[p. 138]
Strofische gedichten
Hadewijch is de schepper van een voor haar tijd nieuw genre literatuur: de mystieke minnelyriek.
Verstechnisch gezien stemmen haar Strofische Gedichten goeddeels overeen met de hoofse minneliederen. Naast een hoofs woordgebruik (o.a. avonture en minne), dat echter mystiek geinterpreteerd wordt, treffen we in negen van de hier opgenomen gedichten (no. 1, 5, 12, 14, 15, 17, 26, 29, 35) een Natureingang aan, waarin een conventioneel natuurbeeld, meestal van de lente, wordt opgeroepen, als beeld of antipode van de situatie van Hadewijch. Daarnaast komt in zes gedichten (no. 1, 9, 12, 15, 26, 35) een tripartition voor; d.w.z. dat elke strofe door een ‘snede’ in een ‘kop’ en een ‘staart’ wordt verdeeld, waardoor zij dan syntactisch of logisch in twee delen uiteen valt; de vierof zesregelige ‘kop’ wordt op zijn beurt weer in tweeën gedeeld door een ‘vore’ na respectievelijk de tweede of de derde versregel. Van een tornada, waarin een wens wordt geuit of de inhoud van het gedicht samengevat, maakt Hadewijch vijf maal gebruik als refrein (no. 9, 15, 17, 26, 29). De rijmklanken van een tornada stemmen overeen met die van de laatste versregels van de voorafgaande strofe.
In haar lyriek bezingt Hadewijch de minne, de dynamische relatie tot God. Door objectivering van haar gevoelens probeert zij de minne en haar eigen postie in de wereld te begrijpen. Dat deze objectivering moest geschieden door de morele en anagogische betekenis van haar ervaringen te ontraadselen, was haar door de middeleeuwse cultuur in het hart geschreven. Daarom is de minne voor haar drieledig: eerst is zij een emotie, het ervaren van psychische situaties; vervolgens is zij een morele houding om deze veelal pijnlijke situaties te overwinnen; en ten slotte heeft minne de anagogische betekenis van een totale
[p. 139]
overgave, met als doel te komen tot de vereniging met God. Opgemerkt zij dat minne in deze teksten ook de menselijke partner kan aanduiden.
Het uitgangspunt van de Strofische Gedichten is steeds weer het aanvoelen van de onbestendige relatie tussen haar en God, het wee. Dit wee wordt nog versterkt doordat zij, wanneer zij haar liederen dicht, de minne niet bezit in haar voltooiing. Daarbij wordt het wee nog geïntensiveerd door de herinnering aan betere tijden, aan de vereniging met God.
Strofisch gedicht 1
- Ay, al es nu die winter cout,
- Cort die daghe ende die nachte langhe,
- Ons naket saen een somer stout,
- Die ons ute dien bedwanghe
- 5
- Schiere sal bringhen: dat es in schine 5
- Bi desen nuwen jare. 6
- Die hasel brinct ons bloemen fine;
- Dat es een teken openbare.
- - Ay, vale, vale, milies - 9
- 10
- Ghi alle die nuwen tide 10
- - Si dixero, non satis est - 11
- Om minne wilt wesen blide.
-
- Ende die van fieren moede sijn, 13
- Wat storme hen dore die minne
- 15
- Ontmoet, ontfaense also fijn
- Alse: 15ev Dit es daer ic al an winne
- Ende winnen sal; God gheve mi al
- Datter minnen best become;
|
9 vale: gegroet - milies: duizendmaal.
10 nuwen tide: in deze tijd van vernieuwing.
11 al zou ik het (duizendmaal) zeggen, dan is het nog niet voldoende.
13 van...moede: geestelijk volwassen.
15ev ontfaense...Alse: aanvaarden ze zo volkomen, dat ze denken.
|
[p. 140]
-
- Na haerre ghenuechten weghe, mesval
- Si mi die meeste vrome. 1ev
- - Ay, vale, vale, milies -
- Ghi alle die avontuere
- 5
- - Si dixero, non satis est -
- Wilt doghen om minnen natuere. 4 + 6
-
- Ay, wat salic doen, alendech wijf? 7
- Met rechte maghic tghelucke wel haten.
- Mi rouwet wel sere mijn lijf.
- 10
- Ic en mach minnen noch laten.
- Te rechte mi es beide fel, 11
- Gheluc ende avontuere.
- Ic dole mijns, en es niemant el. 13
- Dat scijnt teghen natuere. 14
- 15
- - Ay, vale, vale, milies -
- U allen laet dies ontfarmen
- - Si dixero, non satis est -
- Dat minne mi dus laet carmen.
-
- Ay, ic was ie op die minne stout, 19
- 20
- Sint icse ierst hoerde noemen,
- Ende verliet mi op hare vri ghewout. 21
- Dies willen mi allen doemen,
- Vriende ende vreemde, jonghe ende out,
- Dien ic in allen sinnen 24
- 25
- Diende ye ende was van herten hout 25
- Ende onste hen allen der minnen.
- - Ay, vale, vale, milies -
|
1ev als het haar behaagt, moge tegenspoed mij het meest baten.
4 + 6 avontuere...doghen: alles wilt wagen.
13 Ik ben radeloos als geen ander.
14 teghen natuere: onmenselijk.
19 Ach, ik vertrouwde altijd op de minne.
21 hare...ghewout: haar eigenzinnige macht.
24 in...sinnen: in alle opzichten.
25 ende...hout: en die ik een warm hart toedroeg.
|
[p. 141]
-
- Ic rade hen datsi niene sparen, 1
- - Si dixero, non satis est -
- Hoe ic hebbe ghevaren. 3
-
- Ay arme, ic en mach mi selven niet
- 5
- Doen leven noch sterven. 5
- Ay soete God, wat es mi ghesciet,
- Dat mi die liede bederven?
- Lietense u mi allene doch slaen,
- Ghi soudet best gheraden 9
- 10
- Na rechte al dat ic hebbe mesdaen, 10
- Ende bleven buten scaden, 11
- - Ay, vale, vale, milies -
- Die Gode niet ghewerden en laten 13
- - Si dixero, non satis est -
- 15
- Ende niet en minnen ende haten. 15
-
- Die wile dat si sijn over mi, 16
- Wie sal hare lief dan minnen?
- Si ghinghen bat hare weghe vri, 18
- Daer si u leerden kinnen.
- 20
- Si willen u te hulpen staen
- Met mi, dies clene behoeven. 21
- Ghi cont na recht soenen ende slaen
- Ende met claerre waerheit proeven.
- - Ay, vale, vale, milies -
- 25
- Alle die met Gode plechten 25
|
3 hoe het mij ook vergaan is.
9 Gij zoudt het beste beoordelen.
10 Na rechte: naar recht.
11 en zij zouden schuldeloos blijven.
13 niet...laten: niet laten begaan.
15 en Zijn gerechtigheid niet eerbiedigen (zie Br. 17).
16 sijn over: zich bezig houden met.
18 Beter kozen zij voor de beschikkingen van de minne (zie r. 21, p. 140).
21 Met mi: in mijn geval - dies...behoeven: die het weinig past.
25 met...plechten: Gods norm aanvaarden.
|
[p. 142]
-
- - Si dixero, non satis est -
- In soenen ende in rechten.
-
- Ay, Salamon ontradet dat werc, 3
- Dat wij niet en ondersoeken
- 5
- Die dinghen die ons sijn te sterc, 5
- Noch dat wi niet en roeken
- Hogher dinghen dan wij sijn,
- Dat wij die ondervenden, 7-8
- Ende laten ons die minne fijn 9
- 10
- Vri maken ende benden.
- - Ay, vale, vale, milies -
- Die ter hogher minnen rade
- - Si dixero, non satis est -
- Volclemt van grade te grade. 14
-
- 15
- Der menschen sinne sijn so clene,
- Daer mach God wel vele boven.
- God es van allen wijs allene.
- Dies salmen alles hem loven
- Ende laten hem sijn ambacht doen
- 20
- In wreken ende in ghedoghen.
- Hem en es gheen werc so verre ontvloen,
- En comt hem al vore oghen. 22
- - Ay, vale, vale, milies -
- Die hen der minnen volgheven
- 25
- - Si dexero, non satis est -
- Ende haren oghen ghenoech volleven. 26
-
- God moet ons gheven nuwen sin 27
|
3 dat werc: wordt geëxpliciteerd in 4-8 (vgl. Eccl. 3, 22).
7-8 dingen die ons te boven gaan, omdat wij daarvan het fijne willen weten (zie Vis. 8).
14 van...grade: stap voor stap.
26 en zo volmaakt leven dat ze gevallig zijn in haar ogen.
|
[p. 143]
-
- Ter edelre minnen ende vrie,
- Dat wij so nuwe leven daer in, 2
- Dat ons die minne benedie
- Ende nuwe make met nuwen smake,
- 5
- Die si can nuwe volgheven.
- Die minne es nuwe gheweldeghe orsate 6
- Dien, die der minnen al nuwe volleven. 7
- - Ay, vale, vale, milies -
- Dat nuwe der nuwer minnen
- 10
- - Si dixero, non satis est -
- Dat nuwe wilt nuwe bekinnen. 9 + 11
|
6 nuwe...orsate: telkens weer een krachtige beloning.
7 al nuwe: geheel vernieuwd.
9 + 11 de eindeloze vernieuwing van de ware minne, wil deze vernieuwing telkens weer opnieuw met ijver beoefenen.
|
Strofisch gedicht 5
- Al droevet die tijt ende die vogheline,
- Dan darf niet doen die herte fine 13
- Die dore minne wilt doghen pine.
- 15
- Hi sal weten ende kinnen al,
- Suete ende wreet,
- Lief ende leet,
- Wat men ter minnen pleghen sal. 18
-
- Die fiere die daer toe sijn ghedeghen 19
- 20
- Dat si onghecuster minnen pleghen, 20
- Si selen in allen weghen daerjeghen 21
- Stout sijn ende coene
|
13 Dan...niet: dat mag niet - herte: het hart is de zetel van de liefdesbeleving van de mens.
18 ter...sal: moet doen om de minne te dienen.
19 ghedeghen: uitgegroeid.
20 onghecuster...pleghen: zich bezighouden met minne, die niet bevredigt.
21 in...weghen: in alle opzichten.
|
[p. 144]
-
- Ende al ghereet te ontfaen,
- Si troest, si slaen, 2
- Van minnen doene. 3
-
- Der minnen pleghen es onghehoert, 4
- 5
- Als hi wel kint dies hevet becoert, 5
- Want si in midden den troest testoert. 6
- Hine can ghedueren
- Dien minne gheraect;
- Hi ghesmaect
- 10
- Vele onghenoemder uren.
-
- Bi wilen heet, bi wilen cout, 11
- Bi wilen bloede, bi wilen bout:
- Hare onghedueren es menichfout.
- Die minne al maent 14
- 15
- Die grote scout
- Haerre riker ghewout
- Daer si ons toe spaent. 17
-
- Bi wilen lief, bi wilen leet,
- Bi wilen verre, bi wilen ghereet:
- 20
- Die dit met trouwen van minnen versteet,
- Dat es jubileren:
- Hoe minne versleet
- Ende ommeveet
- In een hanteren. 20ev
|
2 Si...si: hetzij...hetzij.
4 Der...pleghen: de handelwijze van de minne.
5 dies...becoert: die het ondervonden heeft.
14 al maent: eist helemaal op.
17 bijvoeglijke bepaling bij ghewout.
20ev Die...hanteren: wie met volharding van de minne verdraagt, dat zij hem nu eens ontwijkt, dan weer omarmt, die is door zielsverrukking overstelpt.
|
[p. 145]
-
- Bi wilen ghenedert, bi wilen ghehoghet,
- Bi wilen verborghen, bi wilen vertoghet:
- Eer selc van minnen wert ghesoghet, 3
- Doghet hi grote avontuere,
- 5
- Eer hi gheraect
- Daer hi ghesmaect 6
- Der minnen natuere. 7
-
- Bi wilen licht, bi wilen swaer,
- Bi wilen doncker, bi wilen claer,
- 10
- In vrien troest, in bedwonghenne vaer, 10
- In nemen ende in gheven
- Moeten die sinne 12
- Die dolen in minne,
- Altoes hier leven.
|
7 Der...natuere: het wezen van de minne.
10 bedwonghenne vaer: verstikkende angst.
12 die sinne: nl. de mensen.
|
Strofisch gedicht 9
- 15
- Altoes mag men van minnen singhen, 15
- Eest herfst, eest winter, eest linten, eest zomer, 16
- Ende jeghen hare ghewout verdinghen,
- Want en ontsteet hare niemen vromer. 18
- Maer wi, traghe, segghen dicke in comer: 19
- 20
- Soude si mi also na bedwinghen? 20
- Ic mach mi metten ghenen minghen 21
- Die rasten hebben gheploen 22
|
15 mag men: is het mogelijk.
18 want haar ontwijkt geen dappere.
20 Zou zij mij zo in het nauw brengen?
22 die gekozen hebben voor rust.
|
[p. 146]
-
- Ende bliven thuus. Waer mochtic
- Gaen omme mijn verdoen? 1ev
-
- Die nedere metten armen sinnen, 3
- Die sijnt die den cost ontsien,
- 5
- Dat si hen scouwen van der minnen, 5
- Daer hen al goet af soude ghescien.
- Ocht si hen vanden dienste ontien, 7
- Nemen dat sire ane winnen.
- Trouwe salse toenen ende arm doen kinnen 9
- 10
- Vore der minnen rike al bloet. 10
- Dese sijnt die dat hare verdaden
- Sonder der minnen noet. 12ev
-
- Die gherne woude doghen tsuete ellende,
- Die weghe ter hogher minnen lant,
- 15
- Hi vonde sijn lief, sijn rike, ten ende.
- Dies gheeft die trouwe zeghel ende pant. 16
- Nu es menich dorpre so truwant:
- Hi neemt dat hem es naest ghehende 18
- Ende blijft vore minne die onbekinde 19
- 20
- Metter truwanten cleet. 20
- Soe en heeft hi vorme noch ere,
- Daer minne dat hare bi versteet. 21ev
|
1ev Waer...verdoen?: Waarom zou ik me in het verderf gaan storten?
3 De kleinmoedigen met hun armzalige gevoelens.
5 Dat...van: zodat zij zich onttrekken aan.
9 Trouw zal ze duidelijk maken dat ze armzalig zijn.
10 al bloet: zeer duidelijk.
12ev dat...noet: hun mogelijkheden verkwanselden zonder daartoe genoodzaakt te worden door de minne.
16 zeghel...pant: verzegeld onderpand.
18 dat...ghehende: waar hij het gemakkelijkst aankomt.
21ev vorme...versteet: noch de gedaante noch het eerbewijs, waaraan de minne wat haar eigen is, herkent.
|
[p. 147]
-
- Scone ghelaet ende scone cleder
- Ende scone redene scieren den man.
- Al doghen om minne ende niet te wreder, 3
- Dat es scone ghelaet, die dat wel can;
- 5
- Die werke sijn die cleder dan,
- Met nuwen niede ende niet te ghemeder, 6
- Ende den vremden te aller noet ghereder
- Dan ane sijns selfs bekinnen. 7-8
- Dats varuwe, die tekene scieren 9
- 10
- Alre meest vore hogher minnen. 10
-
- Vorwaerdeghe wort ende grote ghichten 11
- Buten huus ende scone cost daer binnen
- Eren den man meest ende verlichten.
- Hier bi machmenne best bekinnen. 14
- 15
- Alsoe eest oec met hen die minnen: 15
- Eest dat si inder waerheit stichten 16
- Ende met scoenre cost daer binnen dichten, 17
- Alsoet minnen best betame, 18
- Ende gheven al minne om minne,
- 20
- Die ghichte es minnen best bequame.
-
- Ic segghe van minnen ende rade 21
- Ghecierden cost ende hoghe daet.
- Dat trouwe soude ghelden dat minne verdade, 23
- Dats meneghen cleyne toeverlaet
|
3 niet...wreder: zonder verbittering.
6 niet...ghemeder: zonder zelfvoldaanheid.
7-8 zo staat men meer klaar voor alle noden van vreemden dan voor die der vrienden.
9 Dats...tekene: Dat is de kleur, de (herkennings) tekens die.
14 machmenne: kan men hem.
16 als zij naar waarheid leven.
17 daer...dichten: hun levensritme bepalen.
21 segghe van: spreek over.
|
[p. 148]
-
- Die inden bande van minnen staet, 1
- In ongebrukenne ende in onghenade.
- Die minne loent altoes al comt si spade,
- Dats daertoe mine saghe.
- 5
- Die hare volghen, si liden
- Meneghen nacht bi daghe. 5ev
-
- Wie soude van minnen altoes geprisen,
- Die ghevet bi daghe so meneghen nacht?
- Dien si soude cleden, eren ende spisen,
- 10
- Dien doet si al ute sijnre macht. 10
- Die gherne goude der minnen pacht, 11
- Soudsi in allen rechte wisen, 12
- Ende met trouwen zeghele so hoghe doen risen 13
- Daer lief mochte lief hantieren,
- 15
- Ende in allen ghebrukene van minnen
- Eren ende chieren.
-
- Dat scoenste hanteren dat minnen dochte
- Dat ware 17ev lief met lieve so doremint,
- Dat lief met minnen so lief doresochte,
- 20
- Dat hem el niet en ware bekint
- Dan: Ic ben die minne met minnen verwint.
- Maer hi waer meer verwonnen die minne vervochte
- Ende dan in minnen te nieute werden mochte. 23
- Die cracht ghinghe als te voren; 24
- 25
- Die hoghe materie, daeraf wardt minne 25
- Van yersten gheboren. 26
|
1 die door de minne beheerst wordt.
5ev si...daghe: hun dagen zijn vaak niets dan ellende.
10 doet...ute: berooft zij helemaal van.
11 goude...pacht: de tol der liefde betaalt.
12 zou ze naar alle rechtvaardigheid de weg moeten wijzen.
13 met...zeghele: als een trouw bevondene.
17ev minnen...ware: de minnaar zich kan indenken, zou zijn.
23 in...werden: in liefde verteerd worden.
24 als...voren: alles te boven.
25 hoghe materie: hoogstaande onderneming.
|
[p. 149]
-
- Maer wij, lichtecope metten lichten sinne,
- Ons duncken minnen vare swaer,
- Wij sijn nieloep met clenen ghewinne. 3
- Dies darven wij minnen clare waer.
- 5
- Ic weet al en wetict niet al daer
- Daer mens 5ev ghebruket in weelden van minnen;
- Maer verlichte redenne doet al bekinnen -
- Hoe men minnen ghenoech volsteet.
- Daer en es redenne te waer
- 10
- Noch werc te swaer ende al nuwe ghereet. 9-10
-
- Refrein:
- Die vroech hare claer
- Hebben openbaer 11ev
- Ende saen hare bliscap kinnen
- Ende glorieren daer binnen,
- 15
- Eest dat hen wel vergheet, 15
- So hebbense, god weet,
- Vele beteren coep der minnen
- Dan icker noch weet. 18
|
3 wij jagen het nieuwe na, waarvan wij weinig voordeel hebben.
5ev al...mens: al weet ik het niet zoals wie het.
9-10 Daarvoor is geen enkel inzicht juist genoeg en ook geen enkele inspanning te zwaar en men staat steeds voor een nieuwe inspanning klaar.
11ev hare...openbaer: weten waar ze met haar precies aan toe zijn.
|
Strofisch gedicht 12
- Nu es die edele tijt gheboren
- 20
- Die ons bloemen sal brenghen int lant.
- So sijn die edele die sijn vercoren
- Te draghenne dat joc, der minnen bant.
- Hen bloeit altoes die trouwe in hant 23
- Ende edele bloemen met diere vrocht. 24
|
|
[p. 150]
-
- Daer werdt met trouwen dwort doresocht, 1
- Daer blivet die minne ghestade
- Met eenre vrienscap al doreknocht 3
- Int hoechste van minnen rade.
-
- 5
- Mijn joc es soete, mine bordene es licht, 5
- Seghet selve die minnare es der minnen.
- Dit word hadde hi in minnen ghedicht.
- Daer buten en mach ment niet waer kinnen, 8
- Alsoe ic mi can versinnen.
- 10
- So es hen lichte bordene swaer
- Ende si doghen meneghen vremden vaer,
- Die buten minnen wonen.
- Want der knechte wet es vaer,
- Maer minne es wet der sonen.
-
- 15
- Welc es die bordenne licht in minnen
- Ende dat joc dat soe soete smaket?
- Dat es dat edele draghen van binnen, 17
- Daer minne die lieve met gheraect
- Ende met enen wille so enich maect, 19
- 20
- Met enen wesenne, sonder keer. 20
- Begherten diepheit scept emmermeer
- Ende dat sceppen drincket al die minne. 21-22
- Die scout, die minne maent der minnen, 23
- Gheet boven menschen sinne.
-
- 25
- Het ne mochte nie herte noch sin gheraden 25
|
3 met een hechte vriendschap duurzaam verbonden.
8 waer kinnen: ten volle beseffen.
17 Dat is de edele bevruchting.
20 sonder keer: voor altijd.
21-22 De diepte van de begeerte schept steeds meer uit en wat uitgeschept is drinkt de minne helemaal op.
23 der minnen: de minnaar.
25 Het...nie: Nooit zou kunnen.
|
[p. 151]
-
- Hoe hi sijn lief met minnen anestaert,
- Dien minne met minnen heeft verladen. 2
- Want hi ene ure niet en spaert,
- Eer hi met minnen al dorevaert,
- 5
- Hine stare met trouwen in minnen fijn. 5
- Want sine vonnessen moeten al sijn
- Ghelesen in minnen anscine.
- Ende daer siet hi claer waer sonder schijn
- In meneghe suete pine.
-
- 10
- Hi siet in claerheden dat die mint
- Met volre waerheit pleghen moet.
- Als hi met waerheiden dan bekint
- Dat hi der minnen te lettel doet, 13
- Verstormt met pinen sijn hoghe moet, 14
- 15
- Want in minnen anscine nemt hi al 15
- Hoe minne der minnen pleghen sal. 16
- Ende dat vonnesse suet die pine
- Ende doet hem gheven al om al 18
- Om der minnen ghenoech te sine.
-
- 20
- Die hen in minnen ghenoech dus gheven,
- Wat groter wondere sal hen ghescien?
- Si selen met minnen ane minne een cleven
- Ende selen met minnen al minne doresien
- Ende met haren verhoelnen aderen al tien 24
- 25
- Int conduut daer minne haer minne al scincket
- Ende met minnen hare vriende al dronken drinket 26
- In wondre vore haren woeden. 27
|
2 bijvoeglijke bepaling bij hi.
5 Hine stare: en hij mag schouwen.
14 probeert zijn edele gezindheid dit met grote inzet ongedaan te maken.
16 der...pleghen: de minne dienen.
18 gheven...al: alles op alles zet.
24 al tien: helemaal uitlopen.
26 dronken drinket: dronken maakt.
27 in verwondering over haar (de minne) hartstochtelijkheid.
|
[p. 152]
-
- Dat blijft den vremden al ontwincket,
- Ende openbaer den vroeden. 2
-
- God geve hen allen die minne begheren
- Dat si der minnen also ghereden,
- 5
- Dat si al op hare rike teren,
- Dat si minne in hare moghen minne gheleden. 6
- So en mach hen biden vremden wreden
- Nemmer messchien, sine leven so vri 8
- Alse: Ic al minnen ende minne al mi.
- 10
- Wat mach hen dan meer werren?
- Want in hare ghenaden staen si:
- Die sonne, die mane, die sterren. 11-12
|
2 Ende openbaer: en is duidelijk voor.
6 moghen...gheleden: tot volledige bloei mogen brengen.
8 sine: wanneer zij maar.
11-12 Want in het licht van haar genade staan zij: hun dagen en nachten zijn nu vol licht.
|
Strofisch gedicht 14
- Ten blijdsten tide vanden jare,
- Dat alle voghele singhen clare 14
- 15
- Ende die nachtegale openbare
- Ons maket hare bliscap cont, 16
- So heeft die herte meest sware 17
- Die edele minne hevet ghewont.
-
- Hoe mach die edele sin gheduren, 19
- 20
- Ja, edelst alre creaturen,
- Diet hoechste moet minnen bi naturen 21
- Ende dan sijn lief niene hevet? 22
- Alsenne der minnen strale ruren, 23
- So gruwelt hem dat hi levet.
|
16 maket...cont: ...verkondigt.
17 heeft...sware: is...wanhopig.
21 bi naturen: van nature.
|
[p. 153]
-
- In allen tiden als ruert die strale 1
- Meerret hi die wonde ende brenghet quale.
- Alle die minnen kinnent wale 3
- Dat emmer deen moet sijn: 4
- 5
- Suetecheit ochte smerte ochte beide te male 5
- In dreeft vore minnen anschijn.
-
- Hoe mach hen gruwelen dan die minnen 7
- Ende hen dus in minnen verloren kinnen. 8
- Si sijn verwonnen dat si verwinnen 9
- 10
- Dat onverwonnen groot,
- Dat hen alle uren doet beghinnen
- Dat leven in nuwer doot.
-
- Hier ne mach hare minne dan niet gheweren. 13
- Men moet hare rike, hare cracht verteren
- 15
- Hoese oec te niete in minnen vervaren. 15
- Dats den vremden oncont.
- So si die zale hogher begharen,
- So diepere wielt die gront. 17ev
-
- In recht van minnen es opghedreghen: 19
- 20
- Die den slach sleet wert selve ghesleghen,
- Dat licht werdt even sware gheweghen, 21
- Die cracht wert ierst verwonnen,
- Dat rike comt ons hier selve jeghen, 23
- Vore alle die minnen connen. 24
|
1 In...als: Telkens wanneer hem.
7 Hoe...hen: Hoe moet het hen dan wel.
8 Ende...dus: wanneer zij zich zo.
15 hoe ze ook ten gronde gaan in de minne.
17ev So...So: Hoe...des te; nl. hoe meer men begeert, des te meer men lijden moet.
19 In het wetboek van minne zijn dit gulden regels.
21 licht en zwaar worden gelijk gewogen.
23 comt...jeghen: komt...tegemoet.
24 Vore alle: dit geldt voor allen.
|
[p. 154]
-
- Maer dier es luttel die om al minne al minnen,
- Ende noch men, 1ev die minne met minnen versinnen.
- Dies selense alte spade ghewinnen
- Dat rike ende den hoghen raet
- 5
- Ende dat kinnesse dat minne doet kinnen
- Dien die hare ter scolen gaet.
-
- Hets jammer groet dat wij dus dolen
- Ende ons die hoghe wise blijft verholen,
- Die minne den meesteren heeft bevolen
- 10
- Die lesen in minne fijn.
- Die hoechste lesse inder minnen scolen
- Dats hoe men minnen ghenoech mach sijn.
-
- Maer die wel te voren termineren, 13
- Al eest dat si dan jubileren
- 15
- Ende met salueerne feesteren
- Hare lief in cortere stont,
- Opdat si met doghenne concorderen, 17
- Hen wert die scole wel cont.
-
- Maer die hier met lieve willen juwieren
- 20
- Ende met ghevoelne dan ballieren 20
- Ende met ghenoechten daerinne basieren,
- Ic segghe hen wel te voren:
- Si moeten hen wel met doechden chieren,
- Ochte daer es die scole verloren.
-
- 25
- Maer die met waerheiden in minnen dichten
- Ende met clare redene dan verlichten, 26
- Daer sal die minne hare scole in stichten.
- Die selen meestere wesen
|
1ev Maer...men: Maar van diegenen die om de totale minne met volledige inzet minnen, is het aantal gering, maar nog minder is het aantal van hen.
13 die wel: zij die echter - termineren: nl. voordat men de minne voldoening schenkt.
17 indien zij zich in het lijden schikken.
20 met ghevoelne: met tastbaar genot.
26 met...verlichten: met verlichte rede werken.
|
[p. 155]
-
- Ende ontfaen der minnen hoechste ghichten,
- Die wonden sonder ghenesen. 1-2 2
-
- Die minne dus ghicht met haren wonden 3
- Ende toent die wijtheit hare conden, 4
- 5
- Die nied houdse open ende onghebonden 5
- Daer se minne met storme doresiet.
- Al gruwelt hen dan den onghesonden, 7
- Dat en darf ons wonderen niet.
-
- Die minne met allen dus hevet dorewaden, 9
- 10
- Met diepen honghere, met vollen saden,
- Hem en mach dorren noch bloyen scaden
- Noch hulpen tijt engheen.
- In diepste ghewat, ten hoechsten graden 13
- Blijft hare wesen in een. 14
|
1-2 paradox van heil door lijden.
2 sonder ghenesen: ongeneeslijk.
4 die...conden: de uitgestrektheid van wat in haar (de minne) te kennen is.
5 Die...houdse: in hen houdt het verlangen de wonden.
7 gruwelt hen: gruwelt het.
9 met allen: in al haar facetten.
13 ten...graden: op de hoogste toppen.
14 in een: onveranderlijk.
|
Strofisch gedicht 15
- 15
- Al es die tijt blide overal
- Ende al es groene berch ende dal,
- Dat wert hem wel clene in scine 17
- Die ter minnen hevet ongheval.
- Ic en weet wies hi verbliden sal. 19
- 20
- Hem es alle bliscap pine.
- Dat en es gheen wonder:
- Alse hi es sonder
|
17 dat is voor hem duidelijk weinig waard.
|
[p. 156]
-
- Sijns liefs, na sijn begheren, 1
- Ende hi niet en hevet 2
- Daer hi bi levet, 3
- Waerop soude hi dan teren?
-
- 5
- Die op minne teret al sonder spoet, 5
- Wat hi ghedoghet in orewoet,
- Dat mach allene bekinnen
- Die hem ter minnen verlaet al goet 8
- Ende dan van hare blivet onghevoet.
- 10
- Hem es wel wee ter minnen, 10
- Want hi bernet sware
- In hope ende in vare
- Altoes met nuwen uren;
- Want al sijn begheren
- 15
- Es voeden ende teren 15
- Ende ghebruken minnen natueren.
-
- Die dus in hongher van minnen leven
- Ende noch ghebruken es ontbleven, 18
- Ay, wie mach hen gheloven?
- 20
- Want si hen een ane minne al cleven. 20
- Als hen dan minne hare soude al gheven,
- So wordet een beroeven
- Ende so roerste een vaer. 23
- Ay amabaer, 24
- 25
- Waer salic, arme, henen?
- Eert mi dus quam, 26
|
1 na...begheren: naar wie hij verlangt.
3 waarmee hij zijn leven kan vullen.
5 sonder spoet: tevefgeefs.
10 voor hem is zeer pijnlijk het beoefenen van de minne.
15 voeden: zich voeden met.
20 een...al: geheel en al aan minne.
24 amabaer: uitroep van smart: ik wérd bemind.
26 Eer het voor mij zover kwam.
|
[p. 157]
-
- Ay utinam, 1
- Hadde si mi doch doet gherenen. 2
-
- Dit es een wee wel onbekint.
- Het ne werdt van vremden nie ghemint.
- 5
- Ghenoechten eest te sware,
- Want si hare alle uren daertoe went 6
- Dat si hare an ghebruken bint
- In vriheiden sonder vare. 8
- Maer redene claer
- 10
- Hevet ommaer. 10
- Het dunct hare een keren,
- Eer si 11ev opclemt
- Daer si volvent
- Hare lief ter hoechster eren. 14
-
- 15
- Minne wilt al minne, sine wilt niet beiden.
- Si wilt al uren in suetheit weiden,
- In weelden na hare begherte. 17
- Redenne heetse merren na ghereiden 18
- Ende vriheit wilse te hant gheleiden 19
- 20
- Daerse met lieve .i. werde.
- Dus ghedane storme 21
- Maken eyse in vorme. 22
- Dats onbekent den vremden,
|
1 utinam: uitroep bij een onvervulbare wens.
2 had zij mij toch door haar aanraking gedood (hoofdzin).
6 daertoe went: erop richt.
8 in onbevangen vrijheid.
10 wil daar niets van weten.
11ev een...si: een achteruitgang, zolang zij niet.
14 ter...eren: in zijn hoogste heerlijkheid.
17 na...begherte: zoals zij begeert.
18 na ghereiden: tot ze daarop is voorbereid.
19 Ende: maar - te hant: ogenblikkelijk.
21 Dus ghedane: Dergelijke.
22 brengen vreugde tot stand.
|
[p. 158]
-
- Die alre doet
- Vore minnen noedt 1-2
- Te smakenne nie en gheteemden.
-
- Daer minne die jonghe met nuwen troest, 4
- 5
- So wanen si dan al sijn verloest,
- So sijn si alse te hove 6
- Ende leven hen selven alrevroest 7
- Ende wanen hebben voldaen die joest
- In allen vollen love. 9
- 10
- Alse hen dan hare redenne wect
- Ende si hen dat werc ontdect
- Dat si hebben te doene
- Met nuwen moede,
- Werden si bloede
- 15
- Die teersten waren coene. 15
-
- Ay minne, die fine doghet,
- Die alles es voghet 17
- Ende alle dinc mach dwinghen,
- Si moete hare melden
- 20
- Ende si sal ons ghelden.
- Sine sal ons niet ondringhen.
- Die alle rouwen
- Gesmaken met trouwen,
- Si moghen wel blide singhen.
-
- Refrein:
- 25
- Dats yemant twivelt, dats grote scade: 25
- Minne loent altoes al comt si spade.
|
1-2 die de volledige versterving waartoe de minne noodzaakt.
4 die...nuwen: de jonge minnaars steeds opnieuw.
6 alse...hove: als aan het hof.
7 hen...alrevroest: in hun eigen ogen allervergenoegdst.
9 met het volste recht op hoge lof.
15 teersten: aanvankelijk.
17 es voghet: voogd is over.
|
[p. 159]
-
- Die hen te hare verlaten
- Ende volghen haren hoechsten rade
- Ende bliven inden nied ghestade,
- Si saelt met minnen orsaten. 4
|
|
Strofisch gedicht 17
- 5
- Als hem die tijt vernuwen sal,
- Nochtan es berch ende dal
- Wel doncker ende ontsiene overal.
- Doch gheet die hasel bloyen.
- Al hevet die minnare ongheval,
- 10
- Hi sal in allen groyen. 10
-
- Wat hulpet hem bliscap ochte tijd,
- Die gherne in minnen name delijt
- Ende niet en vint inder werelt wijt 13
- Daer hi met trouwen op mach rusten 14
- 15
- Ende vri toe seghhen: Lief, ghi sijt 15
- Die minen gront mach custen. 16
-
- Wat mach hem bliscap ommevaen,
- Die minne in hachten heeft inghe ghedaen 18
- Ende die de wijdde van minnen woude ommegaen 19
- 20
- Ende vri ghebruken in trouwen?
- Meer dan sterren anden hemel staen
- Hevet die minne dan rouwen.
-
- Dat ghetal diere rouwen moet sijn ghesweghen,
|
10 in allen: in alle opzichten.
14 met trouwen: waarachtig.
16 die mijn diepste verlangen kan bevredigen.
18 heeft...gedaen: zijn vrijheid heeft ontnomen.
19 Ende die: terwijl hij.
|
[p. 160]
-
- Die grote sware waghen bliven ongheweghen,
- Daer ne gheet gheen ghelike jeghen. 2
- So eest best dat mens begheve. 3
- Al es mijn deel clene, ic hebber verdreghen. 4
- 5
- Mi gruwelt dat ic leve.
-
- Hoe mach hem gruwelen ende rouwen tleven,
- Die sijn al hevet op al ghegheven 7
- Ende in donckeren dole wert verre verdreven
- Daer hi meer ne waent doen kere, 9
- 10
- Ende in onthopenden storme al wert tewreven. 10
- Wat rouwen gheliket dien sere?
-
- Ay ghi fiere, die als met minnen ghestaet 12
- Ende vri leeft in hare toeverlaet,
- Ontfarmt der verdeylder, die minne verslaet 14
- 15
- Ende met onthopenden ellende gheet nopen. 15
- Och, die raets mach pleghen leve vri in raet; 16
- Mijn herte levet in onthopen.
-
- Want ic sach ene lichte wolke opgaen
- Over 18ev alle swerke, so scone ghedaen, 19
- 20
- Ic waende met volre weelden saen 20
- Vri spelen in die sonne.
- Doen wardt mijn hoghe maer een waen. 22
- Al storvic, wie es dies mi wanconne? 23
|
2 Niets kan daarmee vergeleken worden.
4 deel: namelijk van de rouwen en de waghen.
7 die alles op alles heeft gezet.
9 waarvan hij niet meer denkt terug te komen.
10 onthopenden storme: storm van hopeloosheid.
14 die: lijdend voorwerp.
15 onthopenden ellende: tot wanhoop leidende ellende.
16 raets...pleghen: uitkomst weet.
18ev opgaen Over: uitrijzen boven.
19 scone ghedaen: mooi gevormd.
20 met...weelden: in volle zaligheid.
22 hoghe maer: blijde verwachting.
23 es...wanconne: zou het mij kwalijk nemen.
|
[p. 161]
-
- Doen sweec mi nacht over den dach. 1
- Dat ic ye was gheboren, o wach.
- Maer die sijn al ghevet op minnen sach,
- Met minnen saelt wel orsaten noch minne. 3-4
- 5
- Al bennic weder onder den slach, 5
- God troest alle edele sinne. 6
-
- Die minne es in allen beghinne ghenoech. 7
- Doe mi minne eerst minnen ghewoech, 8
- Ay, hoe ic met al hare al beloech. 9
- 10
- Doen deedse me haesselen slachten
- Die in deemsteren tide bloyen vroech
- Ende men langhe hare vrocht moet wachten. 12
-
- Die beiden mach, hem es wel ghesciet,
- Tote dat minne sijn alle met al versiet. 13-14
- 15
- Ay god, dies en achtic niet, 15
- Maer ic bens meer dan te ghemeder. 16
- Der minnen ic doch mi selven al liet, 17
- Maer mi dede dat wee al leder. 18
-
- Dat es den minnare al te swaer,
- 20
- Na minne te dolen ende hine weet waer,
- Het si in deemsterheit ende in claer,
- In abolghe ochte in minne. Gave minne
|
1 sweec mi: zonk voor mij neer.
3-4 Maar wie alles op alles zet in vertrouwen op de minne, hem zal de minne nog wel met minne belonen.
5 onder...slach: in onheilspellend gevaar.
6 edele sinne: edelgezinden.
7 De minne schenkt in het begin altijd voldoening.
8 minnen ghewoech: van de minne gewaagde.
9 met...al: met geheel mijn wezen alles wat minne impliceert.
13-14 Wie wachten kan totdat minne zijn gehele wezen totaal bevredigt, hij is gelukkig.
16 ik ben er alleen maar des te verheugder om.
18 al leder: steeds maar meer pijn.
|
[p. 162]
-
- Hare ghewareghe troeste openbaer,
- Dat custe alendeghe sinne.
-
- Ay, liet mi mijn lief lieve van minne ontfaen,
- Daeromme en worde minne niet al verdaen,
- 5
- Ende so en ware gheen hoghe maer een waen,
- Dat waer groot jammer dat het ghesciede. 6
- Ay, den edelen fieren doe god verstaen
- Wat selke scade bediede.
-
- Ay, wat ic meine ende hebbe ghemeent,
- 10
- Heeft god den edelen wel versceent
- Dien hi quale van minnen heeft verleent
- Omme ghebruken van minnen natuere.
- Eert al met al wert vereent,
- Smaect men bitteren suere.
-
- Refrein:
- 15
- Der minnen comen troest, hare ophouden versleet. 15
- Dat swert die avontuere. 16
- Ay, hoe men al met al beveet, 17
- Dat en weten ghene vremde ghebuere. 18
|
15 ophouden: nl. met komen.
17 al...beveet: het al in zijn totaliteit verwerft.
18 vremde ghebuere: de goddelozen.
|
Strofisch gedicht 26
- Al es verdruevet dach ende tijt,
- 20
- Dies si al god ghebenedijt.
- Men saelt saen beter scouwen.
- Lief, dat ghi mi te verre sijt
- Ende ane u steet al mijn delijt, 23
- Dat sijn ghestade rouwen.
|
23 Ende...steet: terwijl van u afhangt.
|
[p. 163]
-
- Dat es wel recht:
- Miere herten licht
- Daer ic bi soude leven,
- Doelt na u al. 2-4
- 5
- Siet wat ic sal. 5
- Mi en es een twint niet bleven. 6
-
- Ay, wat soude mi iet, lief, dan al ghi? 7
- Dat ic u niet en volhebbe, dats mi, 8
- Ende ghenoech niet en mach volgheven 9
- 10
- Gherechte minne fier ende vri.
- Wat men u gave dat iet min si,
- Dat ware vore u groet sneven.
- Want ghi wilt al minne
- Met herten ende met sinne
- 15
- Ende met geheelre zielen.
- Die wanen minnen
- Sonder beghinnen, 17
- Dat warense ye die vielen. 18
-
- Die coneghinne van Saba
- 20
- Si volgde Salamoene na. 19-20
- Dat was om wijsheit sueken.
- Als sine vonden hadde, ja, 22
- So worden hare sine wondre ga 23
- Ende si affeleerde in rueken. 24
- 25
- Si gaf hem al,
|
2-4 het licht van mijn hart dat mij vreugde zou moeten geven, dwaalt u achterna.
6 een...niet: helemaal niets.
7 wat...iet: zou iets anders mijn leven bepalen.
8 dats mi: dat is mijn lot.
17 zonder voorafgaande offers.
18 dat waren zij die onvermijdelijk gevallen zijn.
19-20 vgl. I Kon. 10, 1-13.
23 toen vielen zijn wonderen haar plots ten deel.
24 en zij ging op in zaligheid.
|
[p. 164]
-
- Ende die ghichte stal
- Wat so si hadde in binnen, 2
- Beide herte ende sin,
- Daerne bleef niet in.
- 5
- Het wart al verswolghen in minnen.
-
- Hets recht si hadde hem al ghegheven.
- Hadse iet vermert in vremden weghen
- Onder dat arme diede, 8
- So ware hare dat hoghe wonder ontbleven.
- 10
- Nu wertse al in minnen tewreven.
- Dies derven noch vele liede. 11
- Si nemen te vroech
- Al haer ghevoech
- Onder die ghesellen. 14
- 15
- Dies salmen spade
- Der minnen dade
- Van hen te wondere tellen. 16-17
-
- Maer die hen ter vrier minnen reken
- Ende inden weghe niet en ghebreken
- 20
- Ende hen ane minne al cleven
- Ende doghen hare ellendeghe treken,
- Daer mach men wonders wonder af spreken.
- Want si hen also opgheven
- Alse omme al dorevaren,
- 25
- Sonder enich sparen,
- Ochte minnen 23ev ghenoech gheriven,
- An anxt ter doet 27
- Dat hen dat grote goet
- Van minnen soude ontbliven.
|
2 alles wat zij innerlijk had.
8 onder het goddeloze volk.
11 Dies: Hierom; verwijst naar r. 12-14.
16-17 hun verrichtingen in de minnedienst als wonderen vertellen.
23ev Want...minnen: Want in hun opoffering tonen ze de bereidheid alles door te maken, zonder enige terughoudendheid, om de minne maar.
|
[p. 165]
-
- Ay, dus al verloren in minnen cracht,
- Ja, ende dan al vergouden der minnen pacht,
- Also men te rechte al soude, 3
- Dats ene die alre scoenste hacht
- 5
- Ende ene onverwonne nuwe macht
- Ende wel dat god al woude.
- Want dat rechtste volgheven van minnen
- Dat es dat ontbliven van binnen. 7-8
- Want sine connen niet al volleesten
- 10
- Ende dat hare dat es saen verdaen 10
- Inder hogher minnen ontfaen.
- Dus comense buten den gheesten. 12
-
- Alse die geweldeghe redene der minnen opdoet 13
- Ende si hen toent hare grote goet 14
- 15
- Dat si es bi natueren,
- Ocht men haere in minnen ghenoech doet 16
- Dat si al dat verghelden moet,
- Dat wect die creatueren
- Ende doetse opstaen
- 20
- Ende alle ommevaen
- In herteliker weelden
- Ende gheloeft hen een rike
- Sonder enich ghelike
- In eweliker seelden.
-
- Refrein:
- 25
- Die dus verwinnen
- In storme van minnen
- Dat sijn gherechte helde.
- Ende die iet gheroen
|
7-8 Want de meest waarachtige gave der minne is het vermijden van zelfvoldaanheid.
12 Zodoende raken ze in extase.
13 der...opdoet: inzicht geeft in de minne.
14 hen: zij die de minnedienst verrichten - hare: van de minne.
|
[p. 166]
-
- Ende niet en voldoen,
- Hets recht datmense scelde.
Strofisch gedicht 29
- Doer hogher trouwen minne
- So sijn alle mine sinne
- 5
- In menichfoude pine.
- Mijn swaere draghen
- Sonder claghen
- Werdet mi wel in scine. 8
- Die ghene daer ic omme douwe
- 10
- Ende doghe so meneghen rouwe,
- Hi hevet mi doen verstaen
- Dat ic met hogher minnen sal ontgaen.
-
- Sal mi hoghe minne
- Behouden mine sinne,
- 15
- So bennic seker des, 13-15
- Met verstane van binnen, 16
- Dat die minnare onser minnen 17
- Wel volmaket es.
- Want al sijn doen es sonder mate.
- 20
- Hem en ghenoecht vore minne ghene orsate. 20
- Dat bekinnen wel
- Die hoghe minne draghen, ende niemant el.
-
- Die hoghe minne draghen,
- Si selen luttel claghen
- 25
- Wat leede hen overgheet.
- Si selen sijn alse die vroede,
- Altoes met diepen oetmoede
|
8 zal mij vast en zeker ten goede komen.
13-15 Zal oprechte liefde mijn verstand leiden, dan ben ik er zeker van.
16 van binnen: innerlijk.
17 minnare...minnen: Jezus Christus.
20 Geen geschenk behaagt Hem meer dan onze liefde.
|
[p. 167]
-
- In hoghe minne ghereet, 1
- Daer minne ghebiedet, si verre, si bi,
- In sterven, in leven, so wat si,
- In vriheit sonder vaer.
- 5
- Dat maecte ons hoghe minne ierst openbaer.
-
- Wat so ons god ye onste,
- En wardt nieman, die conste
- Gherechte minne verstaen, 7-8
- Eer dat Maria, die goede, 9
- 10
- Met diepen oetmoede
- Die minne hadde ghevaen.
- Tierst was si wilt, doen wardt si tam.
- Si gaf ons vore den leeu een lam.
- Si maecte die deemsterheit claer,
- 15
- Die hadde gheweest doncker wel menich jaer.
-
- Die vader van anebeghinne 16
- Hadde sinen sone, die minne,
- Verborghen in sinen scoet,
- Eerne ons Maria 19
- 20
- Met diepen oetmoede ja,
- Verholentlike ontsloet.
- Doen vloeide die berch ten diepen dale.
- Dat dal vloyde even hoghe der sale. 22-23
- Doen wardt die casteel verwonnen, 24
- 25
- Daer langhe strijt was an begonnen.
-
- Ons dede elc prophete
- Te voren scone behete:
- Dat hi rike ware ende scone 28
|
1 tot de edele minnedienst bereid.
7-8 niemand kon de ware minne begrijpen.
16 van anebeghinne: van alle eeuwigheid.
19 tot Maria die voor ons.
22-23 beeld van Gods menswording, waardoor de mens vergoddelijkt kon worden.
24 casteel: nl. waarin de mensheid zat gevangen.
|
[p. 168]
-
- Die ons soude brenghen vrede
- Van minnen, ende mechtich mede.
- Moyses met Salamoene
- Prijsden alle sine cracht besondere,
- 5
- Sine wijsheit ende sine wondere
- Tobyas, Ysayas, Daniel,
- Job, Jheremias, Ezechiel.
-
- Si saghen visioene.
- Si spraken parabilen scone
- 10
- Wat ons god noch soude doen. 10
- Mar, na minen sinne, 11
- Die clare, vrie minne
- Bleef van hen al ongheploen,
- Want si hadden hare seden alse andere man, 14
- 15
- Nu hier, nu daer, nu af, nu an.
- Maer Maria en sprac el niet
- Dan: Mi werde dat god versiet. 17
-
- David seide hem ghedachte
- Van gode, het dede hem sachte
- 20
- Ende hem ghebrac sijn gheest. 18-20
- Nochtan hetet hi van werke starc,
- Maer Maria wrachte sterkere werc.
- Ja, hi hads wale meest,
- Sonder Maria, diene gheheel ontfinc, 24
- 25
- God ende man ende jonghelijnc.
- Daer mochtemen der minnen
- Ierst clare werc bekinnen. 27
|
11 na...sinne: naar mijn mening.
14 Want ze gedroegen zich op dezelfde manier als iedereen.
17 Mi werde: Mij geschiede; vgl. Luc. 1, 38.
18-20 David zei, dat wanneer God zijn geest vervulde hij zo vol stroomde van vreugde, dat hij zichzelf niet meer beheerste.
24 diene: die Hem, Jezus Christus.
27 werc: nl. van de minne.
|
[p. 169]
-
- Dat was bi diepen niede,
- Dat hare dat grote ghesciede,
- Dat die edel minne uut wert ghelaten
- Dien 3ev edelen wive
- 5
- Van hoghen prise 5
- Met overvloedegher maten.
- Want si el ne woude, noch haerre el ne was, 7
- So hadse al daer elc af las.
- Dus heeftse dat conduut gheleit, 9
- 10
- Dat elker oetmoedegher herten es ghereit.
-
- Die propheten ende al hare kinder
- Offerden scape ende rinder.
- Dat was hare sacrament.
- Si daden hen metten bloede striken. 14
- 15
- Hare sacramente waren gheliken, 15
- Eer Marien dat hoghe prosent,
- Die sone, ghesindet wart vanden vader.
- Nu comt ten groten etenne allegader
- - Die brulocht es ghereet -
- 20
- Die de minne vindet gheciert in brulochtcleet. 20
-
- Onser vriende der propheten
- Harer doghet en doech vergheten. 22
- Si was scone ende claer.
- Si dogheden alendicheit
- 25
- Ende grote bitterheit
- Der wet wel menich jaer.
- Hare sacramenten waren bi gheliken.
- Dat si daer vore wouden wiken, 28
|
3ev uut...Dien: toestroomde tot die.
7 Daar zij niets anders wilde en voor haar niets anders bestond.
9 Zodoende is ze de middelares geworden.
14 Zij bestreken zichzelf.
15 gheliken: voorafbeeldingen en onvolmaakt.
22 en doech: mag men niet.
28 daer vore: nl. voor de wet.
|
[p. 170]
-
- Men maechs hen dancken wel,
- Al segghic dat Marien was el.
-
- Oetmoedeghe vrie sinne, 3
- Wildi gheheel al minne
- 5
- Also minne hare selven levet, 5
- Ic rade u dore trouwe,
- Al lidi rouwe,
- Vertijt alles ende beghevet.
- So wert u herte wijt ende diep,
- 10
- So sal u comen dat conduut dat liep 10
- Marien sonder mate. 11
- Bidt der hogher trouwen dat sijt u vloyen late.
-
- Refrein:
- Want hogher trouwen es bevolen
- Al die oetmoedicheit doredolen, 14
- 15
- Dat sise volleiden sal 15
- Daer Maria es met minnen een in al. 16
|
3 vrie sinne: edelgezinden.
5 hare selven: in zichzelf.
10 sal u comen: zal u toevloeien.
14 allen die ootmoed ten volle op zich nemen.
16 een...al: helemaal een is.
|
Strofisch gedicht 35
- Die tijt es doncker ende cout.
- Dies druven voghele ende dier.
- Die herten doghen el menichfout, 19
- 20
- Die kinnen hare natuere fier
- Ende hen dan minne ontbliven sal. 21
- Wie oprijst, ic blive int dal,
- Van riken troeste onberaden,
- Met swaren waghen altoes gheladen.
|
19 doghen...menichfout: verduren veelvuldig iets anders.
21 Ende...dan: terwijl hen toch.
|
[p. 171]
-
- Die waghe es mi alte swaer,
- Die niet en leghet bi ghere noet. 2
- Hoe mochte een herte ghedueren daer,
- Die liden moet so meneghe doet
- 5
- Als hi ghesmaect, die hem bekint
- Altoes van minnen onghemint,
- Ende al ontseghet wien si ontfaet, 5ev
- Hulpe ende troest ende toeverlaet.
-
- En wilt minne mi minne niet ontfaen, 9
- 10
- Wat soudic dan ye gheboren?
- Benic vore minne dus ontdaen, 11
- So benic sonder waen verloren. 12
- So magic claghen wets na wee 13
- Al minen tijt voert ane mee,<
|