[p. 19]
origineel
Verzen.
'k Ben vreemd te moede... er vlot iets om me henen
als grauwe mistlucht in Novemberlanen
.
'k Ben droef te moede als een, de borst vol tranen
met 't naar gevoel van nimmermeer te weenen
.
'k Ben laf te moede... o! klaar in 't leven lezen!
O! nimmer zich met mannenkracht omgorden!
O! klaar besef van kunnen-zijn en toch-niet-wezen
,
van willen-zijn en toch-niet-willen worden
...
Van op den grond der zee reikhalzend stijgen
en snakken naar de lucht, het licht, het leven
,
en aan der wanhoop ijskorst blijven kleven:
daar, aâmloos, tusschen leven, sterven hijgen
..
'k Ben droef te moede als een, de borst vol tranen
met 't naar gevoel van nimmermeer te weenen
...
[p. 20]
origineel
Mijn hart klopt hoorbaar in den zwarten toren
,
boven de straten en haar dof gerucht
,
en 't hijgt, in zwenkende en geknotte vlucht
en klaagt in klamme duisternis verloren
...
Mijn harte weeklaagt in den zwarten toren
,
al zijne smarten in de jammerlucht
uitweenend in een langen stervenszucht
,
en steeds tot nieuwe jammerklacht herboren
.
Hoor! 't is mijn hart, dat zij te morzel trekken
,
dat, afgebeuld door 't pijnlijk vezelrekken
,
in d' eeuwgen nood der aarde om deernis schreit
,
en boven hen, die 't martlen, hoog verheven
,
hoog boven menschenlust en vreugdeleven
,
zijn zwaren rouwmoed langs de steden spreidt
.
[p. 21]
origineel
'k Heb u in smert gebaard en toch omvangen
met dubble vreugde, u aan mijn levensgloed
verwarmd, als telgjes nòg zoo blij begroet
,
hoe wranger pijn den moederschoot mocht prangen
.
'k Heb u met liefde omgeven, u gevoed
door 't rustloos zwoegen van mijn zielsverlangen
,
de bleekheid van uw wassig weeke wangen
met 't rood dooraderd van mijn hertebloed
.
Waarom, wen al mijn geestdrift in u gloeide
,
wen heel mijn leven in uw leven vloeide
,
in u mijn innigst wezen overging
,
waarom, den strakken blik vol hooploos smachten
,
omvat ge me eeuwig in uw bleeken kring
,
o kindren van mijn ziel, - o mijn gedachten?
[p. 22]
origineel
En 'k sprak:
O! voer mij ver, heel ver van de aarde
,
waar nooit de mensch zijn dorre stelsels baarde
,
de pijl der denkkracht brak op onvermogen;
-
waar 't maagdlijke onbekende, vóór mijne oogen
vreemd glanze als 't exotieke zonnebranden
op wijd ontwaarde en onbereikbre stranden;
-
subtiele vergezichten van gedachten
,
én vorm én kleur steeds van mijn sehnend trachten
,
en weerglans van mijn vluchtigste gepeinzen
,
in ideale lijnen lokkend deinzen
,
en immer nieuw en toch dezelfde tevens
,
bestendig wislen als het doel eens levens
in 't wislen toch gestuwd naar 't zeker einde
.
O ginds mijn' droom voortdroomen tot dàt einde
.
Prosper Van Langendonck
.