terug  begin  verderprepost
[p. 29]origineel


illustratie

Eenig gekapt stroo over de ontwikkelde lui.

Ontwikkelde menschen, voor u wil ik heden wat schrijven. Het is waarachtig geen edel werk maar uw zaagje van de ‘genietbare’ literatuur wordt sarrend; we ontmoeten nu overal, langs de kolommen van ons bladen, om alle hoeken van ons tijdschriften, uw wijs gelaat, - en uw verwaand getruut, uw soliede onwetendheid, uw joviale bekrompenheid worden te luidruchtig. Daarom deze moedwillige gedachtetjes.

De ontwikkelde menschen zijn het allerverst afgelegen van de Kunst. Zij hebben niets gemeens met de Kunst.

We leven onder zoo'n oceaan van leugen, dat we haast de leugens voor waarheid houden. Als ontwikkelde lui hunnen mond openen, ontrollen daaruit lange linten van leugens of afgeleefde maffe waarheden. Zij hebben al den poespas van den modernen geest opgeraapt. Zij zijn de veelwetende pontifices, zeker en gerust vastgeankerd in de maatschappij van nu, de snullig en tevreden glimlachende mufflissten, die natuurlijk, organisch, leven in wat Flaubert eens noemde ‘la charognerie contemporaine’. De leugens hebben onder u gewoond, ontwikkelde menschjes: gij zijt niet vrij; gij zijt de vleeschgeworden Leugen. Gij hebt niets te maken met Kunst. Die monsterachtige ketterij: het officiëel onderwijs (programmas, wet, plak, enz.) heeft die onderwijzerszieltjes voortgebracht; het onderwijs heeft de personaliteit verwurgd, al het jonge dat op eigen beenen loopt overrompeld. het eigen-geziene en eigen-gevoelde, al het levend-gedachte dat opbot in een kindergeest verpletterd (want een waarheid is noodlottig een opstand in onzen tijd). En de ontwikkelde menschen zijn wijs, want zij kennen het mysterie niet meer. Cultuurmenschjes, dit zou 'k u in de ooren willen knoopen, en in het brein willen spijkeren: gij zijt de

[p. 30]origineel

rationalistische hoogepriesters der makke mediocratie, die zich het recht gelooven over alles te spreken zonder iets grondig te kennen. Gij hebt noties van een heeleboel dingen, maar het Eénige dat ge moest weten weet ge niet meer. Dat heeft u verwijderd van de Kunst. Gij hebt niets te maken met de Kunst.

Zij hebben steeds den mond vol met woorden als Waarheid, Natuur, Natuurlijkheid, en wat weet ik al. Lieve God! zij zijn wel de onnatuurlijkste voorbrengselen van het Groot Absurde. In hun geest groeien al de vieze kromme knollige woekerplanten der conventies, de malsche en vetvleezige cactussen der gemeenerede-waarheden, de gore en garstig-riekende zwammen der clichés; uit de melaatsche en vochtige fonguskorst der dogmata, kruipen de ontelbare leugens omvangen en omrankt door het viltkruid der formules. En overal slingeren rond de lianen der gemeenplaatsen, en ziehier eindelijk, sponsachtig, wrattig, knobbelig, loodsbleek, stinkend, netelig en puistig, het geslacht der ontelbare en veelvoudige vooroordeelen.

In hen is het natuurlijk Gevoel dood, zij hebben den zin verloren van het Ware. Voor hen is het Ware: het aangenomene, de conventie, - en slechts dat is natuurlijk, waaraan zij gewoon zijn.

Het verkrachten der overlevering is een heiligschennis. Als zij iets ongewoons zien, dan lachen ze. Poovere sullen!

Wat zij kunst noemen is het allerblindste realisme, of - als ze zéér ontwikkeld zijn - de artisterij der aanwoekerende dilettanti en decadenten. Wie nog puur ziet met kinderoogen, en de fijnste, grondigste gevoelens weergeeft rechtstreeks en natuurlijk, wie in den volsten zin van 't woord een Mensch is, die blijft een apocalupsis.

Het is juist omdat wij een natuurlijke, ware, frisch-gezonde Kunst willen dat wij u herhalen, o ontwikkelde bruten: gij hebt niets te maken met de Kunst. Er bestdaat een slag van ontwikkelde menschen - de gevaarlijkste! - die steeds toegevend meêloopen, en zij sukkelen de voorhoede achterna van al wie hardnekkig strijden willen om de levende Kunst (die houding komt

[p. *1]origineel



illustratie

[p. 31]origineel

soms overeen met tamelijk utilitaire begrippen). Die, toonen een genegenheid voor het ‘moderne’, vinden het buitengewone ‘interessant’; ja, van tijd tot tijd zelfs gelooven ze dat het hun plicht is, geestdristig te schijnen. Maar dan is 't als een oud karkasachtig huurkoetspaard dat - herinnering aan frissche en vlugge jeugd! - dartellustig den wind opsnuift, (van waar komt hij?) en vooruit hossebost en tien meter verder blijft stilstaan, lendenlam en deerlijk hijgend.

Neen, wanneer ze zich eens laten meêsleuren, dan is hun geestdrift als een lucifertje dat dadelijk uitbrandt. En nooit zie ik in hen een meedogenloozen, onwrikbaren haat voor al het middelmatige. Zij staan oneindig ver van de Kunst. Alles rond hen en in hen is middelmatig. Wij kennen de slutse boeken die ze aanprijzen, het schandalig tooneel dat ze ophemelen. Zij zijn middelmatig in theorie en in praktijk, middelmatig in hun aesthetiek, walgelijk middelmatig in hun deugd en in hun weeke verdrietige ondeugd. Zij zijn groot noch voor het goede noch voor het kwade. En, wat zij ook mogen beweren, zij hebben geen eerbied voor de hooge Kunst. Zij zijn vooral ‘badauds’, die op de groote weegen der literatuur rondgapen. Ze meten met dezelfde maat Vondel en de December- revues der kleine schouwburgen. Gij, o ontwikkelden, eerbied voor de hooge Kunst? Komt, bekent toch dat de kanaljerie der politiek u meer aanlokt. Gij leeft dagelijks dezelfde couranten als het gespuis. Verwijdert u van de Kunst.

Gij leeft in een andere wereld dan de Dichters, indien het wel leven mag heeten, het bestaan van wie niet verlangt maar het eeuwige. Gij hebt misschien geleefd in een ver weleer, maar met iederen stond gaat ge wat meer dood. Uw woorden klinken een oogenblik in uw schijnwereld, en daarna? Wind blaast door doode boomen, de takken bewegen en schijnen te leven, éen ongenblik; tallooze stappen gaan met verward geritsel door dorre blâren, en 't geluid sterft uit, en dan is alles weer vergeten.

Uw woorden ontmoeten nooit de woorden van de Dichters. Zij leven niet in het hooge, het eenige leven, zij zijn doode woorden; en gij allen, gij

[p. 32]origineel

zijt dooden. Gij zijt de menigte waarvan Mallarmé eens zij: ‘Elle aura, dans tous les sens de la fureur, exaspéré sa médiocrité, sans jamais revenir à autre chose qu'à du néant central.’ Gij zijt de zeggers van 't nuttelooze, de makers van Niet.

En voor u, o ontwikkelde lui, zou de kunstenaar moeten spreken! Ziet, eerlijk gesproken: indien ik niet schreef een weinig voor mezelven, en ook om de Kunst in haar eigen, om het Schoone, het Opperste Geheim in zichzelf genomen, - indien ik niet schreef zooals anderen bidden, - dan zou 'k toch nog liever schrijven voor 't volk, de intuïtieve zielen, de barre breinen, de nederigen, de kinderen.

15 Januari 94.

 

Victor Lieber.



illustratie

prepostterug  begin  verder