
DEN HEER J.F. MORAAZ: ANTWOORD OP ZIJNE BEOORDEELING VAN ‘JOHANNES VIATOR’. - Ik dank u, Wel Edele Heer, voor de toezending van uw stuk in het tijdschrift ‘Van Nu en Straks.’ Ik ben u voor 't stuk zelf dankbaar, als voor de eerste waardige en respectabele uiting der antipathie die mijn werk, vooral onder de jongeren, schijnt teweeggebracht te hebben, en waarvan mij tot nog toe slechts op onvoldoende wijze kennis is gegeven.
Van u mag ik dus zeker een wèl verstaan en een ruim opnemen der volgende opmerkingen verwachten.
Daar gij onder die jongeren verkeert, is u het bedoelde verschijnsel - de antipathie - zeker welbekend. Gij hebt zonder twijfel ook opgemerkt hoe de motieven die elk er voor zoekt, verschillen, en ge hebt getracht in uw stukje de eigenlijke beteekenis ervan saamvattend te formuleeren. Maar het is u toch niet gelukt mij den bevredigenden indruk te geven dat het nu gezegd is. Het staat nog altijd meer achter uw woorden dan er in.
Na al het ondervondene, doet mij zeer weldadig aan, de met uw afkeuring samengaande ruimte van appreciatie. Voor u is maar weinig, zooals voor zooveel anderen, prijzers en lakers, blind-en-dood-verloren gegaan. Maar toch essentieele dingen zijn u ontsnapt, en het is mij een bewijs van uw verdienste dat dit, in een zoo kort stukje, bijna nauwkeurig uitkomt. Uw eigen woorden concentreeren zich er op en maken gemakkelijk antwoord en begrip.
Vooreerst dit: het woord filosofie, naar de gewone kracht van dezen term, onderstelt een theorie. Nu is er in mijn Boek geen theorie. Er is slechts beelding van sentimenten. Men kan nu hierbij wel van wijsgeerige
sentimenten spreken, aanduidend dat zij naderen tot die welke de wijsbegeerte betheoretiseert. Maar men kan ze niet beoordeelen zooals men een wijsgeerig betoog zou doen. Er is geen kwestie van logisch of onlogisch, maar slechts van schoon of leelijk, al of niet wèl gebeeld. De samenhang van 't geheel is niet een redekunstige, maar een artistiek-harmonische.
Nu hebt gij wel niet getracht, zooals sommige booze en dwaze menchen deden, onlogische dingen aan te toonen, maar gij gebruikt niettemin uitdrukkingen als: resultante van filosofifche beschouwingen - iets eindelijk bereikts waarmeê men alleen rekening behoeft te houden, - uitdrukkin gen die eene voor dit werk geheel inadaequate gezindheid aantoonen. Er is niets in wat de resultante kan heeten van de rest, of wat iets anders overbodig maakt. Eenvoudig omdat het de beelding is van een groei, de fixatie in onbewegelijke taal van wat leefde en bewoog, de projectie in het onmiddelijke van wat in opvolging van tijd bestond.
Ook uw wijze van citeeren toont de bedoelde ongeweschte gezindheid. Gij citeert zooals men alleen een betoog citeeren mag, met kleine veranderingen van constructie, tusschenvoeging van een substantief waar in 't origineel het voornaamwoord stond, zelfs met een onjuist woord (‘groot’ i.p.v. ‘snood’) en met een andere achterelkaarvolging. Dit nu hinderde mij, eerlijk gezegd, geducht, en verlamde voor mij de kracht der zinnen ten eenenmale. Daar ik in u genoeg bemerk het respect dat elk fijnvoelend man voor het eerlijk werk van een kunstenaar heeft, kan ik dit alleen aan misverstand toeschrijven. Met een vers zoudt ge 't stellig niet hebben gedaan. Welnu, wijsgeerig of niet, tegen de geringste misvorming is dit werk evenmin bestand als een vers.
Maar uw onbetwist recht is het, een der uitgedrukte sentimenten, zooals gij doet, te vergelijken met een overeenkomstig sentiment bij Zola, en te zeggen: dit laatste is mooier. Maar hierbij nu mis ik voldoende aanduiding van uw kant dat gij dat speciale waardoor die sentimenten zich onderscheiden hebt gevoeld.
Het is niet onnatuurlijk dat ik thans vervolgd word met de namen van juist die schrijvers die ik vond dat mij te weinig gaven in plaats van te veel, - maar het is niet heel overtuigend voor mij.
Zou ik de schoonheid van datgene niet begrijpen wat Zola wil uitdrukken in die woorden uit: ‘la Faute de l'abbé Mouret’?
Zou ik niet kennen het oude beeld van 't menschenleven dat is God's zijn en de paring die is de scheppings-daad daarin?
Of ik, maar die schoonheid is mij hier niet diep en compact genoeg gezegd, en dat beeld is mij hier niet verheven genoeg gedacht.
Ziet gij niet dat Zola's woorden oppervlakkig zijn? Het sentiment is daar bedacht in de meesleping der situatie, het deed daar goed als een glans-toetsje in 't boek. Het is niet een sterke concentratie van gevoelde wijsheid, een machtig harmoniseerend samenpakken en in woorden tot onbeweeglijkheid sperrend al het denkbaar gevoelde met vasten greep. Er zit de kleine vreugde in van een vondst, zooals de romanschrijver ze beleeft, die zich personifieert met zijn figuren en zich verwondert over de fraaie dingen die hij vinden moet. Het is bedenksel. Is dat groote vreugde, die gelegenheid heeft zich te verheugen over het ‘trouver logiquement pas à pas’? Dat is de verheugenis van vóór de schrijftafel, over een verrassende gedachtevondst, geen heilige emotie.
En wij weten allen wel dat Zola de groote wijsheid niet waarlijk machtig is die hij daar te kennen geeft. Waar is in zijn werken de sereniteit die alleen harmonieeren kan met de hier betuigde volmaakte onschuld? Onschuld die christen noch heiden gekend heeft, die alleen in Eden was voor den val, en die ook in zijn Paradou niet blijven mocht? Sprak hij niet van ‘la faute’?
Zal Zola het zijn die ons Paulus en Augustinus doet vergeten? Zijn het zijn donkere, zware, moeie boeken, waarvoor het donkere en geheimvolle dogma der kerk, van 't vleesch, in licht en ijlheid zal opgaan?
Het door Zola gezegde is een waarheid, maar een onvolledige. De
uitdrukking van Paulus dat ‘het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God’ is evenzeer een waarheid. Eer gij nu iemand ‘inferieur’ moogt noemen aan eene wijsheid, moet gij zeker weten dat hij die wijsheid niet heeft kunnen bereiken. Want wie zegt u, dat hij niet, deze wijsheid kennende, ze uit vrije keuze voorbijgaat omdat ze hem niet volledig schijnt, en hij eene nog diepere zocht waaraan gijzelf inferieur zijt? Nooit heeft een dergelijke verklaring kracht, als men niet met meesterschap naast elkander weet te stellen de dingen die men meet en weegt.
De periode van Zola is een zeer fraaie periode, maar een roman-zin. Het is geen poesie. Hem, in wien het sentiment sterk en levend is, geeft ze geen bevrediging. Veel schooner is de taalbeelding er van in ‘the Revolt of Islam’, Canto sixth, XXXV, XXXVI en XXXVII, - of nog schooner, want fijner, in ‘Mei’ pag. 145 en 146, beginnende:
‘Toen wordt het schemering en avondgroen’.
Hierbij is Zola plat en grof, want hij spreekt in een gewoon redeneerend auteurs-idioom over veel te gewijde dingen. En mij wordt dit voorgehouden om tegen óp te zien!
Ik houd niet van uitleg geven en ik drink al zooveel bitter misverstand dat ik het bijna niet meer proef. Twee aanwijzingen mogen volstaan:
1o De toon, de stemming, de ideëenkleur van het eerste hoofdstuk van den zevenden dag, drukt uit de verheerlijking van de daad, er na. Elk andere wijze scheen mij grof. Wat de lieden zoo vaag noemen was mij met het oog op de dingen zelf, nog te hard, te scherp.
2o Het woord ‘offer’ is het eenige woord dat kon uitdrukken ons weten, dat wij hartstocht zijn, maar God niet.
Nu uw laatste opmerkingen. Deze raken aan het eigenlijke wezen der verbittering en ergernis die mijn werk gewekt heeft. Dit vond ik bij anderen terug, maar niet zoo bezadigd uitgedrukt.
Mijn werk is niet meer dogma dan een schilderij of standbeeld het is. Mijn hoovaardij is niet grooter dan die van alle dichters, mijn prediken is het
prediken van elk lyrisch poëet. Het schijnt alles zoo anders omdat ik andere stemmingen beeld, dan onze tijd, die zeer dogmatisch is, gedoogt. Ik deed wat mij 't natuurlijkst was, en in waarheid niet anders dan elk artiest: beelden en geven wat hij 't beste heeft.
Waarom ergert nu mijn verkondigen de jongeren zoozeer, terwijl zij van anderen trots en echte zelfverheffing verdroegen in een mate waarin die zeker bij mij niet gevonden wordt?
De redenen zijn gecompliceerd, maar één er van schuilt in uw woorden, dat ik niet sprak voor ‘goed geweten sympatieken’.
Uw betoog met den breeden aanhef wordt maar slecht geschraagd door dat dunne tusschenzinnetje aan 't eind. Als mijn publiek uit ‘goed geweten sympatieken’ bestond, was het dan ongeschreven gebleven?
Is het u niet opgevallen dat het juist een essentieel deel van mijn religie is, geen onderscheid te maken tusschen ‘goed geweten sympatieken’ en ongeweten antipatieken?
Noemt ge dat orthodoxie? Integendeel, het is ketterij. Het gevoel van ergernis tegen mij is verwant aan dat der ketterjagers, aan dat van 't schrikbewind. Ik was altijd een ‘suspecte’ in de revolutie, ik heulde met de ci-devants. Ik deed niet zoo ronduit mêe aan de illusie dat de wereld vol laag canaille is met enkele, zeer enkele echte menschen, de artiesten, geschaard om Nieuwe Gids en Mercure de France.
En gij hebt niet, zooals gij bedoeldet, mijn dogmatiek bewezen, maar de uwe. Want geen zoo kras dogma zult gij bij mij vinden als het uwe: dat praten over en verkondigen van een bepaald schoon - behalve met goed geweten sympatieken - pretentie is.
Dit is dogmatiek want het is gezag. Iets, geheel vreemd aan mijn woorden of gevoelens. Ik beeldde mijn eigen zielsdingen, - maar gij zoudt mij willen dwingen, alleen omdat gij dat zoo meent, niet te gehoorzamen aan dat wat ik in mij als 't beste erken.
Laat mij een woord van Walter Scott tegen u mogen gebruiken. Hij
zei het tegen zijn dochter en ik vraag voor het vaderlijk accent er van uwe verontschuldiging:
‘When you have come to age, my dear, you will thank God that everything which is supremely precious is common.’
Met de meeste hoogachting,
Bussum, 15 juni 93
F. Van Eeden.
