
Musschien kunnen mijn gedachten eenige begrippen opwekken en tot bewustheid brengen in geesten, die daarna hun eigen waarheid mochten ontdekken. Deze min of meer wijsgeerige beschouwingen beroemen zich niet op meer onfeilbaarheid dan welke filosofie ook. Slechts haar negatieve zijde heeft onmiddellijk, voor anderen, een practische waarde: spreken van een nieuw ideaal doel meldt de verloochening der pseudo-idealen onzer moderne kunst.
De kunst die komt - gemeenschapskunst? De beteekenis van deze uitdrukking heeft men tamelijk verminkt, maar een passender woord vind ik niet - de kunst die komt is zeker niet af te lijnen in vaste omtrekken. Maar mag het niet vergeven worden dat wij, die nauw ademen in de moerassenlucht dezer tijden, droomen gaan van blijde en lichtrijke landen, die daar ergens te veroveren liggen, aan de horizonnen van onze eeuw? Droomen... En toch weten we dat die droomen niet gansch illusie zijn: wij durven spreken van een nieuwe kunst, omdat wij een nieuw leven zien beginnen. Een goede kunst groeit alleen uit een goed leven; de kunst is een organisme dat natuurlijk, noodzakelijk ontstaat uit den samenhang der algemeene bedingen, uit dat eeuwig en alles-omvattende organisme dat het leven heet. ‘Planten kweekt men aan den wortel, schrijft Jan Veth, en niet de losse bloem kan men stekken. En de wortel van een welgekonstrueerde kunst kan alleen een wel-gefundeerd leven zijn.’ Maar Veth schijnt heel de uitge-gebreidheid van het vraagpunt niet te zien, hij is blijven steken bij het
utilitair gezond-verstand van den Engelschman Crane; wanneer hij ons spreekt van een welgefundeerd leven, dan schijnt hij alleen te denken aan een verandering in de oeconomische toestanden der maatschappij. Ik geloof echter dat een nieuwe kunst uit een nieuw leven zal groeien, niet alleen omdat de oeconomische toestanden der maatschappij veranderen gaan, maar omdat zich reeds heel een nieuwe opvatting van 't leven zelf openbaart. En, om dit te herleiden tot één enkele en laatste bepalende rede: nu openbaart zich een nieuwe opvatting van 't leven, omdat zich onder de menschen langzaam gevormd heeft een nieuwe opvatting van God.
Er bestaat een eenheid in den groei der maatschappij, en het determineerend princiep van die eenheid is: het begrip dat de mensch zich maakt van het Mysterie. De Godsidee is de oorspronkelijke beweegkracht der geschiedenis, en alle omwenteling in de maatschappelijke verhoudingen heeft als eenige oorzaak: een wijziging der gedachten over de Geheimenis.
Het nieuw leven zal alleen geboren worden uit een nieuw geloof; van dat nieuw geloof wil ik eerst spreken.
Het heerschend begrip in de vroegere Arysche religies en filosofieën was dat van het zelfstandig wezen, de substantie: God was het kernwezen der wereld, en de wereld zelf het geheel der modaliteiten waardoor God zich ontwikkelde. Maar bij de Semieten was het heerschend begrip meer bepaald dat der oorzaak dan dat der substantie: want voor hen was God de onafhankelijke oorzaak der wereld, een oorzaak gansch afgescheiden van wat zij niet noodzakelijk maar vrijwillig voortgebracht had. Vandaar de verpersoonlijking van God als koning, opperheer, almachtige meester.
Die twee groote opvattingen van de Geheimenis vind ik terug door heel de aaneenschakeling van tijdkringen die de geschiedenis heet. Aan de eene zijde, de willekeurige macht, buiten de wereld, die over de wereld heerscht en op het geschapene werkt. Aan de andere zijde, de Geheimenis als ziel van 't bestaande, de innerlijke, expansieve kracht van actie en reactie, de noodwendigheid die werkt van binnen naar buiten.
De notie van den persoonlijken God, wiens wil zich uitstrekt over de menschen, heeft nu sinds tweeduizend jaar den vorm onzer maatschappijen bepaald. God, uitschrijver eener transcendentale wet, bracht achter zich de wereldlijke hierarchie meê, het verordenenen van 't leven door uiterlijke regels. Het goddelijk gezag en het wereldlijke zijn twee denkbeelden die steeds elkaar bijstonden. Menschen achtten zich de vertegenwoordigers van Godswil op aarde, en meenden voor de anderen de bovenzinnelijke bevelen te moeten uitleggen, zeggend dat dít goed is en dát kwaad, dít veroorloofd en dát stratbaar. Eeuwen lang gingen de menschen gebogen onder wetten, geen wetten die ze zelf in zichzelf gevonden hadden, geen wetten die in nauwe betrekking met hun eigen natuur, en slechts de erkenning waren der vrije ontwikkeling van die natuur, maar wetten die ze van buiten zich aannamen in ootmoedige onderwerping. Zij lieten zich niet over aan den almachtigen innerlijken drang van hun eigenen aard, maar trachtten hun leven te vernauwen, te bedwingen en samen te drukken om het in den vasten vorm van de uiterlijke norm te doen passen. De wet, voorgeschreven door eenigen die het leven van allen willen leiden omdat zij wanen, de sukkelaars! het Leven te kennen, was de eeuwenlange schennis van den grooten heiligen levensrythmus.
In de moderne beschaving heerschten die opvattingen onder de gedaante die ze van de Christelijke Kerk ontvangen hadden. Ik zeg niet Christus, maar de Christelijke Kerk. Misschien, wij weten 't niet, is Christus gekomen om de menschen te leeren dat ze geschapen zijn voor een vrij en vreugdig en zelfbewust bestaan op aarde. Maar het Christendom - de achttien eeuwen die achter onzen rug liggen - heeft de wet van 't leven buiten het leven geplaatst, en daarom moest zijn naam gepaard gaan met dien van despotisme. Het beschouwde de geschiedenis als de verwezenlijking van een goddelijk plan, vastgesteld in de goddelijke voorzienigheid. De stos, de zinlijkheid, was het kwaad, en de mensch zelf een laag en verachtelijk ding, zich steeds tot het kwaad inkrommend, besmet door de erfzonde. De vreugde
die de mensch aan zichzelf moet voelen, waar vindt men ze in die leer van nederigheid en deemoed, negatie van de menschheid, religie voor tamme zieltjes? Moesten dan de menschen niet geperkt worden als een kudde, te zwak om zichzelf te leiden, en blind voortstrompelend tot waar de wil van hoogere geesten heenwees? Het Christendom, dat steunt op den nood der menschen, heeft eeuwen gebogen gehouden onder zijn dogmata en zijn zwaard.
Maar van de Christelijke leer, die hare historische rol vervullen moest, willen wij thans slechts dit onthouden: de liefde voor al wie lijden, en tot het mooie leven op te roepen zijn, - en dan, 't geloof dat ook de smart soms versterkt, en een noodwendigheid kan wezen, dat veel dingen in ons moeten verbrand door het lijden, als wij onzen verzuiverden wil weer hooger willen oprichten. Ja, soms moet men zichzelf kunnen naar onder duwen en breken in de smart, zichzelf verzaken om hooger-op te mogen bloeien. En het schijnt me dat we nu juist, nu dat eeuwen van wee deze rassen verreinen, op het oogenblik staan dat het leven zichzelf zal overweldigen om zich weer hooger uit te spreiden.
Want langzamerhand heeft zich onder het oude afbrokkelend geloof dat nieuwer opgedrongen. Hoewel de wetenschap een negatie van alle geloof wilde wezen in de verwaandheid harer jeugd, zij moest zelf weldra het mysterie erkennen, dat wat niet te noemen is in menschentaal. Maar het begrip van dat mysterie werd verplaatst; God is de immanente noodzakelijkheid geworden, de bezielende kracht die vernielt en schept in eeuwige beweging en eeuwigen groei, de hoogste geheimenis: het Leven, dat, zoowel in de cel als in het heelal der wentelende werelden, een schikking is der elementen, een vorm van organisatie; en het princiep van die organisatie, wat we niet kennen, is de Rythmus van 't Leven, God. Wij zijn, alles is een functie van den Rythmus.
Het is juist omdat ik in God geloof, in de Harmonie zelf der dingen, dat ik slechts de inwendige natuurwet erken, de evolutie die van binnen naar buiten werkt: geloof dat het leven zijn einde in zichzelf heeft, dat men
zich alleen moet laten dragen op den noodzakelijken aandrang van zijn eigenen aard, dat er overeenstemming bestaat in actie en reactie en vrije ontwikkeling aller bewuste en onbewuste natuurlijke krachten.
Zoo ziet elk zijne verhouding tot het heelal door zijnen geest herschapen, en voelt zich op zijne plaats. Wij worden dan geleid tot een volledigend begrip: de opvatting van 't leven als een organisatie leert ons den samenhang van al wat bestaat. Ieder heeft gecoöpereerd tot het opbouwen onzer rijke beschavingen; de oorzaak van allen vooruitgang, hoe gering ook, is te zoeken in de gemeenschap alleen, en geen gedachte werd ooit gebaard zonder de meêwerking van duizenden en duizenden menschen, zonder de meêwerking van heel het verleden en het tegenwoordige. In de samenleving, één machtig organisme dat zichzelf organiseert en door zijn eigene levenskracht voort- en opgroeit, heeft alles wat organisch voortgebracht wordt zijn rede van zijn, alles is in nauw verband, in noodwendig verband met het geheel elk mensch is solidair tot al de andere.
(Wordt voortgezet.)
Gust Vermeylen.
