[p. 138]

Strofische gedichten

Hadewijch is de schepper van een voor haar tijd nieuw genre literatuur: de mystieke minnelyriek.

Verstechnisch gezien stemmen haar Strofische Gedichten goeddeels overeen met de hoofse minneliederen. Naast een hoofs woordgebruik (o.a. avonture en minne), dat echter mystiek geinterpreteerd wordt, treffen we in negen van de hier opgenomen gedichten (no. 1, 5, 12, 14, 15, 17, 26, 29, 35) een Natureingang aan, waarin een conventioneel natuurbeeld, meestal van de lente, wordt opgeroepen, als beeld of antipode van de situatie van Hadewijch. Daarnaast komt in zes gedichten (no. 1, 9, 12, 15, 26, 35) een tripartition voor; d.w.z. dat elke strofe door een ‘snede’ in een ‘kop’ en een ‘staart’ wordt verdeeld, waardoor zij dan syntactisch of logisch in twee delen uiteen valt; de vierof zesregelige ‘kop’ wordt op zijn beurt weer in tweeën gedeeld door een ‘vore’ na respectievelijk de tweede of de derde versregel. Van een tornada, waarin een wens wordt geuit of de inhoud van het gedicht samengevat, maakt Hadewijch vijf maal gebruik als refrein (no. 9, 15, 17, 26, 29). De rijmklanken van een tornada stemmen overeen met die van de laatste versregels van de voorafgaande strofe.

In haar lyriek bezingt Hadewijch de minne, de dynamische relatie tot God. Door objectivering van haar gevoelens probeert zij de minne en haar eigen postie in de wereld te begrijpen. Dat deze objectivering moest geschieden door de morele en anagogische betekenis van haar ervaringen te ontraadselen, was haar door de middeleeuwse cultuur in het hart geschreven. Daarom is de minne voor haar drieledig: eerst is zij een emotie, het ervaren van psychische situaties; vervolgens is zij een morele houding om deze veelal pijnlijke situaties te overwinnen; en ten slotte heeft minne de anagogische betekenis van een totale

[p. 139]

overgave, met als doel te komen tot de vereniging met God. Opgemerkt zij dat minne in deze teksten ook de menselijke partner kan aanduiden.

Het uitgangspunt van de Strofische Gedichten is steeds weer het aanvoelen van de onbestendige relatie tussen haar en God, het wee. Dit wee wordt nog versterkt doordat zij, wanneer zij haar liederen dicht, de minne niet bezit in haar voltooiing. Daarbij wordt het wee nog geïntensiveerd door de herinnering aan betere tijden, aan de vereniging met God.

Strofisch gedicht 1

 Ay, al es nu die winter cout,
 Cort die daghe ende die nachte langhe,
 Ons naket saen een somer stout,
 Die ons ute dien bedwanghe
5
 Schiere sal bringhen: dat es in schine 5  
 Bi desen nuwen jare. 6  
 Die hasel brinct ons bloemen fine;
 Dat es een teken openbare.
 - Ay, vale, vale, milies - 9  
10
 Ghi alle die nuwen tide 10  
 - Si dixero, non satis est - 11  
 Om minne wilt wesen blide.
  
 Ende die van fieren moede sijn, 13  
 Wat storme hen dore die minne
15
 Ontmoet, ontfaense also fijn
 Alse: 15ev   Dit es daer ic al an winne
 Ende winnen sal; God gheve mi al
 Datter minnen best become;
 5  in schine: duidelijk.
 6  jare: jaargetijde.
 9  vale: gegroet - milies: duizendmaal.
 10  nuwen tide: in deze tijd van vernieuwing.
 11  al zou ik het (duizendmaal) zeggen, dan is het nog niet voldoende.
 13  van...moede: geestelijk volwassen.
 15ev  ontfaense...Alse: aanvaarden ze zo volkomen, dat ze denken.


[p. 140]

 
 Na haerre ghenuechten weghe, mesval
 Si mi die meeste vrome. 1ev  
 - Ay, vale, vale, milies -
 Ghi alle die avontuere
5
 - Si dixero, non satis est -
 Wilt doghen om minnen natuere. 4 + 6  
  
 Ay, wat salic doen, alendech wijf? 7  
 Met rechte maghic tghelucke wel haten.
 Mi rouwet wel sere mijn lijf.
10
 Ic en mach minnen noch laten.
 Te rechte mi es beide fel, 11  
 Gheluc ende avontuere.
 Ic dole mijns, en es niemant el. 13  
 Dat scijnt teghen natuere. 14  
15
 - Ay, vale, vale, milies -
 U allen laet dies ontfarmen
 - Si dixero, non satis est -
 Dat minne mi dus laet carmen.
  
 Ay, ic was ie op die minne stout, 19  
20
 Sint icse ierst hoerde noemen,
 Ende verliet mi op hare vri ghewout. 21  
 Dies willen mi allen doemen,
 Vriende ende vreemde, jonghe ende out,
 Dien ic in allen sinnen 24  
25
 Diende ye ende was van herten hout 25  
 Ende onste hen allen der minnen.
 - Ay, vale, vale, milies -
 1ev  als het haar behaagt, moge tegenspoed mij het meest baten.
 4 + 6  avontuere...doghen: alles wilt wagen.
 7  salic: zal ik.
 11  Te rechte: Waarlijk.
 13  Ik ben radeloos als geen ander.
 14  teghen natuere: onmenselijk.
 19  Ach, ik vertrouwde altijd op de minne.
 21  hare...ghewout: haar eigenzinnige macht.
 24  in...sinnen: in alle opzichten.
 25  ende...hout: en die ik een warm hart toedroeg.


[p. 141]

 
 Ic rade hen datsi niene sparen, 1  
 - Si dixero, non satis est -
 Hoe ic hebbe ghevaren. 3  
  
 Ay arme, ic en mach mi selven niet
5
 Doen leven noch sterven. 5  
 Ay soete God, wat es mi ghesciet,
 Dat mi die liede bederven?
 Lietense u mi allene doch slaen,
 Ghi soudet best gheraden 9  
10
 Na rechte al dat ic hebbe mesdaen, 10  
 Ende bleven buten scaden, 11  
 - Ay, vale, vale, milies -
 Die Gode niet ghewerden en laten 13  
 - Si dixero, non satis est -
15
 Ende niet en minnen ende haten. 15  
  
 Die wile dat si sijn over mi, 16  
 Wie sal hare lief dan minnen?
 Si ghinghen bat hare weghe vri, 18  
 Daer si u leerden kinnen.
20
 Si willen u te hulpen staen
 Met mi, dies clene behoeven. 21  
 Ghi cont na recht soenen ende slaen
 Ende met claerre waerheit proeven.
 - Ay, vale, vale, milies -
25
 Alle die met Gode plechten 25  
 1  niene: niet.
 3  hoe het mij ook vergaan is.
 5  Doen: laten.
 9  Gij zoudt het beste beoordelen.
 10  Na rechte: naar recht.
 11  en zij zouden schuldeloos blijven.
 13  niet...laten: niet laten begaan.
 15  en Zijn gerechtigheid niet eerbiedigen (zie Br. 17).
 16  sijn over: zich bezig houden met.
 18  Beter kozen zij voor de beschikkingen van de minne (zie r. 21, p. 140).
 21  Met mi: in mijn geval - dies...behoeven: die het weinig past.
 25  met...plechten: Gods norm aanvaarden.


[p. 142]

 
 - Si dixero, non satis est -
 In soenen ende in rechten.
  
 Ay, Salamon ontradet dat werc, 3  
 Dat wij niet en ondersoeken
5
 Die dinghen die ons sijn te sterc, 5  
 Noch dat wi niet en roeken
 Hogher dinghen dan wij sijn,
 Dat wij die ondervenden, 7-8  
 Ende laten ons die minne fijn 9  
10
 Vri maken ende benden.
 - Ay, vale, vale, milies -
 Die ter hogher minnen rade
 - Si dixero, non satis est -
 Volclemt van grade te grade. 14  
  
15
 Der menschen sinne sijn so clene,
 Daer mach God wel vele boven.
 God es van allen wijs allene.
 Dies salmen alles hem loven
 Ende laten hem sijn ambacht doen
20
 In wreken ende in ghedoghen.
 Hem en es gheen werc so verre ontvloen,
 En comt hem al vore oghen. 22  
 - Ay, vale, vale, milies -
 Die hen der minnen volgheven
25
 - Si dexero, non satis est -
 Ende haren oghen ghenoech volleven. 26  
  
 God moet ons gheven nuwen sin 27  
 3  dat werc: wordt geëxpliciteerd in 4-8 (vgl. Eccl. 3, 22).
 5  te sterc: te machtig.
 7-8  dingen die ons te boven gaan, omdat wij daarvan het fijne willen weten (zie Vis. 8).
 9  Ende: maar dat wij.
 14  van...grade: stap voor stap.
 22  En: of het.
 26  en zo volmaakt leven dat ze gevallig zijn in haar ogen.
 27  moet: moge.


[p. 143]

 
 Ter edelre minnen ende vrie,
 Dat wij so nuwe leven daer in, 2  
 Dat ons die minne benedie
 Ende nuwe make met nuwen smake,
5
 Die si can nuwe volgheven.
 Die minne es nuwe gheweldeghe orsate 6  
 Dien, die der minnen al nuwe volleven. 7  
 - Ay, vale, vale, milies -
 Dat nuwe der nuwer minnen
10
 - Si dixero, non satis est -
 Dat nuwe wilt nuwe bekinnen. 9 + 11  
 2  dat: opdat.
 6  nuwe...orsate: telkens weer een krachtige beloning.
 7  al nuwe: geheel vernieuwd.
 9 + 11  de eindeloze vernieuwing van de ware minne, wil deze vernieuwing telkens weer opnieuw met ijver beoefenen.

Strofisch gedicht 5

 Al droevet die tijt ende die vogheline,
 Dan darf niet doen die herte fine 13  
 Die dore minne wilt doghen pine.
15
 Hi sal weten ende kinnen al,
 Suete ende wreet,
 Lief ende leet,
 Wat men ter minnen pleghen sal. 18  
  
 Die fiere die daer toe sijn ghedeghen 19  
20
 Dat si onghecuster minnen pleghen, 20  
 Si selen in allen weghen daerjeghen 21  
 Stout sijn ende coene
 13  Dan...niet: dat mag niet - herte: het hart is de zetel van de liefdesbeleving van de mens.
 18  ter...sal: moet doen om de minne te dienen.
 19  ghedeghen: uitgegroeid.
 20  onghecuster...pleghen: zich bezighouden met minne, die niet bevredigt.
 21  in...weghen: in alle opzichten.


[p. 144]

 
 Ende al ghereet te ontfaen,
 Si troest, si slaen, 2  
 Van minnen doene. 3  
  
 Der minnen pleghen es onghehoert, 4  
5
 Als hi wel kint dies hevet becoert, 5  
 Want si in midden den troest testoert. 6  
 Hine can ghedueren
 Dien minne gheraect;
 Hi ghesmaect
10
 Vele onghenoemder uren.
  
 Bi wilen heet, bi wilen cout, 11  
 Bi wilen bloede, bi wilen bout:
 Hare onghedueren es menichfout.
 Die minne al maent 14  
15
 Die grote scout
 Haerre riker ghewout
 Daer si ons toe spaent. 17  
  
 Bi wilen lief, bi wilen leet,
 Bi wilen verre, bi wilen ghereet:
20
 Die dit met trouwen van minnen versteet,
 Dat es jubileren:
 Hoe minne versleet
 Ende ommeveet
 In een hanteren. 20ev  
 2  Si...si: hetzij...hetzij.
 3  doene: handelwijze.
 4  Der...pleghen: de handelwijze van de minne.
 5  dies...becoert: die het ondervonden heeft.
 6  in midden: halverwege.
 11  Bi wilen: soms.
 14  al maent: eist helemaal op.
 17  bijvoeglijke bepaling bij ghewout.
 20ev  Die...hanteren: wie met volharding van de minne verdraagt, dat zij hem nu eens ontwijkt, dan weer omarmt, die is door zielsverrukking overstelpt.


[p. 145]

 
 Bi wilen ghenedert, bi wilen ghehoghet,
 Bi wilen verborghen, bi wilen vertoghet:
 Eer selc van minnen wert ghesoghet, 3  
 Doghet hi grote avontuere,
5
 Eer hi gheraect
 Daer hi ghesmaect 6  
 Der minnen natuere. 7  
  
 Bi wilen licht, bi wilen swaer,
 Bi wilen doncker, bi wilen claer,
10
 In vrien troest, in bedwonghenne vaer, 10  
 In nemen ende in gheven
 Moeten die sinne 12  
 Die dolen in minne,
 Altoes hier leven.
 3  selc van: iemand door.
 6  Daer: waar.
 7  Der...natuere: het wezen van de minne.
 10  bedwonghenne vaer: verstikkende angst.
 12  die sinne: nl. de mensen.

Strofisch gedicht 9

15
 Altoes mag men van minnen singhen, 15  
 Eest herfst, eest winter, eest linten, eest zomer, 16  
 Ende jeghen hare ghewout verdinghen,
 Want en ontsteet hare niemen vromer. 18  
 Maer wi, traghe, segghen dicke in comer: 19  
20
 Soude si mi also na bedwinghen? 20  
 Ic mach mi metten ghenen minghen 21  
 Die rasten hebben gheploen 22  
 15  mag men: is het mogelijk.
 16  Eest: is het.
 18  want haar ontwijkt geen dappere.
 19  in comer: bezorgd.
 20  Zou zij mij zo in het nauw brengen?
 21  mach: wil.
 22  die gekozen hebben voor rust.


[p. 146]

 
 Ende bliven thuus. Waer mochtic
 Gaen omme mijn verdoen? 1ev  
  
 Die nedere metten armen sinnen, 3  
 Die sijnt die den cost ontsien,
5
 Dat si hen scouwen van der minnen, 5  
 Daer hen al goet af soude ghescien.
 Ocht si hen vanden dienste ontien, 7  
 Nemen dat sire ane winnen.
 Trouwe salse toenen ende arm doen kinnen 9  
10
 Vore der minnen rike al bloet. 10  
 Dese sijnt die dat hare verdaden
 Sonder der minnen noet. 12ev  
  
 Die gherne woude doghen tsuete ellende,
 Die weghe ter hogher minnen lant,
15
 Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende.
 Dies gheeft die trouwe zeghel ende pant. 16  
 Nu es menich dorpre so truwant:
 Hi neemt dat hem es naest ghehende 18  
 Ende blijft vore minne die onbekinde 19  
20
 Metter truwanten cleet. 20  
 Soe en heeft hi vorme noch ere,
 Daer minne dat hare bi versteet. 21ev  
 1ev  Waer...verdoen?: Waarom zou ik me in het verderf gaan storten?
 3  De kleinmoedigen met hun armzalige gevoelens.
 5  Dat...van: zodat zij zich onttrekken aan.
 7  Nemen: nemen zij aan.
 9  Trouw zal ze duidelijk maken dat ze armzalig zijn.
 10  al bloet: zeer duidelijk.
 12ev  dat...noet: hun mogelijkheden verkwanselden zonder daartoe genoodzaakt te worden door de minne.
 16  zeghel...pant: verzegeld onderpand.
 18  dat...ghehende: waar hij het gemakkelijkst aankomt.
 19  Ende: maar.
 20  vgl. Mat. 22, 1-14.
 21ev  vorme...versteet: noch de gedaante noch het eerbewijs, waaraan de minne wat haar eigen is, herkent.


[p. 147]

 
 Scone ghelaet ende scone cleder
 Ende scone redene scieren den man.
 Al doghen om minne ende niet te wreder, 3  
 Dat es scone ghelaet, die dat wel can;
5
 Die werke sijn die cleder dan,
 Met nuwen niede ende niet te ghemeder, 6  
 Ende den vremden te aller noet ghereder
 Dan ane sijns selfs bekinnen. 7-8  
 Dats varuwe, die tekene scieren 9  
10
 Alre meest vore hogher minnen. 10  
  
 Vorwaerdeghe wort ende grote ghichten 11  
 Buten huus ende scone cost daer binnen
 Eren den man meest ende verlichten.
 Hier bi machmenne best bekinnen. 14  
15
 Alsoe eest oec met hen die minnen: 15  
 Eest dat si inder waerheit stichten 16  
 Ende met scoenre cost daer binnen dichten, 17  
 Alsoet minnen best betame, 18  
 Ende gheven al minne om minne,
20
 Die ghichte es minnen best bequame.
  
 Ic segghe van minnen ende rade 21  
 Ghecierden cost ende hoghe daet.
 Dat trouwe soude ghelden dat minne verdade, 23  
 Dats meneghen cleyne toeverlaet
 3  niet...wreder: zonder verbittering.
 6  niet...ghemeder: zonder zelfvoldaanheid.
 7-8  zo staat men meer klaar voor alle noden van vreemden dan voor die der vrienden.
 9  Dats...tekene: Dat is de kleur, de (herkennings) tekens die.
 10  vore: in de ogen van.
 11  wort: woorden.
 14  machmenne: kan men hem.
 15  eest: is het.
 16  als zij naar waarheid leven.
 17  daer...dichten: hun levensritme bepalen.
 18  Alsoet: zoals het.
 21  segghe van: spreek over.
 23  dat: wat.


[p. 148]

 
 Die inden bande van minnen staet, 1  
 In ongebrukenne ende in onghenade.
 Die minne loent altoes al comt si spade,
 Dats daertoe mine saghe.
5
 Die hare volghen, si liden
 Meneghen nacht bi daghe. 5ev  
  
 Wie soude van minnen altoes geprisen,
 Die ghevet bi daghe so meneghen nacht?
 Dien si soude cleden, eren ende spisen,
10
 Dien doet si al ute sijnre macht. 10  
 Die gherne goude der minnen pacht, 11  
 Soudsi in allen rechte wisen, 12  
 Ende met trouwen zeghele so hoghe doen risen 13  
 Daer lief mochte lief hantieren,
15
 Ende in allen ghebrukene van minnen
 Eren ende chieren.
  
 Dat scoenste hanteren dat minnen dochte
 Dat ware 17ev   lief met lieve so doremint,
 Dat lief met minnen so lief doresochte,
20
 Dat hem el niet en ware bekint
 Dan: Ic ben die minne met minnen verwint.
 Maer hi waer meer verwonnen die minne vervochte
 Ende dan in minnen te nieute werden mochte. 23  
 Die cracht ghinghe als te voren; 24  
25
 Die hoghe materie, daeraf wardt minne 25  
 Van yersten gheboren. 26  
 1  die door de minne beheerst wordt.
 5ev  si...daghe: hun dagen zijn vaak niets dan ellende.
 10  doet...ute: berooft zij helemaal van.
 11  goude...pacht: de tol der liefde betaalt.
 12  zou ze naar alle rechtvaardigheid de weg moeten wijzen.
 13  met...zeghele: als een trouw bevondene.
 17ev  minnen...ware: de minnaar zich kan indenken, zou zijn.
 23  in...werden: in liefde verteerd worden.
 24  als...voren: alles te boven.
 25  hoghe materie: hoogstaande onderneming.
 26  Van yersten: pas.


[p. 149]

 
 Maer wij, lichtecope metten lichten sinne,
 Ons duncken minnen vare swaer,
 Wij sijn nieloep met clenen ghewinne. 3  
 Dies darven wij minnen clare waer.
5
 Ic weet al en wetict niet al daer
 Daer mens 5ev   ghebruket in weelden van minnen;
 Maer verlichte redenne doet al bekinnen -
 Hoe men minnen ghenoech volsteet.
 Daer en es redenne te waer
10
 Noch werc te swaer ende al nuwe ghereet. 9-10  
  
 Refrein:
 Die vroech hare claer
 Hebben openbaer 11ev  
 Ende saen hare bliscap kinnen
 Ende glorieren daer binnen,
15
 Eest dat hen wel vergheet, 15  
 So hebbense, god weet,
 Vele beteren coep der minnen
 Dan icker noch weet. 18  
 3  wij jagen het nieuwe na, waarvan wij weinig voordeel hebben.
 5ev  al...mens: al weet ik het niet zoals wie het.
 9-10  Daarvoor is geen enkel inzicht juist genoeg en ook geen enkele inspanning te zwaar en men staat steeds voor een nieuwe inspanning klaar.
 11ev  hare...openbaer: weten waar ze met haar precies aan toe zijn.
 15  Eest: indien.
 18  noch: tot nu toe.

Strofisch gedicht 12

 Nu es die edele tijt gheboren
20
 Die ons bloemen sal brenghen int lant.
 So sijn die edele die sijn vercoren
 Te draghenne dat joc, der minnen bant.
 Hen bloeit altoes die trouwe in hant 23  
 Ende edele bloemen met diere vrocht. 24  
 23  in hant: gemakkelijk.
 24  Ende: zoals.


[p. 150]

 
 Daer werdt met trouwen dwort doresocht, 1  
 Daer blivet die minne ghestade
 Met eenre vrienscap al doreknocht 3  
 Int hoechste van minnen rade.
  
5
 Mijn joc es soete, mine bordene es licht, 5  
 Seghet selve die minnare es der minnen.
 Dit word hadde hi in minnen ghedicht.
 Daer buten en mach ment niet waer kinnen, 8  
 Alsoe ic mi can versinnen.
10
 So es hen lichte bordene swaer
 Ende si doghen meneghen vremden vaer,
 Die buten minnen wonen.
 Want der knechte wet es vaer,
 Maer minne es wet der sonen.
  
15
 Welc es die bordenne licht in minnen
 Ende dat joc dat soe soete smaket?
 Dat es dat edele draghen van binnen, 17  
 Daer minne die lieve met gheraect
 Ende met enen wille so enich maect, 19  
20
 Met enen wesenne, sonder keer. 20  
 Begherten diepheit scept emmermeer
 Ende dat sceppen drincket al die minne. 21-22  
 Die scout, die minne maent der minnen, 23  
 Gheet boven menschen sinne.
  
25
 Het ne mochte nie herte noch sin gheraden 25  
 1  dwort: vgl. r. 5.
 3  met een hechte vriendschap duurzaam verbonden.
 5  zie Mat. 11, 30.
 8  waer kinnen: ten volle beseffen.
 17  Dat is de edele bevruchting.
 19  enen: één.
 20  sonder keer: voor altijd.
 21-22  De diepte van de begeerte schept steeds meer uit en wat uitgeschept is drinkt de minne helemaal op.
 23  der minnen: de minnaar.
 25  Het...nie: Nooit zou kunnen.


[p. 151]

 
 Hoe hi sijn lief met minnen anestaert,
 Dien minne met minnen heeft verladen. 2  
 Want hi ene ure niet en spaert,
 Eer hi met minnen al dorevaert,
5
 Hine stare met trouwen in minnen fijn. 5  
 Want sine vonnessen moeten al sijn
 Ghelesen in minnen anscine.
 Ende daer siet hi claer waer sonder schijn
 In meneghe suete pine.
  
10
 Hi siet in claerheden dat die mint
 Met volre waerheit pleghen moet.
 Als hi met waerheiden dan bekint
 Dat hi der minnen te lettel doet, 13  
 Verstormt met pinen sijn hoghe moet, 14  
15
 Want in minnen anscine nemt hi al 15  
 Hoe minne der minnen pleghen sal. 16  
 Ende dat vonnesse suet die pine
 Ende doet hem gheven al om al 18  
 Om der minnen ghenoech te sine.
  
20
 Die hen in minnen ghenoech dus gheven,
 Wat groter wondere sal hen ghescien?
 Si selen met minnen ane minne een cleven
 Ende selen met minnen al minne doresien
 Ende met haren verhoelnen aderen al tien 24  
25
 Int conduut daer minne haer minne al scincket
 Ende met minnen hare vriende al dronken drinket 26  
 In wondre vore haren woeden. 27  
 2  bijvoeglijke bepaling bij hi.
 5  Hine stare: en hij mag schouwen.
 13  te lettel: te kort.
 14  probeert zijn edele gezindheid dit met grote inzet ongedaan te maken.
 15  nemt: aanvaardt.
 16  der...pleghen: de minne dienen.
 18  gheven...al: alles op alles zet.
 24  al tien: helemaal uitlopen.
 26  dronken drinket: dronken maakt.
 27  in verwondering over haar (de minne) hartstochtelijkheid.


[p. 152]

 
 Dat blijft den vremden al ontwincket,
 Ende openbaer den vroeden. 2  
  
 God geve hen allen die minne begheren
 Dat si der minnen also ghereden,
5
 Dat si al op hare rike teren,
 Dat si minne in hare moghen minne gheleden. 6  
 So en mach hen biden vremden wreden
 Nemmer messchien, sine leven so vri 8  
 Alse: Ic al minnen ende minne al mi.
10
 Wat mach hen dan meer werren?
 Want in hare ghenaden staen si:
 Die sonne, die mane, die sterren. 11-12  
 2  Ende openbaer: en is duidelijk voor.
 6  moghen...gheleden: tot volledige bloei mogen brengen.
 8  sine: wanneer zij maar.
 11-12  Want in het licht van haar genade staan zij: hun dagen en nachten zijn nu vol licht.

Strofisch gedicht 14

 Ten blijdsten tide vanden jare,
 Dat alle voghele singhen clare 14  
15
 Ende die nachtegale openbare
 Ons maket hare bliscap cont, 16  
 So heeft die herte meest sware 17  
 Die edele minne hevet ghewont.
  
 Hoe mach die edele sin gheduren, 19  
20
 Ja, edelst alre creaturen,
 Diet hoechste moet minnen bi naturen 21  
 Ende dan sijn lief niene hevet? 22  
 Alsenne der minnen strale ruren, 23  
 So gruwelt hem dat hi levet.
 14  Dat: wanneer.
 16  maket...cont: ...verkondigt.
 17  heeft...sware: is...wanhopig.
 19  sin: ziel.
 21  bi naturen: van nature.
 22  niene: niet.
 23  Alsenne: Als hem.


[p. 153]

 
 In allen tiden als ruert die strale 1  
 Meerret hi die wonde ende brenghet quale.
 Alle die minnen kinnent wale 3  
 Dat emmer deen moet sijn: 4  
5
 Suetecheit ochte smerte ochte beide te male 5  
 In dreeft vore minnen anschijn.
  
 Hoe mach hen gruwelen dan die minnen 7  
 Ende hen dus in minnen verloren kinnen. 8  
 Si sijn verwonnen dat si verwinnen 9  
10
 Dat onverwonnen groot,
 Dat hen alle uren doet beghinnen
 Dat leven in nuwer doot.
  
 Hier ne mach hare minne dan niet gheweren. 13  
 Men moet hare rike, hare cracht verteren
15
 Hoese oec te niete in minnen vervaren. 15  
 Dats den vremden oncont.
 So si die zale hogher begharen,
 So diepere wielt die gront. 17ev  
  
 In recht van minnen es opghedreghen: 19  
20
 Die den slach sleet wert selve ghesleghen,
 Dat licht werdt even sware gheweghen, 21  
 Die cracht wert ierst verwonnen,
 Dat rike comt ons hier selve jeghen, 23  
 Vore alle die minnen connen. 24  
 1  In...als: Telkens wanneer hem.
 3  kinnent: weten het.
 4  deen: dit ene.
 5  te male: tesamen.
 7  Hoe...hen: Hoe moet het hen dan wel.
 8  Ende...dus: wanneer zij zich zo.
 9  dat: totdat.
 13  minne: de minnaar.
 15  hoe ze ook ten gronde gaan in de minne.
 17ev  So...So: Hoe...des te; nl. hoe meer men begeert, des te meer men lijden moet.
 19  In het wetboek van minne zijn dit gulden regels.
 21  licht en zwaar worden gelijk gewogen.
 23  comt...jeghen: komt...tegemoet.
 24  Vore alle: dit geldt voor allen.


[p. 154]

 
 Maer dier es luttel die om al minne al minnen,
 Ende noch men, 1ev   die minne met minnen versinnen.
 Dies selense alte spade ghewinnen
 Dat rike ende den hoghen raet
5
 Ende dat kinnesse dat minne doet kinnen
 Dien die hare ter scolen gaet.
  
 Hets jammer groet dat wij dus dolen
 Ende ons die hoghe wise blijft verholen,
 Die minne den meesteren heeft bevolen
10
 Die lesen in minne fijn.
 Die hoechste lesse inder minnen scolen
 Dats hoe men minnen ghenoech mach sijn.
  
 Maer die wel te voren termineren, 13  
 Al eest dat si dan jubileren
15
 Ende met salueerne feesteren
 Hare lief in cortere stont,
 Opdat si met doghenne concorderen, 17  
 Hen wert die scole wel cont.
  
 Maer die hier met lieve willen juwieren
20
 Ende met ghevoelne dan ballieren 20  
 Ende met ghenoechten daerinne basieren,
 Ic segghe hen wel te voren:
 Si moeten hen wel met doechden chieren,
 Ochte daer es die scole verloren.
  
25
 Maer die met waerheiden in minnen dichten
 Ende met clare redene dan verlichten, 26  
 Daer sal die minne hare scole in stichten.
 Die selen meestere wesen
 1ev  Maer...men: Maar van diegenen die om de totale minne met volledige inzet minnen, is het aantal gering, maar nog minder is het aantal van hen.
 13  die wel: zij die echter - termineren: nl. voordat men de minne voldoening schenkt.
 17  indien zij zich in het lijden schikken.
 20  met ghevoelne: met tastbaar genot.
 26  met...verlichten: met verlichte rede werken.


[p. 155]

 
 Ende ontfaen der minnen hoechste ghichten,
 Die wonden sonder ghenesen. 1-2   2  
  
 Die minne dus ghicht met haren wonden 3  
 Ende toent die wijtheit hare conden, 4  
5
 Die nied houdse open ende onghebonden 5  
 Daer se minne met storme doresiet.
 Al gruwelt hen dan den onghesonden, 7  
 Dat en darf ons wonderen niet.
  
 Die minne met allen dus hevet dorewaden, 9  
10
 Met diepen honghere, met vollen saden,
 Hem en mach dorren noch bloyen scaden
 Noch hulpen tijt engheen.
 In diepste ghewat, ten hoechsten graden 13  
 Blijft hare wesen in een. 14  
 1-2  paradox van heil door lijden.
 2  sonder ghenesen: ongeneeslijk.
 3  Die: Wie.
 4  die...conden: de uitgestrektheid van wat in haar (de minne) te kennen is.
 5  Die...houdse: in hen houdt het verlangen de wonden.
 7  gruwelt hen: gruwelt het.
 9  met allen: in al haar facetten.
 13  ten...graden: op de hoogste toppen.
 14  in een: onveranderlijk.

Strofisch gedicht 15

15
 Al es die tijt blide overal
 Ende al es groene berch ende dal,
 Dat wert hem wel clene in scine 17  
 Die ter minnen hevet ongheval.
 Ic en weet wies hi verbliden sal. 19  
20
 Hem es alle bliscap pine.
 Dat en es gheen wonder:
 Alse hi es sonder
 17  dat is voor hem duidelijk weinig waard.
 19  wies: hoe.


[p. 156]

 
 Sijns liefs, na sijn begheren, 1  
 Ende hi niet en hevet 2  
 Daer hi bi levet, 3  
 Waerop soude hi dan teren?
  
5
 Die op minne teret al sonder spoet, 5  
 Wat hi ghedoghet in orewoet,
 Dat mach allene bekinnen
 Die hem ter minnen verlaet al goet 8  
 Ende dan van hare blivet onghevoet.
10
 Hem es wel wee ter minnen, 10  
 Want hi bernet sware
 In hope ende in vare
 Altoes met nuwen uren;
 Want al sijn begheren
15
 Es voeden ende teren 15  
 Ende ghebruken minnen natueren.
  
 Die dus in hongher van minnen leven
 Ende noch ghebruken es ontbleven, 18  
 Ay, wie mach hen gheloven?
20
 Want si hen een ane minne al cleven. 20  
 Als hen dan minne hare soude al gheven,
 So wordet een beroeven
 Ende so roerste een vaer. 23  
 Ay amabaer, 24  
25
 Waer salic, arme, henen?
 Eert mi dus quam, 26  
 1  na...begheren: naar wie hij verlangt.
 2  niet: niets.
 3  waarmee hij zijn leven kan vullen.
 5  sonder spoet: tevefgeefs.
 8  al goet: oprecht.
 10  voor hem is zeer pijnlijk het beoefenen van de minne.
 15  voeden: zich voeden met.
 18  noch: nog steeds.
 20  een...al: geheel en al aan minne.
 23  roerste: bevangt hen.
 24  amabaer: uitroep van smart: ik wérd bemind.
 26  Eer het voor mij zover kwam.


[p. 157]

 
 Ay utinam, 1  
 Hadde si mi doch doet gherenen. 2  
  
 Dit es een wee wel onbekint.
 Het ne werdt van vremden nie ghemint.
5
 Ghenoechten eest te sware,
 Want si hare alle uren daertoe went 6  
 Dat si hare an ghebruken bint
 In vriheiden sonder vare. 8  
 Maer redene claer
10
 Hevet ommaer. 10  
 Het dunct hare een keren,
 Eer si 11ev   opclemt
 Daer si volvent
 Hare lief ter hoechster eren. 14  
  
15
 Minne wilt al minne, sine wilt niet beiden.
 Si wilt al uren in suetheit weiden,
 In weelden na hare begherte. 17  
 Redenne heetse merren na ghereiden 18  
 Ende vriheit wilse te hant gheleiden 19  
20
 Daerse met lieve .i. werde.
 Dus ghedane storme 21  
 Maken eyse in vorme. 22  
 Dats onbekent den vremden,
 1  utinam: uitroep bij een onvervulbare wens.
 2  had zij mij toch door haar aanraking gedood (hoofdzin).
 6  daertoe went: erop richt.
 8  in onbevangen vrijheid.
 10  wil daar niets van weten.
 11ev  een...si: een achteruitgang, zolang zij niet.
 14  ter...eren: in zijn hoogste heerlijkheid.
 17  na...begherte: zoals zij begeert.
 18  na ghereiden: tot ze daarop is voorbereid.
 19  Ende: maar - te hant: ogenblikkelijk.
 21  Dus ghedane: Dergelijke.
 22  brengen vreugde tot stand.


[p. 158]

 
 Die alre doet
 Vore minnen noedt 1-2  
 Te smakenne nie en gheteemden.
  
 Daer minne die jonghe met nuwen troest, 4  
5
 So wanen si dan al sijn verloest,
 So sijn si alse te hove 6  
 Ende leven hen selven alrevroest 7  
 Ende wanen hebben voldaen die joest
 In allen vollen love. 9  
10
 Alse hen dan hare redenne wect
 Ende si hen dat werc ontdect
 Dat si hebben te doene
 Met nuwen moede,
 Werden si bloede
15
 Die teersten waren coene. 15  
  
 Ay minne, die fine doghet,
 Die alles es voghet 17  
 Ende alle dinc mach dwinghen,
 Si moete hare melden
20
 Ende si sal ons ghelden.
 Sine sal ons niet ondringhen.
 Die alle rouwen
 Gesmaken met trouwen,
 Si moghen wel blide singhen.
  
 Refrein:
25
 Dats yemant twivelt, dats grote scade: 25  
 Minne loent altoes al comt si spade.
 1-2  die de volledige versterving waartoe de minne noodzaakt.
 4  die...nuwen: de jonge minnaars steeds opnieuw.
 6  alse...hove: als aan het hof.
 7  hen...alrevroest: in hun eigen ogen allervergenoegdst.
 9  met het volste recht op hoge lof.
 15  teersten: aanvankelijk.
 17  es voghet: voogd is over.
 25  Dats: Dat daaraan.


[p. 159]

 
 Die hen te hare verlaten
 Ende volghen haren hoechsten rade
 Ende bliven inden nied ghestade,
 Si saelt met minnen orsaten. 4  
 4  saelt: zal het.

Strofisch gedicht 17

5
 Als hem die tijt vernuwen sal,
 Nochtan es berch ende dal
 Wel doncker ende ontsiene overal.
 Doch gheet die hasel bloyen.
 Al hevet die minnare ongheval,
10
 Hi sal in allen groyen. 10  
  
 Wat hulpet hem bliscap ochte tijd,
 Die gherne in minnen name delijt
 Ende niet en vint inder werelt wijt 13  
 Daer hi met trouwen op mach rusten 14  
15
 Ende vri toe seghhen: Lief, ghi sijt 15  
 Die minen gront mach custen. 16  
  
 Wat mach hem bliscap ommevaen,
 Die minne in hachten heeft inghe ghedaen 18  
 Ende die de wijdde van minnen woude ommegaen 19  
20
 Ende vri ghebruken in trouwen?
 Meer dan sterren anden hemel staen
 Hevet die minne dan rouwen.
  
 Dat ghetal diere rouwen moet sijn ghesweghen,
 10  in allen: in alle opzichten.
 13  Ende: maar deze.
 14  met trouwen: waarachtig.
 15  sijt: bent het.
 16  die mijn diepste verlangen kan bevredigen.
 18  heeft...gedaen: zijn vrijheid heeft ontnomen.
 19  Ende die: terwijl hij.


[p. 160]

 
 Die grote sware waghen bliven ongheweghen,
 Daer ne gheet gheen ghelike jeghen. 2  
 So eest best dat mens begheve. 3  
 Al es mijn deel clene, ic hebber verdreghen. 4  
5
 Mi gruwelt dat ic leve.
  
 Hoe mach hem gruwelen ende rouwen tleven,
 Die sijn al hevet op al ghegheven 7  
 Ende in donckeren dole wert verre verdreven
 Daer hi meer ne waent doen kere, 9  
10
 Ende in onthopenden storme al wert tewreven. 10  
 Wat rouwen gheliket dien sere?
  
 Ay ghi fiere, die als met minnen ghestaet 12  
 Ende vri leeft in hare toeverlaet,
 Ontfarmt der verdeylder, die minne verslaet 14  
15
 Ende met onthopenden ellende gheet nopen. 15  
 Och, die raets mach pleghen leve vri in raet; 16  
 Mijn herte levet in onthopen.
  
 Want ic sach ene lichte wolke opgaen
 Over 18ev   alle swerke, so scone ghedaen, 19  
20
 Ic waende met volre weelden saen 20  
 Vri spelen in die sonne.
 Doen wardt mijn hoghe maer een waen. 22  
 Al storvic, wie es dies mi wanconne? 23  
 2  Niets kan daarmee vergeleken worden.
 3  mens: men dit.
 4  deel: namelijk van de rouwen en de waghen.
 7  die alles op alles heeft gezet.
 9  waarvan hij niet meer denkt terug te komen.
 10  onthopenden storme: storm van hopeloosheid.
 12  als. alles.
 14  die: lijdend voorwerp.
 15  onthopenden ellende: tot wanhoop leidende ellende.
 16  raets...pleghen: uitkomst weet.
 18ev  opgaen Over: uitrijzen boven.
 19  scone ghedaen: mooi gevormd.
 20  met...weelden: in volle zaligheid.
 22  hoghe maer: blijde verwachting.
 23  es...wanconne: zou het mij kwalijk nemen.


[p. 161]

 
 Doen sweec mi nacht over den dach. 1  
 Dat ic ye was gheboren, o wach.
 Maer die sijn al ghevet op minnen sach,
 Met minnen saelt wel orsaten noch minne. 3-4  
5
 Al bennic weder onder den slach, 5  
 God troest alle edele sinne. 6  
  
 Die minne es in allen beghinne ghenoech. 7  
 Doe mi minne eerst minnen ghewoech, 8  
 Ay, hoe ic met al hare al beloech. 9  
10
 Doen deedse me haesselen slachten
 Die in deemsteren tide bloyen vroech
 Ende men langhe hare vrocht moet wachten. 12  
  
 Die beiden mach, hem es wel ghesciet,
 Tote dat minne sijn alle met al versiet. 13-14  
15
 Ay god, dies en achtic niet, 15  
 Maer ic bens meer dan te ghemeder. 16  
 Der minnen ic doch mi selven al liet, 17  
 Maer mi dede dat wee al leder. 18  
  
 Dat es den minnare al te swaer,
20
 Na minne te dolen ende hine weet waer,
 Het si in deemsterheit ende in claer,
 In abolghe ochte in minne. Gave minne
 1  sweec mi: zonk voor mij neer.
 3-4  Maar wie alles op alles zet in vertrouwen op de minne, hem zal de minne nog wel met minne belonen.
 5  onder...slach: in onheilspellend gevaar.
 6  edele sinne: edelgezinden.
 7  De minne schenkt in het begin altijd voldoening.
 8  minnen ghewoech: van de minne gewaagde.
 9  met...al: met geheel mijn wezen alles wat minne impliceert.
 12  Ende: hoewel.
 13-14  Wie wachten kan totdat minne zijn gehele wezen totaal bevredigt, hij is gelukkig.
 15  dies: daarop.
 16  ik ben er alleen maar des te verheugder om.
 17  liet: gaf over aan.
 18  al leder: steeds maar meer pijn.


[p. 162]

 
 Hare ghewareghe troeste openbaer,
 Dat custe alendeghe sinne.
  
 Ay, liet mi mijn lief lieve van minne ontfaen,
 Daeromme en worde minne niet al verdaen,
5
 Ende so en ware gheen hoghe maer een waen,
 Dat waer groot jammer dat het ghesciede. 6  
 Ay, den edelen fieren doe god verstaen
 Wat selke scade bediede.
  
 Ay, wat ic meine ende hebbe ghemeent,
10
 Heeft god den edelen wel versceent
 Dien hi quale van minnen heeft verleent
 Omme ghebruken van minnen natuere.
 Eert al met al wert vereent,
 Smaect men bitteren suere.
  
 Refrein:
15
 Der minnen comen troest, hare ophouden versleet. 15  
 Dat swert die avontuere. 16  
 Ay, hoe men al met al beveet, 17  
 Dat en weten ghene vremde ghebuere. 18  
 6  dat: als.
 15  ophouden: nl. met komen.
 16  swert: verzwaart.
 17  al...beveet: het al in zijn totaliteit verwerft.
 18  vremde ghebuere: de goddelozen.

Strofisch gedicht 26

 Al es verdruevet dach ende tijt,
20
 Dies si al god ghebenedijt.
 Men saelt saen beter scouwen.
 Lief, dat ghi mi te verre sijt
 Ende ane u steet al mijn delijt, 23  
 Dat sijn ghestade rouwen.
 23  Ende...steet: terwijl van u afhangt.


[p. 163]

 
 Dat es wel recht:
 Miere herten licht
 Daer ic bi soude leven,
 Doelt na u al. 2-4  
5
 Siet wat ic sal. 5  
 Mi en es een twint niet bleven. 6  
  
 Ay, wat soude mi iet, lief, dan al ghi? 7  
 Dat ic u niet en volhebbe, dats mi, 8  
 Ende ghenoech niet en mach volgheven 9  
10
 Gherechte minne fier ende vri.
 Wat men u gave dat iet min si,
 Dat ware vore u groet sneven.
 Want ghi wilt al minne
 Met herten ende met sinne
15
 Ende met geheelre zielen.
 Die wanen minnen
 Sonder beghinnen, 17  
 Dat warense ye die vielen. 18  
  
 Die coneghinne van Saba
20
 Si volgde Salamoene na. 19-20  
 Dat was om wijsheit sueken.
 Als sine vonden hadde, ja, 22  
 So worden hare sine wondre ga 23  
 Ende si affeleerde in rueken. 24  
25
 Si gaf hem al,
 2-4  het licht van mijn hart dat mij vreugde zou moeten geven, dwaalt u achterna.
 5  Zie, wat moet ik doen.
 6  een...niet: helemaal niets.
 7  wat...iet: zou iets anders mijn leven bepalen.
 8  dats mi: dat is mijn lot.
 9  Ende: en dat ik u.
 17  zonder voorafgaande offers.
 18  dat waren zij die onvermijdelijk gevallen zijn.
 19-20  vgl. I Kon. 10, 1-13.
 22  sine: zij hem.
 23  toen vielen zijn wonderen haar plots ten deel.
 24  en zij ging op in zaligheid.


[p. 164]

 
 Ende die ghichte stal
 Wat so si hadde in binnen, 2  
 Beide herte ende sin,
 Daerne bleef niet in.
5
 Het wart al verswolghen in minnen.
  
 Hets recht si hadde hem al ghegheven.
 Hadse iet vermert in vremden weghen
 Onder dat arme diede, 8  
 So ware hare dat hoghe wonder ontbleven.
10
 Nu wertse al in minnen tewreven.
 Dies derven noch vele liede. 11  
 Si nemen te vroech
 Al haer ghevoech
 Onder die ghesellen. 14  
15
 Dies salmen spade
 Der minnen dade
 Van hen te wondere tellen. 16-17  
  
 Maer die hen ter vrier minnen reken
 Ende inden weghe niet en ghebreken
20
 Ende hen ane minne al cleven
 Ende doghen hare ellendeghe treken,
 Daer mach men wonders wonder af spreken.
 Want si hen also opgheven
 Alse omme al dorevaren,
25
 Sonder enich sparen,
 Ochte minnen 23ev   ghenoech gheriven,
 An anxt ter doet 27  
 Dat hen dat grote goet
 Van minnen soude ontbliven.
 2  alles wat zij innerlijk had.
 8  onder het goddeloze volk.
 11  Dies: Hierom; verwijst naar r. 12-14.
 14  onder het volk.
 16-17  hun verrichtingen in de minnedienst als wonderen vertellen.
 23ev  Want...minnen: Want in hun opoffering tonen ze de bereidheid alles door te maken, zonder enige terughoudendheid, om de minne maar.
 27  uit dodelijke angst.


[p. 165]

 
 Ay, dus al verloren in minnen cracht,
 Ja, ende dan al vergouden der minnen pacht,
 Also men te rechte al soude, 3  
 Dats ene die alre scoenste hacht
5
 Ende ene onverwonne nuwe macht
 Ende wel dat god al woude.
 Want dat rechtste volgheven van minnen
 Dat es dat ontbliven van binnen. 7-8  
 Want sine connen niet al volleesten
10
 Ende dat hare dat es saen verdaen 10  
 Inder hogher minnen ontfaen.
 Dus comense buten den gheesten. 12  
  
 Alse die geweldeghe redene der minnen opdoet 13  
 Ende si hen toent hare grote goet 14  
15
 Dat si es bi natueren,
 Ocht men haere in minnen ghenoech doet 16  
 Dat si al dat verghelden moet,
 Dat wect die creatueren
 Ende doetse opstaen
20
 Ende alle ommevaen
 In herteliker weelden
 Ende gheloeft hen een rike
 Sonder enich ghelike
 In eweliker seelden.
  
 Refrein:
25
 Die dus verwinnen
 In storme van minnen
 Dat sijn gherechte helde.
 Ende die iet gheroen
 3  te rechte: terecht.
 7-8  Want de meest waarachtige gave der minne is het vermijden van zelfvoldaanheid.
 10  dat hare: het hunne.
 12  Zodoende raken ze in extase.
 13  der...opdoet: inzicht geeft in de minne.
 14  hen: zij die de minnedienst verrichten - hare: van de minne.
 16  Ocht: en dat indien.


[p. 166]

 
 Ende niet en voldoen,
 Hets recht datmense scelde.

Strofisch gedicht 29

 Doer hogher trouwen minne
 So sijn alle mine sinne
5
 In menichfoude pine.
 Mijn swaere draghen
 Sonder claghen
 Werdet mi wel in scine. 8  
 Die ghene daer ic omme douwe
10
 Ende doghe so meneghen rouwe,
 Hi hevet mi doen verstaen
 Dat ic met hogher minnen sal ontgaen.
  
 Sal mi hoghe minne
 Behouden mine sinne,
15
 So bennic seker des, 13-15  
 Met verstane van binnen, 16  
 Dat die minnare onser minnen 17  
 Wel volmaket es.
 Want al sijn doen es sonder mate.
20
 Hem en ghenoecht vore minne ghene orsate. 20  
 Dat bekinnen wel
 Die hoghe minne draghen, ende niemant el.
  
 Die hoghe minne draghen,
 Si selen luttel claghen
25
 Wat leede hen overgheet.
 Si selen sijn alse die vroede,
 Altoes met diepen oetmoede
 8  zal mij vast en zeker ten goede komen.
 13-15  Zal oprechte liefde mijn verstand leiden, dan ben ik er zeker van.
 16  van binnen: innerlijk.
 17  minnare...minnen: Jezus Christus.
 20  Geen geschenk behaagt Hem meer dan onze liefde.


[p. 167]

 
 In hoghe minne ghereet, 1  
 Daer minne ghebiedet, si verre, si bi,
 In sterven, in leven, so wat si,
 In vriheit sonder vaer.
5
 Dat maecte ons hoghe minne ierst openbaer.
  
 Wat so ons god ye onste,
 En wardt nieman, die conste
 Gherechte minne verstaen, 7-8  
 Eer dat Maria, die goede, 9  
10
 Met diepen oetmoede
 Die minne hadde ghevaen.
 Tierst was si wilt, doen wardt si tam.
 Si gaf ons vore den leeu een lam.
 Si maecte die deemsterheit claer,
15
 Die hadde gheweest doncker wel menich jaer.
  
 Die vader van anebeghinne 16  
 Hadde sinen sone, die minne,
 Verborghen in sinen scoet,
 Eerne ons Maria 19  
20
 Met diepen oetmoede ja,
 Verholentlike ontsloet.
 Doen vloeide die berch ten diepen dale.
 Dat dal vloyde even hoghe der sale. 22-23  
 Doen wardt die casteel verwonnen, 24  
25
 Daer langhe strijt was an begonnen.
  
 Ons dede elc prophete
 Te voren scone behete:
 Dat hi rike ware ende scone 28  
 1  tot de edele minnedienst bereid.
 7-8  niemand kon de ware minne begrijpen.
 9  Eer dat: totdat.
 16  van anebeghinne: van alle eeuwigheid.
 19  tot Maria die voor ons.
 22-23  beeld van Gods menswording, waardoor de mens vergoddelijkt kon worden.
 24  casteel: nl. waarin de mensheid zat gevangen.
 28  hi: Jezus Christus.


[p. 168]

 
 Die ons soude brenghen vrede
 Van minnen, ende mechtich mede.
 Moyses met Salamoene
 Prijsden alle sine cracht besondere,
5
 Sine wijsheit ende sine wondere
 Tobyas, Ysayas, Daniel,
 Job, Jheremias, Ezechiel.
  
 Si saghen visioene.
 Si spraken parabilen scone
10
 Wat ons god noch soude doen. 10  
 Mar, na minen sinne, 11  
 Die clare, vrie minne
 Bleef van hen al ongheploen,
 Want si hadden hare seden alse andere man, 14  
15
 Nu hier, nu daer, nu af, nu an.
 Maer Maria en sprac el niet
 Dan: Mi werde dat god versiet. 17  
  
 David seide hem ghedachte
 Van gode, het dede hem sachte
20
 Ende hem ghebrac sijn gheest. 18-20  
 Nochtan hetet hi van werke starc,
 Maer Maria wrachte sterkere werc.
 Ja, hi hads wale meest,
 Sonder Maria, diene gheheel ontfinc, 24  
25
 God ende man ende jonghelijnc.
 Daer mochtemen der minnen
 Ierst clare werc bekinnen. 27  
 10  ons: voor ons.
 11  na...sinne: naar mijn mening.
 14  Want ze gedroegen zich op dezelfde manier als iedereen.
 17  Mi werde: Mij geschiede; vgl. Luc. 1, 38.
 18-20  David zei, dat wanneer God zijn geest vervulde hij zo vol stroomde van vreugde, dat hij zichzelf niet meer beheerste.
 24  diene: die Hem, Jezus Christus.
 27  werc: nl. van de minne.


[p. 169]

 
 Dat was bi diepen niede,
 Dat hare dat grote ghesciede,
 Dat die edel minne uut wert ghelaten
 Dien 3ev   edelen wive
5
 Van hoghen prise 5  
 Met overvloedegher maten.
 Want si el ne woude, noch haerre el ne was, 7  
 So hadse al daer elc af las.
 Dus heeftse dat conduut gheleit, 9  
10
 Dat elker oetmoedegher herten es ghereit.
  
 Die propheten ende al hare kinder
 Offerden scape ende rinder.
 Dat was hare sacrament.
 Si daden hen metten bloede striken. 14  
15
 Hare sacramente waren gheliken, 15  
 Eer Marien dat hoghe prosent,
 Die sone, ghesindet wart vanden vader.
 Nu comt ten groten etenne allegader
 - Die brulocht es ghereet -
20
 Die de minne vindet gheciert in brulochtcleet. 20  
  
 Onser vriende der propheten
 Harer doghet en doech vergheten. 22  
 Si was scone ende claer.
 Si dogheden alendicheit
25
 Ende grote bitterheit
 Der wet wel menich jaer.
 Hare sacramenten waren bi gheliken.
 Dat si daer vore wouden wiken, 28  
 3ev  uut...Dien: toestroomde tot die.
 5  hooggeprezen.
 7  Daar zij niets anders wilde en voor haar niets anders bestond.
 9  Zodoende is ze de middelares geworden.
 14  Zij bestreken zichzelf.
 15  gheliken: voorafbeeldingen en onvolmaakt.
 20  vgl. Mat. 22, 11-14.
 22  en doech: mag men niet.
 28  daer vore: nl. voor de wet.


[p. 170]

 
 Men maechs hen dancken wel,
 Al segghic dat Marien was el.
  
 Oetmoedeghe vrie sinne, 3  
 Wildi gheheel al minne
5
 Also minne hare selven levet, 5  
 Ic rade u dore trouwe,
 Al lidi rouwe,
 Vertijt alles ende beghevet.
 So wert u herte wijt ende diep,
10
 So sal u comen dat conduut dat liep 10  
 Marien sonder mate. 11  
 Bidt der hogher trouwen dat sijt u vloyen late.
  
 Refrein:
 Want hogher trouwen es bevolen
 Al die oetmoedicheit doredolen, 14  
15
 Dat sise volleiden sal 15  
 Daer Maria es met minnen een in al. 16  
 3  vrie sinne: edelgezinden.
 5  hare selven: in zichzelf.
 10  sal u comen: zal u toevloeien.
 11  mateloos naar Maria.
 14  allen die ootmoed ten volle op zich nemen.
 15  sise: zij hen.
 16  een...al: helemaal een is.

Strofisch gedicht 35

 Die tijt es doncker ende cout.
 Dies druven voghele ende dier.
 Die herten doghen el menichfout, 19  
20
 Die kinnen hare natuere fier
 Ende hen dan minne ontbliven sal. 21  
 Wie oprijst, ic blive int dal,
 Van riken troeste onberaden,
 Met swaren waghen altoes gheladen.
 19  doghen...menichfout: verduren veelvuldig iets anders.
 21  Ende...dan: terwijl hen toch.


[p. 171]

 
 Die waghe es mi alte swaer,
 Die niet en leghet bi ghere noet. 2  
 Hoe mochte een herte ghedueren daer,
 Die liden moet so meneghe doet
5
 Als hi ghesmaect, die hem bekint
 Altoes van minnen onghemint,
 Ende al ontseghet wien si ontfaet, 5ev  
 Hulpe ende troest ende toeverlaet.
  
 En wilt minne mi minne niet ontfaen, 9  
10
 Wat soudic dan ye gheboren?
 Benic vore minne dus ontdaen, 11  
 So benic sonder waen verloren. 12  
 So magic claghen wets na wee 13  
 Al minen tijt voert ane mee,<