[p. 21]
origineel
[Sonnetten]
De zee is ruischende, ruischende in den nacht
,
Donkre ademen, sombere rythmen zacht
,
Bange deiningen, droef, en ver bevende;
Boven 't vage licht in droom zwevende
.
Rusteloos ruischen de deiningen, eind'loos rein
,
Samen sidderen de bevende klanken;
Golven gebaren snikkende, de blanke
,
Biddende omhoog, om in 't licht te zijn
.
Zóó, met deiningen eind'loos van droeve baren
,
Komt in dit donker leven aangevaren
Mijn ziel, die is droefruischende in den nacht
,
Dien nacht, om haar reinkuische licht gebracht
,
Zóó opsnikkende, biddende droef uit
Om Licht, met zacht, donkerruischend geluid
.
[p. 22]
origineel
Zoo zacht, zoo zachtruischende als een stroom
,
Rein, en zoo klaar, en zoo kalm-spiegelend
...
Puur als blanke wateren, en wiegelend
Meêdeinend Licht, als een bevende droom
...
Zoo kuisch en tevreê, zoo welgebeden vroom
,
Ons Leven in Liefde, mijn ziel spiegelend
Hâár ziel, en zóó zacht wiegelend
Omhoog, dat het Eeuwige Godslicht koom'
...
Maar zoo onbewust nog, zoo peinzend, met vragen:
Wáár zal de reine stroom eenmaal verkwijnen
,
Wáár zal mijn droom in 't Eindeloos verdwijnen?
Rusteloos ruischende, naar horizon
,
Als deinende zee naar de reine zon
,
Mijn Ziel droomend naar 't verre Lichte-dagen
...
Henri Borel
.