SermoenenVoor de dertiende-eeuwse mens was het gesproken woord de belangrijkste bron van communicatie. Bij ontstentenis immers van voldoende geschreven tekst - al was het alleen maar vanwege de zeldzaamheid ervan en vanwege het feit dat relatief weinig mensen het lezen en schrijven machtig waren - was voor hem de figuur van de spreker, de verteller, de predikant de voornaamste schakel tussen weten en niet weten. Het sermoen nu was bij uitstek het middel om die dertiende-eeuwse mens dieper inzicht te verschaffen in de bijbel, het woord van Hem op wie heel zijn leven gericht was. Het merendeel van de sermoenen die ons zijn overgeleverd uit de dertiende eeuw kan men dan ook wel rekenen tot het genre van de preek. Ze behandelen vanuit een bepaald thema - dat zonder uitzondering aan de bijbel ontleend is - de leer van het geloof, waarbij de predikant zoveel als maar mogelijk is zijn argumentatie kracht bijzet met de mening van autoriteiten. Onder autoriteiten dienen we dan te verstaan het woord van bijvoorbeeld kerkvaders, profeten, aartsvaders. De teksten die in dit hoofdstuk aan de orde komen kan men sermoenen noemen omdat ze zijn genomen uit een verzameling getiteld: De Limburgse Sermoenen. Inhoudelijk is het echter de vraag of ze wel als preek in eigenlijke zin beschouwd kunnen worden. Sermoen 35 Dit sprict van der vreiceliker martellen ons Heren en sermoen 38 Dets van der groeter martelen die Jhesus leit an den cruce, overwegend handelend over de lijdende Christus, vertonen weliswaar in opbouw van de stof veel overeenkomst met de preek zoals die volgens dertiende-eeuwse begrippen der Ars Predicandi moest zijn, maar we missen er ten enenmale de sterk adhortatieve stijl die zovele andere preken kenmerkt. Sermoen 39 Dits dbuec van den Boegarde, mogen we eerder als
een tractaat over de deugden beschouwen, dan als een preek die de mens daadwerkelijk moet aansporen tot deugdzaamheid. Sermoen 42 Det sin seven maniren van minnen, neemt wel een heel bijzondere plaats in. Allereerst kennen we hiervan de auteur: de Cisterciënzerin Beatrijs van Nazareth (1200-1268). Het is voorts met zekerheid geen preek, maar veeleer een verhandeling over zeven manieren van minnebeleving. Het is een verhandeling geschreven door een mens die vanuit de minneopvatting die haar tijd haar meegaf, haar ervaring met de Godsliefde onder de controle van het bewustzijn probeert te brengen. Waar wij Beatrijs plaatsen in de tijd dat in onze gewesten het klimaat rijp was voor de extatische vrouwenbeweging, behoeft het geen verwondering te wekken dat we in haar werk duidelijke sporen daarvan terugvinden: het plegen van de minne om de minne en om niet. Het woordgebruik en de thematische reflecties, gevat in zeer moeilijk te doorgronden proza, konden er ons niet van af houden deze tekst op deze plaats op te nemen. Sermoen 35: Dit sprict van der vreiceliker martellen ons Heren.[1] Quem queritis 1 ? etc.: Wem 1 sucdi 1 ? Dese wort bescrift ons S. [2] Johannes ewangeliste in sinre ewangelien, ende spracse 2 onse [3] Here Jhesus Cristus in der nacht due hi wart gevaen. Due Judas [4] ende die Juden quamen ende sine 4 sugten, due ginc hi jhegen [5] hen 4-5 ende vragede hen: Wem sukedi? Due sprakense: Jhesum [6] van Nazareht. Due antwerde hi: Dat ben ic. Ende tehant duese 6 [7] dese wort horden so vilense over rughe 7 . Op dese wort sprict [8] S. Augustin: Sent die wort eens menschen din mi 8 verdeilen [9] sulde ter doet so grote magt hadden dat die Juden musten [10] neder vallen, wat 10 magte weendi dan dat hi selver hebben sal |
1 Quem queritis: zie Joh. 18, 4.
1 Wem: wie.
1 sucdi: zoekt gij.
2 spracse: sprak ze, d.i. dese wort.
4 sine: zij hem.
4-5 ginc...hen: ging hij hen tegemoet.
6 duese: toen ze.
7 vilense...rughe: vielen ze achterover.
8 eens...mi: van een mens die men.
10 wat: wat voor een.
|
|
[1] alse hi ten ordele sitten sal? Bi desen worden geft hi ons te [2] verstane dat hi die martele met willen 2ev leet; nogtan van mensche- [3] liker crancheide ende broscheide so bat hi sinen Vadere dat hire [4] heme 4 verlite, ende dog 4 also dat sins Vader wille 4 geschide ende [5] nit der sin 5 . Derre beden 5 antwert der Vader den Sone wat sin [6] wille sie 5ev dor eens propheten mont, Zacharias, ende sprict der [7] martelen tue gelic ogtese slipe 7 ende hise op wecke jhegen sinen [8] Son, ende sprict aldus: Swert, erweckere di ende stant op over [9] minen herde ende over din man die mi tue henget 8ev 9 . Siet, aldus [10] heft der Vader Sons bede gehort dat hi die martele op wect, [11] des 11 heme der Son bat dat hire heme verlite. [12] Nu mochte een mensche vragen war ombe Got dit dede. Des [13] antwert der Vader dor eens propheten mont ende sprict: Dor [14] die lifde die ic te minen volke hebbe, hebbickene 14 geslagen 13ev . Bi 14 [15] den herde ende bi den tuehangenden manne es der Son bediet; [16] want hi sprict selver dat hi een gut herde sie, want hi sinen [17] lichhame gaf vor sine scaep. Ende dat der Vader sprict: Der [18] man di mi tue henct, dar bi geft hi te verstane dat der Son altoes [19] met heme heft geweest 19 ende noit van heme en schiet 19 . Bi din oec [20] dat der Vader Sons bede aldus dede sin wi geleert 20 , alse wi Gode [21] iet bidden ende nit gehort en werden 21 tehant, dat wit 21 nit vere 21 [22] evel en nemen, want hi sinen Son nit horen en woude. [23] Nu suldi weten, als onse Here Jhesus Cristus iet bidden wilt |
2ev met willen: uit vrije wil - van: ten gevolge van.
4 heme: de Zoon.
4 dog: evenwel.
4 sins...wille: de wil van zijn Vader.
5 der sin: de zijne.
5 Derre beden: Op dit gebed.
5ev wat...sie: wat zijn wil is.
7 slipe: sliep.
8ev Swert...henget: zie Zach. 13, 7 - di: u - stant...over: sta op tegen.
9 mi...henget: op mij verlaat.
11 des: waarvan.
14 hebbickene: heb ik hem, nl. de herder.
13ev Dor...geslagen: vgl. Jes. 53, 4-6.
14 Bi: met.
19 heft geweest: is geweest.
19 ende...schiet: en nooit van hem scheidde.
20 sin...geleert: wordt ons geleerd.
21 werden: worden.
21 wit: wij het.
21 vere: voor.
|
|
[1] sinen Vadere, dat dut hi allene an der menscheit 1 . Dar ombe [2] sprict hi selver in vel staden dat hi menre sie dan sin Vader. [3] Mar an der gotheit es hi als dencs 3 sinen Vadere gelic alse hi [4] selver segt: Di mi siet, hi siet minen Vader 4 . Ende dar af geft hi [5] alle denc met sinen Vadere. [6] Oec mogewi mercken die groetheit sinre martelen dar bi dat [7] alle sine vrint van heme vlouden 7 - sonder sin muder, die nemt [8] S. Augustin ute- duese sagen dat mine 8 so ongevulike ane greep [9] due mine vinc. Due vergat S. Peter ende S. Thomas ende alle [10] die apostele, die hen tevoren hadden vermeten dasse wouden [11] met heme sterven. Entrowen, dar sagense wale dat sich die [12] martele ongevuglike huf ende vele ongevuglike enden sulde. [13] Oec mach mi wale pruven die groetheit der martelen dar bi [14] dat hi van ancste bluet sweitde. Dat een mensche water sweit van [15] ancste, dats mugelike; mar dat hi bluet sweit dats een vreiselic [16] denc. Dar ombe sprict S. Anselm: Oy Here Jhesu Criste, di [17] bludege sweit die van dinen alte 17 heilgen vlesche vloet due gi in [18] uwen gebede wart, dats getugenisse ors 18 herten anxts. [19] Oec merckewi die grote martele dar bi dat Jhesus so dor edel, [20] claer, wit, weec ende so dor clene, dunne, segte hut over al [21] sinen lif hadde. Want si was heme clare, sconre ende weker dan [22] enegen mensche; want enweder vlecke, wratte, nog quadelen [23] ogte alle dis dat enegen mensche ontlixent ogte onordelike [24] mact jhegen der naturen, dis en quam noit twint ane al sine [25] lighame. Dat dit waer si dat sprict der Heilge Geest selver dor [26] heren Davits mont: Jhesus was scone an der formen 26 sins [27] lighamen vor 27 allen menschen kenden 26ev 27 . Op die selve wort sprict [28] S. Jeronimus aldus: Sonder die martele van den cruce es Jhesus |
1 an...menscheit: met betrekking tot zijn mensheid.
3 als dencs: in alle zaken.
4 Di...Vader: zie Joh. 8, 19.
7 vlouden: vluchtten.
8 mine: men hem.
17 alte: zeer.
18 ors: van uw.
26 an...formen: wat betreft de vorm.
27 vor: boven.
26ev Jhesus...kenden: vgl. Ps. 44, 3.
27 kenden: kinderen.
|
|
[1] sconre dan je mensche wart, want hi was ene juncfrowe 1 ende [2] van eenre juncfrowen geboren, nit van engenen manne mar [3] allene van eere 3 magt ende van Gode. Want hi sprict: En hadde [4] Jhesus nit himelvars varwen 4 gehad an sin anschine nog an sin [5] oegen, sone hadde S. Peter, S. Johannes ende S. Matheus nog [6] dandere apostele heme tehant nit gevolgt 5ev nog begeven alle [7] dasse hadden, dure 7 hen eens tue sprac dasse heme volgeden. [8] Ende sone hadde, sprict hi, Judas ende die Juden nit gevallen [9] due hi hen tue sprac due sine vingen, alse hir vore gesproken es. [10] Oec scrift S. Matheus in sinre ewangelien dat Jhesus tere tit 10 [11] allene uten temple verdreef vele lide met eenre geselen, die dar [12] bennen kogten ende verkogten, ende sprac te hen aldus: Min [13] hus es een bedehus ende gi mact draf 13 een morthus 12ev 13 ; ende slugse [14] over hals ende over hoeft 13ev ende stiet alle hare bencke ombe dar [15] hare penninge op lagen. Op die selve werc sprict S. Jeronimus [16] dat Jhesuse een ligt schin 16 ute sinen oegen ginc; din schin din [17] vrogdense 17 so sere datse alle vlouden, ende die tevorst was hin [18] beide segterstes nit 17ev . [19] Van derre schonheit sprict oec die bruet in Der Minnen Buke 19 : [20] Min amis es wit ende roet ende uterkoren van dusentgen ende [21] es altemale begerlike ende suverlike 20ev . Nu weddi wale dat een [22] mensche nit volkomen en es van schonheide des hut claer, wit, [23] rosenvar es, hin sie 23 oec van dunre ende weker hut. Want es [24] heme sine hut schone ende esse hart alse enen bere, son mag mi [25] met redenen nit seghen dat hi volkomelike schone sie. Want |
1 juncfrowe: maagdelijk persoon.
3 eere: een.
4 himelvars varwen: iets hemels.
5ev sone...gevolgt: dan hadden...hem niet aanstonds gevolgd.
7 dure: toen hij.
10 tere tit: eens.
13 draf: ervan.
12ev Min...morthus: zie Mat. 21, 13.
13 morthus: moordenaarshol.
13ev ende...hoeft: en sloeg ze op hun hoofd.
16 ligt schin: lichtschijn.
17 vrogdense: vreesden ze.
17ev ende...nit: en wie vooraan was wachtte niet op de achterste.
19 Der...Buke: het Hooglied.
20ev Min...suverlike: zie Hoogl. 5, 10.
23 hin sie: tenzij hij is.
|
|
[1] nu der Heilge Geest selver sprict dat Jhesus schonre ware dan [2] noit mensche, ende S. Jeronimus dat getugt heft, ende die [3] minnende brut sprict dat hi uteverkoren es van dusentgen - dats [4] alse vele alse van allen menschen - ende dat hi van allen dengen [5] altemale lustelic es, so mut dat waer sin dat Jhesus boven alle [6] menschen edel, wit, rosenvar ende utermaten weec, dunne, [7] clene, sechte hut hadde ane alle sinen live. [8] Oec weddi wale dat groter, edelre heren 8 kendere van naturen [9] almeest schonre ende weker hut hebben ende wers ongemac [10] mogen doegen dan anderre liden kendere. Want dan Jhesus [11] des schoens ende des edeles Gots son was ende hi selver van [12] naturen got was ende es ende na 12 sinre menscheide der edelre [13] juncfrowen S. Marien son, die selver dorendor schone ende [14] weechudech 14 van al haren lighame was, also dat S. Bern. van [15] hare sprict aldus: Maria wert geboren ende dut ane 15 een scone [16] ansichte dat Got selver an heme nemt ende die oegen der gotheit [17] ane 17 heme veredelen. Ende spreken dat alle die heilgen, ane was [18] Maria also over schone dat dog noit mensche sich en mogte [19] gergeren an hare, mar al degene dise sagen worden hars ge- [20] betert. Oec quamse selden emmer uten hus, sonder alse met [21] haren vader ende met hare muder ginc ter kerken. Siet, dar [22] ombe vantse der engel in hare heimelecheit due hi hare brachte [23] die gebenedide botscap. Want dan Jhesus na sinen Vader vinc [24] ende arde an der gotheide 24 , die an heme alse volkomen was ende [25] nog es alse an den Vader selver; ende hi na sinre muder naturde [26] an der menscheide also dat hi hare geliker was dan je mensche [27] wart den anderen, ende mi wale die muder bi din kende ende [28] dat kent bi der muder bekennen mogte. Het was oec regt dat [29] Jhesus sinre muder gelic was, want hi van hare allene ende van [30] anders engenen mensche sinen kusschen lighame en ontfinc [31] ende sine nature en nam. Want dan ander menschen hare nature |
8 groter...heren: van grote, edele heren.
12 na: overeenkomstig.
14 weechudech: met zachte huid.
15 dut ane: heeft.
17 ane: van aanzien.
24 arde...gotheide: deelde in de godheid.
|
|
[1] ontfaen van twen 31ev menschen, dar ombe est dat niman den [2] anderen gelic en es. Want een igelic kent ontfeet 2 sinre naturen [3] een deel van sinen vadere ende een deel van sinre muder, ende [4] also naturen hare kendere vorwert; ende dar ombe en mag [5] niman den anderen geliken. Want des 5 ane Jhesus nit en was ende [6] hi sine menschelike forme van sinre muder allene nam, so was [7] hi hare geliker dan enech kent vadere ogte mudere wesen mach. [8] Want Jhesus oec van vadere ende van mudere soe dor edel was [9] ende edeliker getogen in groten armude dan noit konincs kent [10] in groter richeide getogen wart, so mut dat waer sin dat hi [11] schone, edel ende weec van lighamen ware. [12] Oec weddi wale, welc here sine knapen met schonen, diren [13] clederen cleet, dat hi heme selver met regte met nog schonren [14] ende nog diren clederen cleden sal. Dese here es Jhesus Cristus [15] di mengen mensche gecleet heft ende nog cleet mettin clede [16] van enen schonen lighame, want der lighame es der selen cleet [17] dar die sele in legt verborgen. Dese Here heft oec tfirmament 17 [18] met der sonnen ende den mane ende metten sterren gecleet, [19] ende dar mede cleet hi oec dag ende nagt. Oec cleet hi derde [20] met mengerhande blumen, boemen, diren, vogelen ende met [21] mengen anderen schonen creiaturen. War ombe sulde dan dese [22] grote Here met enen quaden, harden, groven sacke heme selver [23] hebben gecleet? Twaren, dis en dede hi nit, want hen wart 23 [24] noit side so schone nog so sechte noch so weec alse al sin lif was. [25] Gi sult dat weten verwaer dat geliker wis alse eens menschen [26] lighame verborgen es onder den clederen, also was verborgen [27] die grote gotheit ons Heren Jhesu Cristi onder din clede sinre [28] menscheit. Ay, wie kundech waren die engele dis of die grote [29] gotheit onder hare naturen geborgen ware gelic alse onder [30] onsen vlesche verborgen was 28ev . Siet, dats ons die meeste ere die [31] ons je geschide. Ende geliker wis alse die cledere den lighame [32] nit al verbergen en mogen, men sies een deel 32 , also en mogte |
31ev dan: omdat - twen: twee.
2 ontfeet: ontvangt.
5 des: dit.
17 tfirmament: het firmament.
23 want...wart: want er was.
28ev Ay...was: Ai, hoe trots zouden de engelen zijn als de grote godheid onder hun natuur verborgen was, zoals onder onze lichamelijkheid.
32 men...deel: men ziet een deel ervan.
|
|
[1] dcleet der menscheit Jhesu Cristi die gotheit nit altemale [2] verbergen; men worder eens deels gewaer dasse dronder ver- [3] borgen was. Geliker wis alse ane sinre gebort, due quamen [4] dengele ende soncgen blidelike: Gloria in excelsis Deo 4 , ende [5] getugden dar mede dat hi got ware. Oec sande 5 heme der himel [6] enen lichten sterre di den drin 6 coningen luchde duese van [7] vremden lande quamen ende met hare offeranden getugden dat [8] hi got ware. Oec wruechdene sine grote wise predicade ende [9] sine disputatie ende die grote teken die hi dede ende oec die [10] divele: dese wrugden alle sine verborgene gotheit onder der [11] menscheit. [12] Nu weddi wale, alse een mensche ontcleet es, so mach mi [13] sinen lighame geheel sien. Also geschiet metten edelen Jhesum [14] Cristum: due hi ontcleet wart van sinre edelre menscheit die [15] tereten wart in den cruce in Guden Vritdage, siet, due wart [16] sine gotheit bekant. Dar ombe sprac hi selver ten Juden aldus: [17] Wanneer gi mi, des menschen Sone, an den cruce erheft, dan [18] suldi bekennen dat ict 18 ben 17ev . Ende dat geschide oec also. Want [19] due onse Here Jhesus Cristus gecrucet wart ende tfolc wider [20] in der stat quam, due slugense sich vore hare borst 20 gemeinlike. [21] Want hars selfs herte 21 getugde hen wale dasse quaet hadden [22] gedaen met heme. Want die sonne verginc 22 , der dach verwandel- [23] de, der vorehanc van den temple tereet, derde beefde, die harde [24] stene tereten, die graf ontploken ende die helle gaf heme weder [25] die sin waren 25 . Dar na erstunt hi op ende vuer te himele ansins [26] al dergenre 25ev die jhegenwerdech waren ende sande sinen heilgen [27] geest herneder sinen jungeren, die verkundegden over al die [28] werelt dat hi got ware ende got es. [29] Aldus dan, alse hir vore gesproken es, so est mogelike ende |
4 Gloria...Deo: zie Luc. 2, 14.
5 sande: zond.
6 drin: drie.
18 ict: ik het.
17ev Wanneer...ben: zie Joh. 14, 20.
20 vore...borst: op de borst.
21 hars...herte: hun eigen harten.
22 verginc: verduisterde.
25 die...waren: die hem toebehoorden.
25ev ansins...dergenre: voor de ogen van al degenen.
|
|
[1] regt dat dergene die ander denc aldus edelike ende aldus lovelike [2] gesirt ende gecleet hevet, dat hi heme selver met schonen, [3] edelen, weeken gewande ons vlesch cleetde ende sirde. Dar [4] ombe suldi weten verwaer, want dit cleet sins vleschs also dore [5] weec, segte ende so clene, dunnehudech was, dar ombe muste [6] heme hertelike wee dun dat mine 6 halslaegde ende met fusten [7] stiet ende die granen van sinen barde ute trecde; want dat dut [8] vele wers 7ev dan an den hoefde. Oec wart hi gebonden ane ene [9] colombe ende wart geslagen met geselen die met starcken [10] geknochtden rimen ende met blien cloten, alse mi segt, waren [11] gemact, ende met anderen dencgen dasse erdencken konsten [12] dat alrewerst dede. Siet, dat bendden ende dat slaen dede heme [13] also wee dat heme een igelic slach dor sin herte ginc. Dat dit [14] waer sie, dat sprict hi selver dit 14 leet, ende gelict die slege [15] hamerslegen 14ev - dar bi mogewi merken dasse heme hertelike [16] wee daden- want hi sprict aldus in den sautere: Die sondere [17] hebben gesmet op minen rugge ende ic ben alte sere geslagen, [18] also dat mi min herte dorret 16ev . Dit mogedi wale proven dar bi, [19] geliker wis alse 19 die kent die mi slaen sal 19 van anxste eer wenen [20] eerse emmer rude gerurt 19ev , regte also dede onse Here Jhesus [21] Cristus. Want eer hi je slach gewan, so wiste hi wale dat heme [22] also hertelike wee sulde duen dat al sin lighame van anxste [23] weinde bluet ende altemale van blude naet wart. [24] Nogtan suldi dat weten dat S. Bern. sprict dat Jhesus met [25] enen drope sins bluts al de werelt mochte hebben verloest, [26] want sins bluets was een traen beter 26 , hoger ende dire dan al die [27] creiature die je worden. Mar hi woude sins bluts also vele [28] sturten ombe dis wille dat wi dar bi pruven mogten die vol- [29] komenheit sinre minnen die hi tons hadde. Want so de sake [30] liver es, so mire meer ombe geft 29-30 . Dar ombe suldi weten dat mi |
6 mine: men hem.
7ev dat...wers: dat is erger.
14 dit: die het.
14ev ende...hamerslegen: en vergelijkt de slagen met hamerslagen.
16ev Die...dorret: zie Ps. 128, 3.
19 geliker...alse: net zoals.
19 sal: wil.
19ev eer...gerurt: huilen nog voordat hen een roe aangeraakt heeft.
26 want...beter: immers van zijn bloed was een druppel beter.
29-30 Want...geft: Immers hoe dierbaarder iets is, des te meer geeft men erom.
|
|
[1] leest in der ewangelien dat Got sin bluet heft gestort te vif [2] stonden. [3] Ten irsten male ten andage van sinre gebort, due hi besneden [4] wart na den auden wet 4 . Entrowen, dat was harde vruch be- [5] gonnen der pinen. [6] Ten anderen male storte Jhesus sin bluet due hi van anxste van [7] der martelen bluet sweitde, also dat vloet 7 op der erden gelic [8] alse water vliet. [9] Ten derde male storte hi sin bluet an der colomben, due hi [10] also over sere geslagen wart ende also vele sins bluts storte dat [11] S. Jeronimus bescrift dat mit 11 dar na over twee hondert jaer 11 [12] beronnen vant. [13] Ten virden male storte Jhesus sin bluet due hi an den cruce [14] hinc. Siet, daer ginct an die noet 14 . Want dar vloets also vele van [15] heme van din hoefde van der scarper dornenre cronen, van [16] handen ende van vuten van ongevugen drin nagelen, van der [17] wonden sinre siden ende van mengen groten slage. Oec liet [18] onse Here enen selegen mensche verstaen, die sine martele [19] drug an sinen herten innechlike, dat onse Vrowe hare hande [20] stac in sinen geleverden blude also dipe dasse dren baeden, due [21] sine van den cruce loesen sulde. Dar op dencke een igelic wie [22] hare due te mude was ende dancke hare dis hertenwees 22 dasse [23] due hadde. [24] Ten vifden male storte Jhesus sin bluet dor den mensche due [25] hi an den cruce hinc: due quam een riddere ende stakene dor [26] sin side, ende dar vloet ute bluet ende water. Hir ombe maent [27] ons Got, die dit dor ons leet, dat wi des bluets gedencken dat [28] hi dor ons storte, ende sprict tons dor heren Jobs mont aldus: [29] Oy erde, du en saut min bluet nit bedecken. Rechte alse hi [30] sprake: Oy, du erdersche mensche, die van erden gemact best [31] ende van erderschen dencgen an den lighame, du en saut min [32] bluet nit bedecken 30ev 31ev - want dat bedect es, des en siet mi nit - |
4 na...wet: volgens de oude wet, d.i. zoals de Joodse leer voorschreef.
7 also...vloet: zo dat het vloeide.
11 mit: men het.
11 dar...jaer: daar meer dan tweehonderd jaar later.
14 daar...noet: toen werd het ernstig.
22 hertenwees: harteleed.
30ev Oy...bedecken: zie Job 16, 18.
31ev du...bedecken: vergeet mijn lijden niet.
|
|
[1] mar du saut min bluet ane sien in dinen gedenckenisse ende en [2] sauts nemmer vergeten. Aldus mogewi wale pruven dat heme [3] die martele dorendor wee dede, want hi so dore dunne, weechu- [4] dech was. [5] Oec mogewi sine grote martele wale pruven dar bi dat hi so [6] dor mudernact an den cruce hinc. Want die heilge lerere secgen [7] dat Jhesus an den cruce so naect ende so arm was, dat hi nit so [8] vele en hadde ane nog ombe, met orlove gesproken, darre 8 sin [9] scemede mede decken mogte. Gelic alse hi selver lange tevoren [10] sprac dore eens propheten mont aldus: Ic wille naect ende [11] barvuet gaen 10ev ; dat verstawi an den cruce 11 . Ay sekerlike, also [12] naect te hange was also riken here harde scamelike ende die [13] scande was sonder twivel enen also scemelgen manne harde [14] swaer te doegene. [15] Gi sult weten dat sceemde meest comt van vir dengen. Dirste [16] es of een mensche van naturen scemelch es, ende die scamen [17] sich cleenre denge. Dit was Jhesus die van naturen schemelch [18] was, want hi naturde na sinre muder die so schemelch was [19] dasse hare schaemde vor den engel Gabriele. Oec was Jhesus [20] van allen dogeden volkomen, ende scemde es ene grote dogt: [21] so was hi oec van dogeden schemech. [22] Dander sake dar schamede af comt dats of een mensche lit 22 [23] schemelge denc. Dat dede Jhesus. Hi leet schemeliker denc dan [24] noit mensche leet, alse gi wale pruven mogt ane al sinen levene. [25] Dar ombe sprict David in den Sautere ten Vadere aldus: Here, [26] du hefst dinen Son begoten met lastere. Gi wet wale dat dorgoten [27] es, dar en blift nit idels hen werde al vol 27 . Also en was nit ane [28] Jhesus hen were al vol lasters 25ev . [29] Terde dar schamede af comt dats ocht men den mensche [30] bespot. Dit geschide Jhesuse, want hi wart bespot van sinre [31] kinscheit ment in sinre doet meer dan je mensche bespot wart. |
8 darre: waarmee hij.
10ev Ic...gaen: zie Jes. 20, 2.
11 dat...cruce: dat moeten we verstaan met betrekking tot het kruis.
22 lit: ondergaat.
27 nit...vol: niets leeg, maar alles wordt vol.
25ev Here...lastere: vgl. Ps. 88, 46.
|
|
[1] Dar ombe sprict hi selver in den Sautere aldus: Alle die mi [2] sagen bespotden mi ende spraken van mi ende wageden hare [3] hoeft 1ev . Oec sprict hi dor Jeremias mont: Ic ben worden tenen 3 [4] scimpe minen volke ende ic ben hen tenen sange gedegen 3ev 4 . [5] Tfirde des sich der mensche schaemt dats ocht mi heme verwit 5 [6] dat hi node hort 6 . Dat geschide Jhesus oec, want die Juden [7] verweten heme hi ware en vraet ende een drenckere, ende die [8] mirakelen die hi dede, hi dadse metten divele; ende seiden hi [9] hadde den divel bennen, ende alt quaet dasse erpensen consten [10] dat huvense heme over 10 . Hir ombe eest dat Ysaias Jhesum heit [11] ene versmeetde sele ende heittene een knecht der heren. Dese [12] heren sin die menschen, ende Jhesus es der knecht. Ende en sal [13] nimanne onbillike hebben 12ev dat wi den mensche here ende Jhesus [14] den knecht heiten, want S. Paulus sprict: Di den anderen dint, [15] his 15 sin knecht. Want dan 15 noit knecht sinen here so onstelike [16] noch so getruwelike en dinde drienderteg jaer, so mach mine [17] wale heiten smenschen knecht. Want hi was so dinstachtech [18] ende so ernstachtech na des menschen selecheit, regte alse 18 alle [19] sins selfs selecheit ere ende vroude an den mensche lege. Dis [20] doch nit dranc en lach 19ev . Want eer Got himel ende erde ende [21] enegen mensche maecde, so was hi 21 also rike ende in also groter [22] vrouden alse hi nu es. [23] Dar ombe dat dese vir denc waren an Jhesus - dats dat hi [24] schemelech was, scendelike denc leet ende vele bespot ende [25] verweten wart - so mogedi wale weten dat hi sich schamde. |
1ev Alle...hoeft: zie Ps. 21, 8.
3 tenen: tot een.
3ev Ic...gedegen: zie Jer. 20, 7.
4 tenen...gedegen: tot een onderwerp van spotliederen geworden.
5 verwit: verwijt.
6 dat...hort: waarover hij zich eigenlijk niet hoort te schamen.
10 dat...over: dat legden ze hem ten laste.
12ev Ende...hebben: En niemand moet het onbillijk achten.
15 his: hij is.
15 dan: omdat.
18 regte alse: precies alsof.
19ev Dis...lach: Dit was echter in het geheel niet noodzakelijk.
21 hi: Jezus.
|
|
[1] Oec mach een igelic mensche wale pruven ane heme selver dat [2] schemde ene grote pine es. [3] Oec mogewi sine grote pine mercken dar ane dat sulke 3 lerere [4] willen sechen dat Jhesus op der erden die hande allene worden [5] an den cruce genechelt met tween nagelen, ende dar na huven [6] sit cruce op met heme. Due en hilt hi nirgen ane anders 6 dan met [7] din twen nagelen. Wie wee Jhesus dat hangen dede dat mach [8] bedencken di wilt. Siet, nochtue hinc hi al mudernaect ende [9] nochtue en waren heme die vute nit genechgelt ant cruce. [10] Due Jhesus aldus hinc, due wart hi sinre muder ane sinde 10 , [11] ende want hi so dor naect hinc so schamde hi heme alremeest [12] vore hare. Ende oec vor dandere die dar stunden schamde hi [13] sich so sere sinre naturliker schemden dat hi deen been over [14] dander sluch. Siet, due quamen die vermaledide Juden ende [15] slugen heme enen nagel dor beide vute die hi selver over een [16] geleegt hadde. Due alreerst 16 quam ene vrouwe ende bant heme [17] een cleet ombe. [18] Aldus mogedi wale weten dat heme schemde ene grote pine [19] was. Nogtan verwan die minne alle dese schemde, gelic alse S. [20] Jeronimus sprict. [21] Oec mogewi sine martele pruven die hi leet, dar bi dat hi an [22] den cruce weinde. Want gi wet wale dat wise lide teverges nit [23] en weinen 22ev . Mar der wise Jhesus - dar alle wisheit ende konst 23 in [24] verborgen lach, alse S. Paulus sprict - hi weinde sine ongevuge [25] martele die hi leet. Hi mogt wale beweinen dat hi den mensche [26] so ligtelike hadde gemaect ende hi heme so betterlike sur wart [27] dat hine weder ermaecde. [28] Dar ombe sin die vleschelike oegen selech die dat beweinen [29] dat 29ev Jhesus met sinen gotliken oegen beweinde; ende oec sin [30] degene selech die dese pine stedelike dragen in hare memorie [31] ende heme draf dancken ende loven. Ay sekerlike, dar ombe |
3 sulke: sommige.
6 nirgen...anders: nergens anders aan.
10 due...sinde: keek hij zijn moeder aan.
16 alreerst: pas.
22ev Want...weinen: ge weet immers dat wijze lieden niet zonder reden wenen.
23 konst: kennis.
29ev dat...dat: dat bewenen wat.
|
|
[1] vuget utermaten wale geesteliken liden dasse temelike sin in [2] haren kore 2 ende in haren getiden ende innech in haren gebede. [3] Mar leider, wi sin so wilt ende so idel ende loepen so ligtelike [4] ute 3ev ende sin so onstedech in onsen herten, dat wi bewilen [5] begennen prime vor compleete: dats een caut gebet. Dat wi [6] onsen Here live 6 dar mide duen dat wi heme dancken sinre [7] pinen dat mogewi pruven aldus. Een mensche die dor 7 sinen [8] vrint grote denc duet, din duet harde sagte dats sin vrint decke [9] gedenct 8ev . Vel sachter dut Gode dat mi heme sinre pinen stedech- [10] like danct ende gedenct, wantse heme sure 10 wart dan je enegen [11] mensche. Bi desen weinne mogewi wale mercken sine grote [12] pine, want wat pinen therte rurt dat bewisen gerne doegen 12 . [13] Oec mogewi wale pruven dar bi dat sine martele groet was [14] dat hi so schire an den cruce staerf. Want en ware sine pine nit [15] alte groet geweest, so guder complectie ende van so starcker [16] naturen alse hi was, hine mogte so schire nit gestorven sin. [17] Want hi wart in den middage ant cruce geslagen ende gaf sinen [18] geest op te nunen 18 . Van 18 dirgeliker doet wonderde sich Pylatus [19] due Joseph van Arimathia quam ende Pylatuse bat dat hi heme [20] den doeden lighame gave, dat hine begraven mogte. [21] Vele ware van sinre pinen ende van sinre martelen te segene [22] dat ons nu te lanc es tertelne 22 , mar een igelic late heme gedencken 22 [23] wat his gehort heft ende vest 23 in sin herte ende dragt in sinen [24] wercken. [25] Ende dancken onsen Here sinre pinen ende sinre martelen, [26] ende bidden heme dat hire ons delachtech make also dat wi [27] met heme besitten dewelike leven. Amen. |
2 kore: koorgebed.
3ev ende...ute: en dwalen zo gemakkelijk af.
6 live: welgevallig.
7 dor: terwille van.
8ev dats...gedenct: dat zijn vriend het vaak gedachtig is.
10 sure: onaangenamer.
12 want... doegen: immers de ogen laten gewoonlijk zien welk verdriet het hart beroert.
18 te nunen: om drie uur 's middags.
18 Van: over.
22 tertelne: om te vertellen.
22 mar...gedencken: maar iedereen overwege.
23 vest: beware het.
|
Sermoen 38: Dets van der groeter martelen die Jhesus leit an den cruce.[1] O vos omnes etc 1 . Dese wort sprac onse Here Jhesus Cristus, [2] ende geven ons dese wort te verstane 2 die grote pine die hi [3] doegde. Oec mogewis 3 heme te bat geloeven dat hi in pinen was, [4] want hi spracse in Guden Vritdage ane den cruce. Ende spreken [5] die wort aldus: Oy gi alle die din wech lidet, siet ochte enech [6] wee minen wee gelike. [7] Oec suldi weten dat Jhesus martele ende sin armude nit [8] allene en was ane den cruce, mar al sin leven 8 was martele ende [9] armude. Want dewangelisten bescriven ons dat sin gebort [10] armer was dan je menschen worde 9ev , want hi wart geboren in [11] een gemeine hus dar want ane en was nog dar bedde in en was, [12] des doch over arme 12 lide bewilen hebben; ende was oec 12 die nagt [13] lanc ende ten kausten tyde van den jare. Dar na onlange hiet [14] Herodes vele kindere die neder 14 tween jaren waren ontliven, [15] ombe dat hine 15 onder die kendere doeden woude. Siet, due muste [16] hi vlien in Egypten. Dar af sprict S. Anselm: Oy Kerst, uwe [17] kinscheit en was sit seker van 17 der viende swerde. Want nogtue [18] gi ore muder borst soct 18 due quam u 18 engel ende sprac te Josephe: [19] Stant op ende nem tkint metter muder ende vlie in Egypten. [20] Siet, van dir tyt huf sich 20 Jhesus martele, ende was 20 also arm dat [21] S. Jeronimus bescrift dat hi also arm was dat hi anders nit en [22] hadde dan sin muder met hare naelden ende met hare spillen [23] wan, dar si hare 23 ende haren Son mede generde. Van desen riken [24] armude sprict S. Anselm: Oy live Gotsson, dor ons sidi arm |
1 O...etc.: zie Klaagl. 1, 12.
2 ende...verstane: en deze woorden geven ons te verstaan.
3 mogewis: kunnen wij het.
8 al...leven: heel zijn leven.
9ev dat...worde: dat zijn geboorte armoediger was dan ooit een mens overkwam.
12 over arme: zeer arme.
12 ende...oec: en ook was.
14 neder: beneden.
15 hine: hij hem.
17 van: voor.
18 ore...soct: de borst van uw moeder zoog.
18 u: uw.
20 huf sich: begon.
20 ende was: en hij was.
23 hare: zich.
|
|
[1] worden op dat gi ons ric maket. Dit selve sprict oec S. Paulus [2] ende, kurtelike gesproken, op ertrike en gewan Jhesus noit [3] guden dach 2ev . Dar ombe sprict S. Bern.: Wi lesen dat Jhesus [4] geweint heft, maer des en lesewi niet datter 4 je gelachde. Oec [5] lest mi 5 van sinre kinscheit dat hi menge saken metten Juden [6] beginc, ende dut daer tue quam 6 dat hi te predeken began so lip [7] hi so vele ombe te vute 6ev dat hi bewilen alte 7 mude wart. Dar [8] ombe sprict S. Johannes in der ewangelien, dat hi eens also [9] mude wart van gaene dat hi van mutheide op enen borne bleef [10] sittende ende rasde heme 10 . Ende bewilen alse hi al den dach [11] hadde gepredect ende jegen avont tfolc van heme ginc, so bleef [12] hi allene ende sach allumbe ogten iman bidden soude te her- [13] bergene. Ende alsen 13 dan niman en bat, so muste hi van danne te [14] S. Marten hus 13ev gaen ende bleef daer over nagt 14 . Ende oec bewilen [15] alse hi al den dach gegangen ende gepredect hadde, so ver- [16] enegder sich 15ev snaechts ende was al die nagt in sinen gebede. Dar [17] af sprict S. Ambrosius dat hi dar ombe nit en bedde 17 dat 17 his [18] enege noet hadde, mar dat hi ons exsemple gaf te bedene; want [19] wi sin degene dis noet hebben. Ende due hi die twelf apostele [20] kisen soude, due was hi al die nagt tevoren in sinen gebede. [21] Ende oec alse hi met riken Juden thus 21 ginc, ombe dat hise [22] bekeren ende leren woude, so spraken dandere hi war den riken [23] ende den sonderen heimelike 22ev ende hare vrint ombe dasse heme [24] wale tetene ende te drinckene gaven, ende seiden hi ware een [25] vraet ende een drenckere. Ende wantse sagen dat S. Johannes |
2ev en...dach: had Jezus het nooit goed.
4 datter: dat hij.
5 mi: men.
6 ende...quam: en toen zover was.
6ev so lip...vute: liep hij zoveel te voet rond.
7 alte: zeer.
10 rasde heme: rustte.
13 alsen: toen hem.
13ev te...hus: naar de woning van Martha.
14 over nagt: gedurende de nacht.
15ev verenegder sich: zocht hij de eenzaamheid op.
17 bedde: bad.
17 dat: omdat.
21 thus: naar hun huis.
22ev war...heimelike: omging met...
|
|
[1] Baptiste luttel aet ende dranc ende in abstinentien was, so [2] sprakense dat ware Gots Son, ende seiden te Jhesum der divel [3] ware in heme ende wat wonders ende teken hi dade, hi daet [4] metten divele ende met sinre hulpen, ende hi ware valsch ende [5] een drogenare. [6] Nu suldi weten dat onsen Here Jhesum Cristum tfolc 6 van [7] ertrike na volgde dor vif saken. Dene volgden heme dor [8] genaden wille, ombe dat hise gesont macde van hare siecheit. [9] Dandere ombe dasse wouden sien die teken die hi dede. Die [10] derde volgden heme ombe dasse gespist worden 10 van heme, [11] gelic alse mi leest van den vif dusentgen 11 . Die virde volgden [12] heme dor 12 sine leringe, gelic alse dapostele deden ende sine [13] jungere ende vele guder lide. Die vifde volgden heme ombe [14] dasse wouden horen ende sien iet daer sine mede begripen [15] consten. Siet, dusdan lide waren decwile bi heme die altoes [16] wagden ende spiden sin wort ende sin werc. Ende oec plagense [17] heme te verwittene 17 dat 17 sine jungere daden. Ende decke hadden [18] sine gerne gedoet, mar dasse 18 die gemeinde ontsagen. Ende [19] meest bleeft dar ombe 19 dat nit tit en was ende his 19 nit en woude. [20] Want teere tit 20 hadden sine geleit op enen hogen berch ende [21] woudenten 21 neder stoten, op dat hi doet vallen soude. Dar af [22] sprict der ewangeliste dat hi sich van hen ontbrac ende ginc [23] enmidden dor hen. Dis gelike quam heme sere vele tuwe 23 , tot [24] dis male 23-24 dat hi heme selver met guder wilkore liet vaen ende [25] doeden. Want jhegen sinen vrien wille 25 en constense heme nit [26] geduen. [27] Aldus hebdi gehort wie al sin leven ene martele was op [28] ertrike. Nu suldi weten dat sine martele in sinre doet nit allene |
6 tfolc: onderwerp.
10 worden: werden.
11 gelic...dusentgen: slaat op de wonderbare broodvermenigvuldiging.
12 dor: voor.
17 verwittene: verwijten.
17 dat: wat.
18 mar dasse: ware het niet dat ze.
19 bleeft...ombe: bleef het daarom achterwege.
19 his: hij het.
20 teere tit: eens.
21 woudenten: wilden ze hem naar.
23 Dis...tuwe: Zoiets overkwam hem erg vaak. lev.
23-24 tot...male: totdat.
25 jhegen...wille: tegen zijn wil.
|
|
[1] pinlike en was, maer si was oec nuwe ende seltseme. Nu hort [2] wie 2 dat was. Judas, die sin vrint scheen ende nit en was 2 - als 2 [3] nog vele geschiet - hi verrittene met enen tekene van vreden. [4] Owi, wats nu al Judase 4 . Nu suldi weten dat heme die Juden van [5] savonts dassine vingen ont smorgens dassine vor tgerichte [6] leitden, menge smaheit daden met halslagen ende met spiene [7] ende met spottene. Dat mogdi mercken dar bi want si warn [8] heme mordelike gehaet 7-8 . Want die ewangeliste sprict, wasse [9] heme daden dat dadense heme van 9 hate; ende wat een mensche [10] van hate duet dats sonder ontfarmecheit. Siet, also waest metten [11] Juden. [12] Oec wart heme een roet roc ane gedaen ende ene dorne crone [13] op thoeft gesat 13 , ende een hantgebeer wart heme in de hant [14] gegeven, want hi hadde gesproken hi ware der Juden coninc. [15] Ende heme te spottene knidense vore heme 15 ende spraken hi [16] ware een coninc. Ende dar na stundense op ende bedecden heme [17] danschin ende slugenten in sinen hals ende vragden heme winne 17 [18] sluge. Siet, due was die gotlike wisheit teenre dorheit 18 worden. [19] Van derre 19 smaheit sprict hi selver in den Sautere aldus: Ic ben [20] een worm ende nit een mensche; ende oec benic een laster der [21] lide ende verworpen van 21 den volke 19ev . Van al desen sprict S. [22] Anselm: Oy gude Jhesu, gi wort 22 gecleet met himelscen clederen [23] ende gi worter meer mede bespot dan geert. Here, gi wort [24] gecroent ende die crone was u ene pine, want si verwonde u [25] uwe clare swaerde wale met dusent wonden. Gi drugt in uwe [26] hant een hantgebeer, ende mettin selven slugense u edel hoeft. [27] Si kniden vor u ende ripen u ane vor 27 enen coninc, ende stunden |
2 wie: hoe.
2 ende...was: maar niet was.
2 als: zoals.
4 Owi...Judase: Ach, wat zijn er nu veel Judassen.
7-8 warn...gehaet: haatten...
9 van: uit.
13 gesat: gezet.
15 Ende...heme: En om met hem te spotten knielden ze voor hem.
17 winne: wie hem.
18 teenre dorheit: tot een dwaasheid.
19 derre: die.
21 van: door.
19ev Ic...volke: zie Ps. 21, 7.
22 wort: werd.
27 ripen...vor: spraken u aan als.
|
|
[1] tehant op ende bespuden u edel anschin, dar die engele in [2] begeren te siene. Si bedecden u danschin ende slugent met [3] haren handen. [4] Oec en henct mi 4 so onselgen dief, sin galge en sie tevoren [5] bereet. Mar onse Here muste sin galge, dat was sin cruce, [6] dragen. Daer af sprict S. Anselm: Oy Here, u wart geheiten [7] dat gi uwen rugge boeget onder der bordenen urs 7 crucen, ende [8] urs selfs laster te dragene. Doch was sin cruce so swaer dat hit [9] voldragen en conste: due bedwongense Symone dat hit dragen [10] muste. Ay, wat gewuchge was daer due Jhesus met sins selfs 10 [11] cruce dor die stat ginc. [12] Oec was dat ene nuwe martele die tevoren noit gehoert en [13] wart dat heme sin hande ende al sin lighame gespannen wart [14] ende hande ende vute met nagelen worden dorslagen. Dis en [15] plach mi tevoren niet, gelic alse gi noch wale siet dat die schekere [16] bi heme andere martele hadden. Oec lest mi van S. Petere dat hi [17] gemartelt wart an den cruce, mar heme worden sine vute [18] opwart gekeert ende nogtan en wart hire nit ane genechelt. [19] S. Andris 19 wart oec ane sin cruce gebonden met seilen; ende en [20] leest mi nit 19ev dat noit enech martelere ant cruce genegelt worde [21] nog oec naect gecrust en wart sonder Jhesus allene. [22] Oec en leest mi nit dat je mensche also sere bespot wart in [23] sinre martelen alse onse Here. Jherusalem was ene hoeftstat van [24] al den lande ende waser 24 vele volcs in. Siet, dar ombe coes onse [25] Here Jhesus Cristus sin martele bi derre stat te lidene, ombe dat [26] heme te scentliker was vor al din volcke. Also sprict een heilech [27] man: Oec was te dir stunt te Jerusalem een hogetide dar tfolc [28] gemeinlike plach te comene, ende ombe dat die Juden wouden [29] dat tfolc gemeinlike wiste war ombe onse Here die sonderlike [30] versmaede doet leet, so screvense boven sin cruce: Jhesus van [31] Nazaret, der Juden coninc; rechte also alse mi enen dive sin [32] difde op den hals bint. Ende waren die selve bucstave gescreven |
4 Oec...mi: Ook hangt men niet op.
7 urs: van uw.
10 sins selfs: zijn eigen.
19 S. Andris: Andreas.
19ev ende...nit: en men leest niet.
24 waser: er was.
|
|
[1] in drirehande spraken: in Jutschen 1 ende in Grixschen ende in [2] Latine. Ende dat dadense dar ombe dat een igelic lase 2 ende wiste [3] war ombe hi verhangen ware. [4] Noch dochte onsen Here met al derre martelen die hi leventech [5] leet te luttel wesen 5 ende woude oec doet gemartelt werden dor [6] ons. Want mi leest, due hi doet was, dat heme een speer wart [7] gesteken dor sin borst, ende dar ut vloet water ende bluet. Van [8] derre wonden sprict S. Bern.: Ay Here, dor die wonde dins [9] lighamen scheen 9 die verborgenheit dins herten. Rechte alse hi [10] sprake: Ay live Here, bi derre wonden bekenwi wale die grote [11] minne van uwen herten, want gi beide leventech ende doet u [12] gebenedide bluet dor ons stort. Ende segt mi dat dese riddere [13] dinne aldus staec blent was, ende van desen blude wart hi sinde, [14] ende wart seder kersten ende gemartelt omb 14 den gelove. [15] Al dit dat hir vore gesproken es, dat was al een nuwe dinc [16] ende een ongehort tevoren van al dengenen die je gemartelt [17] worden; ende leet 17 doch also geduldechlike alse een lamp. Alse [18] Ysaias lange tevoren sprac: Rechte also stille sweech Jhesus alse [19] een lamp dat mi doeden sal 18ev . Oec sprict hi selver in den Sautere [20] dor Davits mont aldus: Wat si ripen, dis en hordic niet, als een [21] doef mensche, ende watse mi daden dat verswech 21 ic alse een [22] stumme 20ev . [23] Nu suldi weten wat Jhesus op ertrike leet dat heme dat anders [24] niman en dede dan allene minne 24ev , want het was onmogelike dat [25] eenen so groten here iman iet duen sulde dan die minne. Dar [26] ombe suldi weten datten die minne in allen wegen verwan 25ev . [27] Want si 27 drevene 27 ut himelrike in eenre juncfrowen husen ende |
1 Jutschen: Hebreeuws.
2 lase: zou lezen.
5 te...wesen: te weinig te zijn.
9 scheen: was zichtbaar.
14 omb: om wille van.
17 leet: verdroeg het.
18ev Rechte...sal: vgl. Jes. 53, 7.
21 verswech: verzweeg.
20ev Wat...stumme: zie Ps. 37, 14.
24ev dat...minne: dat iemand anders dan de minne zo'n grote heer iets zou kunnen aandoen.
25ev Dar...verwan: Daarom moet ge weten dat de minne hem in alle opzichten overwon.
27 si: nl. die minne.
27 drevene: dreef hem.
|
|
[1] dwangene daer tue dat hi menge pine ende vernoy op ertrike [2] leet. Oec hingene die minne ane een cruce ende sluch heme dri [3] nagele dor hande ende dor vute ende schiet heme sine sele van [4] sinen live ende beslotene onder der erden. Alle dese denc waren [5] onmugelike iman te dunne dan der minnen allene: al waest dat [6] heme die Juden van butene daden, het dede heme doch die [7] minne van binnen. [8] Dat dit waer sie, dat sprict hi selver aldus dor Ysaias mont: [9] Ic ben worden rechte als een droncken man die vol es ende nat [10] van wine 9ev . Dese win was die minne. Want geliker wis alse der [11] win den mensche onsinnech maect ende vergeten, also dede die [12] minne onsen Here. Want si brachtene daer tue dat hi gebarde [13] rechte alse ogt hi senloes ware, due hi sinre groter gewaut ende [14] al sinre heerscapheit vergaet ende liet sich schendelike ane een [15] cruce nechgelen. Ende gelic alse mi van droncken liden sprict, [16] wat hen geschiet het dun hen der win 16 , also waest met desen [17] dronkenen manne, die droncken was van der minnen wine. [18] Want al dat heme geschide dat quam van der minnen gewaut. [19] Dat die minne den starcken Got verwan, dis hebwi orkunde [20] in den Auden Wet 20 . Daer leest mi dat Jacob vacht 20 jhegen den [21] engel ende verwan den engel. Bi desen engele verstawi Gode, [22] ende bi Jacobpe die minne: Jacob verwan den engel due die [23] minne Gode daer tue dwanc dat hi mensche wart ende an den [24] cruce starf. Dar af sprict S. Augustin aldus: Die minne heft [25] Gode verwonnen ombe dasse ons te lichteliker verwonne. Ende [26] die minne heft dengenen wont die engene pine liden en mach 26 [27] Ende die minne heft gebonden dengenen din niman verwennen 27 [28] en mach. Die minne heft gebonden dengenen din niman verwen- [29] nen en mach. Die minne heft dengenen gegoten 29 die onwandelic [30] es. Die minne heft dengenen doetlike gemact die ewelic was [31] ende es. [32] Ay edele minne, wie starc sin uwe bande dar gi Gode mede |
9ev Ic...wine: zie Jer. 23, 9.
16 wat...win: dat wat hen overkomt, hen door de wijn wordt aangedaan.
20 Auden Wet: het Oude Testament.
20 vacht: vocht.
26 liden...mach: hoefde te lijden.
27 verwennen: overwinnen.
29 gegoten: nl. in een andere (menselijke) vorm.
|
|
[1] bont. Sent gi so starc wart jegen Gode, suldi dan cranc 1 sin jegen [2] den mensche? Ay sekerlike, nogtan verwondi gemekeliker Gode [3] dan den mensche. Dis mach sich der mensche te meer schamen [4] dat hi der minnen wederstaet, sent hi siet dasse Gode verwan. [5] Seder dat Jhesus Cristus also dronken was ende so vol van der [6] minne wine, dar ombe ontfinc hi ene kunheit na den sede 6 der [7] dronckenre lide, ende ginc selver in sin doet. [8] Hir ombe geliect sich 8 onse Here in den Sautere enen vogele, [9] hiet pellicanus. Dese vogel es van der grotheit dat een odevare [10] es, ende es mager ende woent gerne in einoede. Van desen [11] vogele spreken die meestere van naturen 11 dat hi sine junc alte [12] lief heft. Ende alse begennen te wassene, so bitense sig met 12 [13] vadere en mudere ende si biten die kendere weder ende doedense [14] met haren becken. Ende daer na druvense dri dage om der [15] kendere doet; so 15 dorstekense dan hare borst met haren becken [16] ende maken die kendere weder leventch met haren blude. Dese [17] vogel die woent in desen einoede, dats Jhesus Cristus, die [18] allene, alse die glose sprict, van eenre magt geboren es ende was [19] mager van 19 alre genuchden ende van wereltliker vrouden. Hi [20] dorstaec sine borst metten spere ende met sinen blude maecde hi [21] sine kendere leventch. [22] Oec es hi gelic enen dire, heit tygris, dats so tornech ende [23] so vreislike; als sine junc gevangen werden, so wilt hetse [24] bescutden ende al sijt 24 sin doet vor sin oegen, dar ombe en leet [25] hets nit hen volge sinen jungen 24ev . Bi desen tygris verstawi onsen [26] Here Jhesum Cristum, ende bi sinen jungen alle menschen. [27] Want also alse 27 der vader sin kendere besorgt ende wint hen al [28] desse 28 bedorven, also heft ons Got besorgt ende met sinre arbeit |
1 cranc: zwak.
6 na...sede: op de wijze van.
8 geliect sich: vergelijkt zich.
11 meestere...naturen: gezaghebbende persone op het gebied van de natuurlijke historie.
12 so...met: dan pikken ze hun.
15 So: heeft hier geen betekenis; dient ter voortzetting van het verhaal.
19 mager van: arm aan.
24 sijt: ziet het.
24ev dar...jungen: daarom laat het niet na zijn jongen te volgen.
27 also alse: zoals.
28 desse: wat ze.
|
|
[1] gewonnen des wi bedorven ten eweliken levene. Want due wi [2] gevangen waren in den gevenckenisse van der doet, due liper [3] vor ons in die doet ende erloesde ons van der eweliker doet. [4] Sulke 4 lide hebben gesproken, due Cayn sinen bruder Abel [5] doet sluch, dat Adam, hare vader, weinde hundert jaer, want hi [6] sach dat der mensche sterven mochte ende bekande dat komen [7] was van sinen sonden dat der mensche sterven mochte. Abel [8] sprict also vele alse overdaet 7ev . Dar bi es bedijt onse Here Jhesus [9] Cristus die vore al onse overdaet die doet leet; nogtan was hi [10] ledech van alre overdaet. Siet, alse ons dan gedenct 10 dat der [11] onsculdege Jhesus vor onsen sonden doet es bleven, dat sal [12] ons billike duen weinen hondert jaer ogte 12 wi als lange souden [13] leven. Van desen tranen sprict S. Bern. 13 datse bat mogen heiten [14] een himeldou dan water der oegen. Nog sprict S. Bern.: Alse [15] die sele siet den coninc Salomon met sinre cronen - dats onsen [16] Here Jhesum Cristum met sinre cronen - darne 16 sin muder, die [17] Jutscheit, mede gecroent heft, ende alsse siet den eenbornen [18] Son Sfader 18 sin cruce selver dragen ende drane geslagen, ende [19] din Here van der godeliker gewaut verspien ende mettin spere [20] dorsteken ende met allen lastere gecleet, ende si telesten siet [21] dat hi sine edele sele op gaf vor sine vrint, als die sele al dit [22] besiet, so wontse der minnen swert ende sprict 22 metter brut in [23] Der Minnen Buke 23 : Beset mi met blumen ende ombestect mi [24] met suter vrocht, want ic ben van minnen siec 23ev . Jhesus, der [25] bloyende, die te Nazareth wart ontfangen ende te Bethleem [26] geboren, heme lust derre blumen, sprict hi, ende der himelsche [27] brudegom erblit sich in desen roke ende gaet gerne [28] in die kamere van desen herten, dat vol es van derre vrogt ende [29] besteken met desen blumen, alse hi siet dat mi met stedeliker |
4 sulke: sommige.
7ev Abel...overdaet: Abel betekent zoveel als (het slachtoffer van) zonde.
10 alse...gedenct: wanneer we dan gedenken.
12 ogte: indien.
13 Bern.: Bernardus.
16 darne: waar hem.
18 Sfader: van de Vader.
22 sprict: zegt de ziel.
23 Der...Buke: Het Hooglied.
23ev Beset...siec: zie Hoogl. 2, 5.
|
|
[1] memorien gedenct ende keert here ende dare 1 die genade van [2] sinre martelen ende die ere sinre operstendenissen. Siet, segt hi, [3] dar es hi met vlite ende gerne 3 . Ende dar na sprict hi aldus: [4] Wilwi Jhesum tenen stadegen werde hebben 4 , so mutwi onse [5] herte vesten met ontfarmecheide sinre doet ende met der [6] gewaut sins operstandenis. Dit gedenckenisse, sprict hi, drift [7] ute die trene ende begit die oegen ende nettet danschin ende [8] gift innech gebet. [9] Dar af sprict S. Augustin wat innech gebet sie ende war af [10] het come, ende sprict aldus: Innegheit es ene sute ende oet- [11] mudege begeringe in Gode: sute van bekennisse der gotliker [12] gutheit, oetmudech van bekennisse sins selfs crancheide. Alse [13] wi dan gedencken dir saken die Got dor 13 ons heft gedan, so [14] sulwi dar bi gedenken dat ons S. Bern. reet 14 : Wie 14 der Gotsson [15] na gotliker art alles denges din Vadere gelic was ende nog es, [16] wie hi met sinen Vadere alle denc maecde, die engele van [17] niwete 16-17 scuep ende die vire elemente 17 vugede ende die werelt [18] ordenerde, ende wie hi alle denc behuet, siet, aldus suldewi [19] altoes druve wesen dor din doet din Got leet dor onse sonden, [20] op dat wi mogen spreken met S. Paulus aldus: Ic drage Jhesus [21] Cristus wonden teken ane minen lighame ende ben met heme [22] erhangen ant cruce 20ev . Dit ligt al dar ane datter mensche gedencke [23] der martelen ons Heren ende hude sich van sonden. [24] Dar ombe sprict S. Augustin te sinre selen, ende wi sulen [25] met heme spreken, aldus: Oy min sele, versmilt van din vure [26] der midelidender martelen in die doet dies minsams mans din ic [27] sie 26-27 gepinget in also groter segtmudecheit. Want himel ende [28] erde liden met heme. Die dan sprict dat hi van derre doet sich [29] nit en ervert noch en erbevet, hi es sware dan derde 29 ende |
1 gedenct...dare: steeds opnieuw gedenkt.
3 met...gerne: zeer gaarne.
4 Wilwi...hebben: Willen wij Jezus getrouw eren.
13 dor: ten behoeve van.
14 reet: aanraadt.
14 Wie: Zoals.
16-17 van niwete: uit het niets.
17 vire elementen: vier elementen, d.i. water, vuur, lucht en aarde.
20ev Ic...cruce: zie Gal. 6, 17.
26-27 din...sie: waarvan ik zie dat hij.
29 sware...derde: zwaarder dan de aarde.
|
|
[1] harder dan stene ende onreinre dan een graf. Aldus sulwi volgen [2] ons Heren martelen met bedrufden, met geduldecheide ende [3] suntlike begeringe begeven, ende sulen sinre pinen stadelike [4] gedencken ende mide liden. Hir ombe sprict S. Bern.: Beste een [5] leet 4-5 van Kerste, so lijt mide die pine van dinen hoefde. Beste [6] Kerst bruder, so bedruve di met dinen brudere, screi ende weine [7] met suchtene over die doet des einbornen Sons. Want hets [8] grote schande dat onder enen gedornden hoefde een hoverdech [9] let es. Est oec daste nit en screis nog en weins nog met Kerste [10] en lits, so raste 10 ende en best engeen adelkent. [11] Aldus hebdi gehort wie groet ons Heren pine ende sine martele [12] was, alse hi selver sprict dor Jeremias mont, alse gi tevoren [13] hort: Oy, gi alle die den wech lidet, siet ogte enege pine minre [14] pinen gelic sie 13ev . Nu mogwi heme met regte antwerden: Neent. [15] Want ane sinre pinen waren vele saken die heme sine martele [16] mereden, alse hir vore gesproken es, die engeen ander mertelere [17] en hadde. [18] Wi sulen bidden din Here die dese pine leet ende alle pine [19] verwonnen heft, dat hi ons geve te lidene ende te verwenne, [20] 20 dat sin ere ende onse selecheit blive 20 . Amen. |
4-5 Beste...leet: Ben je een der ledematen.
10 so raste: dan ben je laks.
13ev Oy...sie: zie Klaagl. 1, 12.
20 dat...blive: opdat hem eerbetoon en ons zaligheid toekome.
|
Sermoen 39: Dits dbuec van den boegarde. titelDe boomgaard is het allegorisch beeld waarbinnen in deze tekst de deugden uitvoerig beschreven worden. Met subtiele nauwgezetheid wordt weergegeven hoe de deugden onder de bezielende leiding van de minne de boomgaard in het hart bereiden voor bruid en bruidegom, de liefde in Christus. Evenwel wordt duidelijk gemaakt (ongeweder) dat de onvolkomenheid van de ziel een bestendiging der extatische vereniging in de weg staat.
[1] Got hi mute ons allen gruten 1 mettin engle Gabriele dar Marie [2] mede gegrut wart duese ervult wart mettin heilgen geeste. Ic |
titel dbuec: het boek.
1 Got...gruten: Moge God ons allen begroeten.
|
|
[1] mane u allen, Godes liven, dat gi u herte ontslut ende ontpluc [2] u oegen van binnen 2 ende keert u an 2 die rene minne. Leert [3] kinnen wat Got si 3 ende wie 3 hi u gemint heft eer gi wart ende [4] sent dat gi wart. Besiet wie vaderlike hi u behuet heft dar git [5] wetet ende dar gis nit en wetet. Besiet wat hi u vergeven heft [6] ende oec wat hi u geloft heft. Hout u derna ende dankets heme 6 [7] ende en geft u herte niman dan heme, want hi u tsine al heft [8] gegeven. [9] Oy edele minnende sele, dis danc heme in minnen ende en [10] minten niet als der knegt sin here, dats te secgene allene ombe [11] loen: gi sulten minnen omb sin gutheit. Getruwe minne en [12] ondersprect engenen loen, want si mint tevergefs. Minten 12 als [13] die muder har kint, als die brut haren brudegom. Gin souten [14] niet minnen 13-14 caudelike nog lauwelike. Want est caut, son eest [15] minne niet; eest oec lau, son smaket niet. Ter 15 lauwer minnen [16] sprect Got swarlike, ende sprect aldus: Die ic lau vinde, die [17] spuwic ut minen monde 16ev . Bi dien radic u allen di mint, dat gi [18] Gode mint met bernender minnen ende mact hem in u herte [19] enen edelen boegart dar hi gerne in wandele ende besie dat wale [20] rikende ende dat wale smakende crut der doegde. [21] In desen boegart soudi planten violetten der oetmudecheit, [22] dats bekennisse onser broesheit. Gi souter in planten lylien [23] der kuscheit ende van tameliken levene. Plant dar in die rode rosen [24] van gedenckenisse der edelre martelen ons Heren ende die [25] goutblume der bernender minnen. Plant dar in din notboem [26] der harder wercke van penitentien, want dar wassen in die [27] cregtege kernen. Plant dar in die garnaten, dat es verkulnisse [28] van erderschen saken, ende dien edelen vigboem, dats gevulnisse [29] der sutecheit ons Heren. Plant dar in dien witten ende dien [30] roden wingart, dats bedidenisse dies renen lichamen ons Heren [31] ende sinre gebenedider passien. Plant dar in dien oliveboem van |
2 u...binnen: uw innerlijke ogen.
2 keert...an: wend u tot.
3 wat...si: hoe God handelt.
3 wie: hoe.
6 dankets heme: dank hem ervoor.
12 minten: min hem.
13-14 Gin...minnen: Gij moet hem niet beminnen.
15 Ter: Met betrekking tot.
16ev Die...monde: zie Apoc. 3, 16.
|
|
[1] gemeinre minnen, ende dien edelen palmboem, dats verwennisse [2] alre 2 tegancliker saken. [3] Als gi desen verwenden boegart dus gesirt hebt met desen [4] edelen boemen van dogeden, dar 4 Got in wandelen wilt, dan [5] soudi drin duen drirehande vogele desen boegart nog bat te [6] sirne. Der een vogel sal wesen die sugtende tortelduve die [7] altoes sugt na haren brudegoem 7 . Die ander sal wesen die singen- [8] de nagtegale die altoes sinct al die 8 somersche nagt. Der derde [9] sal sin die lewerke die in der dageraet begint haren Sceppere te [10] lovene ende loften al dien dach tottin avonde met enen bliden [11] sange. [12] In desen boegarde muet oec staen een verwent borne, ende [13] es geheten gemene karitate. Uttin borne sulen vloien vier flumen [14] ombe desen boegart dragteg te makene. [15] Oec muten in desen boegarde wesen drie ernstachge junc- [16] frowen dine geden ende besniden connen. Dene sal wesen starc [17] berouwenisse van din sonden, dandere wruginge van conscien- [18] tien. Dese twee geden dien hof ende trecken doncrut ute. Die [19] derde joncfrowe heit bigte. Die besnit die boeme ende vegt af 19 [20] dondragtege twige. [21] Van din vier flumen dies edelen bornen der caritaten die [22] desen verwenden boegart dragteg sulen maken, es die ene [23] geheten beke der oetmudecheit, dandere geduldecheit, die derde [24] vredelicheit ende die virde ontfarmecheit of mildecheit. [25] Omb desen verwenden boegart dis geesteliken herten dar Got [26] in wonen wilt mut gaen een vast tuen, dat desen boegart hude [27] datten sdorpers kinder nit in en clemmen, nog en treden dat [28] rikende crut, nog en breken ogte verderven die gesirde blumen [29] van dogeden, want si nog jonc sin. Die stecken 29 van desen tune [30] sal wesen heileg hope van nedere oppert 30 . Die risere mede te [31] lukene 30-31 sal wesen regt geloeve met guden wercken, want geliker |
2 alre: op alle.
4 dar: waar, nl. in deze lusthof.
7 sugt...brudegoem: verwijzing naar het Hooglied.
8 al die: de gehele.
19 vegt af: verwijdert.
29 stecken: hekwerk.
30 van...oppert: van beneden naar omhoog, d.w.z. van de mens tot God.
30-31 Die...luken: De takken om het hekwerk te dichten.
|
|
[1] wis als gude werc doet 1 sin sonder geloeve, also es oec der [2] geloeve doet sonder gude werc. Der wercman die desen tuen [3] luken sal es geheiten gut wille. Binnen desen tune sal oec gaen [4] een diep gracht, dats oetmudecheit boven dies menschen cragt. [5] An desen boegarde muten staen drie porten dat mire 5 ut ende [6] in gemeclic moge gaen. Dene porte es der mont, dander die [7] oeren ende die derde die oegen. Te desen drien porten muten [8] wesen drie hofsche joncfrouwen dise huden in gesteliker togt. [9] Die joncfrouwe die hude es van der porten dis monts es geheiten [10] gerechtecheit, ende slutse met enen grendele es geheten vrese. [11] Dese joncfrouwe en laet niman in hin sie tamelike te wandelne [12] in desen boegart, ombe dies wille 12 dasse hare ontsiet berespt te [13] wesene van hare mesterscap. [14] Dander juncfrouwe, die hude |