[p. 190]

Anonieme lyriek

In dit hoofdstuk zijn gedichten bij elkaar gebracht die enerzijds aansluiten bij de thematiek zoals die bij Hadewijch naar voren komt, maar anderzijds vooruit lopen op latere, veertiende-eeuwse mystici als Ruusbroec († 1381) en de Duitser Eckhart († 1327).

De eerste twee gedichten, Ay edele minne en Hoe mochtic dat gelaten, passen helemaal in het extatische klimaat van de Begijnenbeweging in de dertiende eeuw, waar ook Hadewijch toe behoort. In beide komt het motief van de onvoorwaardelijke minnedienst met al zijn vreugde en verdriet sterk naar voren. Wat dat betreft komen deze gedichten overeen met de Strofische Gedichten van Hadewijch. Maar ook het overwegend emotionele, affectieve karakter van deze lyriek, de persoonlijke strijd die er in wordt beschreven en het taalgebruik roepen het werk van Hadewijch in gedachten.

Op deze twee gedichten uit de school van Hadewijch volgt in dit hoofdstuk Mengeldicht 27, Een edel licht. De reden waarom het in dit hoofdstuk is opgenomen en niet bij de Mengeldichten zelf is, dat het niet aan Hadewijch kan worden toegeschreven. Het behoort tot de groep Mengeldichten waarvan de auteur (of auteurs) niet bekend is. Deze groep, die de gedichten 17 t/m 29 omvat, wordt daarom aangeduid als zijnde van pseudo-Hadewijch.

De mystiek die uit deze gedichten spreekt is minder hartstochtelijk dan die van Hadewijch. Het gaat meer om bespiegeling en didactiek dan om expressie van persoonlijke emoties. In Mengeldicht 27 treffen we de leer aan over de vonke van de ziel, die in de latere mystiek van vooral Ruusbroec een grote rol speelt. Die vonke is het licht van de ziel dat, altijd naar God gekeerd, God weerspiegelt en naar enicheit met Hem streeft.

[p. 191]

Het is de God-weerspiegelende aanleg van de ziel tot de schouwing van God.

De overige drie gedichten van dit hoofdstuk bevatten eveneens thema's die thuishoren in de latere, meer reflexief getinte mystiek. Zo wordt bv. in Minnen natuere, naast het aan Hadewijch herinnerende motief van de onvoorwaardelijke minnedienst, ook de eis gesteld alle aardse zaken en beslommeringen te ontvluchten. Alleen dan is het mogelijk de drie-ene God in zijn eenheid te aanschouwen.

Deze vlucht van het aardse is ook in de gedichten O over hoghe Triniteit en Een subtile ghedicht van hogher godliker mynnen een belangrijk thema. In O over hoghe Triniteit is daarnaast veel aandacht voor de triniteit als een zuivere, bloote, simpel eenicheit, van allen namen onbevaen. Het genieten van die weselicheit is de hoogste zaligheid voor de ziel. Een subtile ghedicht...bevat motieven als: de ziel in zichzelf gekeerd, het edele licht dat de ziel boven de natuur uit voorlicht, de stille afgrond waarin de Godservaring plaatsvindt.

 Ay edele minne
 
 Ay edele minne, in minen beginne
 So gavic di wijsheit minen sinne. 1ev  
 Alsic uwer goetheit wart an inne, 3  
 So volchdic hare dach ende nacht.
5
 Als ic hare diende buten binnen, 5  
 Doe wart verloren mine kracht.
  
 Ay edele minne, laet mi niet dolen,
 Ic ben geraect ter wreeder scolen. 8  
 Mijn edel sinne sijn verloren,
10
 Ontrouwe draget die roede mijn. 10  
 1ev  in...sinne: ik begon met mijn verstand op de wijsheid te richten.
 3  wart...inne: gewaar werd.
 5  buten binnen: uiterlijk en innerlijk.
 8  geraect...scolen: beland bij kwaadaardig onderricht.
 10  aan mijn twijg bloeit ontrouw.


[p. 192]

 
 Si gevet sware clage; dat icse draghe, 1  
 Des moetic uten rade sijn. 2  
  
 Ay edel minne, mijns herten quale
 Sidi meester altemale.
5
 Laet mi genesen, so doedi wale,
 Want mine pine es alte groet.
 Ghi kint mijn herte en grote smerte
 Ende mine bitterlike noet.
  
 Ay minne, die mi ter minnen brachte,
10
 Ghi doet mi leven al tonsachte. 10  
 Al haddic dusent manne crachte,
 Ic verloerse op enen dach. 12  
 Hebt mijns genade, edel minne,
 Ghi siet datic nemmeer ne mach. 14  
  
15
 Ay edele minne, mijns herten wonden
 Laet di mi draghen ongebonden. 16  
 Geboedijt, sciere haddic vonden 17  
 Daer ic bi genase wel.
 Ghi moget mi salven an alsent hallen
20
 In minnen bat dan iemen el. 15ev   19-20  
 Hoe mochtic dat gelaten
 
 Hoe mochtic dat gelaten, in souden leeren kinnen
 Heme die 1ev   in den cruce ommi starf van minnen.
 Kindic hem, so mindic hem, sone constix niet ontberen, 3  
 1  Si: nl. de ontrouw.
 2  daarom is radeloosheid mijn lot.
 10  tonsachte: te onaangenaam.
 12  Ic verloerse: ik zou haar verliezen.
 14  nemmeer...mach: niet langer kan.
 16  di: die, nl. de wonden.
 17  Geboedijt: Zou u het gebieden.
 15ev  Ay...el: paradox van heil door lijden.
 19-20  U kunt me, zonder me voortdurend tot de minne te halen, beter zalven dan wie dan ook.
 1ev  Hoe...die: Hoe zou ik het kunnen nalaten hem te leren kennen die.
 3  sone...ontberen: dan kon ik er niet buiten (nl. wat in de volgende regel wordt gezegd).


[p. 193]

 
 Ic soude in sire minnen craft ende macht verteren.
 Onkinne maect onminne; leider, magic wel seggen,
 Die uuten rechten wege so lange gedoelt hebbe. 3  
 Ic hebbe gedoelt, dat rouwet mi sere, al eist te spade; 4  
5
 Om die grootheit sire ontfarmhertecheit biddic genade.
 Genade doet hi elken die alles wille legen, 6  
 Vremde saken achter laten ende al sijns plegen. 7  
 Al sijns plegen ende in hem leven sonder faelieren,
 Dat doet bekinnen mate der minnen ende die hantieren.
10
 Alles vertien ende minnen hen, dats minne maken; 10  
 Die wilt gedien, moet hem vrien van vremden saken.
 Vremde saken benemen smake ende troest van binnen;
 Die die wilt laten, hi mach geraken in na bekinnen. 13  
 Int na bekinnen leert men minnen, ende achter setten 14  
15
 Alle die dinge sonderlinge die ons letten.
 Die meeste scade die noyt was ochte herte mochte kinnen, 16  
 Dats dat wi noyt uure waren buten minnen.
 Die buten minnen leeft, hi woent in die doot;
 Al warict maer allene, nochtan waert jammer groot. 19  
20
 Maer ic ne sach nie mester der minnen; wie sal minne leeren?
 Ic peinse, dat ic mi sal van allen dingen keeren.
  
 Mire herten gaste, eere ende raste, lief ende leven 22  
 Willic dore minnen wille ende dore hare eere begeven.
 Hoe mocht sijt dan gelaten, sine soude mi troest geven, 24  
25
 Die in haren dienste wille bliven al mijn leven.
 Wilt si oec dat ic sterve, ic ben altoes gereit
 3  uuten: buiten de.
 4  eist: is het.
 6  die...legen: die alles wil neerleggen.
 7  Vremde saken: zaken die de minne belemmeren - al...plegen: zich geheel aan zijn (Christus) wil overgeven.
 10  hen: Christus.
 13  na bekinnen: getrouw belijden.
 14  achter setten: terzijde schuiven.
 16  ochte...kinnen: en die het hart zou kunnen ervaren.
 19  warict: was ik het.
 22  Mire...gaste: Mijn beste vrienden.
 24  Hoe zou zij het dan kunnen nalaten mij troost te geven.


[p. 194]

 
 Doer haren wille tontfane, eist swaer, hert of wreit. 1  
 Ic wille dor hare sterven ende anegaen die doot;
 Al dat hare es bequame, dan es mi niet te groot. 3  
 Gebiedt sijt mi, ic wille ter hellen gerne varen 4  
5
 Ende hemelrike ontseggic selve sonder hare. 5  
 Dit scijnt ongelove dat ic nu hebbe geleert, 6  
 Maer hen es, op dat ment ter rechter wareit keert. 7  
 Daer minne es, daer ne mach helle noch rouwe wesen; 8  
 Die hadde die doot, quame hi ter minnen, hi ware genesen.
10
 Minne es medicine alrehande quetssuren;
 Daer omme willic hare dienen, hoe soet mi wert te sure. 11  
 Die met suren avonturen al hare sinne 12  
 Ende daer in duren, dat doet beruren den moet der minnen.
 Als ic den tijt besie die ic hebbe leden 14  
15
 Buten minnen, wordic van binnen soe tonvreden,
 Dat mi en can getroesten hope noch goet geval;
 Maer eer ix iet weet comt minne ende doets mi vergeten al. 17  
 Dan wert mijn herte boven mi selven op geheven
 In een bewondren, dan alre ierst beginnic leven.
20
 In dat leven wert mi gegeven een rijc gewout:
 Dat minne sal gilden - si es so milde - al mine scout.
 Nu benic over ende hebbe coever van allen goede, 22  
 Want selve die minne van minen sinne es worden hoede.
 Minne es so faeliant, si wilt mi alles verlaten;
25
 Dat ic hare noyt ontbleef, dat rouwet mi uutermaten.
 Sine wilt negheen gewach hebben van minen gebreken; 26  
 1  tontfane: te ondergaan.
 3  dan...groot: dat is mij niet te zwaar.
 4  sijt: zij het.
 5  sonder hare: maar de minne niet.
 6  Dit...ongelove: Dit lijkt ketterij.
 7  maar dat is niet zo, op voorwaarde dat men het in de juiste zin opvat.
 8  ne mach: kan geen.
 11  hoe...sure: hoezeer het mij daardoor ook duur te staan komt.
 12  met suren: met bitterheid.
 14  hebbe leden: heb verzuimd.
 17  ix: ik daarvan.
 22  Nu...over: Nu ben ik van zorgen voor het bestaan ontheven.
 26  Zij wil niets van mijn tekortkomingen horen.


[p. 195]

 
 Van minnen doget en can men te vollen niet gespreken.
 O minnen macht, van al mire cracht so sijt geloeft,
 Die mijn herte van alder smert hebt verhoegcht.
 O minnen nature, die mi in curen hebt genomen, 4  
5
 In can geduren als ene uure merret u comen. 5  
 Ende alse ghi sijt hier ende ghi dat vier ontstect der minnen,
 Werdic soe in dole, dat mi al een cole dunct wat ic kinne.
 Ic hebbe gehaect ende ben geraect in die suetheit der minnen.
 Ic ben gemaect ende niet volmaect int vaste bekinnen: 9  
10
 Ic scouwe met rouwen ene nouwe ontrouwe die mi noch let;
 Ic kinne met sinne, dat minne van binnen mi daer uute wect;
 Ic late, ic hate donmate der saken die mi dede dolen; 12  
 Ic swige, ic nige, ic crige, ic blive der minnen scolen. 13  
  
 Een innerich sien, alst mach gescien, wort mi gegheven, 14  
15
 Dat ic niene gave om al hare have, die nu leven. 15  
 Ute siene comt een raye in mire herten gront
 Ende doet mi al vergeten dat mi noit was cont.
 Die raye dore vliegcht mijn herte daer na sute locht;
 Ay, wies ic dan gevoele, dat latic nu gecnocht. 19  
20
 Als dlicht der minnen dus heeft dor scenen mine sinne,
 So benic ierst gereet tontfane die edele minne.
  
 Geloeft sijt minne, die mine sinne hebt gehoegcht
 Boven al dat es, want mijs getes wat gi vermoeghct. 23  
 Wat minne vermach, dats mijn gelach ende mine vriheit;
25
 Si es al mijn gnouch ende ic haer gnouch in enecheit.
 Mine moge scaden valsche rade noch vremt bedwanc, 26  
 Ic ben verheven boven alle die leven in minnen lanc. 27  
 4  mi...genomen: zorg voor mij hebt gedragen.
 5  In can: ik kan niet.
 9  Ic...volmaect: Ik ben gevormd maar niet volmaakt.
 12  donmate: de onmatigheid.
 13  der...scolen: leerling van de school der minne.
 14  Een...sien: Een innerlijk inzicht.
 15  die: van hen die.
 19  wies: waarvan.
 23  mijs: mij is.
 26  Mine moge: Mij kunnen niet.
 27  ik ben in minne ver boven allen die leven verheven.


[p. 196]

 
 Die herten fel, die waren snel op minen persoen
 Met valschen oerconde, dats mi gesonde ende ewelec loen. 1ev  
 Wat soudic achten van haren ambachten, die quaet seggen,
 No meer no min wort hare gewin dan quaet hebben.
5
 Van minnen es mi goet gesciet, dat makic cont
 Den genen dien van fijnre minnen sijn gewont.
 Ic ben gewont van minnen, dan willic niemen clagen, 7  
 Maer wat mi minne gebiet, dat willic gerne draghen.
 Der minnen slage willic dragen na mine macht,
10
 Ende haer bedwanc benic te cranc: so geve mi cracht. 10  
 Mine macht ware niet en dade sijt, die edel trouwe 11  
 Die mi gewect heeft ende getrect uute allen rouwe.
 Dat minne in mi comt hoe dat si, ine caent geweten; 13  
 Maer dat si daer es benic gewes, daer ne wetic wat af spreken. 14  
15
 Begerte, geloeve ende hop, daer ic met op ben comen, 15  
 Dat wort mi int gebruuc der minnen al benomen.
 Minne bloyt in mi ende ic in hare verwendelike;
 Dat ic dan gevoele dunct mi hemelrike.
 Dan wort mi cont der minnen gront ende hare hoecheit, 19  
20
 Ende in haer widde dolic sonder arbeit.
 Twonder dat ic verstaen in minnen hoecheit hebbe,
 Dan mach herte begripen noch ine caent u geseggen. 22  
 Maer een ewelec ceins boven al gepeins wert mi geboden,
 Dat ic regneren sonder cesseren sal met gode.
25
 In die diepheit es minnen arbeit mi sonder mesquamen,
 Alsic scouwe minnen trouwe na hare getamen 26  
 Ende ic dat kinne: dat trouwe der minnen es sonder gront,
 Sonder gelike boven al goet rike ende ons wert cont. 28  
 1ev  paradox van heil in een situatie van verdachtmaking.
 7  dan...niemen: dat wil ik niemand.
 10  Ende: maar - so: zij.
 11  en...sijt: indien zij het niet deed (nl. kracht geven).
 13  Op welke manier minne in mij komt kan ik niet te weten komen.
 14  daer...spreken: daarover weet ik niets te zeggen.
 15  daer...comen: die mij deden groeien.
 19  gront: diepte.
 22  Dan...herte: dat kan het hart niet - noch...caent: noch kan ik het.
 26  na...getamen: zoals het haar toekomt.
 28  Sonder...rike: onvergelijkbaar verheven boven alle kostbare goederen.


[p. 197]

 
 Hoe ict versta, een kinnen na dats also groet 1  
 Als al dat god onder sijn gebod noch noyt geboet. 2  
 Dits alle welde, volle joye ende hoghe salicheit
 - Maer die afkeer geliket der hellen arbeit -
5
 Alsic sie: een in drie ende drie ene enecheit,
 Even gelike ende even rike ende ene majesteit,
 Drie persone: den vader, den sone, den heilegen gheest,
 Een wille, een minne, een wesen, een kinnen, een vrienscap meest.
 Een edel Licht
 
 Een edel licht lichtet in ons fijn, 1  
 Dat wilt altoes dat wij hem ledich sijn. 2  
 Die puere vonke, dat ghensterkijn,
 Die levelicheyt der zielen mijn,
5
 Dat enech altoes met gode moet sijn,
 Daer lichtet god inne sinen eweghen scijn.
  
 Dat es verborghen in ons binnen, 7  
 Het en can redenne noch sin versinnen
 Niet anders dan met bloeter minnen.
10
 Si sijn overformet diet bekinnen 10  
 Overnatuerleke uter vonken van binnen
 In een godlec eenvoldich kinnen.
  
 De toeval der menichfuldicheit 13  
 Benemt ons onse eenvuldicheit, 14  
15
 Also sente Jan ewangeliste seit:
 Dat licht lichtet inder demsterheit, 15ev  
 1  na: door en door.
 2  noch noyt: tot nu toe ooit.
 1  edel licht: de naar eenheid met God strevende kern van de ziel.
 2  hem: voor God.
 7  Dat: slaat terug op edel licht.
 10  overformet: omgevormd.
 13  Onze innerlijke verdeeldheid.
 14  eenvuldicheit: het ideaal van de naar eenheid strevende mens.
 15ev  Also...deemsterheit: zie Joh. 1, 5.


[p. 198]

 
 Ende niet en begrijpse dies lichs claerheit
 In hare die donckere deemsterheit. 1-2  
  
 Waren wij comen te desen lichte,
 So waren wij ledich in sijn ghesichte
5
 Van alre wise, van alre berichte,
 Van alre storien, van alre ghedichte;
 In een afgrondich onghestichte
 Saghen wij dan dat licht inden lichte.
  
 Scamt u, ghi die langhe hebt ghescenen, 3-9  
10
 Dat u so langhe moet toeval menen
 Ende onghewesent altoes cruept henen. 9ev  
 Mochte eenvoldicheit u in hare ghewenen
 Datse u met haren lichte hadde overscenen, 13  
 So bleefdi van beelden, van formen ongherenen.
  
15
 Ghi moecht u selven zere versien 15  
 Dat ghi dat licht soeket buten met pertien
 Ende in u gheel es ende u gheheel wilt vrien. 17  
 Wilde derre philosophien
 Sijn meester, sone mogdi u selfs niet lien
20
 Noch niets achten, maer alles vertien.
  
 Ay deus, hoe grote edelheyt
 Es dese vrie ledicheyt,
 Daer van minnen minne al ontseyt
 Ende niet en soect buten haers selvesheyt,
25
 Alse si die eweghe salicheyt
 Hevet besloten in hare enicheit.
 1-2  de duisternis neemt de klaarheid van het licht niet aan.
 3-9  Ook bij Ruusbroec vindt men een dergelijke formulering in zijn Van seven trappen: daer sijn sij los ende ledich van alre historiën ende van allen ghedichte.
 9ev  Scamt...henen: Schaamt u, gij die altijd met uiterlijke schijn vrede neemt, dat toevalligheid u zo lang moet leiden en dat u zonder één te zijn geweest wegkruipt.
 13  Datse: zodat zij.
 15  Hoed je ervoor.
 17  ende: terwijl het toch.


[p. 199]

 Minnen natuere
 
 Minnen natuere
 Gheneest quetsure
 Ende alle pine.
 Sijt in rueren 4  
5
 Daer in te dueren
 Ende vroem te sine.
  
 Wilt met suren
 Aventueren
 Cracht ende sinne. 7-9  
10
 Condijt verdueren, 10  
 U sal berueren 11  
 Godlike minne.
  
 Al uwe cracht
 Ende al u macht
15
 Bestaet in minnen.
 Si eest die wacht
 Dach ende nacht
 Na 16ev   u ghewinnen.
  
 Dese vriendinne
20
 Es coninghinne
 Milde ende rike.
 Wildise kinnen,
 Keert u van binnen
 Te hare ghelike. 23-24  
  
25
 Onlede vlien,
 Als mach ghescien, 26  
 4  Doe er alles aan.
 7-9  Waag kracht en verstand aan de pijn van de minne.
 10  Condijt: Indien u het kunt.
 11  U sal: dan zal u.
 16ev  wacht...na: waakt over.
 23-24  keer dan in tot haar beeld in uw ziel.
 26  indien mogelijk.


[p. 200]

 
 Maect hebleecheit
 God te sien,
 Een in drien,
 In eenicheit.
  
5
 Wildi kennen
 Vrucht der minnen
 Sonder aerbeit,
 Houdt u binnen 8  
 Ende wilt versinnen
10
 Gods minnechleecheit.
  
 Wildi winnen
 Ende bekinnen
 Ghewareghe doecht,
 Gheeft der minnen
15
 U versinnen
 So ghi best moeght.
  
 Hout uwen vlijt,
 Dat hi te wijt
 En sijn noch tinghe 18-19  
20
 ..........
 ..........
 ..........
  
 In doechden snel
 Te hueden wel
25
 Hoverdechede;
 Op niemant fel,
 En suect niet el
 Dan nederhede.
  
 Ghi moet dienen
30
 Ende verdienen,
 8  blijf dan op uw innerlijk gericht.
 18-19  opdat hij noch te groot, noch te beperkt is.


[p. 201]

 
 Lopen, rennen,
 Seldi regneren 2  
 Ende jubileren
 Metter minnen.
  
5
 Zuect niet dan dienen,
 Ruect niet verdienen, 6  
 Laet u ter minnen. 7  
 Na haer verseren
 Seldi regneren
10
 Na u versinnen. 8-10  
  
 Sidi ledich
 Ende ghestedich,
 Houdi vrede,
 God ghenedich
15
 Es bereedich
 Te uwen ghebede. 15-16  
  
 Dat wij verstaen,
 Dat si ghedaen 18  
 In rechter minnen.
20
 Dat doe God saen
 Aen ons bestaen, 21  
 Buten ende binnen.
 Amen.
 O over hoghe Triniteit
 
 O over hoghe Triniteit,
 Een oorspronc sonder beghinnen.
 2  Seldi: wilt u. De regels 29-1 geven de voorwaarde aan.
 6  bekommer u niet om beloning.
 7  laet u: geef u over.
 8-10  Na de loutering zul je de minne beheersen zoals je dat verlangt.
 15-16  is welwillend t.o.v. uw gebeden.
 18  dat moet gedaan worden.
 21  in ons ten uitvoer brengen.


[p. 202]

 
 O bloote, simpel eenicheyt,
 Daer alle dingen wonen binnen. 2  
  
 O eenich één, ghi sijt so bloot,
 Van allen namen onbevaen. 4  
5
 Waer minen gheest daer in dinen schoot,
 Soe waer alle mijn trueren ghedaen.
  
 Och eenich één, weest mijn onthout.
 Ghi hebt u in minen gheest ghebaert. 8  
 Vrijt mi van allen menichfout, 9  
10
 Diep in u ongheaerde aert. 10  
  
 O eewich, onghescapen goet,
 Gheeft my te kennen met u aenscijn 12  
 Wat ghi u liefste vrienden doet
 Die in u hoochste minne sijn.
  
15
 Ghi sijt dat rijc der sielen mijn,
 Gheen hert en cans te volle verstaen;
 Och, wie dat daer sal rusten in,
 Sinen arbeyt die is al ghedaen.
  
 So wie Gode vercoren heeft, 19  
20
 Te begeven alle dinc is hem cleyn. 20  
 Die de werelt ghelaten heeft,
 Van alle beelden blijft hi reyn.
  
 So wie Gode vercoren heeft,
 Tis recht dat hy in vruechden leeft 24  
25
 Ende wacht hem dat hi niet en sneve,
 Noch Gods minne niet en begeve.
 2  waarin alles is gevat.
 4  geen naam kan u uitdrukken.
 8  openbaring door Gods geboorte in de ziel.
 9  Bevrijd mij van alle verdeeldheid.
 10  ongheaerde aert: ongeschapen natuur.
 12  met u aenscijn: door u te tonen.
 19  vercoren: uitverkoren.
 20  is...cleyn: kost hem geen moeite.
 24  Tis recht: het is terecht.


[p. 203]

 
 De engelen die daer boven sijn,
 Si barnen inder minnen dijn,
 Want si aensien u schoon aenscijn
 Ende daer toe in volle bekennen zijn,
  
5
 Die hoghe seraphinnen dijn 5  
 Sijn so verclaert in u aenscijn, 6  
 Sij dragen hoghe minne daer in.
 Och, mocht ic haer gevoecht zijn. 8  
  
 Want sij so diep versoncken sijn
10
 Al inder hoochster minnen vliet.
 Wie daer in verdroncken is,
 Och, hem is so wel geschiet.
  
 Nu lof en danc u vaderlicheyt,
 Want u soete volstandicheyt
15
 Int wercken onser menscelicheyt 15  
 Der sielen hoochste salicheyt.
  
 God is een licht, een wesen bloot,
 Uut hem so wert die sone ghebaert;
 Uut hen beyden vliet der minnen vloet, 19  
20
 Elc van hen toent daer sinen aert.
  
 Si syn in vaster sekerheyt
 Al inder hoochster stillen schoot.
 Och, daer en is gheen veranderheyt,
 Men pleecht daer lievekens wille groot. 24  
  
25
 Die minne en liet hem niet ghedueren,
 Hi en moeste uut sinen vader gaen. 25-26  
 5  seraphinnen: de hoogste engelen.
 6  staan zo in het licht van uw aanwezigheid.
 8  mocht...sijn: kon ik in hun gezelschap zijn.
 15  in het werken aan onze menselijke natuur. Denk na regel 15 het werkwoord is.
 19  der...vloet: de Geest.
 24  de Personen zijn één in liefde en wil.
 25-26  De minne liet Hem (nl. de Zoon) niet in die toestand (17-22), Hij wilde mens worden.


[p. 204]

 
 Dat hoochste werc woude hi volvueren,
 Dat oyt van minnen was gedaen.
  
 God is een oorspronc onser minnen.
 Sijn stralen sijn so veelderhant,
5
 Hi doerschiet dat herte van binnen,
 Het wort verwonnen al dat hi raect.
  
 Al schiet hi diep, en ontsiet u niet,
 Gaet sinen ghescutte te ghemoet,
 Want het is wel een soete verdriet
10
 Dat hy der sielen ane doet.
  
 Hy maket daer hi coemt al beroert,
 Hi werct ende der sielen cracht aen doet; 12  
 Si hebben menich toornich woert,
 Hi steelt hen alle haer ghedachten oeck.
  
15
 Hi is die al dat merch verteert,
 Hi is der sielen medecijn,
 Hi is al dat die siele begheert,
 Si wil van hem verslonnen sijn.
  
 Hi maecse arm die waren rijc,
20
 Hi doetse lopen om haer broot.
 Al om zijn minne sekerlijck,
 So heeten si sijn van sinnen bloot. 22  
  
 Hi maectse sot die waren vroet,
 Hi drijftse tot allinde groot;
25
 Doer hem liden si menige pijn,
 Om sijn minne te vinden bloot. 26  
  
 O uutvloeyende hoghe Triniteyt,
 O minnende vloet, o diepe eenicheyt,
 12  der...doet: geeft de mensen kracht.
 22  daarom beloven ze vrij van begeerten te zijn.
 26  bloot: middelloos.


[p. 205]

 
 O salich ghebruycken, een weselicheyt:
 Der sielen hoochste salicheyt.
 Een subtile ghedicht van hogher godliker mynnen
 
 't Is tijt dat wi beghinnen
 Met onsen willen schier
 Te climmen in der minnen,
 Die tijt die is nu hier.
5
 Wy hebben versuumt soe menighen dach
 Mit onser willen cracht; 5-6  
 Mochten wi nu dat legghen af,
 Soe en hoerden wi gheen gheclach.
  
 Die siel die moet van binnen
10
 Te Gode sijn ghekeert,
 Sal si uut hogher mynnen 11  
 Van der waerheit syn gheleert.
 Soe moet si voer des meesters voet
 Myt groter hoeden dalen,
15
 Sal si van haren wederstoet
 Troest of blijscap halen.
  
 Sin ende sinlicheit
 Moeten daer te niet gaen,
 Van lieven ende van lyden 19  
20
 Moet men ghelike staen. 20  
 Natuer die moet sterven doot, 21  
 Die gheest die leit in qualen,
 Hoe gaerne soud hi leeren voert
 Al in der hogher scolen.
 5-6  Wij zijn zo vaak vrijwillig nalatig geweest.
 11  uut: vanuit (geeft de bron aan).
 19  Van: ten aanzien van.
 20  moet men onverschillig staan.
 21  Natuer: Het lichamelijke.


[p. 206]

 
 Die scole die ic meyne,
 Dat is een stil afgront,
 Daer leert God alleyne
 Die zielen sonder mont. 4  
5
 Men mach hem sonder oghen sien
 Ende sonder zwaerheit draghen. 6  
 Der werelt mach si daer ontvlien 7  
 Ende leeren sonder vraghen.
  
 Als ghi der minnen vraghet,
10
 Wat wart u dan bericht?
 Gaet voert al sonder traghen,
 U licht een edel licht.
 U licht die edel waerheit bloot
 Boven alle naturen; 14  
15
 Is anderheit ghesturven doot,
 Soe moech di daer wel dueren.
  
 Dat suetste van der mynnen,
 Dat is een vierich doot,
 Het ontstect dat herte van binnen,
20
 Het maect den gheest al bloot.
 Is dat niet een wonder groet,
 Dat barnt an allen siden:
 Het maect een vier in 't herte soe groot,
 Het can den gheest verbliden.
  
25
 Blijscap in den gheest,
 Dat is een werscap fijn;
 Die daer coemt totter feest,
 Hi mach wel salich sijn.
 Al en had hijs mer een brockelkijn 29  
 4  sonder mont: zonder te spreken.
 6  en spontaan met hem omgaan.
 7  si: de ziel.
 14  op bovennatuurlijke wijze.
 29  Al...mer: Al had hij daarvan slechts.


[p. 207]

 
 Ende dronc hi van den wijn, 1  
 't En waer hem ghene pijn.
  
 Hoedet u van den vrien gheest, 3  
 Dat is die nauste raet.
5
 Si wrecken al haer eyschen,
 Al waer 't oec noch so quaet.
 Consiencie houden si spot
 Ende sonde voer gheen misdaden. 7-8  
 Aldus wanen si vercrighen God,
10
 Och, hoe sijn si verraden.
  
 Wie houdet sijn hertkijn puer,
 Die en deerf niet wesen blynt. 12  
 In hem is een fyghuer
 Die alle dinc bekennt. 14  
15
 In hem is een edel stat
 Daer God altoes wil rusten.
 Als hi dan heeft der enghelen scat,
 Wat mach hem anders lusten?
  
 Dat dringhet doer die creaturen. 19  
20
 Leer rusten op een bloot.
 Al moetstu dat besuren, 21  
 Si is een salich coop.
 Du sulstu daer na in rusten sijn
 Al mytten salighen gheesten, 23-24  
25
 Ende dringhen doer die seraphin 25  
 Al totter hogher feesten.
 1  Ende: maar.
 3  vrien gheest: dertiende, veertiende eeuwse secte: de broeders van de vrije of nieuwe geest. Zie 5-9.
 7-8  Zij drijven de spot met het geweten en achten de zonde geen misdaad.
 12  en...niet: mag niet.
 14  bekennt: doorschouwt.
 19  Dit (15-16) manifesteert zich in de schepselen.
 21  moetstu: moet u.
 23-24  Je zult daarna delen in de rust van de zalige geesten.
 25  dringhen...seraphin: door de kring der Serafijnen dringen.


[p. 208]

 
 Die vruechde die is onghemeten,
 Die God ons heeft bereit.
 Geen tonghe en can volspreken
 Die grote waerdicheit.
5
 Daer is vruechde sonder verganc
 Ende rijcheit sonder ontberen.
 Wat sal ons moghen deeren.
  
 Nu bidden wi al ghemeyne
 Den Vader mijnnentlijc,
10
 Dat hi onse misdaet cleyne 10  
 En maec ons 't herte rijc.
 Ende hi ons maec des toevals quijt 12  
 In desen armen dale, 13  
 Ende hi na deser corter tijt 14  
15
 Ons allen tot hem hale. Amen.
 10  onse...cleyne: onze zonden vergeeft.
 12  ons...quijt: ons van het wisselend lot verlost.
 13  op aarde.
 14  deser... tijt: het aardse leven.