[p. 23]
origineel
[Menschen]
Menschen
.
Naar dien vergevingsdag die nooit verscheen
,
gaan zij in 't pijnlijk gloren van hun droomen
.
Het noodlot heeft hun hoop de hand genomen
,
en 't hopen stil vergaat in droef geween
.
Hun ziel heeft nooit een blijen zang vernomen
,
en 't wee staat in hun mensch-zijn diep gesnêen;
ontheiligd is hun geest van 't moede komen
,
van 't machtloos vliên, door 't ruim van hun verlêen
.
En nu, na al de rampen die hen snoeren
,
nog grijpen zij naar 't sneeuwig-wit Geluk
,
die hooge rots in hun meêwarig lot
.
Eén wensch in 't lage leven dat zij voeren
:
‘
o Willen, plechtig, gaan door 't levensjuk
,
om, met hun ziel, zich te ankren aan hun God!
’
[p. 24]
origineel
Zielszucht
.
o Vluchten naar den verren gang der tijden
,
het leven rukken uit zijn aardsche banden
,
het vol van liefde aan zijnen schepper wijden
en op het altaar van zijn God verbranden
.
Uw dagen, kind, deed heel mijn zijn ontwijden
,
toen 'k opleefde in het maagd-zijn uwer handen;
mijn Schoonheid, kind, die in uw weelde blijdde
,
moest ik, voor u, in de eindloosheid verpanden!
Want kon 'k in 't Hooge schittren op mijn wegen
,
zoolang de wereld-mensch in mij moest leven
,
en 't hoofd deed neigen naar dees droevige aarde?
En waarom heeft uw liefde niet gezwegen
,
toen mij uw woord niet meer den glans kon geven
,
dien ik, tot diadeem, op 't hoofd vergaarde?
Victor de Meyere.