|
|
|
| |
| | | |
Visioenen
De middeleeuwse gevormde toehoorder of lezer zal zich zeker minder verwonderd hebben over deze visionaire teksten dan wij vandaag. Hij leefde in een cultuur die preciese opvattingen had over het schouwen. ‘De mens kan datgene wat hij geschouwd heeft terwijl hij uit zichzelf is weggerukt - de onverhoeds ontvangen Godservaring -, onder de controle van zijn verstand brengen door daarover na te denken. Hoe meer de inhoud daarvan echter in strijd is met het bevattingsvermogen van zijn verstand, des te minder kan die achteraf gevat worden. Het is dan alsof God op het ogenblik dat de mens het dagelijks bewustzijn herwint reeds ver verwijderd is: Hij toont de grootheid van zijn onvatbaarheid in de onvatbaarheid van het geschouwde.’ Uit deze opvatting van Richard van St.-Victor († 1173) wordt duidelijk dat de middeleeuwse mens niet slechts geloofde in de mogelijkheid van het religieuze visioen, maar tevens in het vermogen om achteraf te vertellen wat hij had geschouwd, tenzij de grenzen van het verstand daarbij overschreden waren.
Schouwen is: met vreugde en bewondering Gods wijsheid zien: in de schoonheid en afwisseling in de natuur, in de orde en de harmonie van de zichtbare dingen, in al het geschapene als allegorie van Gods wijsheid, in het peilen van het menselijk innerlijk als beeld van God, in de ons geopenbaarde eigenschappen van Gods natuur, in het onvatbare geheim van de Drie-Eenheid. De laatste twee objecten kunnen slechts geschouwd worden met de hulp der verlichtende genade.
Schouwen is slechts mogelijk indien heel het leven daar op gericht staat door relativering van al het aardse, door deemoedige afstand t.a.v. de eigen persoon, door cultus van het eindeloze verlangen naar God.
Het kernthema van de hier volgende visioenen is telkens het
| | | |
verlangen naar eenwording met het wezen van God. Deze teksten zijn evenwel slechts momentopnamen uit het leven van Hadewijch en dienen ook als dusdanig gelezen te worden. Dat de verwoording zo beeldend is, houdt verband met de aard der ervaring en de inhoud van het geschouwde: begrippen schieten hier vaak tekort. Maar altijd zijn de beelden uitdrukkingen van ervaringen en activiteiten van de innerlijke mens. Zij hebben bovendien meestal een bijbelse grond.
De functie van deze visionaire verhalen is de lezer te bewegen tot een diep gelovige levenshouding en hem voorbij de verbeelding en het kennen met verstand en gevoel te leiden naar het schouwen van God.
| |
Visioen 1
Hadewijch schouwt, in de gelijkenis van bomen, de betekenis van de menselijke vergankelijkheid, de nederigheid, de gelijkvormigheid met Gods wil, het door het geloof verlichte verstand, de wijsheid. Zij drinkt de kelk der algehele overgave aan God en schouwt dan de liefde die in God voert. Daar spreekt Christus zelf haar toe: zij moet haar oordelen enten op de soevereine gerechtigheid van God; zij dient de aardse ellende te beleven zoals Jezus; af en toe zal zij de liefde van God troostend ervaren. De kracht van de minne wordt haar toegezegd.
[1] Het was in enen sondaghe ter octaven van pentecosten1 dat men [2] mi onsen here heymelike te minen bedde brochte, om dat ic [3] ghevoelde soe grote treckinghe van binnen van minen geeste, [4] dat ic mi van buten onder die menschen soe vele niet ghehebben [5] en conste dat icker ghegaen ware4ev. Ende dat eyschen dat ic van [6] binnen hadde, dat was om een te sine ghebrukelike met gode. [7] Daer wasic te kinsch toe ende te onghewassen, ende ic en hadder [8] niet ghenoech toe ghepijnt, noch gheleeft int ghetal van soe [9] hogher werdecheit alse daer toe behoerde ende als mi daer wel [10] vertoent wart doen ende mi noch wel scijnt1ev.
| | | |
[1] Doen ic onsen here ontfaen hadde, doen ontfinc hi mi te [2] heme, soe dat hi mi op nam alle mine sinne buten alle ghedinc- [3] kenisse van vremder saken, omme sijns te ghebrukene in [4] enecheiden1ev.
[5] Ende ic wart gevoert als in enen beemt, in een pleyn dat hiet [6] die wijtheit6 der volcomenre doechde6. Daer in stonden boeme [7] dar ic toe wart gheleidt. Ende mi worden ghetoent haer namen [8] ende de nature8 van haren namen.
[9] Die yerste boem hadde ene verrotte wortele die overbroesch [10] was ende een overvast selbloct, ende daer boven ene herde [11] lievelike scone bloeme die stont soe onvaste, wanneer soe een [12] storm quame soe viele die bloeme ende dorrede. Ende die mi [13] leidde dat was een inghel vanden tronen, die dat onderscheet [14] hebben. Ende op dien selven dach wasic te hem comen met [15] wassene, so dat ickene hadde ontfaen dat hi soude sijn in miere [16] hoeden ende gheselle in allen minen weghen12ev. Ende die inghel [17] seide: Menschelike nature, verstant ende kinne wat dese boem [18] es. Ende ic verstont. Ende hi toende mi dat dat ware die [19] kinnesse ons selfs19: die wortele verrot dat was onse broesche [20] nature; ende dat vaste selblocte die ewelike20 ziele; ende die [21] scone bloeme die scone vorme der menschen, die soe saen [22] verdorven es in ere uren21ev.
[23] Doe leidde hi mi vortdane daer een boem stont die herde [24] neder was ende hadde scone fiere bladre ondermingt met alre- [25] hande vaerwen, die ghenoechlec waren aen te siene. Ende boven [26] alle die scone bladre hinghen verdorrende bladre, die alle die [27] scone bladre bedecten. Ende doe seide echt die inghel: Vercorne [28] ziele ende hakende, die van soe nedren te soe hoghen ghetrect
| | | |
[1] best ende van soe donkren dolinghen te soe claren ende vanden [2] armsten ten rijcsten28ev, verstant wat dit es. Ende hi toende mi, [3] ende ic verstont. Dat was die oetmoedecheit die met vroeder [4] vresen, daerse met bekint gods groetheit ende hare nederheit, [5] alle hare wel ghechierde doghede mede dect3ev, om datse ghevoelt [6] ende bekint dat hare ghebrect haers lieves te ghebrukene ende [7] datse hare ne weet wies verheffen. Dits puer oetmoet.
[8] Doen leide hi mi voert daer een groet boem stont ende een [9] starc met groten breeden bladeren. Ende die inghel seide noch [10] te mi: O moghende ende starcke, die den moghenden ende den [11] starcken god verwonnen heves van aneghinne sijns selfs, die [12] sonder beghin was, ende met hem die ewelecheit ghewelden sals [13] in eeuwecheiden, les ende verstant. Ende ic las ende verstont. [14] In elc blad was ghescreven: Ic ben de cracht van volcomenen [15] wille10ev; mi en mach en gheen dinc ontbliven.
[16] Ende daer bi stont een boem met vele telgheren, die groet [17] was ende hadde alle sine telghere doer den anderen boem [18] ghestrect. Ende die inghel seide noch te mi: O vroede vander [19] redenen berecht, ja vander redennen des groten gods19, les ende [20] verstant die wise lesse ende die vroede die dese dorwassende [21] leert. Ende ic verstont dat aen elc blat was te lesenne: Ic ben die [22] onderscedecheit22; sonder mi en mach men niet doen.
[23] Ende doen leide hi mi vort daer een overscone boem stont die [24] hadde drierande telghere; ende elker telgre waren drie: drie [25] boven ende drie in midden ende drie beneden. Ende die ingel [26] seide noch te mi: O sorfachteghe om die aventure vanden [27] mesvalle dijns toecomens, o suchtende om die dolinghe der [28] menschen28 die ghemaect sijn ter minnen gods ende van hem [29] dolen ende elder gheraken, o stervende29 metter doet dijns liefs [30] die hi starf, verstant dese drie nederste telgre; want dure met op
| | | |
[1] gheclommen best ten oversten telgren. Ende ic verstont dat alle [2] die bladre waren van sat groendere vaerwen ende scaerp ende [3] lanc; ende an elc blad was een herte ghescreven. Ende ane die [4] drie nederste telgre waren alle die herten die aen elc blad [5] stonden van roeder vaerwen aen te siene, ende die middelste [6] drie telgre hadden herten ane te siene van witter vaerwen, ende [7] de herten van den oversten drien telgren waren aen te siene van [8] goude.
[9] Ende die inghel seide noch te mi: Reyne columne in die kerke [10] der heyleghen10, die dinen lichamen pure ghehouden heves van [11] allen die saken die niet en ghetamen inden heyleghen tempel11 [12] gods, o onnosele ende troestersse elker nosen, dar de reyne wille [13] ons groets gods bi ghesterct sal wesen ende es, o bekinnende [14] met bekinnessen die edele nature ons suets gods, daer du soe [15] vroech bi vercoers pure reynecheit boven al dat was ende es [16] ende bi en ghere aventuren nye en ghebrakes ure, nu verstant [17] dese drie middelste telgre. Ende ic verstont.
[18] Ende die inghel seide noch te mi: Ghi soukende gherechte [19] minne allene in uwen god, in allen die seden volmaectelike die [20] ter heylegher wet behoren te werkene die god gheheylecht heeft [21] met sinen heyleghen levenne dat hiere in leefde ende met sinen21 [22] groten gheboden ende met sinen hoghen raden18ev, ghi minnende [23] ende pleghende met minnenden dienste der heylegher seden na [24] die behaghenesse des alweldeghen gods, ghi ghestadeghe [25] wesinghe daer god trouwe van gherechter minnen altoes in vint [26] ende ewelike in besitten sal, verstant dese drie overste telgre. [27] Ende ic verstont.
[28] Die boem was die wijsheit.
[29] Die yerste nederste telch, die aen die bladre die rode herten [30] hadde, dat was die vrese van meswesene ende van ontblivene [31] der volmaecter doghede. Die ander telch was die vrese dat gode [32] soe vele ghebrect werdecheiden vanden menschen32 ende datter [33] soe vele dolen van der waerheit die hi selve es. De derde telch
| | | |
[1] was de vreese dat elc mensche sterven sal metter selver doet [2] daer onse lief mede starf, wiseleke in elker ende in alder doghet [3] ghenoech te sine om die doet te stervene alle uren ende dat [4] cruce te draghene ende daghelike daer ane te stervenne ende [5] met allen dien te stervenne die dolen ende sterven5ev.
[6] Die yerste middelste telch, die de witte herten hadde ane die [7] bladre, dat was reynecheit ane den lichame, inden seden, in [8] worden ende in werken. Die ander telch was dat werken in [9] yeghewelken onnosel ende reyne te begherne, ende te hoedene9 [10] sine werke na ghetamene ons liefs. Die derde telch was soe puer [11] te blivene van alre bevlectheit inden gheeste, inden gare, inder [12] zielen, dat en ghene nederheit dar in en come van dolinghen, [13] van hoverden, van ydelre glorien, van desperacien, van te vele [14] te hopene dies men noch niet en heeft, ende datmen niet en [15] valle in bliscape boven hebbinghe noch in rouwen boven ghe- [16] breken, noch niet en valle in affectien noch in en gheen ghe- [17] noeghen te vollen tote dien daghe datmen minne langhe ghe- [18] noech gedraghen heeft na hare tamelecheit, ende datse soe [19] volwassen es ghedraghen ende met tameliken werken soe [20] volvoedt datmen comt boven draghen vander minnen in dat [21] ghevoelen dat vele hoghere es dan minne te draghene. Want [22] minne te draghene dats onste, verlanghen, begheren, dienst, [23] oeffeninghe van bernenden wille altoes sonder cesseren. Maer [24] minne ghevoelen dat es ghedinken in vriheiden24 van minnen. [25] Maer minne te sine verhoghet al.
[26] Die yerste telch vanden oversten drien, die de guldene herten [27] hadde ane hare blader, dat was met meneghen volmaecten [28] doechden Minne met hare selven enechleke soeken daerse [29] gheheel te vindene es27ev. Die ander telch es met minne den hoghen [30] wille29-30 gods te pleghene na sine behaghelecheit daer hi hem selven [31] elken mede behaghen doet die hem also levet. Die derde telch [32] was dat ghestade wesen, daermen der minnen altoes gheheel met
| | | |
[1] es ute menechfuldeghe doechden in die gheheele eneghe doghet1, [2] die de minnende beide in een verswelghet ende worpse inden [3] afgront daerse soeken ende vinden selen die eweleke ghe- [4] brukelecheit.
[5] Doen leidde hi mi voert daer wi vonden enen kelc al vol [6] bloeds. Ende die inghel seide noch te mi: Grote met groten [7] wille alle onghehoerde pine ende ghehoerde sonder quetsinghe [8] ende met sueter rasten overlidende, drinct. Ende ic dranc. Ende [9] dat was die kelc der verduldecheit: daer dedic gelofnisse gode [10] ghestadelike ghenoech te sine in verduldegher trouwen5ev.
[11] Doen leidde hi mi voert in die middelt der wijtheit daer wi in [12] wandelden. Dar stont een boem die hadde wortele op wert ende [13] den tsop neder wert. Die boem hadde vele telghere. Die nederste [14] telghere, die de tsop waren, die yerste was gheloeve, die andere [15] hope, daer die menschen bi beghinnen. Ende die inghel seide [16] noch te mi: O meestersse16 vanden beghinne toten inde op [17] climmende desen boem ter dieper wortelen des onbegripelecs [18] gods, verstant hoe dit es die wech der beghinnender ende te [19] gheduerne der volcomender. Ende ic verstont. Dat was die [20] boem der bekinnessen gods die men met gheloeve beghint ende [21] met minnen volhint.
[22] Daer bi dien boem stont noch een, die hadde ronde bladre [23] ende breede. Ende die inghel seide te mi: Blijft hier alse ghe- [24] vanghenne23-24 tote des di weder sent die di hier ontboden heeft te [25] comene, ende verstant sinen verhoelnen25 wille, daer hi dijns in [26] wilt ghebruken. Ende ic vare in dinen gheweldeghen dienst [27] dienen. Ic hebbe heden van di ontfaen in dinen dienst te wesene [28] alle uren, tote dattu mi ontwassen best ute dien wegen die ic di [29] hebbe gheleidt, ende duse volmaectelike cans volghen ende [30] ghevoelen dies verholen raeds dien di onse grote gheweldeghe [31] god sal doen weten te derre uren. Ic vare hoeden dinen reynen
| | | |
[1] lichame in diere edelre werdicheit daer ickenne in vonden hebbe [2] ende houden wille.
[3] Ende doen seide hi: Kere di omme van mi ende du salt den [4] ghenen vinden dien du ye ghesocht hebs ende dar du allen [5] erdschen ende allen hemelschen bi af ghekeert best.
[6] Ende ic keerde mi van heme ende ic sach een cruce6 voer mi [7] staen ghelijc cristalle, claerre ende witter dan cristael. Daer [8] mochtemen dore sien ene grote wijtheit. Ende voer dat cruce [9] saghic staen enen zetel ghelijc ere sciven ende was claerre ane te [10] siene dan die sonne in haerre claerster macht; ende onder die [11] scive stonden drie colummen. Die yerste columme was ghelijc [12] berrenden viere. Die ander was ghelijc enen stene die heet [13] thopasius; die heeft nature vanden goude ende na de claerheit [14] der locht ende hi heeft vaerwe alre stene. Die derde was ghelijc [15] enen steene die heet amatistus ende heeft eene pellenleke vaerwe [16] na die rose ende na die vyolette. Ende in midden onder die [17] scive drayede een wiel soe vreeslike omme ende die soe eyseleke [18] was aen te siene, dat hemelrike ende ertrike daer af verwondren [19] mochte ende vervaren16ev.
[20] Die zetel die gheleec ere sciven, dat was die ewelecheit. Die [21] drie colummen waren die drie namen daerne die ellendeghe die [22] verre van minnen sijn met verstaen. Die columme ghelijc den [23] viere es die name des heyleghen gheests. Die columme ghelijc [24] den thopaes es die name des vaders. Die columme ghelijc den [25] amatist es die name des soens. Die diepe wiel die soe vreeselike [26] donker es, dats die godleke gebrukelecheit in haren verhoelnen [27] stormen21ev.
[28] Op die gheweldeghe stad sat die ghene dien ic sochte ende [29] daer ic een met hadde beghert te sine ghebrukeleke. Sine vorme [30] was onseggheleke enegher redenen. Sine hoeft was groet ende [31] wijt ende kersp van witter vaerwen ende was ghecroent met ere [32] cronen die gheleec enen steene die heet sardonius32 ende heeft
| | | |
[1] drie varwen: swart, wit ende roet. Sine oghen waren aen te [2] siene wonderleke onseggheleec ende alle dinc treckende2 in hem [3] in minnen. Daer en maghic niet af te worde bringhen. Want die [4] ontalleke grote scoenheit ende oversuete suetecheit vandien [5] werdeleken wonderleken anschine dat benam mi alle redene van [6] hem in ghelikenessen.
[7] Ende mijn lief gaf mi hem selven in verstannessen sijns selfs [8] ende in ghevoelne. Maer doen ickenne sach doen vielic hem te [9] voete; want ic bekinde dat ic al dien wech te hem was gheleidt9 [10] dar noch alsoe vele toe te levene was. Ende hi seide te mi: [11] Stant op, want du best in mi op ghestaen, sonder beghin, [12] gheheel vri ende sonder val11ev. Want du begheert hebs een met mi [13] te wesenne ende du hebs daer toe ghedaen te rechte ende te [14] cromme; ende overmids dattu so verstormt best in onghe- [15] durecheiden ende du des orconde heves van mi ende van open- [16] baren werken die du ghewracht heves in allen dien dar du mijns [17] willen in verwanets, ende omme dine vroede werke, hebbic di [18] ghesent den inghel der throne die vroet es die gherechte [19] ghewilleghe18-19 ter volmaectheit te leidenne, die di so bewarent [20] vant van binnen dat hi di alle die weghe leidde die hi di soude [21] hebben ghetoent als enen kinde. Want hi di soe hoghe namen [22] gaf die di verchiert hebben in mijn anschijn.
[23] Nu salic di doen weten wat ic di wille. Ic wille dattu dor [24] minen wille tote alre ellendecheiden bereet best, ende ic ver- [25] biede di dattu nemmermeer en onderwints yet te andene noch [26] te wrekenne also vele als een op slaen van ere oghen. Dar du di [27] dies onderwints in enegher manieren, soe bestu die ghene die mi [28] mijn recht onderghaen wils ende mijn moghentheit onderwints. [29] Ic geve die noch, seide hi, een nuwe ghebod: Wiltu mi gheliken [30] inder menscheit alse30 du beghers inder gotheit als30 te ghebrukene [31] van mi, soe saltu begheren arm, ellendech ende versmaedt te
| | | |
[1] sine onder alle menschen, ende alle vernoye selen di smaken [2] boven alle erdsche ghenoechten. In en gheenre wijs en later di [3] verdrieten, want si selen onmenschelike sijn te verdraghene. [4] Wiltu vervolghen minne na die fiere nature die di mine gheheel- [5] heit heyschet, soe saltu so vremde werden onder die menschen [6] ende soe onghehoert ende soe onsalech, du en salt niet weten [7] waer enen nacht herberghen. Ende alle menschen selen di noch [8] af ghaen ende begheven, ende nieman en sal met di willen dolen [9] in dine noet ende in dine quale29ev. Van allen dinen wesenne be- [10] lovic mi in dinen daghen die du gheleefs noch enen corten tijd; [11] want dine uren11 en sijn noch niet comen.
[12] Maer ic hebbe een dinc te di daer ic mi omme belghe in enen [13] dele dat ic di tonen wille. Du best jonc van daghen, ende du [14] wils dat ic bekinne dijns lichamen sware pine ende die trouwe [15] van dinen handghewerke ende dinen nuwen wille altoes vloyende [16] van caritaten ende die begherten van diere herten ende dat [17] doeyen van dinen sinnen ende die minne van diere zielen. Ende [18] dit bekinnic al. Ende oec bekinne du dat ic leefde suver mensche, [19] ende mijn lichame doghede swaer pine, ende mine hande [20] wrachten alle trouwe, ende mine nuwe wille van caritaten dore [21] vloyede alle de werelt in vremden ende in vrienden, ende mine [22] sinne doeyden, ende mijn herte begherde, ende mine ziele [23] minde. Ende in allen desen verbeide ic al miere tide, des die [24] uren quamen dat mi mijn vader op nam te hem. Ghi hebt gheseit [25] somwile te mi ic hadde goed mensche leven, want ic hadde die [26] .vij. gaven26ev. Dat es waer, ende niet allene gaven, maer ic was selve [27] gave der gheeste die de gaven heeten. Ende du heves gheseghet [28] mijn vader was met mi. Dats waer, wi en scieden nye ure. Maer [29] ic make di cont ene verhoelne waerheit van mi, die doch open- [30] bare sceen diet hadde connen verstaen: dat ic nye ene ure mi [31] selven bi miere moghentheit ghenoech en dede in en gheen [32] ghebreken daer ic in was, noch dat ic ane die gaven mijns [33] gheestes nye en vervinc, sonder dat icse met pinen van doghene [34] vercreech ende van minen vader die hi ende icke al een waren
| | | |
[1] alse wi nu sijn, vore dien dach dat mine ure quam van miere [2] volwassenheit. Ic en wandelde mijn vernoy noch mijn pine bi [3] miere volcomenheit nye.
[4] Nu hevestu dine ellende gheclaghet, ende waer omme du niet [5] en heves van mi dies du behoeves na dinen niede. Ende ic [6] vraghe di wanneer di dies ghebrac du en hads die sevene gaven [7] mijns gheestes. Ende ic vraghe di wanneer du begheven waers [8] van minen vader in eneghen wesenne, mijn vader en was altoes [9] met di ghelijc hi met mi ende ic met hem was doen ic mensche [10] leefde. Na dien dattu mensche best, soe leve ellendech als [11] mensche. Ic wille van di mi also volcomelike geleeft hebben in [12] allen dogheden in erdrike, dattu mi in mi selven in en genen [13] pointe en ghebrekes. Heve die sevene gaven mijns gheestes [14] ende cracht ende hulpe van minen vader in volcomenen werken [15] der doghede, daer men god mede werdet ende blivet eewelike. [16] Maer ghevoelt u mensche in allen dien ghebreken die ter [17] menscheit behoren, sonder sonde allene4ev.
[18] Alle die pine die ter menscheit behoert die becorde ic doen ic [19] mensche leefde, sonder sonde allene. Ic en coste mi selven nye [20] bi miere moghentheit van binnen, sonder met troeste dat ic [21] seker was van minen vader. Du heves dat oec wel bekint dat ic [22] langhe leefde in erdrike eer men mi bekinde onder dat volc ende [23] eer ic miraculen dede. Ende doen icse dede ende men mi bat [24] bekinde, doen bleef mi onmenech vrient in die werelt. Ende in [25] miere doet stondense mi wel na alle af die leefden.
[26] Dar omme en laet di niet berouwen dat di alle menschen [27] begheven selen omme die volcomene minne ende omme dat du [28] in minen wille leefs. Scone gheliken ende mirakelen sijn di van [29] dinen daghen meer ghesciet sonder noet dan eneghen mensche [30] die geboren wart seder dat ic starf28ev. Miraculen ende ghichten [31] van buten die waren in di sere begonnen te werkenne; die [32] hevestu mi onseghet ende bester af ghestaen ende en wilter niet; [33] die begavestu bi minnen ende en wils el niet dan mi. Ende ommi [34] hevestu als34 verteghen ende wilt mijns ghebruken in ghevoelne
| | | |
[1] dat boven al gheet. Ende dat ghetal van dinen daghen daer toe [2] dat es noch onna gheleeft.
[3] Ic sal di, seghet hi, liefste gheminde, gheven mi heymeleke3 [4] alse du mi hebben wils. Want du niet en wils dat di die vremde [5] troesten noch dat si di bekinnen, soe salic di gheven versten- [6] nesse mijns willen, ende conste gherechter minnen, ende [7] enechleke mijns te ghevoelne bi uren in stormen van minnen, [8] alse du niet geduren en mach sonder mijns te ghevoelne ende [9] di dine pine te swaer wert.
[10] Met verstennesse saltu wiseleke minen wille werken in allen [11] dien die behoeven van di te wetene minen wille die hen oncont [12] noch es. Niemenne en hevestu noch ghebroken, ende niemene [13] en ghebrec nemmermeer tote dien daghe dat ic di segge: dijn [14] werc es al voldaen. Met minnen saltu leven ende gheduren ende [15] mijns verholens willen pleghen daer du mi mede best ende ic di. [16] Ende met mijns te ghevoelne salic di ghenoech wesen ende du [17] mi. Dus werke minen wille met verstennesse, mine alre ghe- [18] noechghelecste gheminde. Dus pleghe mijns met minnen, mine [19] naeste ghebrukende in miere naeheit. Dus19 saltu mijns ghebruken19.
[20] Dit es die boem van dien worden die ic di nu seide die heet [21] bekinnesse der minnen21. Want di soe vele ghepredect21 es dat di die [22] nederheit verswaren sal, soe toende ic di selven wat ic di wille. [23] Du moets suete weder keren ende doen dat ic di bevolen hebbe. [24] Alse du wils, so nem bladere van desen bome: dat es kinnesse [25] mijns willen. Ende alse di vernoyet, so nem van den tsoppe ene [26] rose, ende van hare nem een blad: dats minne. Ende alse du [27] niet gheduren en cans, so nem vander rosen datter binnen es: [28] dats dat ic di sal gheven mijns te ghevoelne. Altoes saltu [29] kinnesse mijns willen hebben ende minne ghevoelen ende ter [30] noet mijns ghebrukeleke ghevoelen. Aldus dede mi mijn vader [31] doen ic sijn sone was. Hi liet mi in node ende hi en beghaf mi [32] nye ic ghevoeles in ghebrukene; ende ic diende dien daer hi mi
| | | |
[1] toe ghesent hadde. Dat herte dat in die rose es soe gheheel, dat [2] es ghebrukelecheit van minnen ghevoelleke.
[3] Hen allen, lieve, die di goet ende quaet doen, wes al eens in [4] werken van haere noet. Minne sal di also machtech maken. Ghef [5] al, want al es dine.
| |
Visioen 6
Na een periode van hevig verlangen naar eenwording met God schouwt Hadewijch de paradoxen van de goddelijke immanentie en transcendentie in Christus, en hoe de levensloop van ieder mens daarin rust. Vervolgens beleeft zij kortstondig de extase van eenwording met Christus. Dan wordt haar opgedragen haar oordeelsnormen voortaan te ontlenen aan de goddelijke gerechtigheid.
[1] Het was in enen dertiendaghe1. Doe wasic .xix. jaer out, alsoe [2] wordense mi daer ghenoemt1-2. Doe haddic wille te onsen here te [3] gane ende ic was te dien tiden3 in begherten ende in overstarken [4] eyschene wie god nemt ende gheeft in verlorenheiden van hem [5] in op nemene van ghebrukenessen, die hem als in allen na sinen [6] wille sijn4ev.
[7] Doen werdic op dien dach daer met sere van nuwes7 in minnen [8] beruert1ev; ende doen werdic op ghenomen in enen gheeste8 ende [9] ghevoert daer mi wart ghetoent ene hoghe gheweldeghe stat. [10] Ende op die moghende stat stont .i. zetel; ende die daer op sat [11] was onsienlec ende onverstaen in diere werdicheit11 van dien [12] ambachte dat daer boven te werkene was12. Selke stat te besittene, [13] dat es onbekinleec hemelsche ende ertschen. Boven op dat [14] hoghe sitten in die hoghe stat, daer saghic ene crone die was
| | | |
[1] boven alle diademata1; ende hare wijdde hadde onder hare alle [2] dinc bevaen ende buten diere cronen en was niet2.
[3] Ende een inghel quam met enen gloeyende wyeroecvate ende [4] gloyende van viereghen roke; ende hi cnielde voer die hoechste [5] stat der zetele, daer die crone boven hielt; ende hi deder hem [6] ere mede ende seide: O onbekinde moghentheit ende al ver- [7] moghende grote here, hier mede si di7 ere ende werdicheit van [8] derre vrouwen die di besoect in dine verhoelne stat, die onbekint [9] es allen den ghenen die di dus onstekene offerande niet en [10] senden met alsoe10 scarpen schichten alse si di sent met nuwer [11] bernender joghet, die onder dat volc hare .xix. jaer heet hebben- [12] de11-12. Ende si es die, here, die di inden gheeste comt besoeken, wie [13] du daer best daer men di niet en versteet13. Want dat onbekinde [14] leven dattu in hare heves14 ghesticht inder bernender kafitaten, [15] dat heefse hier gheleidt. Nu oppenbare hare dattuse15 hier halets15 [16] ende volleidse in di10ev.
[17] Ende daer hoerdic .i. stemme spreken vreseleec te mi ende [18] onghehoert, bi enen ghelikenesse18 sprekende te mi, die seide: [19] Sich19 wie ic ben. Ende ic sach den ghenen dien ic sochte. Ende [20] sijn anschijn oppenbaerde hem met selker claerheit, dat icker in [21] bekinde alle anschine21 ende alle die vormen die ye waren ende [22] selen22 wesen, daer hi ere ende dienst af ontfeet in allen gherechten22; [23] ende waer omme elc tsine23 sal hebben in doemselen ende in
| | | |
[1] benedictien; ende waer bi elc geset sal sijn in sijn stat; ende bi [2] wat wesene1-2 die selke van heme2 daer ute dolen ende weder daer [3] toe geraken fierleker ende scoenleker dan sijt te voren hilden; [4] ende waer omme selke dolen ende niet weder gheraken; ende [5] hoe selke altoes schinen dolende ende nye ure daer wt en [6] quamen5-6 ende gheheel sijn bleven staende ende alle uren wel na6 [7] sonder troest; ende selke sijn bleven in hare stat van kinde7 ende [8] bekindense werdech8 ende hildense also toten inde. Alle wesene [9] bekindic daer in dat anschijn21ev8-9.
[10] In sine rechte hant saghic die ghichte siere benedictien, ende [11] daer in den groten hemel ontdaen11, ende alle die daer in wesen [12] selen eweleec met heme. In sine luchter12 hant saghic dat swert [13] dies vruchteghen slaghes13, daer hiet al13 met versleet in die doet. [14] Daer in saghic die helle ende alle hare eweleke gheselscap.
[15] Ic sach sijn lingde onder al verdruct, ic sach sine cleinheit [16] boven al verheven, ic sach sijn verborghenheit begripeleke alle [17] dinc omme vloeyende16-17, ic sach sine wijtheit binnen al besloten15ev. [18] Ic hoerde sine redene ende verstont alle redene met redenen18. Ic [19] sach in sijn borst dat ghehele ghebruken siere naturen in minnen. [20] Van alden anderen dat ic sach ghestondic in den gheeste20ev.
[21] Maer doe wonderde mi van al diere rijcheit die ic ghesien [22] hadde in heme. Ende bi dien wondere quamic buten den gheeste
| | | |
[1] daer ic in hadde ghesien al dat ic sochte. Ende alse ic alsoe [2] ghedaen1-2, in al diere riker verweentheit, kinde mijn anxteleke [3] lief ende mijn ontseggheleke soete, doe vielic buten den gheeste [4] van mi ende van al dien dat ic in hem ghesien hadde4, ende viel [5] al verloren in die ghebrukeleke borst siere naturen der minnen5. [6] Daer in blevic verswolghenleke verloren buten alle verstannesse [7] van el yet te wetene noch te siene noch te verstane dan .i. te [8] wesene met hem ende dies te ghebrukene. Daer in blevic men8 [9] dan ene halve ure21ev.
[10] Doen werdic weder ghewect in enen gheeste ende ic bekinde [11] weder alse te voren ende verstont alle redene11. Ende van hem [12] wart echt gheseghet te mi: Hier na en saltu meer nieman [13] doemen noch benedien buten ghetamen van mi12ev. Ende du salt [14] elken gheven recht na sine werdecheit. Aldus ghedane ben ic in [15] ghebrukene ende in kinnen ende in op ghenomenheiden den [16] ghenen die mi ghenoech na minen wille sijn14ev. Ic gheleide di, god [17] ende mensche16-17, weder in die wrede werelt, daer du salt ghesmaken [18] alre doede18, des du hier weder coms in den ghehelen name mijns [19] ghebrukens daer du in ghedoept best in mine diepheit18-19.
[20] Ende ic wart met dien weder bracht jamerleke in mi selven.
| |
Visioenen 7 en 8
Hoewel de handschriften een scheiding maken tussen de visioenen 7 en 8, is het duidelijk dat beide teksten inhoudelijk een eenheid vormen. Wij hebben de handschriftelijke traditie gerespecteerd, maar wijzen er met nadruk op, dat de ervaring van visioen 7 slechts dan juist beoordeeld wordt, wanneer men ze relativeert met behulp van de gegevens uit visioen 8.
In extatisch verlangen ziet Hadewijch uit naar volstrekte eenwording met de
| | | |
goddelijke geliefde. Al het menselijke en goddelijke in Hem wil zij ervaren, om dan voor Hem te kunnen leven zoals Hij zelf is. In zijn armen gedrukt, gaat zij Hem herkennen als de Godmens die de korte, steile weg naar de Vader heeft voorgeleefd. Ook zij kiest nu, in een visionaire bevestiging, voor het reiken naar de onvatbare God, voor troosteloos hopen en apostolische bezorgdheid. Alle consequenties van de liefde tot Christus draagt zij. Daarom is zij niet, als haar begeleider in het achtste visioen, een strijder, maar een overwinnaar. Zij heeft immers de weg voltooid. Jezus Christus is haar weg, en deze bewandelt zij vrijmoedig met heel haar persoonlijkheid.
| |
Visioen 7
[1] Te enen cinxen daghe wart mi vertoent1 inde dagheraet; ende [2] men sanc mettenen inde kerke, ende ic was daer. Ende mijn [3] herte ende mijn aderen ende alle mine lede scudden ende beveden [4] van begherten. Ende mi was, alst dicke heeft gheweest, soe [5] verwoeddeleke ende soe vreeseleke te moede, dat mi dochte, ic [6] en ware minen lieve ghenoech ende mijn lief en verwlde minen [7] nyet5-7, dat ic stervende soude verwoeden ende al verwoedende [8] sterven. Doe was mi van begherliker8 minnen soe vreseleke te [9] moede ende soe wee, dat mi alle die lede die ic hadde sonder- [10] linghe waenden breken ende alle mine aderen waren sonder- [11] linghen in arbeiden2ev.
[12] Die begherte daer ic doe in was, die es ontseggheleke enegher [13] redennen12-13 ocht yemens die ic kinne. Ende dat selve dat icker af [14] segghen mochte, ware ongehoert vore alle die die minne nye [15] en bekinden met begherten werken ende die vore15 minne nye [16] bekint en waren.
[17] Aldus maghicker17 af segghen: ic begherde mijns liefs te vollen
| | | |
[1] te ghebrukene ende te bekinnenne ende te ghesmakene in allen [2] vollen ghereke1-2; sine menscheit ghebrukeleke mitter miere, ende [3] de mine daer in te ghestane ende starc te wesene in onghebreke- [4] lecheiden te valne, dat ic hem weder dat onghebrekeleke [5] ghenoech ware; suver ende enech ende in allen te vollen [6] ghereke ghenoech te doghene in elker doghet2-6. Ende daer toe [7] woudic van binnen6-7 dat hi mi met siere godheit in eneghen [8] gheeste ghenoech ende al ware dat hi es, sonder ontbliven8.
[9] Want die ghichte coesic meest boven alle ghichten die ic ye [10] ghecoes: dat ic ghenoech ware in allen groten doghene. Want [11] dat es dat volcomenste ghenoech doen te wassene god met gode [12] te sine11-12. Want dats doghen ende pine, ellende ende in groten [13] nuwen vernoye te sine, ende dat al laten comen ende gaen [14] sonder vernoyen, ende el en ghenen14 smake daer af te hebbene [15] dan soete minne ende helsen ende cussen. Aldus begherdic dat [16] mi god ware hem mede ghenoech te sine15-16.
[17] Doe mi aldus vreeseleke te moede was, doe versaghic vanden [18] outare comen ghevloghen te mi enen are die groet was, ende hi [19] seide mi: Wiltu een werden, soe ghereide di. Ende ic stoent op [20] mijn knien, ende mijn herte gheberde20 vreseleke dat enechleke20 te [21] anebedene na sine werde werdecheit, dat doch mi onghereet21 [22] ware, dat wetic wel, wet god, altoes te minen wee ende te minen [23] sware. Ende gheen23 aer keerde, segghende: Gherechte here ende
| | | |
[1] moghende, nu tone dine moghende cracht dijnre enecheit te [2] eneghene na ghebruken dijns selves1-2. Ende hi keerde hem weder [3] ende seide te mi: Die ghecomen es hi comt weder, ende daer hi [4] nye en quam daer en comt hi niet.
[5] Doe quam hi vanden outare, hem selven toenende alse een [6] kint. Ende dat kint was van dier selver ghedane dat hi was in [7] sinen yersten drien jaren. Ende hi keerde hem te mi waert ende [8] nam uter ciborien sinen lichame8 in sine rechte hant ende in sine [9] slinke hant nam hi enen kelc, die sceen vanden outare comende; [10] maer ic en weet wanen10 hi quam.
[11] Daer mede quam hi in die ghedane des cleeds ende des mans [12] dat hi was op dien dach doen hi ons sinen lichame iersten12 gaf, [13] also ghedane13 mensche ende man, soete ende scoene, ende [14] verweent ghelaet tonende, ende also onderdanechleke te mi [15] comende alse een die eens anders al es15.
[16] Doe gaf hi mi hem selven in specien des sacraments in figuren [17] alsoe men pleghet. Ende daer na gaf hi mi drinken uten kelke, [18] ghedane ende smake18 alsoe men pleghet. Daer na quam hi selve [19] te mi ende nam mi alte male in sine arme ende dwanc mi ane [20] heme; ende alle die lede die ic hadde ghevoelden der siere in [21] alle hare ghenoeghen, na miere herten begherten, na miere [22] menscheit21ev. Doe werdic ghenoeghet van buten in allen vollen [23] sade. Ende oec haddic doe ene corte wile cracht dat te draghene.
[24] Maer saen in corter uren verloesic dien sconen man van buten, [25] in siene in vormen, ende ic sachene25 al te niete werdene ende [26] alsoe sere verdoiende werden ende al smelten in een, soe dat [27] icken buten mi niet en conste bekinnen noch vernemen, ende
| | | |
[1] binnen mi niet besceden. Mi was op die ure ochte wi een waren [2] sonder differencie.
[3] Dit was al van buten in siene, in smakene, in ghevoelne, alsoe [4] men smaken mach van ontfane inden sacramente van buten, in [5] siene ende in ghevoelne van buten, alsoe lief met lieve5 ontfaen [6] mach in aller voller ghenoechten van siene ende van hoerne, van [7] vervaerne deen6-7 inden anderen. Hier na bleef ic in enen vervaerne7 [8] in mijn lief, dat ic al versmalt8 in heme, ende mi mijns selves niet [9] en bleef. Ende ic wart verwandelt ende op ghenomen inden [10] gheeste, ende mi wart daer vertoent van selker10 hande uren.
| |
Visioen 8
[1] Ic sach enen groten berch, die hoghe was ende breet, ende van [2] onseggheleker scoender ghedane. Tote dien berghe ghinghen [3] .v. weghe hoghe staen3, die alle dien edelen berch op ghinghen [4] ten hoechsten sittene4 dat daer boven was. Maer si4 ghinghen [5] hoghe ende noch hoghere ende meer hoghere ende alder hoghest, [6] soe dat hi selve die hoechste was geheel ende dat hoechste wesen [7] selve6-7.
[8] Ende ic wart op ghenomen ende wart ghevoert op dien berch. [9] Daer saghic een anschijn van eweleker ghebrukenessen9, daer [10] alle die weghe in inden10 ende daer alle die ghene die de weghe [11] volbrachten .i. in worden.
[12] Ende een die mi daer op voerde, toende mi hem selven12. Ende
| | | |
[1] alse ic daer op was, seide hi te mi: Sich hier, hoe ic ben kimpe [2] ende rijcleec ghenen ghewareghen anschine1-2, dat al dore2 siet ende [3] doer licht den volcomenen dienste, dat volleidet ende leret [4] diviniteit, ende vroetheit ende rijcheit gheeft aller ghebrukenes- [5] sen van allen vollen consteleken smake. Ic ben ghetoent kimpe5; [6] siet dat mine sierheit es alse al6 verwinnende ende moghende [7] derre dinc, die al es7 daer die hemel ende die helle ende die erde [8] vore dienen. Ende ic ben dese weghe hoghest op comen ende [9] gheleide di; ende ic ben dijn gherechte orconde9 vanden vieren9. [10] Ende den vijften, die dine es, dien saldi orconden de gherechte [11] god, die hem di sendde ende die hem di sent11.
[12] Ende doe toende hi mi voert dat onseggheleke scoene [13] anschijn; ende dat was ane te siene alse ene groete viereghe [14] vloet, widere ende diepere dan die zee. Ende doe hoerdic ene [15] grote stemme uter vloet, sprekende te mi: Comt ende wes15 selver [16] die overste wech, .i. inden wesenne diere volcomen in sijn16, die [17] met corten uren alle langhe uren vervolghen16-17. Dijn grote darven17 [18] van minnen heeft di ghegheven den oversten wech in mijn [19] ghebruken, daer ic van ane beghinne diere werelt na hebbe [20] ghehaect, dattu dicke met swaren begherten ontgouden heves [21] ende noch sels20-21. Dies te darvene datmen boven al beghert ende [22] mi te gherijnne die ongherijnlec ben21-22: dat es die corte ure die alle [23] langhe uren verwint.
| | | |
[1] Ende dats die wech te mijns selves naturen, daer ic te mi [2] selven1-2 mede ghecomen hebbe ende ghegaen; ende daer mede2 [3] ghinc ic ute te minen vader te di ende ten dinen3, ende quam [4] weder van di ende vanden dinen te minen vader. Die ure hebbe [5] ic di ghesent met mi, ende di sent voert den dinen met mi4ev.
[6] Die ure, die dat jaer verwint, datmen pinen soude, dat bestu [7] ende de ghene die altoes in nuwen vlite sijn van meerre be- [8] gherten ende daer omme doghen grote versmaedtheit ende die8 [9] onghehoert boven macht, ende sijn van allen beclaghet ende [10] twifelende boven10 alle de goede ghewerke. Die doemt men ende [11] niemen en es hen wel na11 ghenadech. Den godleken twivelt11, ende [12] den anderen wondert, ende selke benident12: die ure verwint dat [13] jaer.
[14] De maent, die dat jaer verwint, dat bestu ende de ghene die [15] lettel troests hebben in haren vernoye ende in haren ghebrekene [16] van buten ende van binnen, ende dat gherne doghen om mi, ende [17] op minen troest te verlatenne dat ic hen comen sal. Die ver- [18] volghen mi naerre ter maent dan die ghetroeste ten jare17-18.
[19] Die wile19, dat die maent verwint, dat sidi ende de ghene die [20] om mi ende om andere die haers behoeven, in qualen sijn om [21] mi ende om hare mesdaet ende om hare scade ende om hare ver- [22] lies van buten ende van binnen in al hare noet, ende selven [23] altoes arbeiden om te besittene kinnisse van minnen.
[24] Die daghe, die de weke verhalen, dat bestu ende de ghene die [25] in jammere vallen sonder scout ende daer toe25 niedech ghenoech [26] te gode, datse ghene scout en hebben verhaelt26.
| | | |
[1] Ende want1 du, eneghe, dine karitate van allen met mi enech [2] heves bracht ende du mi in derre2 uren berurende waers met [3] miere naturen weghe3 die ic quam ende ghinc, soe3 orcondic di [4] met gherechten orconde daer ic mede ben4 mijns vader waerheit, [5] ende mijn vader orconde mi dattu best die overste wech ende [6] dien6 metti heves bracht, daer ic na hebbe ontboden6 met minen [7] verhoelnen weghe6ev.
[8] Ende want du dit bekint heves in onser beider heylecheit, nu [9] wes heylech in ons ende in9 alle die comen selen bi ons in dine [10] kinnisse9-10, die doch heylech comen ende also enech datse u boven [11] al in dit wesen kinnen ende ghetrouwen, ende u dat dienen dat [12] ghijt sijt die dit es10-12, ende datse mi in dit wesen begheren ende [13] recht houden in u ende gheven13, tote dien daghe datse gheleiden [14] so hoech leven dat ic ende mijn vader ende ghi moghen gheven [15] ghetrouwe orconde dat haer corte ure also langhe tide verwint.
[16] Nu hevestu mijns ghesmaect ende ontfaen van buten ende van [17] binnen. Ende du heves verstaen die eneghe weghe, die gheheel [18] in mi beghinnen. Nu kere di in mi alse de onverwonnen, die [19] heves verwonnen alle hemelsche ende alle erdsche ende alle [20] helsche kimpen. Ende verwinre wes gheciert. Gheleide alle de [21] ongheleidde na hare werdecheit, daerse van mi toe ghemint [22] sijn, ende daerse mi in minnen ende dienen na recht miere [23] naturen, daer ic al mede ben dat alle creaturen behoeven ende [24] dat hen gherieft.
[25] Ende ic quam weder int ghemoet25 dies gheests die mi daer [26] brachte, ende ic vrachede hem: Kimpe, here, hoe sidi gheciert [27] uwen27 hoghen orconde daer ghi mi toe leidet ende27 niet en vol-
| | | |
[1] leidet? Ende hi seide mi wie hi was. Daer na seide hi te mi: Ic [2] orconde u die .iiij. weghe ende volleide, daer in bekinnic mi2 [3] ende die tide verwinnic. Ende den viften gaf u die ghetrouwe, [4] dien ghi ontfingt daer ic niet en ben.
[5] Want doen ic mensche5 levede, haddic te lettel minnen met [6] affectien6 ende volghede den scarpen rade vanden gheeste6. Daer [7] bi en mochtic niet beruert werden te also enegher minnen7, want [8] ic der edelre menscheit groet onrecht dede dat ic hare dier [9] affectien buten hilt. Ende hi seide: Kere weder in dine materie [10] ende laet bloeyen dine werke; ende stucken van onghenaden [11] sijn di nekende10-11, want du best kerende alse al verwinnende, [12] want du al verwonnen heves.
[13] Doen quamic in mi selven alse ene nuwe harde sereghe ende [14] emmermeer wesen sal13-14 tote dien daghe, dat ic daer weder in [15] valle daer ic doe af keerde.
| |
Visioen 11
Hadewijch schouwt de wonderen van de Godsliefde in de hemel. Zij ziet zichzelf met Augustinus, beiden in de gedaante van arenden, verslonden worden door de fenix der goddelijke eenheid. Daarna distanciëert zij zich van de genoegdoening die zij aan dit visioen beleefd heeft. Haar streven naar exclusieve en algehele eenwording met de wil van God werd daardoor immers geschaad. Deze houding van overgave kwam haar duur te staan. De negatie-ervaring werd haar bezit.
[1] Ic lach op enen kerstnacht tenen male ende wart op ghenomen [2] inden gheeste. Daer saghic enen over diepen wiel ende enen1-2 [3] widen ende overdonker. Ende in dien wiel, die soe wiit was, so [4] was alle dinc besloten so vaste ende so na bedwonghen. Dat [5] donkere verlichte ende dore sach alle dinc. Die ongrondeleke
| | | |
[1] diepheit vanden wiele was so hoghe datter nieman toe en [2] mochte geheraken.
[3] Ic late nu varen hoe ghedane hi was, want daer en es nu gheen [4] tijt af te sprekene. In caent niet wel te worde bringhen, dats [5] een, want hets onseggheleec. Dander es dats nu gheen stade en [6] es, want daer vele toe behoert dat ic daer sach.
[7] Dat was die gheheele moghentheit7 ons liefs. Daer in saghic [8] dat lam besetten onse lief. In die wijtheit saghic feeste alse enen [9] David harpende, ende sloech enen slach op die harpe.
[10] Doe verkindic .i. kint gheboren werdende in die verhoelne [11] minnende gheeste, die hen selven verholen sijn in die diepheit [12] daer ic af segghe, ende die niets en ghemissen dan datse daer in [13] dolen10ev. Ic sach van alrehande gheesten die voermen, jeghewelken [14] in sijn wesen daer hi in levede. Die ic sach ende die ic kinde die [15] bleven mi bekint, ende die ic niet en kinde worden mi bekint, [16] some daer bi van binnen ende oec van buten een groet deel. [17] Ende some bekindicse daer van binnen, die ic nemmermeer van [18] buten en sach13ev.
[19] Daer saghic comen alse enen voghel diemen hiet fenix. Hi [20] verslant enen grauwen aer die jonc was, ende enen blonden met [21] nuwen vederen die out was. Die are plaghen te vlieghene sonder [22] cessinghe dore die diepheit die daer was. Doe hoerdic ene [23] stemme alse .i. donder, die seide: Kinstu wie die sijn, die daer [24] so menegherande varwe hebben? Ende ic seide: Ic woudt weten [25] bat. Doen ict eischede te wetene. Ic sach nochtan die dinghen, [26] welc si waren, van allen dat ic sach. Want al dat men siet metten [27] gheeste, die met minnen es op ghenomen, dat dore kint men, [28] dat dore smaect men, dat dore siet men, dat dore hoert men. [29] Aldus waest daer mede. Doch woudic gherne horen die stemme [30] die mi van lieve te hoerne quam. Ende men seide mi die waerheit [31] van al dat ic daer sach, sonderlinghe die wesene ende die vol- [32] comenheide22ev.
| | | |
[1] Al dit worde te lanc; dit latic bliven, want daer soude een [2] groet boec toe gaen daerment volcomeleec in volre waerheit al [3] scriven soude.
[4] Maer die are die verslonden worden, die een was sinte [5] Augustijn, die ander ic. Die oude vederen die grau waren ende [6] die aer die jonc was, dat wasic die comende ende beghinnende [7] ende wassende was inder minnen. Die vederen die blont ende [8] out waren, dat was die volwassenheit van sinte Augustijn die [9] out ende volcomen was inder minnen ons liefs. Die outheit oec [10] die ic hadde, dat was inder naturen van eweleken wesene [11] volcomenleke, al wasic vander utterster naturen toecomende10-11. [12] Die jonghe vederen vanden ouden aer, dat was die vernuwecheyt [13] van mi in nuwer glorioesheit miere minnen, daer ickene mede [14] minde ende so sere begherde eenre minnen met hem te pleghene [15] inder drivoldecheit, daer hi15 so volcomen in met minnen berrende15 [16] sonder blusschinghe. Oec die joncheit die de oude plumen [17] hadden die blont waren, dat was oec die vernuwecheit der [18] minnen, die altoes wassende es inden hemel ende inder erden. [19] Die fenix die de are verslant, dat was die enecheit daer die [20] drivoldicheit in woent, daer wi beide in verloren sijn.
[21] Hier na, alse ic te mi selven quam, daer ict aerm ende ellen- [22] dech vant, doe bedachtic mi diere enecheit daer ic met sinte [23] Augustijn in ghevallen was.
[24] Soe en ghenoeghet mi niet dat mijn overlieve24 dat ghedaen [25] hadde bi miere onste ende bi miere affectien. Dat swaerde mi, [26] dat mi so volcomenleke ghenoechde die gheenecheit met hem26 [27] die ic27 te vore buten heyleghen ende menschen allene in gode [28] hadde. Daer bi wart mi wel cont dat men inden hemel noch [29] inden gheeste29 en ghene wille ghebruken en mach maer nader [30] minnen wille. Want doe ic des ghedachte, doe eischedic minen [31] lieve dat hi mi des verliete. Want ic woude bliven in sine diepste
| | | |
[1] afgronde allene in ghebrukeleecheiden. Oec kindic dat hi mi [2] van kinde allene hadde ghetrect te hem buten alle dinc meer [3] ende te hem in anderen manieren op ghenomen. Maer dat [4] kindic wale, dat al dat in hem was es alse ewelike glorie ende [5] volcomene ghenoechte. Maer alsoe woudics bliven in hem [6] allene. Dat vercreghic doe ict eischede ende so sere begherde [7] ende so swaerleke verdroech. Doe blevic vri. Maer ic7 bleef hem [8] dat ic den man was in minnen. Maer mine vriheit die ic ghewan, [9] wart mi daer boven ghegheven bi saken die hi niet ne hadde noch [10] oec vele liede.
[11] Dit en wederseide ic niet om vordeel dat icker af hebben [12] woude vore hem. Maer doe ic waerheit wiste van wesene, doene12 [13] woudic van hem die mensche was en ghene recreatie ontfaen, [14] noch gherieven nemen te miere pinen, ende soene woudic ghene [15] sekerheit mi laten ghenoeghen die mi daer vertoent was .i. met [16] sente Augustijn te wesen.
[17] Want ic vri mensche ben ende oec .i. deel puer17, ende ic met [18] minen wille vrileke begaren mach ende also hoghe willen alse ic [19] wille, ende vercrighen ende aneverden van gode al dat hi es, [20] sonder weder segghen ende sonder abolghe, dat gheen heileghe [21] doen en mach18ev. Want si hebben haren wille daer volcomen na [22] hare ghenoeghen, ende sine moghen nemmermeer mee willen [23] dan si hebben. Menech groet dinc van wondere ende van [24] wesene hebbic daer toe ghehatet, om dat ic allene der minnen [25] wesen woude ende om dat ic niet wel gheloven ne conste dattene [26] enech mensche so herteleke minde alse ic; nochtan, alse ics soe [27] seker wane sijn alse sonder twivel, soene canics niet gheloeven [28] noch ghevoelen. So na be ic gherenen.
[29] Met dus meneghen groten wondere ben ic gode allene in [30] purre minnen, ende minen heileghen in minnen, ende dan allen [31] heileghen elken na sine werdecheit, ende den menschen na dat [32] elc minde ende was ende es noch29ev. Doene bekindic minne in
| | | |
[1] ghere manieren van rasten: so sere wasic verladen in onghenaden [2] van minnen32ev. Want ic mensche was, ende de godheit es so [3] vreseleke ende soe onghenadeleec etende ende berrende sonder [4] sparen. De ziele es in .i. cleine beke beloken: die diepheit es [5] saen overgaen ende die dike sijn saen te broken. Aldus heeft die [6] godheit de menscheit saen alte male te hare ghesaect.
[7] Den heileghen mindic hare wesen7. Dat en was mi maer ene [8] beniedheit, also vele rasten dat hi sijns daer in ghebruuct. Maer [9] alsoe ghedane raste heeft mi dicke wee gedaen, ya, emmer wel [10] .xl. werf wee jeghen .i. gherieven. Dat moestic weten, datmen [11] hen loech ende ic weende, ende si hen beloven ende ic mi [12] beclaghe, ende si gheeert sijn van heme ende hi van hen in alle [13] lande ende ic ghelachtert. Dat was13 mine meeste raste om dat [14] hijt woude. Maer aldus ghedane wasse, alse hen pleghet te sine [15] die minnen ende ghebruken begaren ende aldus ghedaen wee [16] daer af hebben alse ic doe.
[17] Nu vanden menschen was mine raste dat icse minde elken int [18] sine, dat ic elken sijn lief18 ghescien liet allene ende sijn goet [19] ghescien allene, waest in hem selven, waest in gode, dies en [20] onderwant ic mi niet. Maer datse hadden inder minnen, dat [21] mindic gode; dat hijt hem selven conforteerde ende wassen dade [22] volmaecteleke, dit begherdic; met dat ic sine ghemintheit minde, [23] daerne woudic ander ghenoeghen af dan dat.
[24] Alse vanden menschen die hem te lettel waren ende vremde, [25] dat was mi swaer. Want ic van minnen also verladen was te hem [26] ende beset, dat ic qualeec ghedoghen mochte, dattene yemen [27] men minde dan ic. Die karitate wonde mi oec betterleke sere, [28] dat hise so vremde liet wesen ende soe bistierich van al sinen [29] goede dat hi selve in minnen es. Dit heeft mi so overswaer [30] gheweest in menegher uren, dat mi was ghesciet alse Moysen30 [31] van siere suster minne, dat ic woude dat hi hem minne gave [32] ochte mi name. Oec haddict hen gherne ghecocht dat hi hen
| | | |
[1] minde ende mi haette. Oec haddic gherne selke wile, dore dat [2] hijs niet ne dede, mi van hem ghekeert in minnen ende hen [3] ghemint dore sinen toren. Om dat die ellendeghe niet ne [4] mochten weten die soete herteleke minne die in sine heilighe [5] nature woent, so haddicse overgherne ghemint, haddics macht [6] ghehadt24ev.
[7] Ay, die karitate heeft mi meest ghewont, sonder minne selve. [8] Wats minne selve? Dats godlike moghentheit die moet vore [9] gaen. Also doetse hier ane mi. Want die mogentheit die minne [10] selve es, diene spaert niemanne in hate noch in minnen, noch [11] daer ne wert nemmermeer ghenade in vonden. Dese moghentheyt [12] dwanc mi weder daer toe, dat ic met enen ommesiene niet alle [13] menschen verledecht en hadde el dan daer hise in vercoren [14] hadde. Alse ic mi also jeghen hem keren mochte, dat was [15] scoene mensche gheleeft ende vri. Doen mochtic eischen wat ic [16] woude. Maer alse ic in dander was, so wasic scoenre ende [17] naerre op ghenomen in godleker naturen14ev.
[18] Dus saechte18 hebbic mensche gheleeft, dat ic in heileghen noch [19] in menschen raste en hebbe ghenomen. Ende also ellendech [20] hebbic gheleeft buten minnen in minne van gode ende vanden [21] sinen. Ende want ic dat van hem niet ne hebbe dat mine es, dat [22] mi van gode ghebrect; ende dat ic nochtan hebbe, ende dat mine [23] bliven sal21ev.
[24] Aldus ne ghevoeldic die minne nye, maer altoes in ene nuwe [25] doet: doet mijn tijt was dat ic recreatie soude hebben ende mi [26] god te kinne soude gheven volcomene fierheit vander minnen, [27] te wetene hoemen de menscheyt ter godheit sal minnen ende [28] rechte bekinnen in eenre naturen.
[29] Dat es dat werdechste leven dat, dat ye gheleeft was inden [30] rike gods. Dese rike raste gaf mi god, ende wel bi staden21ev.
| | | | | |
Visioen 12
Nadat Hadewijch het mysterie van het uitgaan en inkeren der goddelijke Personen geschouwd heeft, ziet zij de goddelijke Bruidegom. Een arend nodigt haar uit zichzelf te schouwen als bruid in gerechtigheid. Deze bruid draagt het deugdenkleed van de volkomen eenheid met de wil van God en wordt aldus opgenomen in de liefdesgenieting van de Bruidegom. Door dit visioen verwerft Hadewijch de zekerheid dat zij door God als gerechtige bruid is aangenomen.
[1] In enen dertiendaghe1 wasic binnen der messen op ghenomen [2] inden gheeste ute mi selven. Daer saghic ene stat groet ende [3] wijt ende hoghe ende ghesciert met volcomenheiden.
[4] Ende daer in midden sat .i. op ene ronde scive, die alle uren [5] haer selven oppenbaerde ende besloet in bedectheiden. Ende die4-5 [6] daer op sat boven der sciven, hi was in ene stillen sittene, ende [7] binnen der sciven draiede hi altoes in onseggheleken lope. Ende [8] die wiel daer die scive in liep, daer hi in draiede, die was so [9] onghehoerdelike diep ende so doncker dat en ghene eise- [10] lecheit daer jeghen gheliken en mach. Ende die scive was binnen [11] in doverste anesien van alrehande sconen ghesteinte ende in dier [12] varuwen van ghepuerden goude; ende in die donckerste side [13] daerse so vreselike liep, daer wasse ghelijc vreseliken vlammen [14] die hemel ende erde verslinden ende daer alle dinc in vervaert [15] ende verswolghen wert. Ende die daer op sat, sijn anschijn en [16] mochte niemen bekennen dan die behoerde te diere vreseliker [17] vlammen van diere sciven ende die gheworpen was in dien [18] diepen afgront die daer onder was15ev. Ende dat anschijn trac alle [19] dode te hem levende, ende alle dorre dinc bloeiden daer af, [20] ende alle diere20 in saghen arme ontfinghen grote rijcheit, ende [21] alle die crancke worden staerc, ende alle dier21 vele ende menech- [22] fout waren, worden in dat anschijn .i.. Ende die daer op die stat [23] sat, hi was ghecleedt met enen clede wittere dan wit; ende daer
| | | |
[1] ane was ghescreven vore de borst: alre ghelieve lief was die [2] name.
[3] Doe vielic vore dat anschijn, om ane te bedene die waerheit [4] van dien vreseleken wesene dat ic daer gheopenbaert sach. Doe [5] quam een aer vlieghende met eenre groter stemmen roepende, [6] ende seide: Noch en weet die lieve niet al welc6 si comen sal. [7] Ende een ander seide: Noch en weet die lieve niet welc hare [8] overste wech8 es. Ende die derde seide: Noch en weet die lieve [9] niet welc dat grote rike es dat si bruut van haren brudegoem sal [10] ontfaen. Ende die vierde seide te mi: Ghedoochdi ende beide10, [11] ende en valle niet in dit anschijn. Die in danschijn vallen ende [12] anebeden, die ontfaen ghenade; die dore danschijn staende sien, [13] si ontfaen gherechticheit13 ende werden moghende te bekinne die [14] diepe afgronde die so vreseleke sijn te bekinne den onbekinden.
[15] Ende doe wardic op ghenomen met dier stemmen van dien [16] aer die te mi sprac.
[17] Ende doe quam in die stat ene grote menechte, gheciert, ende [18] elke rike van haers selves werken. Dit waren al doghede18, ende [19] volleiden .i. bruut te haren lieve, ende hadden hare scone [20] ghedient, ende haddense so fier ghehouden dat sise tameleke [21] voltonen mochten vore den moghenden groten god, diese te [22] brude ontfaen soude.
[23] Ende si was ghecleedt met enen clede, dat was met eneghen [24] volcomenen wille24, altoes sonder vernoyen, ende talre doghet [25] ghereet, ende ghetoghet met alre saken die daer toe behoert. [26] Ende dat cleedt was met al ghenen dogheden ghesciert ende [27] elke hadde hare teken daer ane ende haren name bekint alse [28] ghescreven.
[29] Die ene was ghelove: die hadse op ghedraghen van neder- [30] heiden.
[31] Die andere, hope: die hadse ghehoecht boven hare selven ten [32] groten toeverlate der eweliker ghenuechten.
| | | |
[1] Die derde, gherechte trouwe, orcontse edel. Want si haers nie [2] af en stont bi enegher noet die so groet was.
[3] Die vierde, karitate3: die orcontse rike. Wantse hare werke nie [4] en begaf van buten noch van binnen, ende hare nie en ghebrac [5] riker ghichten dore hare ere. Wantse te alre rijcheit bekint was [6] bi hoghen toeverlate.
[7] Die vifte, begherte: die orcontse wijt7 in hare lantscap scoene [8] ende verweent van volre rijcheit, dat si wel mochte onthalen al [9] die groetheit des hemels.
[10] Die seste, oetmodicheyt10: die orcontse so diep ende so on- [11] grondeleec, datse die groetheit wel ontfaen mach te vollen in [12] hare ongrondeleecheit.
[13] Die sevende, onderscedicheit: die orcontse so listech, datse [14] elc wesen int sine set: den hemel in sine hoghede, die helle in [15] hare diepte, dat vaghevier in sijn wesen, die inghele in hare [16] ordinen, die menschen elken in sijn ghetamen in sijn vallen ende [17] in sijn opstaen. Aldus gode laten te ghewerdene, dat voechde [18] wel ane dat cleet des enechs willen.
[19] Die achtende, hare vorewordeghe moghende werke: die [20] orcondense so crachtech, dat hare niet ontbliven en mochte si [21] en verwan wel allene alle crachte ende sine brachte wel alle [22] nederheit hoghe ende alle hoecheit neder.
[23] Die neghende, redene23: die toenese gheordent, ende datse [24] hare reghele ware daerse mede wrachte gherechtecheit alle uren, [25] ende die hare lichte in al den liefsten wille haers lieves; ende si [26] gaf benedictie ende doemsele ghelijc hem selven in al sine [27] minnende ende in al sine hatende; ende si gaf al dat hi gaf, ende [28] si nam al dat hi nam25-28.
[29] Die tiende, wijsheit: die tonese bekint in allen heerscape van [30] elker volcomenleker doegt, die men hanteren soude om vol- [31] maecteleke ghenoeghen van lieve. Si toense oec bekint dore [32] elken persoen der drivoldicheit in die enecheit die daer so diep
| | | |
[1] wiel was onder die wonderleke vreseleke scive daer hi in sat die [2] de bruut ontfaen soude.
[3] Die .xi., vredeleecheit3: die toende hare ende orconde goet [4] ghelaet ende scone, ende constech in ghehelen behelsene ende [5] in enen doregaenden cussene, ende in alre eren ende in allen [6] hanteerne also lief liefs in minnen pleghen sal, ende die met hem [7] was gheboetscapt ende gheboren, ende hare lijc uyte anderen [8] gheboren, ende met hem op wassende ende met hem mensche [9] levende in alre gheliker pinen in aermoede in versmaetheiden in [10] ontfaermene alder gheenre dien de gherechticheit verbolghen [11] was, ende dat haerlijc ute anderen ghevoedt was van binnen [12] ende van buten, ende nie vremden troest en ontfinc, ende met [13] hem staerf ende met hem alle ghevanghene verledechde, ende [14] bant dat hi bant, ende met hem opverstont ende met hem te sinen [15] vader .i. voer, ende daer met hem sinen vader vader bekinde [16] ende hem met hem sone ende met hem den heileghen gheest [17] heilech gheest bekinde, ende met hem ghelijc hem kinne sise al [18] .i. ende dwesen18 daerse met .i. sijn. Dit ocont hare al vredeleecheit: [19] dat sijs dus gheploghen heeft ende voert volmaecteleke sijns [20] wel met minnen in minnen pleghen sal.
[21] Die .xij., verduldecheit, diese alre noselheiden buten heeft [22] ghehouden sonder enech vernoy in allen vernoye alse instrumen- [23] te ten goeden werken weert ende alse in een nuwe behelsen: si [24] toenese godeleec in enen wesene ende in enen werke.
[25] Dus eest volciert metter godleker naturen dat cleet van [26] eneghen wille25-26.
[27] Dus gheciert comt die bruut met al desen sconen gheselscape [28] in ghelikenessen gheseghet. Si hadde in die borst een vorespan [29] vanden godleken ingheseghele, daerse metter godleker enegher [30] enecheit bekint es. Dat was een teken datse dat verhoelne waert [31] hadde verstaen van hem selven ute diere diepheit. Dus quamse [32] in die stat met deser gheselscap gheleidt tusschen tghebruken
| | | |
[1] van minnen ende tghebod van dogheden. Tghebod brachte si [2] daer, ende tghebruken vantse daer1-2.
[3] Ende doese dus gheleidt wart ten hoghen setele daer ic af seide [4] vore, doe seide die aer die te mi sprac: Nu dore sich danschijn [5] ende werde gherechte bruut5 des groets brudegoems, ende sich [6] di selven dus. Ende met dien saghic mi selven ontfaen een [7] vanden ghenen die daer sat in dien wiel op die lopende scive; [8] ende daer wardic .i. mede in sekerheiden der enecheit.
[9] Doe seide die aer, doe ic ontfaen was: Nu sichdi, alweldeghe, [10] die ic te voren lieve hiet, dat ghi niet en wist al welc ghi comen [11] soudet, ende welc uwe overste wech ware, ende welc dat grote [12] rike ware dat ghi bruut van uwen brudegoem soudet ontfaen. [13] Doe ghi vielt te voren in danschijn, doe bekinne dijt alse een [14] sempele ziele onghenade; doe ghi op stont ende doersaghet, [15] doe saghedi u selven volcomenleke met ons gherechte bruut [16] gheseghelt metter minnen. Du heves, al weldeghe, diepst ontfaen [17] dat verhoelne woert dat Job verstont, dat was: porro dictum est17.
[18] In die diepheit saghic mi verswolghen. Daer ontfinghic seker- [19] heit18-19 met diere vormen ontfaen te sine in mijn lief ende mijn [20] lief also in mi.
|
1ter...pentecosten: misschien toen reeds Drievuldigheidszondag.
4evdat ic...ware: haar geringe lichaamsbeheersing verhinderde haar zich onder de mensen te begeven.
1evHet was...scijnt: hoofdmotief van het extatisch verlangen naar wezenlijke eenwording met God, en het contramotief van besef van onmacht.
1evDoen...enecheiden: proces van geestverrukking door concentratie.
6wijtheit: onmeetbare vlakte.
6doechde: zij volgt de ethische weg der deugdbeoefening.
8nature: de bomen hebben allegorische betekenis.
12evEnde...weghen: de mens moet door de sferen van de engelen, die ieder hun eigen actieradius hebben, opstijgen naar God. Zie Col. 1, 16.
19kinnesse...selfs: zelfkennis is de natuurlijke grondslag voor de mystieke opgang.
20ewelike: het geloof in de onsterfelijkheid van de ziel werd beschouwd als voorwaarde tot contempleren.
21evbloeme...uren: zie Jes. 40, 6-7; Jac. 1, 10-11. De vergankelijkheid van de lichamelijke schoonheid. (Alle bijbelverwijzingen zijn naar de Vulgaat.)
28evnedren...rijcsten: beelden voor verheffing van de natuur door de genade.
3evoetmoedecheit...dect: deemoed is, na de zelfkennis, de houding waarin de Godsliefde kan aarden.
10evmoghende...wille: haar wil werkt nu reeds conform de wil van God; dat zal ook zo zijn in het eeuwige leven.
19redenen...gods: de geloofsnorm die het verstand leidt.
22onderscedecheit: het door geloof gerichte oordeel over de te volgen gedragslijn.
28menschen: haar volgelingen; zie Joh. 17, 6.
29stervende: aan al het eigene.
10heyleghen: zie 1 Kor. 6, 11.
11tempel: het lichaam wordt beschouwd als tempel van Gods Geest.
21bedoeld is het leven van Jezus.
18evgherechte...raden: zie voor gerechtigheid Fil. 3, 7-14.
32menschen: wellicht de kringgenoten van Hadewijch.
5evmet allen...sterven: zoenoffer zijn voor allen die afdwalen van de weg en het leven in Christus.
9bedoeld is de belangeloosheid der intentie.
24in vriheiden: zonder de hinder van de louterende inspanningen, spontaan.
27evmeneghen...es: intentie en maat der deugdbeoefening moet de Minne zelf zijn.
29-30hoghen wille: blijkens de context de wil waarmee God alleen maar Zichzelf wil.
1die...doghet: God zelf, bron en fundament van alle deugden.
5evhet ledigen van de kelk is het symbool van de totale wilsovergave.
16meestersse: Hadewijch is opgeklommen tot de liefde die in God leidt.
23-24ghevanghenne: noch eigen kracht noch de engel kunnen haar verder leiden, in de diepten van Gods wil.
25verhoelnen: onbereikbaar met de menselijke inzet alleen.
6cruce: het Godsvisioen wordt beheerst door het kruis der onteigening en verheffing.
16evEnde...vervaren: dit beeld is, als vele beelden in de visioenen, niet logisch van structuur. Het is eerder aanduidend dan beschrijvend.
21evdrie...stormen: wie God slechts kent in het uitgaan der Personen, is nog ver van de volgroeide minne, die ook de kolk der goddelijke liefdeseenheid kent.
32sardonius: maakt duidelijk dat de crone de lijdenskroon is.
2treckende: Christus is tevens verheven tot middelaar van alle heil.
9deze ervaring is dus genade.
11evStant...val: zij is geënt op het ideële leven in God, dat zonder zonde is.
18-19gherechte ghewilleghe: haar wil is gericht op Gods gerechtigheid.
29evIc...quale: blijkens haar overige geschriften zijn deze eenzaamheid en uitstoting echt haar deel geweest.
11uren: het tijdstip van haar door God vastgestelde verheerlijking. Zie ook rr. 3oev.
26ev.vij. gaven: zie Jes. 11, 2; Gal. 5, 22-23. Toch beter als eenheid te verstaan: de goddelijke liefde.
4evNu..allene: God-met-God zijn is niet hetzelfde als God-met-God genietend zijn. Het eerste wordt bereikt door eindeloze vervolmaking van de deugdbeoefening.
28evScone...starf: een manier om uit te drukken dat zij de intieme geliefde van God is.
3de kortstondige ervaring van liefdetroost.
19Dus: zonder genieting van de wezenseenheid namelijk.
19belofte voor de eeuwigheid als kracht in de tijd.
21bekinnesse...minnen: het is duidelijk dat deze boom het tegendeel is van quiëtistische illusie.
21ghepredect: kritiek op de geestelijke leiders die de mystica willen afhouden van de ware dimensies van haar roeping.
1dertiendaghe: Driekoningendag.
1-2alsoe...ghenoemt: naar de engel zei; vgl. r. 45; 11.
3te...tiden: in die periode.
4evwie...sijn: hoe God hen, die in alles zijn wil nastreven, geeft en neemt, wanneer zij in zijn genieting verloren zijn.
7met..nuwes: met minnepijn opnieuw.
1evHet...beruert: het verlangen naar de ervaring van eenwording met God.
8werdic...gheeste: raakte ik in vervoering.
11in...werdicheit: wat de waardigheid betreft.
12te...was: moest uitgeoefend worden.
1die...diademata: die alle diademen overtrof.
11-12die...hebbende: die de mensen een negentienjarige noemen.
10evEnde...volleidse in di: de hier verschijnende, goddelijke figuur is de levende Christus.
18bi ghelikenesse: als het ware.
22ontfeet...gherechten: ontvangt naar volkomen rechtvaardigheid.
1-2bi...wesene: op welke manieren.
2die...heme: sommigen van hen.
5-6ende...quamen: en toch nooit loskwamen van Hem.
7van kinde: van kindsbeen af.
8bekindense werdech: beleefden haar zo dat zij die plaats waardig waren.
21evdie...anschijn: Hadewijch schouwt hoe elke levensloop zijn zin vindt in Christus.
8-9Alle...anschijn: Ik schouwde hoe ieders levensloop in Hem gegrond is.
13dies...slaghes: van de geduchte slag.
16-17begripeleke...vloeyende: alles omvattend en omvloeiend.
15evIc...besloten: vier traditionele paradoxen over de immanentie en transcendentie van God.
18met redenen: zoals Hij bedoelde.
20evVan...gheeste: Zolang de schouwing duurde, zag ik nog allerlei andere dingen.
1-2alsoe ghedaen: in die toestand.
4van...hadde: met verlies van mezelf en van alle beelden die ik van Hem gezien had.
5siere...minnen: van zijn natuur, nl. de minne.
21evMaer...ure: Van hier af probeert Hadewijch niet langer het visioen in den gheeste weer te geven, maar de ervaring buten den gheeste, de kortstondige extatische contemplatie in verwondering en vreugde.
11alle redene: al het tevoren gesprokene.
12evHier...mi: Hadewijch zal niemand meer mogen oordelen anders dan volgens Gods wil. Zij heeft God in zijn wezen geschouwd en weet nu dus hoe te handelen.
14evAldus...sijn: het antwoord op het verlangen uit de aanhef van het visioen.
16-17god...mensche: als geroepene tot gelijkvormigheid met Christus Jesus.
18alre doede: het totale afsterven aan jezelf.
18-19des...diepheit: tot je hier terugkeert in de hemelse genieting van mijn mensheid en godheid, waartoe Ik je nu, diep in Mij, gedoopt heb.
1wart...vertoent: werd mij een visioen getoond.
5-7ic...nyet: als ik mijn lief geen voldoening zou kunnen schenken en Hij mijn begeerte niet zou voldoen.
2evEnde...arbeiden: deze psychosomatische reacties zijn kenmerkend voor het extatisch milieu van Hadewijch.
12-13enegher redennen: door welke woorden dan ook.
1-2in...ghereke: helemaal.
2-6sine...doghet: ik verlangde zijn mensheid te ervaren in de mijne en aldus te volharden in mijn menszijn, sterk en zonder tekort te schieten, om Hem aldus onverkort te behagen en zuiver, exclusief en totaal elke deugd tot zijn voldoening te beleven.
6-7daer...binnen: bovendien wou ik diep in mezelf.
8ghenoech...ontbliven: naar Zijn maat voldoening zou schenken, zonder me iets te onthouden.
11-12te...sine: om te groeien tot men de eindeloosheid met God deelt.
14el...ghenen: geen andere.
15-16Aldus...sine: Aldus verlangde ik naar God, om Hem in mijn leven genoeg te doen met Hemzelf.
20gheberde: ging te keer.
20dat enechleke: om in deze ervaring onverdeeld.
21onghereet: onbereikbaar.
1-2nu...selves: toon nu uw grote kracht tot eenmaking, waardoor Gij iemand met U kunt verenigen door de genietende ervaring van U.
8lichame: toen gangbare voorstelling; Christus dient zelf aan begenadigden de eucharistie toe.
12iersten: voor de eerste keer.
13also ghedane: in de gedaante van.
15alse...es: als iemand die een ander helemaal toebehoort.
18ghedane...smake: in de gedaante en met de smaak van.
21evna...menscheit: volgens de menselijke begeerte van mijn hart.
5alsoe...lieve: zoals de ene beminde de andere.
6-7van...deen: het opgaan van de ene.
7in...vervaerne: dermate opgegaan in.
8al versmalt: helemaal versmolt.
10selker: verwijst naar het achtste visioen, waarin deze uren beschreven worden.
3hoghe staen: zo steil omhoog dat het leek alsof ze rechtop tegen de berg stonden.
6-7soe...selve: zodat de berg zelf de volstrekte top was en de volmaakte minnebeleving.
9Daer...ghebrukenessen: Daar schouwde ik in een openbaring de eeuwige genieting.
12Ende...selven: En een gids die me naar boven leidde, maakte zich aan mij bekend.
1-2Sich...anschine: Zie hoe ik kamp om deze waarachtige openbaring die me rijkelijk bestraalt.
2dore: drukt het ultieme uit.
5Ic...kimpe: ik word u bekend gemaakt als strijder.
7derre...es: die zaak, die alles is, waarin alles bestaat, waarvoor...
9gherechte orconde: rechtmatige leraar.
9vanden vieren: van de eerste vier wegen.
11die...sent: altijd al tot u kwam en dat nu weer doet.
16.i. ... sijn: helemaal zoals zij die deze weg volmaakt bewandelen.
16-17die...vervolghen: die in korte uren zoveel bereiken als anderen in lange uren.
17grote darven: intense beleving van gemis.
20-21ontgouden...sels: bekocht hebt en nog bekopen zult.
21-22ende...ben: en me in mijn onvatbaarheid te ervaren.
1-2te...selven: tot mijn godheid.
3te minen...dinen: van mijn Vader naar u en de uwen.
4evDie...mi: Dat uur heb Ik u gezonden om Mij na te volgen. Breng nu Mij in jou aanwezig in je kring.
11niemen...na: bijna niemand.
11Den...twivelt: Aan Gods intieme vrienden knaagt de twijfel.
12benident: worden afgunstig.
17-18Die...jare: Die komen Mij in een maand nader dan de getroosten in een heel jaar.
26datse...verhaelt: dat ze het Hem niet aanrekenen.
3miere...weghe: de weg volgens en naar mijn wezen.
4met...ben: als rechtmatige getuige, volgens welke Ik ben...
6evmet...weghe: met mijn goddelijk voorbeeld.
9( ende) in: emendatie naar hss. A en B.
9-10in...kinnisse: met de kennis die jij nu hebt, of: in je kennissenkring?
10-12boven...es: en u onverkort in deze bemiddeling erkennen en vertrouwen omdat gij dit helemaal zijt.
13recht...gheven: erkennen in u en beleven.
25quam...ghemoet: ontmoette weer.
2daer...mi: die erken Ik als de mijne.
6affectien: liefde tot de Godmens, beginnend bij de gevoelige liefde voor Jezus.
6scarpen...gheeste: nl. zonder affectie.
7beruert...minnen: bewogen tot minne, die evenzeer met God verenigt als uw minne.
10-11stucken...nekende: genadeloos zal je toekomst zijn.
13-14alse...sal: als iemand die herboren en diep gewond is en dat altijd zijn zal.
1-2Ik werd tijdens een kerstnacht plots opgenomen in de geest.
7die...moghentheit: de eenheid van mensheid en godheid in Christus.
10evToen zag ik de geboorte van een kind in de geesten die opgenomen zijn in de goddelijke liefde. Deze geesten hebben zichzelf verloren in hun overgave aan de diepte van God, maar de grondeloosheid van deze diepte kunnen zij niet vinden.
13evIc...en sach: zij schouwt vooral velerlei vormen van relaties tot God.
22evDoe...volcomenheide: weergave van affectiviteit in een visionair spel.
10-11de volmaaktheid van mijn oerbeeld in God, waar mijn geschapen natuur naartoe groeit.
24overlieve: God (Christus).
27die ic: terwijl ik de eenheid tevoren...
29inden gheeste: tijdens aardse visioenen.
7Maer ic...: ik bleef hem genegen volgens zijn plaats in de minnehiërarchie.
12Toen ik de situatie doorgrond had.
17oec...puer: ik heb mijn vrijheid reeds ten dele geactualiseerd.
18evkenmerkende uiting van fier zelfbewustzijn.
29evMet...noch: de wonderbare hiërarchie van haar liefde, hoe zij alles liefhad in God.
32evzij betaalde een vreselijke prijs door alles op alles te zetten voor de wezensliefde.
7hare wesen: wat zij betekenden voor Gods aanschijn.
18sijn lief: wat hun aangenaam was.
30Moysen: zie Ex. 32, 32.
24evAlse...ghehadt: anatemapraktijk. De karitate van de mens in conflict met de moghentheit van God.
14evAlse...naturen: overgave aan Gods wil is schoner dan naastenliefde naar menselijke maatstaven. Zij kan nu bij anderen geen ongerechtigheid meer dulden.
18saechte: in overgave aan Gods wil.
21evwat God haar nu onthoudt, is toch reeds haar bezit, nu en altijd.
21evhaar rust is de negatie-ervaring. Die rust is het lijdend navolgen van Jezus en toch de wezensliefde belijden.
1dertiendaghe: het epistel van Driekoningen was misschien aanleiding tot dit visioen. Het begint aldus: Sta op, Jerusalem, in het volle licht. De heerlijkheid van de Heer is over u opgegaan. Zie Jes. 60, 1.
4-5beeld voor uitgaan en inkeren der Personen in Gods wezen.
15evEnde...onder was: de kennis van de Godmens in liefde vereist wezenseenheid met God.
6al welc: in welke hoedanigheid.
8overste wech: haar wijze van geheel intreden in God.
10Ghedoochdi...beide: wacht geduldig.
13gherechticheit: aardse volheid van wilsidentiteit met God.
18doghede: opnieuw nadruk op de deugdethiek als navolging van Jezus.
24wille: de wil is duidelijk de kern van de mens als beeld van God.
3karitate: anti-quiëtistisch: de werken der liefde zijn nodig.
7wijt: haar verlangen is zo eindeloos als het hemelse.
10oetmodicheyt: haar ontlediging is naar de maat van de volheid Gods.
23redene: deze leidt tot liefde geordend naar Gods bestel.
25-28in de eenheid met Jezus worden de heilsnormen van God werkzaam in de werken van de mens.
3vredeleecheit: beschrijving hoe het leven van Jezus in haar wordt na-voltrokken.
25-26Dus...wille: in de deugdbeoefening is de wilseenheid met de natuur van God tot stand gekomen.
1-2Tgebod...vantse daer: overgang van deugdzaamheid naar de genieting van de goddelijke liefde.
5gherechte bruut: indrukwekkende synthese van bruidsmystiek en thema der gerechtigheid.
17porro...est: zie Job 4, 12.
18-19sekerheit: een uitspraak over de functie van dit visioen.
|
|