moet 24
- 25
- Metten gheselscape daer hi es
- Te alder ghehorsamheit te sine ghetes. 26
- Alse vrese dan, die eerste maent,
- Die ziele dus hevet ghemaent
- Talre ghehorsamheit van minnen
- 30
- Volmaecten dienst, daer sijt mach kinnen 30
- In doet, in leven, in alle dinc,
- Dus ontfeetmen alse Maria ontfinc,
|
6 harre straten: langs haar wegen.
14-15 zo zal God ook handelen met hen die Hem in nederigheid beminnen.
21 Ter...gheboden: om te voldoen aan de opdrachten...
24 dat hij moet beloven eensgezind te zijn.
26 zich voegend naar volstrekte gehoorzaamheid.
30 daer...kinnen: waar zij ook maar kans ziet.
|
[p. 134]
-
- Ende in allen so diepe oetmoedicheit daer bi,
- Dats: Ecce ancilla domini. 2
- Dus es die eerste maent bestaen,
- Met ghetruwer vresen heeftmen ontfaen.
- 5
- Die andere maent es gherne doghen
- Om volmaectheit ende nauwe poghen
- Die te leerne daermen mach.
- Daer vore en spaert ghenen slach.
- Waer ghi moghet, bejaghet doghen.
- 10
- Daer bint die waerheit der kinnessen die oghen. 10
- Ontfadi dat sonder uwe mesdaet, 11
- So dragdi minne inden hoechsten graet.
- Want in verduldicheit leertmen kinnen
- Hoemen pleghen mach groter minnen.
- 15
- Want si doet meest wassen ende op gaen
- Dat vat daer minne in es ontfaen. 16
- Die derde maent hoghet tghetal,
- Alse men dus can verdraghen al
- Ende men weet datmen minne dreghet;
- 20
- Dat es hueffenninghe die menre toe hevet:
- Altoes niedich ende onverwonnen
- Ende also daer inne hebben connen 22
- Na die screfture die ons leret alsoe:
- Sobrie pie iuste vivamus in hoc seculo. 24
- 25
- Die vierde maent es die suete natuere 25
- Daer soe weerdeghe creatuere
- Alse minne es, met op wassen sal,
- Ende hare menichfuldeghe lede over al. 28
- In die stat daer mense in dreghet
|
2 Ecce...domini: Zie de dienstmaagd des Heren (Luc. 1, 38).
10 Daar legt de waarheid de natuurlijke kennis aan banden.
11 sonder...mesdaet: helemaal.
22 en zich daarin te kunnen gedragen.
24 Sobrie pie iuste vivamus: vgl. Tit. 2, 12.
25 die...natuere: zachte blijmoedigheid waarmee men de minne draagt (Herinnert aan de zachtheid van Cîteaux).
|
[p. 135]
-
- Ende over al daerse lede hevet,
- Sal mense met sueter natueren hoeden
- Ende met ontsteken werken voeden. 3
- Die vijfte maent es heymelijc begaen 4
- 5
- Die suete dracht die men heeft ontfaen,
- Heymelike te hueffenen die suete minne
- Ende die sware pine die minne brinct inne,
- Die hi ghevoelt die minne dus dreghet
- Ende met oetmoede ontfaen hevet.
- 10
- Die seste maent es toeverlaat
- Daer men alle rijcheit af ontfaet
- Ende troest dat dat kint metter vrocht sal comen
- Volwassen, 12ev rike, ende gheven alle vromen;
- Dus te verlatene op minnen sach 14
- 15
- Ende te hakenne na den hoghen dach
- Dat gheboren werde dit edele kint
- Ende te vollen in vollen van vollen ghemint.
- Die sevende maent es gherechticheit,
- Die maect te nieute alle arbeit.
- 20
- Gherechticheit doemt ende benedijt
- Elc wesen na sinen tijt,
- Ende nemt ende gheeft na ghetamen der minnen
- Ende boven verstaen van allen sinnen.
- Der gherechticheit dogde sijn boven natuere 24
- 25
- Ende maken seker die zielen ende puere,
- Ende bi gheenre doghet en mach men bat kinnen
- Dan men in waerheiden es van minnen
- Dat datmen in dogheden jeghen natuere
- Suete smake hevet sonder suere:
- 30
- Dats blide te sine in vernoye,
- Dats in versmaetheyden te hebbenne joye,
- Ende te minnen die u doen quaet.
- Dats seker van minnen die hoechste daet.
|
3 ontsteken werken: werken van barmhartigheid.
4 heymelijc begaen: vertrouwelijk omgaan.
12ev dat...Volwassen: dat de vrucht een voldragen kind zal worden.
|
[p. 136]
-
- Vrient met vrienden, metten bliden blide,
- Dats pleghen van minnen in allen tide;
- Maer dits jeghen natuere, jeghen macht,
- Ende der gherechticheit hoechste pacht,
- 5
- Daer men gode properlijcst bi dreghet
- Ende volcomenlike wassende binnen hevet.
- Die achtende maent es wijsheit van minnen
- Ende hare wesen in allen weghen kinnen:
- Also vele als minne can gheminnen 9
- 10
- Verslendet die wijsheyt al van binnen.
- Die neghende maent es alse wijsheit slint
- Al dat si in minnen mint.
- Dan comt ter minnen gheweldeghe tijt
- Ende stormt alle uren op wijsheit.
- 15
- Als men met allen dat men es
- Ghenoech es der minnen ende ghetes,
- So werdt ter neghender maent gheboren
- Dat kint dat oetmoet hadde vercoren.
- Dan heeft oetmoedicheit haer ghevoech
- 20
- Daer si hare selven es mede ghenoech.
- Tusschen hen tween es dat kint voldreghen
- Dat in die grote stat hevet gheleghen:
- Int diepste van oetmoede, int hoechste der minnen,
- Daer men met allen in allen sinnen
- 25
- Gode dus leeft met alre macht,
- In nuwe minne dach ende nacht.
- So werdet god al datmen levet,
- Want hi inde scriftuere ghesproken hevet,
- So dat hijs niet en mach laten.
- 30
- Hi sal ons meten metter selver maten
- Daer wij hem mede meten. 30ev
- Die dan aldus van minnen beseten
- Sijn in wille, in werke, boven den sinnen
- Te al haren wille ghenoech der minnen,
- 35
- Sal hi dan also meten weder,
|
9 can: op dat ogenblik kan.
30ev Hi...meten: vgl. Mat. 7, 2.
|
[p. 137]
-
- So moet hi hen dat hoghe gheven neder
- Te haren wille, also sij hen gheven,
- Sal hi hen in een al leven;
- Anders ware loghenne die orsate,
- 5
- Sone mate hi niet die selve mate.
- Nu es dit kint volwassen gheboren,
- Dat bi oetmoedicheit was vercoren
- Ende es volwassen in hogher minnen
- Ende .ix. maende voldraghen binnen.
- 10
- Ende elke maent hevet weken viere
- Ende elke seghet ghereide ende chiere 11
- Jeghen den groten hoghen dach
- Dat minne volboren werden mach.
- Dierste weke es macht, dander conste,
- 15
- Die derde wille; ende ghestade onste
- Die volmaect die viere weken
- Ende verwlt de maent sonder ghebreken. 17
- Elc weke es van .vij. daghen.
- Die daghe sijn die sevenne gaven; 19
- 20
- Die moetmen hebben salmen lyden 20
- Die .ix. maende tharen tiden.
- Wijsheit leert watmen doet;
- Verstennesse orcont die werken goet;
- Met rade versteetmen der minnen ghenoech;
- 25
- Met crachte werctmen hare ghevoech;
- Met conste salmen lieves pleghen;
- Met ghenadicheit grote ghichten gheven;
- Met heilegher vresen salmen hoeden
- Al die werken ende met trouwen voeden.
|
11 en elke week betekent voorbereiding en tooi.
19 sevenne gaven: gaven van de Geest.
|
|
|