
Alles goed ingezien, men hoeft wat streng de aandacht in te roepen van wie op zich namen die onderneming te doen slagen - schoon, & schooner nog dan welke andere op dat gebied getracht - daar zij zich niet bekommeren met het gevaar waarvan de groote ouderdom der vereeniging oorzaak is, & dat die ouderdom ons niet bepaald geruststelt over de waardigheid van haar einde.
De schoone dood wordt twijfelachtig, eens de hooggroei voorbij, & wenschen dat de XX zouden verdwijnen eer ze te oud worden, is meer dan een bizonder vrouwelijke coquetterie, ten andere nogal heldhaftig. De grond waarin men ons zal neêrleggen zal alleen bewaren de dooden; & de levenden, die zullen inbegrepen geweest zijn vóór hun uur in die uitvaart & in dat los breken van een vrijwillig stemmengeluid, ontzaglijk & vreugdig, van allerlei gebeden, zullen zich snel ontdoen van de aardekluiten, & herrijzen.
Het doel voor welks verwezenlijking de XX elkander gekozen hadden, vóór tien jaar, & waartoe zij gezamentlijk hebben gewerkt - wie het meest, hoeft niet te worden uitgemaakt - is bereikt. De onafhankelijkheid is aangewonnen heden, & al wie ervan gebruik maken zijn die schuldig aan de generositeit der XX. Want alles in kunst is mogelijk geworden daar - in België - waar vóór ons gekamp niets nieuws & gewaagds toegelaten was.
Welnu, de uitslag van dien tienjarigen strijd is roemrijk genoeg. Het is een zeer te benijden glorie: ten voordeele der impressionisten, neo-impressionisten & moderne beeldhouwers, een deel te doen afstaan van den roem door oudere Schilder- & Beeldhouwkunst bemachtigd.
In hunnen optocht hebben de XX hunne buren opgeruid, Literatuur, Muziek, Tooneel. En héél de kunst werd vrijgelaten!
Maar het gebeurt dat in 't inrichten van het veroverde, de Schilder-
kunst, die zoo dapper den kruistocht had gepredikt, & gestreden, haast zelf zou gaan bezwijken onder de drukking eener almachtige bondgenoote die, hoe edelmoedig schijnend, streed dunkt het baatzuchtig voor haren droom: zich te verbreiden ten nadeele van wie zij voor 't oogenblik wel wilde dienen. Want heden eischt ze van de Schilderkunst een overmatigen prijs voor de hulp die ze toebracht.
Iets zoo monsterachtigs als een verslaafdheid! In den geest der schrijvers is geen schilderwerk nog uitstaanbaar dan tot zoo ver het literair is.
Al zou 'k erg ondankbaar schijnen, wat me niet scheelt, stel ik voor den strijd te hernemen met ons eigen krachten, & ons wapens die nog niet als te verstompt zijn te richten tegen de veel te verwaande Bondgenoote!
Zoo erg komt me het literaire schilderen voor als een onvruchtbare varieteit, een slag haaskonijn!
Beter zou 't wezen, voor de mooie logische aaneenketening der schilderscholen, zich te betrouwen op die groep artiesten die zich pas ontwikkelden, zoo schielijk, naar de industrie. Die groep ontwaart voor de beeldende kunsten een eindlooze uitbreiding tot de verste grenzen der nijverheid, & de strijd zal worden hernomen voor de middelen & de effecten die ze geschikt kunnen achten tot het verjongen van een verlatene & verouderde versierkunst. Want de gedachte kan waarlijk niemand misnoegen van een kunstgracie te geven aan ieder ding, alle geries dat, sinds hoelang! dat juk & dat charme verleerd had.
De schilderkunst moet overstroomen als een Nijlwater, losbreken haar dijken: de gouden omlijstingen, & alles bevruchten wat zij zal hebben aangeraakt.
Het mishaagt me volstrekt niet te denken dat het voor het Volk is dat de artiesten, & de besten, zich zullen bezighouden, & scheppen die ‘sociale kunst’ dat onze aanzielijkste critici dachten te zien opdagen in de kunstuitingen van eenigen die zich naar het volk bogen om welsprekende & medelijdende inspiraties; zij zijn: Millet, wijlen de Groux, Israël, Meunier. Maar
die vroegen aan het volk aesthetische aandoeningen; de sociale artiesten zullen 't er geven, & door andere middelen dan het verbeelden van min of meer deerniswekkende gebeurtenissen uit 's volks eigen leven. De verwarring is volkomen. Men zal nog lang haarklieven over dat vraagpunt os de Kunst zal gered worden door het volk, terwijl de kunst haar echte zending zal volbrengen door zich aan het volk te wijden. Dat ze wel weten, die de schilderkunst hopen te herscheppen door zich in de hersrisschende bronnen te dompelen van den volkseenvoud, dat dergelijk bad slechts haar einde wat kan verschuiven, indien zij aanhoudt in de uitgeputte & scrophuleuze vormen van het tafereel & Het standbeeld. Het hoeft dat onder de verscheidene gedaanten, makkelijk op te sommen, 't een als 't ander weze gedemocratiseerd!
De Kunst alleen die zich zal toepassen op de nijverheid komt overeen met wat dees uur vergt. En beter dan de kunstnijverheid! De vereenzelviging zal beginnen met het feit eener mogelijke bezitneming; onontbeerlijk weldra; later onvermijdbaar!
Opklimmen zal de kunst tot het koninklijke, eindelijk, waarvan zij verviel, in onze beschaafde westerlanden. En daar die troonherstelling gepaard zal gaan met de nakende verheffing eener Maatschappij die een ftoffelijk bestaan voldoende & gelijk voor allen zal herkennen, hebben de artiesten zich niet overmatig te ontrusten over het weinige onmiddelijk profijt dat hun werken zullen opbrengen. En, eens weg die kommer van overdreven winst, die alle zede & schaamte ontneemt aan de artiesten van nu, zal het weldrakomend werk den stempel dragen van een heerlijke waardigheid.
Heden verwezenlijkt Walter Crane dat type van den kunstenaar die ons allen reeds voorbij is & met gezag den weg toont. De Engelsche meester brengt in toepassing die waarheid ons geleerd door Kropotkine: ‘De Kunst, om zich te ontwikkelen, moet verbonden aan de nijverheid door duizenden tusschenliggende graden, zóó, dat ze bijna ineensmelten.’
En 't is een ongelukkig verzuim, - dat het propaganda-karakter ver-
mindert van 't salonnetje dat de XX, navolgend wat men deed te Antwerpen in het eerste salon van de ‘Association pour l'Art.’ (Mei 92), hebben gewijd aan de kunstindustrieën, - dat ze niet anzochten de aanwezigheid van den meester.
Henry van de Velde.
