
Toen die dichter - dit geschiedde in een ver land, onder gestarnten die we nooit zagen; & kunstenaars in lange gewaad waren langs alle wegen gekomen naar dien allerlaatsten avond - toen die dichter eindelijk aan 't sterven ging, na een normaal leugenachtig & troebel leven, lichtte 't plots in hem open - een nogal ontrustende ontdekking - dat hij, van zijn jeugd as, alleen zijn eigen schim was geweest!
Want, zoo zijn beklaaglijk lijf nu uitgestrekt lag in de definitieve horizontaalheid, & hij reeds vóór zijn strakke oogen meende te zien doorschemeren het groot Aangezicht der geheimenis die zich oprichtte achter dézen allerlaatsten avond, was in ééns de verlapte plunje van zijn nietig wereldsch leven afgerukt geweest, & zijn geheel kind-zijn, naakt & puur, in hem losgebroken met zijn tranen. Het was als een nieuw leven dat alles vastgrifte in klare zekerheid. Hij had begrepen... En in éénen ach! zwaarmoedigen blik saampakkend de weeke & bleeke dichters in lange gewaad die om de doodsponde wachtten stilzwijgend - egotisten, psychologen, sensitivisten, symbolisten, mystici - somde hij de bankroetjes of van zijn ijdele schijn-ikheid.
O lang weggewischte jeugd! o klare & eenvoudige, als vreugde van planten & jonge boomen, & het leven gansch & alleen gevoel, & niet slechts sentiment of verstand, maar volgen den rythmus der natuur,
het gehééle leven, eer zijn alles, zijn ziel, zijn mysterie zich verdeeld had & verduisterd in de stof! O nooit bedrogene & zuivere oogen, die kalm rusten in 't onbewuste!...
En tot de weeke & bleeke dichters sprak hij in metriesch proza, met eene stem ad hoc:
‘Eerst is ontstaan het bewustzijn, gesplitst uit mijn zelf, & heeft me geleerd te beschouwen de dingen als buiten mij zijnde, & al wat ik voelde & wilde & dacht als afzonderlijk zijnde, op elkaar reageerend.
Ontleding heeft mijn eenheid gescheiden in duizenden op elkaar reageerende deeltjes. En het verlies van de intuïtie & het Gevoel was het verlies mijner entiteit.
En nu, nu alleen, besef ik dat mijn ik, mijn eenheid, mijn ziel, finds heel lang dood was, en niets anders geweest dan mijn saamgeraapte gedachtetjes over mijzelf!’
De dichters wier tegenwoordigheid dezen definitieven avond opluisterde bekeken elkaar, en dachten: ‘Dit is verdoèmbaar Hegeliaansch’, & eenigen fluisterden: ‘Hij is reeds ver, hij is elders.’ Maar hij sprak voort:
‘Hoedt u voor de woorden, os de woorden zullen uw ergste vijanden zijn.
Want met mijn ziel is me ontsnapt mijn eigene al-waarheid. Honderden & honderden kleine afzonderlijke waarheden moest ik leeren. En die aangeleerde symbolen, die doode woorden die 'k buiten mij greep, zijn in me vleesch geworden, & hebben mijn eigene gedachtetjes vervangen. Dàt vertureluurde nogmeer de stukjes & brokjes van mijn monsterachtig Ik.
Maar zelfs in het huisje opgebouwd met het afgebrokkeld puin der vergeten waarheid is men niet veilig tegen 't absolute. En mijzelf zou ik buiten mij zoeken.
Wanneer door kunst-herinneringen een nieuwe schijn-wereld om me was geschapen, wanneer ik alles zag - laatste raffinement der oer-zonde! - dóór gelezen boeken of beschouwde schilderijen, wanneer ik, voortaan
onbekwaam het onvermengd spontaan Gevoel in mij te laten opbreken, het eenvoudige & alles-zeggende Woord mijner godheid had verloren, toen werd ik artist.
En daar de tijden al verzadigd waren met literatuur, ontdekte ik na veel zoeken de uitzondering in mij, het haast-onnaspeurbaar-klein deeltje dat niet te vinden was bij wie nevens mij in éénzelfde kamer der levens-kazerne sliepen. Dat uitzonderingetje deed ik opgroeien in een broeikas, & begoot het met liefde als een zeldzaam plantje...
En gij hebt dat genoemd het individualisme. En dat doodde op afdoende wijs het weinig overblijvende van mijn individualiteit.’
Een gemurmel, & de bleeke & weeke dichters bekeken elkaar vreemd aan met linksch meêlijden. Maar de individualist die onder den greep des doods zijn ik herwonnen had, wilde voortspreken, & werd profetischincoherent in dien epochmakenden avond:
‘O kind-zijn, zalige intuitie, de gehééle ikheid!... Et tout le reste est littérature!... Mijn zonderlinge & subtiel-schrale boeken hebt ge mooi gevonden! En zal u dan allen de ziekte besmetten? Mooi!... O leugens, & pirouetten van houten poppen, puffisme, wassen-beelden-panopticum, blikkerend gekleurde glassnuisterijen voor wilden-horden!... Liebig van rastaquouerisme!... Maar ge zijt allen als dooden!...’
Hij zag, ze begrepen hem nietmeer, & de meesten fluisterden: ‘Hij is reeds ver, hij is elders.’ En hij liet zijn hoofd achterovervallen, opgeving van alle pogen, laatste renunciatie vóór wat komen ging.
Want hij wift nu dat deze geslachten niet meer te redden waren, dat zij hun gehééle ziel niet kónden herwinnen. Op het achterdoek zijner in-extremis-helderheid kwamen de doodsangsten een visioen doorduisteren, schrikkelijker dan de gehenna van Snorri, dan de vernieling van Gog & Magog.
Ja, hij zag het nu wel, dat met de snelheid der typhusachtige koorts het veelarmig Gedrocht van artisterij overal de kunst versmachten zou, & dat al
wie literatuurtje-spelen, de vertegenwoordigers van een langvergeten ik, de ongehoorde maar onbetwistbaar oorspronkelijke snobs dezer tijden, koralen ter eere van 't individualistifch dogma gingen afwisselen met het wierookschommelen, o ijdelheid! vóór de ark hunner kleine uitzondering, & kruispassen slaan op de gespannen koord tusschen circulairen waanzin & delirium acutum, - tot zij de laatste herinneringetjes hunner gefragmenteerde zieltjes zoo onuitsprekelijk byzantijnsch gingen uitrafelen, dat zij als een geurtje in lucht & ijlheid zouden vervliegen...
Dit was het einde. En de dichter keerde het aangezicht naar den wand om rustiger te sterven, & weende, stilzwijgend.
Want heel bepaald wist hij nu, dat degene zou worden gesteenigd die komen zou om te zeggen zij geheel-en-gansche oorsprongreine ziel, - & zich aan 't volk toonen, zuiver van alle dilettantisme, & moedig genoeg om eens zonder het minste ‘talent’ te schrijven.
Victor Lieber.
